Het Westen in de eerste eeuw na Christus
Jezus kwam niet naar deze wereld in een tijdperk van spiritueel verval. Integendeel, rond de tijd van zijn geboorte onderging onze wereld een opleving van spiritueel denken en religieus leven zoals in de hele voorgaande geschiedenis niet was voorgekomen, en ook niet meer daarna. Toen Michael zijn leven ging leiden als Jezus op onze wereld, waren de omstandigheden daarvoor gunstiger dan ooit en gunstiger dan later ooit nog is voorgekomen. In de eeuwen vlak voor zijn geboorte hadden de Griekse cultuur en de Griekse taal zich door het Westen en het Nabije Oosten verbreid. De Joden, een Levantijns1 ras dat gedeeltelijk westers en gedeeltelijk oosters van oorsprong was, waren uitstekend toegerust om gebruik te maken van deze omstandigheden van cultuur en taal om in het Oosten en in het Westen doeltreffend een nieuwe religie te kunnen verbreiden. Deze zeer gunstige omstandigheden werden versterkt doordat de Romeinen de Mediterrane wereld op tolerante politieke manier bestuurden. Deze hele combinatie van invloeden in de wereld van die tijd kun je bijvoorbeeld terugvinden in de latere activiteiten van Paulus2. Hij was een Hebreeër onder de Hebreeërs wat betreft zijn religieuze cultuur, maar hij verkondigde het evangelie van een Joodse Messias in de Griekse taal, terwijl hij een Romeins burger was.
De unieke Europese beschaving van die tijd was gebaseerd op drie verschillende invloeden:
- de Romeinse politieke en sociale systemen;
- de Griekse taal en cultuur — en tot op zekere hoogte de filosofie;
- de zich snel verbreidende invloed van Joodse religieuze en morele wijsheid.
Toen Jezus werd geboren was de hele Mediterrane wereld een verenigd rijk. Voor de eerste keer in de geschiedenis van de wereld waren er goede wegen, die veel belangrijke centra met elkaar verbonden. De zeeën waren vrijgemaakt van piraten en een tijdperk van handel en reizen ontwikkelde zich goed en snel. Zo’n periode van reizen en handel zou Europa tot de negentiende eeuw na Christus niet weer beleven.
Ondanks de vrede en de oppervlakkige welvaart van de Grieks-Romeinse wereld, leefde de meerderheid van de inwoners in ellende en armoede. De kleine bovenklasse was rijk, maar het overgrote deel van de bevolking hoorde bij een ongelukkige en verarmde onderklasse. Er bestond geen gelukkige en welvarende middenklasse in die dagen: die begon in de Romeinse samenleving nog maar net te ontstaan.
De eerste worstelingen tussen de zich uitbreidende Romeinse staat en Parthische (Perzische)3 staat waren toen net recent beëindigd. Syrië was daarbij in handen van de Romeinen gekomen. In de tijd van Jezus beleefden Palestina en Syrië een periode van welvaart, betrekkelijke vrede, en uitgebreide handel met de landen in het Oosten en in het Westen.
Terug naar boven
Het Joodse volk
De Joden maakten deel uit van het oudere Semitische4 ras, waartoe ook de Babyloniërs, de Feniciërs, en de Carthagers (recente vijanden van Rome) behoorden. Tijdens de eerste helft van de eerste eeuw na Christus waren de Joden de meest invloedrijke groep van de Semitische volkeren. En zij woonden ook op een buitengewoon strategische plek in de wereld zoals die toen geregeerd werd en georganiseerd was voor de handel.
Veel van de hoofdwegen die de naties uit die tijd verbonden, liepen door Palestina. Dat was daardoor het trefpunt, of kruispunt, van drie continenten. Het reizen, het handelen en de legers van Babylonië, Assyrië, Egypte, Syrië, Griekenland, Parthië en Rome trokken achtereenvolgens door Palestina. Zo lang men zich kon herinneren liepen er al vele karavaan-wegen uit het Oosten door een of ander deel van deze streek, van en naar de paar goede zeehavens aan de oostkust van de Middellandse Zee. Vandaar konden schepen hun lading naar het hele Westelijke zeegebied vervoeren. En meer dan de helft van dit karavaan-verkeer kwam door of vlak langs het kleine stadje Nazareth in Galilea.
Palestina was het thuisland was van de Joodse religieuze cultuur en het geboorteland van het Christendom, maar de Joden waren overal in de wereld te vinden. Ze woonden in vele landstreken en dreven handel in elke provincie van de Romeinse en Parthische staten.
Griekenland leverde een taal en een cultuur. Rome bouwde de wegen en verenigde het rijk. Maar de verspreiding van de Joden zorgde voor de culturele centra waarin het nieuwe evangelie als eerste werd ontvangen. Door die verspreiding van het Joodse volk waren er her en der meer dan tweehonderd synagogen en goed georganiseerde godsdienstige gemeenschappen ontstaan in de hele Romeinse wereld. Daar vandaan kon het nieuwe evangelie zich vervolgens verspreiden naar de verste uithoeken van de aarde.
Elke Joodse synagoge tolereerde een aanhang van niet-Joodse (“gentile”) gelovigen, ‘vrome’ of ‘Godvrezende’ mensen. Het was onder deze aanhang van proselieten (mensen die zichzelf tot de Joodse religie hadden bekeerd) dat Paulus het merendeel van zijn eerste bekeerlingen tot het Christendom vond. Zelfs de tempel in Jeruzalem had een eigen fraaie voor-plaats (voorhof) voor de gentiles, de niet-Joden. De cultuur, de handel en de eredienst van Jeruzalem waren heel nauw verbonden met die in Antiochië. In Antiochië werden de discipelen van Paulus voor het eerst ‘Christenen’ genoemd.
De Joodse tempeldienst was in Jeruzalem gecentraliseerd. Dat was het geheim van het overleven van hun monotheïsme (geloven in ÉÉN God). Maar ook zorgde die centrale plek ervoor dat er een soort kraamkamer was voor een nieuw en wijder begrip van die ene God van alle naties en van die ene Vader van alle stervelingen. Van daaruit kon deze nieuwe en wijdere religie de wereld in gezonden worden. De tempeldienst in Jeruzalem betekende het overleven van een religieus cultureel concept, ook al was er de ene ondergang na de andere van een hele reeks van (niet-Joods-gelovige) overheersers van het Joodse volk en vervolgers van het ras.
Het Joodse volk was in de tijd van Jezus onderworpen aan de Romeinen. Maar het genoot een aanzienlijke mate van zelfbestuur. Met de toen nog recente heldhaftige bevrijdingsstrijd van Judas Maccabeüs8 en zijn directe opvolgers nog vers in het geheugen, leefde het volk vol verwachting van de onmiddellijke verschijning van een nog grotere verlosser, de lang verwachte Messias.
Het geheim van het voortbestaan van Palestina -het koninkrijk van de Joden- als een semi-onafhankelijke staat, was onderdeel van de buitenlandse politiek van de regering in Rome. Die wilde de controle houden over de Palestijnse hoofdverbinding voor het verkeer en reizen tussen Syrië en Egypte, en over de westelijke eindpunten van de karavaan-routes tussen het Oosten en het Westen. Rome wilde niet dat er een andere macht in de Levant zou opstaan die haar eigen toekomstige expansie in deze regio zou kunnen beperken. Rome had een politiek van intriges, die als doel had het Syrië van de Seleuciden in het noorden en het Egypte van de Ptolemeën in het zuiden tegen elkaar op te zetten. Dat maakte het noodzakelijk te zorgen dat Palestina als een aparte, onafhankelijke staat bleef bestaan. De Romeinse politiek, de verzwakking van Egypte, en de ook toenemende verzwakking van de Seleuciden samen met de rijzende macht van Parthië, vormen een verklaring voor het feit dat een kleine, over geringe macht beschikkende groep Joden verscheidene generaties lang in staat was geweest onafhankelijk te blijven. Deze gunstige vrijheid en politieke onafhankelijkheid van de omringende machtiger volken schreven de Joden toe aan het feit dat zij het ‘uitverkoren volk’ waren, dus aan de directe tussenkomst / bescherming van Jahweh9. Deze houding van superioriteit van het Joodse ras maakte het voor hen des te moeilijker de onderwerping aan de Romeinen te verdragen, toen deze uiteindelijk toch over hun land kwam. Maar zelfs op dat treurige moment weigerden de Joden te leren dat hun missie in de wereld van spirituele aard was en niet van politieke aard.
De Joden waren in de tijd van Jezus ongewoon angstig en wantrouwend, omdat ze op dat moment geregeerd werden door een buitenstaander, Herodes de Idumeeër10, die de baas over Judea was geworden doordat hij zich heel slim verzekerd had van de dankbaarheid en gunsten van de Romeinse heersers. En hoewel Herodes net deed alsof hij trouw was aan de Hebreeuwse ceremoniële voorschriften en gebruiken, ging hij toch tempels bouwen voor veel vreemde goden.
De vriendschap tussen Herodes en de Romeinse regeerders maakte de wereld veilig voor Joodse reizigers en maakten dus het mogelijk dat de Joden met het nieuwe evangelie van het koninkrijk van de hemel konden komen zelfs tot in verafgelegen delen van het Romeinse Rijk en naar andere gebieden waarmee de Romeinen een verdrag had afgesloten. Herodes droeg ook veel bij aan een verdere vermenging van de Hebreeuwse en Hellenistische filosofieën.
Herodes legde de haven van Caesarea (Maritima)11 aan, wat er nog meer aan bijdroeg dat Palestina het kruispunt van de wegen van de beschaafde wereld werd. Hij stierf in het jaar 4 v.Chr., en zijn zoon Herodes Antipas12 regeerde over Galilea en Perea13 tijdens de jeugd en het latere werk van Jezus, tot het jaar 39 n. Chr.. Antipas was een groot bouwer, net als zijn vader. Hij herbouwde veel steden van Galilea, waaronder het belangrijke handelscentrum Sepphoris14.
De Galileeërs werden door de religieuze leiders en rabbijnse leraren van Jeruzalem niet heel erg gunstig bekeken. Galilea was meer niet-Joods (gentile) dan Joods toen Jezus werd geboren.
Terug naar boven
Onder de Gentiles
De maatschappelijke en economische omstandigheden in het Romeinse rijk waren niet van het hoogste niveau, maar toch waren de wijd verspreide onderlinge vrede en welvaart gunstig voor de het leven van Jezus. In de eerste eeuw na Christus bestond de samenleving van de Mediterrane wereld uit vijf duidelijk bepaalde lagen:
- De aristocratie. De hoogste klassen met geld en officiële macht, de bevoorrechte groepen die het voor het zeggen hadden.
- De zakelijke klasse: de top-handelaren en de bankiers, de grote importeurs en exporteurs, de internationale kooplieden.
- De (kleine) middenklasse. Deze groep was inderdaad klein, maar zij hadden veel invloed en waren de morele ruggengraat van de vroege Christelijke kerk, die deze groepen aanmoedigde door te gaan met hun verschillende ambachten en vormen van handel. Onder de Joden behoorden vele Farizeeën15 tot deze klasse van handelaars.
- Het vrije proletariaat. Deze groep had weinig of geen maatschappelijk aanzien. Hoewel ze trots waren op hun vrijheid, bevonden ze zich in een zeer nadelige positie omdat ze gedwongen waren te concurreren met slavenarbeid. De hoogste klassen keken op hen neer en vonden hen alleen maar nuttig voor ‘de voortplanting.’
- De slaven. De helft van de bevolking van de Romeinse staat bestond uit slaven. Velen van hen waren superieure individuen en die konden snel opklimmen tot het vrije proletariaat en zelfs tot in de middenklasse. Maar de meerderheid was òf middelmatig òf zeer onontwikkeld.
Slavernij, zelfs het tot slaaf maken van superieure volken, was een normaal verschijnsel bij Romeinse militaire veroveringen. De meester had onvoorwaardelijke macht over zijn slaaf. De vroege Christelijke kerk bestond voornamelijk uit mensen van de lagere klassen en uit deze slaven.
De betere slaven ontvingen vaak loon, en door te sparen konden zij hun vrijheid kopen. Veel van zulke vrij geworden slaven veroverden hoge posities in de staat, de kerk en de zakenwereld. En juist omdat deze mogelijkheden (tot vrij kopen en opklimmen) bestonden, was de vroege Christelijke kerk zo tolerant ten opzichte van deze gematigde vorm van slavernij.
Er bestond geen wijd verspreid sociaal probleem in het Romeinse Rijk gedurende de eerste eeuw na Christus. Het grootste deel van de bevolking zag zichzelf als behorend tot de groep waarin je toevallig geboren was. De deur stond altijd open voor mensen met talent en bekwaamheden om op te klimmen van de laagste tot de hogere lagen van de Romeinse samenleving. Maar de mensen waren in het algemeen tevreden met hun maatschappelijke rang. Ze waren niet klassenbewust en ze vonden ook niet dat deze klassenverschillen onrechtvaardig of verkeerd waren. Het Christendom was op geen enkele manier een economische beweging die zich als doel stelde verbetering te brengen in de ellende van de onderdrukte klassen.
Hoewel de vrouw in het hele Romeinse Rijk meer vrijheid genoot dan in haar ingeperkte positie in Palestina, was de toewijding aan het gezin en de natuurlijke genegenheid onder de Joden veel groter dan in de niet-Joodse wereld.
De filosofie van de gentiles, de niet-Joden
Op het gebied van wat we tegenwoordig ‘waarden en normen’ noemen, stonden de niet-Joden op een iets lager niveau dan de Joden, maar in de harten van de wat hoger ontwikkelde niet-Joden was een rijke voedingsbodem aanwezig voor natuurlijke goedheid en menselijke genegenheid. Daarin kon het zaad van het Christendom later ontkiemen en kon het een overvloedige oogst aan karakter (gebaseerd op ontwikkelde waarden en normen) en spirituele vooruitgang voortbrengen. De niet-Joodse wereld werd in die tijd gedomineerd door vier grote filosofieën, min of meer afgeleid van de eerdere redeneringen van Plato bij de Grieken. Deze filosofische scholen waren:
- De Epicurische school16. Deze school van denken richtte zich vooral op het najagen van geluk. De betere Epicuristen gaven zich niet over aan lichamelijke uitspattingen. Deze leer hielp de Romeinen tenminste om zich te bevrijden van een meer dodelijke vorm van fatalisme: want Epicuristen zeiden dat de mens iets kan doen om verbetering te brengen in zijn aardse staat. Ook bestreden zij doeltreffend allerlei vormen van onwetend bijgeloof. Epicurisme is een vorm van materialisme. Er is een ontkenning van religie, maar ook een algemene aanval op bijgeloof en goddelijke interventie. Genot en plezier worden het enige echte doel van het leven. Maar in die tijd overheerste ook de gedachte dat de afwezigheid van pijn en angst het grootste genot vormt, en er was een pleidooi voor een eenvoudig leven. Dat maakte het heel anders dan het pure hedonisme dat we vandaag veel zien: je leeft maar een keer, dus genieten, voor jezelf, en pakken wat je pakken kan…
- De Stoïsche school. Het Stoïcisme17 was de superieure filosofie van de betere klassen. De Stoïcijnen geloofden dat de hele natuur geregeerd wordt door een rede; dat we onderdeel zijn van een orde, die je natuur of rede of goddelijk kunt noemen. Stoïcijnen zeiden dat de ziel van de mens goddelijk is: dat de ziel gevangen zit in het ‘evil’ lichaam van de materiele natuur. En dat de ziel van de mens vrijheid kan bereiken door in harmonie te leven met de natuur, met God. Het concept van deugen, van deugdelijke dingen doen (‘virtue’) was belangrijk. De stoïcijnen geloofden dat het beoefenen van deugdzaamheid voldoende is om eudaimonia te bereiken: een goed geleefd leven. Je dagelijks leven dient volgens hen gewijd te zijn aan het beoefenen van vier hoofddeugden: voorzichtigheid, standvastigheid, matigheid en rechtvaardigheid – en aan een leven in overeenstemming met de natuur. Als je zo leeft, krijg je daar ook de beloning voor: een goed leven. Het Stoïcisme leidde tot een hoge standaard van normen en waarden, het waren idealen die sindsdien nooit meer zijn overtroffen door een ander puur menselijk filosofisch stelsel. Hoewel de Stoïcijnen verklaarden dat ze ‘de nakomelingen van God’ waren, slaagden zij er niet in Hem te kennen en dus slaagden zij er niet in Hem te vinden. Het Stoïcisme bleef een filosofie: het werd nooit een religie. Stoïcijnen probeerden hun mind af te stemmen op de harmonie van de Universele Mind, maar het lukte ze niet om zichzelf te beschouwen als de kinderen van een liefhebbende Vader. Paulus neigde sterk naar het Stoïcisme toen hij schreef: ‘Ik heb geleerd tevreden te zijn in elke situatie, ongeacht de omstandigheden’. Maar hij voegde wel toe: “Ik kan dit alles doen door Hem die mij kracht geeft.”18
- De Cynische school19. De cynici voerden hun filosofie terug tot Diogenes van Athene20. Vroeger was het Cynisme meer een religie dan een filosofie geweest. En de Cynici maakten hun religie-filosofie tenminste democratisch. In velden en wegen en op de marktpleinen verkondigden ze voortdurend hun leer dat ‘de mens zichzelf kan redden indien hij dit maar wil.’ Ze predikten eenvoud en deugd, en spoorden de mensen aan de dood zonder angst tegemoet te treden. Deze rondtrekkende Cynische predikers droegen er veel aan bij dat het volk, hongerig naar spiritualiteit, klaar was voor de latere komst van de Christelijke zendelingen. Het systeem van hoe de Cynici predikten onder het volk was sterk volgens het patroon en de stijl van de Brieven zoals Paulus die later schreef.
- De Skeptische school21. Het Skepticisme beweerde dat kennis misleidend was, en dat overtuiging en zekerheid onmogelijk waren. Het was een puur negatieve houding en werd nooit erg wijd verspreid.
Deze filosofieën waren half-religieus; ze gaven vaak kracht en waarden/normen en ze werkten veredelend, maar ze gingen voor de gewone mensen vaak te hoog. Het Cynisme misschien uitgezonderd, waren het filosofieën voor de sterken en de wijzen, geen religies van redding voor de armen en de zwakken.
De gentile religies, van de niet-Joden
Gedurende alle voorgaande eeuwen was religie voornamelijk een zaak van de stam of de natie geweest. Het was maar zelden een zaak die de individuele mens aanging. Goden waren stamgoden of nationale goden, en niet persoonlijke goden. Zulke religieuze systemen leverden maar weinig bevrediging op van de persoonlijke spirituele verlangens van de gemiddelde mens.
In de dagen van Jezus bestonden er in het Westen onder andere de volgende religies:
- De heidense culten (Paganisme)22 Deze waren een combinatie van Helleense en Latijnse mythologie, patriottisme en traditie.
- Verering van de keizer23. De Joden en de eerste Christenen hadden een grote afkeer van deze vergoddelijking van een mens die het symbool was van de staat. Dit leidde later rechtstreeks tot de bittere vervolging van beide kerken door de Romeinse regering.
- Astrologie24. Deze pseudo-wetenschap uit Babylon ontwikkelde zich in het gehele Grieks-Romeinse Rijk tot een religie. Zelfs in de (een-en)twintigste eeuw is de mens nog niet geheel bevrijd van dit bijgeloof.
- De mysteriën25. In die spiritueel hongerige wereld van toen was een hele vloedgolf losgebroken van mysteriën, nieuwe, vreemde religies uit de Levant. Bij de gewone mensen waren deze erg geliefd en deze religies beloofden ook individuele redding. Deze religies werden al snel het algemeen aanvaarde geloof van de lagere klassen van de Grieks-Romeinse wereld. En dat deed ook veel om de weg te bereiden voor de snelle verbreiding van de veel meer superieure Christelijke leer. Die bood een majesteitelijk begrip van de Godheid, samen met een boeiende theologie voor de intelligente gelovigen en een diepgaand aanbod van ‘redding voor iedereen’, ook voor de onwetende maar spiritueel hongerige gemiddelde mens van die dagen.
[deleted: mysterien]
Besef van waarden en normen was onder de niet-Joden niet noodzakelijkerwijze met filosofie of religie verbonden. Buiten Palestina kwam het niet altijd bij de mensen op dat een godsdienstig priester een leven volgens hogere waarden en normen zou moeten leiden. De Joodse religie en vervolgens het onderricht van Jezus, en nog later het zich ontwikkelende Christendom van Paulus, waren de eerste Europese religies die ons leerden dat je aandacht moet geven aan “goed” leven, volgens hogere principes, volgens een bepaalde ethiek, volgens beschaafde normen en waarden.
Dus in deze generatie werd Jezus in Palestina geboren. Een generatie van mensen die leefde onder dergelijke onvolledige filosofische stelsels en verward door deze ingewikkelde religieuze culten. En aan deze zelfde generatie gaf hij later zijn evangelie van persoonlijke religie — kind-zijn van en bij God.
De Hebreeuwse godsdienst
Aan het einde van de eerste eeuw voor Christus was het godsdienstig denken in Jeruzalem enorm beïnvloed en ook wat gewijzigd door Griekse culturele leringen en zelfs door de Griekse filosofie. In de lange strijd tussen de gezichtspunten van de oosterse en westerse scholen van het Hebreeuwse denken, kozen Jeruzalem en de rest van het Westen en de Levant in het algemeen voor het Westers-Joodse of wat gewijzigde Hellenistische gezichtspunt (Hellenistisch = Grieks).
In de dagen van Jezus waren er drie talen die overheersten in Palestina: het gewone volk sprak het een of andere dialect van het Aramees27; de priesters en rabbi’s spraken Hebreeuws; en de mensen met goede opleiding en de Joden uit de hogere bevolkingslagen spraken in het algemeen Grieks. De vroege vertaling in Alexandrië28 van de Hebreeuwse geschriften in het Grieks droeg er in niet geringe mate toe bij dat de Griekse stroming in de Joodse cultuur en theologie vervolgens de overhand kreeg. De geschriften van de Christelijke leraren zouden al snel in dezelfde taal, Grieks, het licht zien. De renaissance van het Joodse geloof begint met de Griekse vertaling van de Hebreeuwse geschriften. Die vertaling was een vitale invloed die later ervoor zorgde dat cultus van het Christendom van Paulus zich op het Westen richtte in plaats van op het Oosten.
De hellenistische geloofsopvattingen van de Joden waren maar heel beperkt beïnvloed door de leer van de Epicuristen. Maar de invloed van de filosofie van Plato en de leer van zelfverloochening van de Stoïcijnen was wel heel groot. Die grote invloed van de leer van de Stoïcijnen zien we bijvoorbeeld in het Vierde Boek van de Maccabeeën29. De invloed van de filosofie van Plato en ook van de leer der Stoïcijnen komt ook tot uiting in het boek “Wijsheid van Solomon”30. De hellenistische Joden gaven een allegorische interpretatie aan de Hebreeuwse geschriften, wat betekent dat je verder kijkt dan puur de personen, dingen en gebeurtenissen, maar er een diepere mening of bedoeling achter zoekt. Daardoor konden zij zonder moeite de Hebreeuwse theologie in overeenstemming brengen met de door hen vereerde filosofie van Aristoteles (die ook vaak sprak in verhalen met een diepere bedoeling, een allegorie). Maar dit alles leidde tot een rampzalige verwarring, totdat deze problemen ter hand werden genomen door Philo van Alexandrië31. Philo ging ertoe over om de Griekse filosofie en de Hebreeuwse theologie beter op elkaar af te stemmen en ze allebei in te passen in een tamelijk goed samenhangend stelsel van religieus geloof en religieuze praktijk. En het was deze latere leer, die bestond uit een combinatie van Griekse filosofie en Hebreeuwse theologie, die in Palestina de overhand had toen Jezus leefde en zijn lessen verkondigde. En Paulus gebruikte deze leer als grondslag waarop hij zijn verdergaande en meer verlichtende cultus van het Christendom bouwde.
Philo was een groot leraar; na Mozes had er niemand geleefd die zo’n diepgaande invloed heeft uitgeoefend op het ethische en religieuze denken van de westerse wereld. Als er gelijktijdig verschillende systemen bestaan van ethische en godsdienstige opvattingen, dan zijn er soms leraren die dat kunnen combineren tot één samenhangend geheel. Zo zijn er zeven belangrijke menselijke leraren geweest: Sethard32, Mozes33, Zarathustra34, Lao-Tse35, Boeddha36, Philo en Paulus.
Paulus herkende de vele, doch niet alle, onsamenhangende ideeën van Philo en nam ze wijselijk niet over in zijn voor-Christelijke basis-theologie. Philo’s gebrek aan samenhang, hier en daar, kwam voort uit zijn pogingen om de Griekse mystieke filosofie en de Romeinse Stoïcijnse leerstellingen te combineren met de strikte theologie van de Hebreeën. Toch was Philo degene die het Paulus mogelijk maakte het begrip van de Paradijs-Triniteit, dat lang gesluimerd had in de Joodse theologie, in een vollediger vorm te herstellen. Slechts in één opzicht slaagde Paulus er niet in Philo’s niveau te bereiken of de leer van deze rijke en goed onderlegde Jood uit Alexandrië te overtreffen, en dat was in de leer van de verzoening. Philo leerde iedereen dat het onjuist was dat vergeving alleen verkregen kon worden door het vergieten van bloed (slachten van dieren, offeren van dieren, etc.). Ook is het mogelijk dat Philo de werkelijkheid en aanwezigheid van de spirit van God in ons hart duidelijker zag dan Paulus. Maar de theorie van Paulus over de erfzonde, zijn lessen over erfelijke schuld en aangeboren kwaad en de verlossing daarvan, hadden voor een deel een Mithraïsche oorsprong en weinig te doen met de Hebreeuwse theologie, de filosofie van Philo, of het onderricht van Jezus. Sommige aspecten van de leer van Paulus over de erfzonde en de verzoening stamden van hemzelf.
Het Evangelie van John (Johannes)37, het laatste van de verhalen over het leven van Jezus op aarde, richtte zich tot de westerse volkeren en brengt het verhaal vooral vanuit het gezichtspunt van de latere Christenen in Alexandrië, die ook volgelingen waren van de leer van Philo.
Omstreeks de tijd van Christus vond er in Alexandrië een omkering plaats in het gevoel ten opzichte van de Joden, en vanuit dit vroegere Joodse bolwerk begon zich nu een krachtige golf van vervolging te verbreiden, die zelfs Rome bereikte, waar vele duizenden verbannen werden. Maar deze campagne om de Joden in een kwaad daglicht te stellen, duurde niet lang; al heel snel herstelde het keizerlijke gezag de beknotte vrijheid van de Joden weer volledig, in het hele Romeinse rijk.
In de hele wereld hielden alle Joden, waar zij zich ook verspreid hadden door handel of door onderdrukking, hun hart gericht op de heilige tempel te Jeruzalem. De Joodse theologie bleef inderdaad in leven precies zoals zij werd uitgelegd en beoefend in Jeruzalem. Dit ondanks het feit dat deze theologie in het verleden verschillende keren bijna vergeten geraakt was, maar werd gered door de tijdige tussenkomst van bepaalde Babylonische leraren.
Zeker tweeëneenhalf miljoen van deze Joden vanuit de hele wereld, kwamen gewoonlijk naar Jeruzalem voor de viering van hun nationale religieuze feesten. En welke verschillen er ook waren op theologisch of filosofisch gebied tussen de Oosterse (Babylonische) en Westerse (Hellenistische) Joden, ze waren het er allemaal over eens dat Jeruzalem het centrum van hun godsdienst was en dat ze voortdurend uitkeken naar de komst van de Messias.
De Joden en de Gentiles (niet-Joden)
Tegen de tijd dat Jezus verscheen hadden de Joden een vaststaand concept gevormd van hun oorsprong, geschiedenis en bestemming. Ze hadden een rigide muur van afscheiding opgetrokken tussen henzelf en de niet-Joodse wereld. Ze keken met de diepste minachting neer op alle niet-Joodse levenswijzen. Ze vereerden de letter van de wet en koesterden een vorm van “wij hebben het juiste geloof” die gebaseerd was op een misplaatste trots op hun afstamming. Ze hadden vooropgezette meningen gevormd over de beloofde Messias. De meeste van deze verwachtingen voorzagen een Messias die zou komen als onderdeel van hun eigen geschiedenis als natie en ras. Voor de Hebreeën van die dagen stond de Joodse theologie onherroepelijk vast en was zij voor altijd onveranderlijk.
De lessen van Jezus over verdraagzaamheid en vriendelijkheid en de manier waarop hij dit in praktijk bracht, gingen dus recht in tegen de al lang bestaande houding van de Joden ten opzichte van andere volken die zij als heidenen beschouwden. Generaties lang hadden de Joden een instelling tegenover de buitenwereld gekoesterd die het hun onmogelijk maakte het onderricht van de Meester (Jezus) over de spirituele broederschap van de mensen te aanvaarden. Ze waren niet bereid Jahweh op voet van gelijkheid met de niet-Joden te delen. En dus waren ze ook niet bereid om iemand die zulke nieuwe, vreemde lessen verkondigde te accepteren als de Zoon van God.
De schriftgeleerden, de Farizeeën en de priesters hielden de Joden in een soort van vreselijke slavernij aan rituelen en strikte uitleg van de wet. Een slavernij en onderwerping die eigenlijk veel meer in het echte leven voelbaar was dan de politieke overheersing door de Romeinen. De Joden uit de tijd van Jezus werden niet alleen onderworpen gehouden aan de wet, maar ook aan de eisen van de tradities. Die tradities gingen over alle gebieden van het persoonlijke en maatschappelijke leven en waren heel indringend. Deze hele precieze gedragsregels achtervolgden en overheersten iedere trouwe Jood. Het is dan ook niet vreemd dat zij meteen iemand uit hun midden afkeurden en verwierpen die hun heilige tradities durfde te negeren en die zich niet hield aan hun lang in ere gehouden regels voor hoe je je moest gedragen in de samenleving. Zij konden moeilijk waardering opbrengen voor de lessen van iemand die er geen probleem mee had in botsing te komen met de vaste regels waarvan zij de overtuiging hadden dat zij door oer-vader Abraham zelf vastgesteld waren. Mozes had hun die wetten gegeven en zij wilden van geen compromis weten.
In de eerste eeuw na Christus was het zover gekomen dat aan de mondelinge interpretatie van de wet door de erkende leraren, de schriftgeleerden, een hoger gezag werd toegekend dan aan de geschreven wet zelf. Dit alles maakte het voor bepaalde godsdienstige leiders van de Joden dan ook makkelijker om het volk op te zetten tegen het accepteren van een nieuw evangelie.
Deze omstandigheden maakten het voor de Joden onmogelijk om hun goddelijke bestemming te vervullen, namelijk de boodschappers te zijn van het nieuwe evangelie van godsdienstige en spirituele vrijheid. Zij konden niet losbreken van hun tradities. Jeremia38 had gesproken van de ‘wetten die in de harten van de mensen geschreven moeten worden,’39 Ezechiël40 had gesproken over een ‘nieuwe geest die in ’s mensen ziel zal wonen,’41 en de Psalmist had gebeden of God ‘een rein hart in hem wilde scheppen en een oprechte spirit in hem vernieuwen.’42 Maar toen de Joodse religie van goede werken en slaafse gehoorzaamheid aan de wet het slachtoffer werd van vastlopen in alle onbeweeglijke tradities, verplaatste de beweging van de religieuze evolutie zich naar het Westen, naar de Europese volkeren.
Zo werden het dus andere volkeren die een meer gevorderde theologie gingen ondersteunen. Meer gevorderd, omdat het een systeem van gemengde lessen werd met een mix van de Griekse filosofie, de wetgeving van de Romeinen, de waarden en normen van de Hebreeën, en het evangelie zoals geformuleerd door Paulus en gegrond op de leer van Jezus, waarin centraal staat dat je persoonlijk heilig bent (als kind van God) en spiritueel vrij(gemaakt) kunt zijn.
Het Christendom zoals door Paulus geformuleerd toonde door normen en waarden dat het van Joodse afkomst was. De Joden beschouwden hun hele geschiedenis als voorzienigheid (geluk en voorspoed brengend) van God — Jahweh aan het werk. De Grieken voegden aan de nieuwe leer helderder begrippen toe inzake het eeuwige leven. De leringen van Paulus waren wat de theologie en filosofie aangaat niet alleen door het onderricht van Jezus beïnvloed, maar ook door Plato en Philo. Zijn opvattingen over wat “goed” en een “goed leven” was, was niet alleen geïnspireerd door Christus, maar ook door de Stoïcijnen.
Het evangelie van Jezus, zoals dit vertaald werd in de godsdienst van Paulus tot een Christendom uit Antiochië, raakte dus vermengd met de volgende invloeden:
- de filosofische redeneringen van de Griekse bekeerlingen tot het Judaïsme, met inbegrip van sommige van hun opvattingen van het eeuwige leven;
- de aantrekkelijke lessen van de heersende mysteriën, vooral het Mithraïsche denken over verlossing, vergeving en redding door een offer dat (voor jou) door een of andere god was gebracht;
- de sterke moraal (waarden, normen, tradities) van de gevestigde Joodse religie.
Het Mediterrane Romeinse Rijk, het Parthische koninkrijk, en de naburige volken hadden in de tijd van Jezus grove en primitieve ideeën over de geografie van de wereld, astronomie, gezondheid en ziekte. Dus natuurlijk waren zij verbluft door de nieuwe en verrassende uitspraken van de timmerman uit Nazareth. Hun ideeën over bezetenheid door goede en kwade ‘geesten’ sloegen niet alleen op mensen, maar velen meenden dat elke rots en elke boom door ‘geesten’ bezeten was. Het was een magische tijd en iedereen geloofde dat wonderen heel gewoon waren.
Waarom juist Palestina?
Het zal nauwelijks mogelijk zijn de vele redenen volledig uit te leggen die leidden tot de keuze van Palestina als het land voor de missie van Michael als levend in het lichaam van Jezus van Nazareth, en vooral waarom juist de familie van Jozef en Maria werd uitgekozen als de directe omgeving voor de verschijning van deze Zoon van God op de planeet aarde.
Uiteraard gingen daar studies aan vooraf van menselijke groepen en onderzoek naar de spirituele, intellectuele, raciale en geografische kenmerken van de aarde en haar volkeren. Op basis daarvan is geconcludeerd dat de Hebreeërs die relatieve voordelen bezaten die rechtvaardigden dat zij gekozen zouden worden als het ras waarin de missie zou plaatsvinden. Vervolgens is een onderzoek ingesteld naar het Joodse gezinsleven en werden als conclusie drie toekomstige verbintenissen voorgedragen, die als “even gunstig” werden beoordeeld als families voor Michaels voorgenomen incarnatie. Uit deze drie voorgedragen paren is toen de persoonlijke keuze gemaakt voor Jozef en Maria, waarna Gabriel (de plaatsvervanger van Michael) persoonlijk aan Maria verscheen en haar het blijde nieuws meedeelde dat zij was uitgekozen om de aardmoeder van het ‘kind-van-belofte’ te worden.
Eerdere geschreven verslagen
Voor zover mogelijk is er in dit verslag naar gestreefd de al bestaande verslagen over het leven van Jezus op aarde te gebruiken en tot op zekere hoogte te coördineren. Hoewel we toegang hebben gehad tot het verloren gegane verslag van de apostel Andreas en hebben geprofiteerd van de samenwerking met een grote schare hemelse wezens die op aarde waren ten tijde van het leven van Jezus (met name zijn nu Gepersonaliseerde Richter), is het onze bedoeling geweest ook gebruik te maken van de zogenaamde evangeliën van Mattheus, Marcus, Lucas en Johannes.
Deze verslagen van het “Nieuwe Testament” vonden hun oorsprong in de volgende omstandigheden:
1. Het Evangelie van Marcus: Johannes Marcus schreef het vroegste (met uitzondering van de aantekeningen van Andreas), kortste en eenvoudigste verslag van het leven van Jezus. Hij presenteerde de Meester als een dienaar, als mens onder de mensen. Hoewel Marcus een jongeman was die bij veel van de scènes die hij beschrijft, bleef rondhangen, is zijn verslag in werkelijkheid het Evangelie van Simon Petrus. Hij was al vroeg verbonden met Petrus; later met Paulus. Johannes Marcus schreef dit verslag op initiatief van Petrus en op dringend verzoek van de kerk in Rome. Omdat Johannes Marcus wist hoe consequent de Meester weigerde zijn leringen op te schrijven toen hij op aarde en in het lcihaam was, aarzelde Marcus, net als de apostelen en andere vooraanstaande discipelen, om ze op te schrijven. Maar Petrus vond dat de kerk in Rome de hulp van zo’n geschreven verhaal nodig had, en Marcus stemde ermee in de voorbereiding ervan op zich te nemen. Hij maakte vele aantekeningen voordat Petrus in 67 n.Chr. stierf, en in overeenstemming met de door Petrus goedgekeurde opzet voor de kerk in Rome begon hij kort na de dood van Petrus met schrijven. Het Evangelie werd tegen het einde van 68 n.Chr. voltooid. Marcus schreef volledig vanuit zijn eigen herinnering en die van Petrus. Het verslag is sindsdien aanzienlijk gewijzigd, waarbij talloze passages zijn weggelaten en later materiaal aan het einde is toegevoegd ter vervanging van het laatste vijfde deel van het oorspronkelijke evangelie, dat in het eerste manuscript verloren was gegaan voordat het ooit werd gekopieerd. Dit verslag van Marcus, in combinatie met de aantekeningen van Andreas en Mattheus, vormde de schriftelijke basis voor alle daaropvolgende evangelieverhalen die het leven en de leer van Jezus probeerden te beschrijven.
2. Het Evangelie van Mattheus: Het zogenaamde Evangelie van Mattheus is het verslag van het leven van de Meester, geschreven als lesmateriaal voor Joodse christenen. De auteur van dit verslag probeert voortdurend in het leven van Jezus aan te tonen dat veel van wat hij deed, vervuld moest worden als “wat door de profeet was gesproken”. Het Evangelie van Mattheus portretteert Jezus als een zoon van David en beeldt hem af als iemand die groot respect toonde voor de wet en de profeten.
De apostel Mattheus schreef dit evangelie niet zelf. Het werd geschreven door Isador, een van zijn discipelen. Hij had bij zijn werk niet alleen de persoonlijke herinnering van Mattheus aan deze gebeurtenissen als hulp, maar ook een bepaald verslag dat Mattheus had gemaakt van de uitspraken van Jezus direct na de kruisiging. Dit verslag van Mattheus was in het Aramees geschreven; Isador schreef in het Grieks. Er was geen sprake van bedrog toen men het werk aan Mattheus toeschreef. Het was in die tijd gebruikelijk dat leerlingen hun leraren op deze manier eerden.
Het oorspronkelijke verslag van Mattheus werd bewerkt en aangevuld in 40 n.Chr., vlak voordat hij Jeruzalem verliet om zich bezig te houden met evangelisatieprediking. Het was een privéverslag; het laatste exemplaar was vernietigd bij de brand in een Syrisch klooster in 416 n.Chr.
Isador ontsnapte uit Jeruzalem in 70 n.Chr. na de bezetting van de stad door de legers van Titus, en nam een kopie van de aantekeningen van Mattheus mee naar Pella. In het jaar 71, terwijl hij in Pella woonde, schreef Isador het Evangelie volgens Mattheus. Hij had ook de eerste vier vijfde delen van het verhaal van Johannes Marcus bij zich.
3. Het Evangelie volgens Lucas: Lucas, de arts uit Antiochië in Pisidia [ https://en.wikipedia.org/wiki/Pisidia ], was een niet-Joodse bekeerling van Paulus, en hij schreef een heel ander verhaal over het leven van de Meester. Hij begon Paulus te volgen en leerde over het leven en de leer van Jezus in 47 n.Chr. Lucas bewaart veel van de “genade van de Heer Jezus Christus” in zijn verslag, aangezien hij deze feiten van Paulus en anderen verzamelde. Lucas presenteert de Meester als “de vriend van tollenaars en zondaars”. Hij formuleerde zijn vele aantekeningen pas na de dood van Paulus in de vorm van het evangelie. Lucas schreef in het jaar 82 in Achaje. Hij plande drie boeken over de geschiedenis van Christus en het christendom, maar stierf in 90 n.Chr., vlak voordat hij het tweede van deze werken, de “Handelingen der Apostelen”, voltooide.
Als materiaal voor de samenstelling van zijn evangelie baseerde Lucas zich allereerst op het levensverhaal van Jezus zoals Paulus dat hem had verteld. Het evangelie van Lucas is daarom in zekere zin het evangelie volgens Paulus. Maar Lucas had andere informatiebronnen. Hij interviewde niet alleen tientallen ooggetuigen van de talrijke episodes uit het leven van Jezus die hij optekende, maar hij had ook een exemplaar van het evangelie van Marcus bij zich, dat wil zeggen de eerste vier vijfde, het verhaal van Isador, en een kort verslag dat in het jaar 78 n.Chr. in Antiochië was gemaakt door een gelovige genaamd Cedes. Lucas had ook een verminkte en sterk bewerkte kopie van enkele aantekeningen die naar verluidt door de apostel Andreas waren gemaakt.
4. Het Evangelie van Johannes: Het Evangelie volgens Johannes beschrijft veel van het werk van Jezus in Judea en rond Jeruzalem, dat niet in de andere verslagen voorkomt. Dit is het zogenaamde Evangelie volgens Johannes, de zoon van Zebedeüs, en hoewel Johannes het niet schreef, inspireerde hij het wel. Sinds de eerste optekening is het verschillende keren bewerkt om het te laten lijken alsof het door Johannes zelf geschreven was. Toen dit verslag werd opgesteld, had Johannes de andere evangeliën, en hij zag dat er veel was weggelaten; daarom moedigde hij in het jaar 101 n.Chr. zijn collega Nathan, een Griekse Jood uit Caesarea, aan om met het schrijven te beginnen. Johannes leverde zijn materiaal uit zijn geheugen en met verwijzing naar de drie reeds bestaande verslagen. Hij had zelf geen geschreven verslagen. De brief die bekend staat als “Eerste Johannes” werd door Johannes zelf geschreven als begeleidende brief voor het werk dat Nathan onder zijn leiding uitvoerde.
Al deze schrijvers schetsten een eerlijk beeld van Jezus zoals zij hem zagen, zich hem herinnerden of over hem hadden vernomen, en naarmate hun opvattingen over deze gebeurtenissen uit het verre verleden werden beïnvloed door hun latere omarming van de theologie van Paulus van het christendom. En deze verslagen, hoe onvolmaakt ze ook zijn, zijn voldoende geweest om de loop van de geschiedenis op aarde bijna tweeduizend jaar lang te veranderen.
Deze nieuwe beschrijving
En nu voeren we dus de opdracht uit om de leringen van Jezus van Nazareth te herformuleren en opnieuw te vertellen. Daarbij is vrijelijk geput uit alle bronnen van verslagen en planetaire informatie. Het voornaamste motief was het samenstellen van een verslag dat niet alleen verhelderend zal zijn voor de generatie mensen die nu leeft, maar dat ook nuttig kan zijn voor alle toekomstige generaties. Uit de enorme hoeveelheid informatie die ter beschikking is gesteld, is gekozen voor wat het meest geschikt is om dit doel te bereiken. Voor zover mogelijk is de informatie ontleend aan zuiver menselijke bronnen. Alleen wanneer dergelijke bronnen faalden, is de toevlucht genomen tot bovenmenselijke verslagen. Wanneer ideeën en concepten over het leven en leringen van Jezus aanvaardbaar werden uitgedrukt door een menselijke mind, is steevast de voorkeur gegeven aan dergelijke ogenschijnlijk menselijke denkpatronen. Er is geprobeerd de verbale uitingen zo goed mogelijk aan te passen aan ons concept van de werkelijke betekenis en de ware bedoeling van het leven en de leringen van de Meester, maar toch is in alle verhalen zoveel mogelijk vastgehouden aan het feitelijke menselijke concept en denkpatroon. De concepten die hun oorsprong hebben in de menselijke mind, zullen namelijk acceptabeler en nuttiger blijken te zijn voor alle andere menselijke minds. Soms waren de benodigde concepten niet te vinden in de menselijke verslagen of in menselijke uitingen, en is gebruik gemaakt van de geheugenbronnen van andere wezens die in die tijd op aarde verbleven. En wanneer die secundaire informatiebron ontoereikend bleek, is zonder aarzelen gebruik gemaakt van de boven-planetaire informatiebronnen.
Zo is dit verhaal over het leven en de leringen van Jezus samengesteld – afgezien van de herinnering aan het verslag van de apostel Andreas – met denkjuweeltjes en superieure concepten van de leringen van Jezus, verzameld door meer dan tweeduizend mensen die op aarde hebben geleefd vanaf de tijd van Jezus tot aan de tijd van het schrijven van deze openbaringen, of beter gezegd, herformuleringen. De meeste ideeën en zelfs sommige van de effectieve uitdrukkingen die zijn gebruikt vinden hun oorsprong in de mind van mensen van vele rassen die gedurende de tussenliggende generaties op aarde hebben geleefd, tot en met degenen die ten tijde van deze onderneming nog in leven zijn. In veel opzichten is het samenstellen van dit verhaal dus meer ‘verzamelaar en redacteur’ geweest dan oorspronkelijke verteller.
Noten bij dit hoofdstuk
- 1 https://en.wikipedia.org/wiki/Levant
- 2 https://en.wikipedia.org/wiki/Paul_the_Apostle
- 3 https://en.wikipedia.org/wiki/Parthia
- 4 https://en.wikipedia.org/wiki/Semitic_people
- 5 https://en.wikipedia.org/wiki/Gentile
- 6 https://en.wikipedia.org/wiki/Proselyte
- 7 https://nl.wikipedia.org/wiki/Antiochi%C3%AB_aan_de_Orontes
- 8 https://en.wikipedia.org/wiki/Judas_Maccabeus
- 9 https://en.wikipedia.org/wiki/Yahweh
- 10 https://en.wikipedia.org/wiki/Herod_the_Great https://en.wikipedia.org/wiki/Edom
- 11 https://en.wikipedia.org/wiki/Caesarea_Maritima
- 12 https://en.wikipedia.org/wiki/Herod_Antipas
- 13 https://en.wikipedia.org/wiki/Perea
- 14 https://en.wikipedia.org/wiki/Sepphoris
- 15 https://en.wikipedia.org/wiki/Pharisees
- 16 https://en.wikipedia.org/wiki/Epicureanism
- 17 https://en.wikipedia.org/wiki/Stoicism
- 18 Philippians 4:11-13
- 19 https://en.wikipedia.org/wiki/Cynicism_(philosophy)
- 20 https://en.wikipedia.org/wiki/Diogenes
- 21 https://en.wikipedia.org/wiki/Philosophical_skepticism
- 22 https://en.wikipedia.org/wiki/Paganism
- 23 https://en.wikipedia.org/wiki/Roman_imperial_cult
- 24 https://en.wikipedia.org/wiki/Astrology
- 25 https://en.wikipedia.org/wiki/Greco-Roman_mysteries
- 26 https://en.wikipedia.org/wiki/Mithraism
- 27 https://en.wikipedia.org/wiki/Aramaic
- 28 https://en.wikipedia.org/wiki/Alexandria
- 29 https://en.wikipedia.org/wiki/4_Maccabees
- 30 https://en.wikipedia.org/wiki/Book_of_Wisdom
- 31 https://en.wikipedia.org/wiki/Philo]
- 32 The religious rulers, or priesthood, originated with Seth, the eldest surviving son of Adam and Eve born in the second garden. He was born one hundred and twenty-nine years after Adam’s arrival on Earth. Seth became absorbed in the work of improving the spiritual status of his father’s people, becoming the head of the new priesthood of the second garden. His son, Enos, founded the new order of worship, and his grandson, Kenan, instituted the foreign missionary service to the surrounding tribes, near and far.
- 33 https://en.wikipedia.org/wiki/Moses
- 34 https://en.wikipedia.org/wiki/Zoroaster
- 35 https://en.wikipedia.org/wiki/Laozi
- 36 https://en.wikipedia.org/wiki/The_Buddha
- 37 https://en.wikipedia.org/wiki/John_the_Evangelist
- 38 https://en.wikipedia.org/wiki/Jeremiah
- 39 https://learn.ligonier.org/devotionals/written-heart
- 40 https://en.wikipedia.org/wiki/Ezekiel
- 41 Ezekiel 36:26, I will give you a new heart and put a new spirit in you; I will remove from you your heart of stone and give you a heart of flesh
- 42 Psalm 51:10, Create in me a clean heart, O God; and renew a right spirit within me.
Michael van Nebadon
- Your Content Goes Here
Dit hoofdstuk is een nieuwe Nederlandse vertaling gebaseerd op Paper 121 en een deel van 122 van het Urantia Boek: https://www.urantia.org
