Inleiding
Vlak voor de middag van zondag 12 januari, 27 n.Chr. riep Jezus de apostelen bijeen voor hun wijding als openbare predikers van het evangelie van het koninkrijk. De twaalf verwachtten bijna elke dag geroepen te worden; daarom gingen ze vanmorgen niet ver van de kust uit om te vissen. Een aantal van hen bleef nog even bij de kust hangen om hun netten te repareren en aan hun visgerei te sleutelen.
Toen Jezus de oever afdaalde om de apostelen te roepen, riep hij eerst Andreas en Petrus aan, die vlak bij de kust aan het vissen waren. Vervolgens wenkte hij Jacobus en Johannes, die in een boot in de buurt waren, op bezoek bij hun vader Zebedeüs, en die hun netten aan het repareren waren. Twee aan twee verzamelde hij de andere apostelen, en toen hij alle twaalf verzameld had, reisde hij met hen naar de hooglanden ten noorden van Capernaum, waar hij hen onderricht gaf ter voorbereiding op hun formele wijding.
Deze ene keer waren alle twaalf apostelen stil. Zelfs Petrus was in een peinzende stemming. Eindelijk was het langverwachte uur gekomen! Ze gingen met de Meester apart om deel te nemen aan een soort plechtige ceremonie van persoonlijke wijding en collectieve toewijding aan het heilige werk om hun Meester te vertegenwoordigen in de verkondiging van de komst van het koninkrijk van zijn Vader.
Voorafgaande Instructie
Vóór de formele wijdingsdienst sprak Jezus tot de twaalf, die rondom hem zaten: “Mijn broeders, dit uur van het koninkrijk is gekomen. Ik heb jullie hier met mij apart genomen om jullie aan de Vader voor te stellen als ambassadeurs van het koninkrijk. Sommigen van jullie hebben mij over dit koninkrijk horen spreken in de synagoge toen jullie voor het eerst geroepen werden. Ieder van jullie heeft meer geleerd over het koninkrijk van de Vader sinds jullie met mij werken in de steden rond het Meer van Galilea. Maar nu heb ik jullie nog iets meer te vertellen over dit koninkrijk.”
“Het nieuwe koninkrijk dat mijn Vader op het punt staat te vestigen in de harten van Zijn aardse kinderen, zal een eeuwige heerschappij zijn. Er zal geen einde zijn aan deze heerschappij van mijn Vader in de harten van hen die Zijn goddelijke wil willen doen. Ik verklaar jullie dat mijn Vader niet de God van Jood of niet-Jood is. Velen zullen uit het oosten en het westen komen om met ons in het koninkrijk van de Vader te zitten, terwijl velen van de kinderen van Abraham zullen weigeren deze nieuwe broederschap van de heerschappij van de spirit van de Vader in de harten van de mensenkinderen binnen te treden.”
“De macht van dit koninkrijk zal niet bestaan uit de kracht van legers en ook niet uit de macht van rijkdom, maar veeleer uit de glorie van de goddelijke spirit die zal komen om de mind/het verstand te onderwijzen en de harten te regeren van de wedergeboren burgers van dit hemelse koninkrijk, de zonen van God. Dit is de broederschap van liefde waarin rechtvaardigheid heerst, en waarvan de strijdkreet zal zijn: ‘Vrede op aarde en welbehagen voor alle mensen’. [letterlijk “and good will to all men”, in de zin van goede wensen, geluk (misschien)] Dit koninkrijk, dat jullie zo spoedig zullen gaan verkondigen, is het verlangen van de goede mensen van alle tijden, de hoop van de hele aarde en de vervulling van de wijze beloften van alle profeten.”
“Maar voor jullie, mijn kinderen, en voor alle anderen die jullie in dit koninkrijk willen volgen, staat een zware test klaar. Alleen geloof zal jullie door de poorten van het koninkrijk leiden, maar jullie moeten de vruchten van de spirit van mijn Vader voortbrengen als jullie willen BLIJVEN OPKLIMMEN EN GROEIEN in het progressieve leven van de goddelijke gemeenschap. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg jullie, niet iedereen die zegt: ‘Heer, Heer,’ zal het hemelse koninkrijk binnengaan; maar eerder hij die de wil doet van mijn Vader die in de hemel is.”
“Jullie boodschap aan de wereld zal zijn: Zoek eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid, en door dit te vinden, zullen alle andere dingen die essentieel zijn voor eeuwig overleven worden veiliggesteld. En nu wil ik jullie duidelijk maken dat dit koninkrijk van mijn Vader niet zal komen met een uiterlijk vertoon van macht of met ongepast vertoon. U mag niet van hier gaan met de verkondiging van het koninkrijk, zeggende: ‘Het is hier’ of ‘Het is daar’, want dit koninkrijk dat u predikt, is God in u.”
“Iedereen die groot wil worden in het koninkrijk van mijn Vader, zal een dienaar van allen worden. En wie onder u de eerste wil zijn, laat hij de dienaar van zijn broeders worden. Maar wanneer u eenmaal werkelijk als burgers in het hemelse koninkrijk bent ontvangen, bent u niet langer dienaren, maar zonen; zonen van de levende God. En zo zal dit koninkrijk in de wereld voortgaan totdat het elke barrière zal doorbreken en alle mensen ertoe zal brengen mijn Vader te kennen en te geloven in de reddende waarheid die ik ben komen verkondigen. Het koninkrijk is nu al nabij, en sommigen van jullie zullen niet sterven voordat jullie het koninkrijk van God met grote kracht hebben zien komen.”
“En dit wat jullie ogen nu aanschouwen, dit kleine begin van twaalf gewone mensen, zal zich vermenigvuldigen en groeien totdat uiteindelijk de hele aarde vervuld zal zijn van de lofprijzing van mijn Vader. En het zal niet zozeer zijn door de woorden die u spreekt, maar door het leven dat u leidt, dat mensen zullen weten dat u bij mij bent geweest en de realiteiten van het koninkrijk hebt geleerd. En hoewel ik geen zware lasten op uw mind wil leggen, sta ik op het punt uw ziel de plechtige verantwoordelijkheid op te leggen om mij in de wereld te vertegenwoordigen wanneer ik u binnenkort zal verlaten, zoals ik nu mijn Vader vertegenwoordig in dit leven dat ik in dit sterfelijke lichaam leid.”
En toen hij uitgesproken was, stond hij op.
De Wijding
Jezus gaf de twaalf stervelingen die zojuist naar zijn verklaring over het koninkrijk hadden geluisterd, opdracht om in een kring om hem heen te knielen. Toen legde de Meester zijn handen op het hoofd van elke apostel, te beginnen met Judas Iscariot en eindigend met Andreas. Nadat hij hen had gezegend, strekte hij zijn handen uit en bad:
“Mijn Vader, ik breng nu deze mannen, mijn boodschappers, tot U. Uit onze kinderen op aarde heb ik deze twaalf gekozen om erop uit te gaan en mij te vertegenwoordigen, zoals ik erop ben uitgegaan om U te vertegenwoordigen. Heb hen lief en wees met hen zoals U mij hebt liefgehad en met mij bent geweest. En nu, mijn Vader, geef deze mannen wijsheid terwijl ik alle zaken van het komende koninkrijk in hun handen leg. En ik zal, als het Uw wil is, nog een tijdje op aarde blijven om hen te helpen in hun werk voor het koninkrijk. En nogmaals, mijn Vader, ik dank U voor deze mannen, en ik vertrouw hen aan Uw hoede toe terwijl ik het werk afmaak dat U mij te doen hebt gegeven.”
Toen Jezus klaar was met bidden, bleven de apostelen, ieder gebogen, op hun plaats. En het duurde vele minuten voordat zelfs Petrus zijn ogen durfde op te heffen om naar de Meester te kijken. Een voor een omhelsden ze Jezus, maar niemand zei iets. Een grote stilte doordrong de plaats terwijl een menigte hemelse wezens neerkeek op deze plechtige en heilige scène – de Schepper van een universum die de zaken van de goddelijke broederschap van de mensen onder de leiding van het menselijk verstand plaatste.
De wijdings-rede / de “Berg-Rede”
Toen sprak Jezus en zei: “Nu jullie ambassadeurs zijn van het koninkrijk van mijn Vader, zijn jullie daardoor een klasse mensen geworden die apart en onderscheiden is van alle andere mensen op aarde. Jullie zijn nu niet als mensen onder mensen, maar als de verlichte burgers van een ander en hemels land onder de onwetende schepselen van deze duistere wereld. Het is niet genoeg dat jullie leven zoals jullie vóór dit uur leefden, maar voortaan moeten jullie leven als zij die de glorie van een beter leven hebben gesmaakt en naar de aarde zijn teruggezonden als ambassadeurs van de Soeverein van die nieuwe en betere wereld. Van de leraar wordt meer verwacht dan van de leerling; van de meester wordt meer geëist dan van de dienaar. Van de burgers van het hemelse koninkrijk wordt meer verlangd dan van de burgers van het aardse bestuur. Sommige dingen die ik jullie ga zeggen lijken misschien moeilijk, maar jullie hebben ervoor gekozen mij in de wereld te vertegenwoordigen, net zoals ik nu de Vader vertegenwoordig. En als mijn vertegenwoordigers op aarde zullen jullie verplicht zijn je te houden aan die leringen en praktijken die mijn idealen van sterfelijk leven op de werelden in de ruimte weerspiegelen, en die ik in mijn aardse leven uitdraag door de Vader in de hemel te openbaren.”
Vier geloofshoudingen
“Ik zend jullie uit om vrijheid te verkondigen aan de spirituele gevangenen, vreugde aan hen die in de slavernij van angst leven, en om de zieken te genezen in overeenstemming met de wil van mijn Vader in de hemel. Wanneer jullie mijn kinderen in nood aantreffen, spreek dan bemoedigend tot hen en zeg:
“Gelukkig zijn de armen van spirit, de nederigen, want hun behoren de schatten van het hemelse koninkrijk toe.
“Gelukkig zijn zij die hongeren en dorsten naar gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.”
“Gelukkig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde erven.”
“Gelukkig zijn de reinen van hart, want zij zullen God zien.”
Vier transcendente en opperste reacties van vaderlijke liefde
“En spreek zo tot mijn kinderen deze verdere woorden van spirituele troost en belofte:
“Gelukkig zijn zij die treuren, want zij zullen getroost worden. Gelukkig zijn zij die wenen, want zij zullen de spirit van vreugde ontvangen.”
“Gelukkig zijn de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid verkrijgen.”
“Gelukkig zijn de vredestichters, want zij zullen kinderen van God genoemd worden.”
“Gelukkig zijn zij die vervolgd worden om de gerechtigheid, want hun behoort het hemelse koninkrijk toe. Gelukkig ben je wanneer men u smaadt en vervolgt en leugenachtig allerlei kwaad van u spreekt. Verheug u en wees zeer verheugd, want je beloning in de hemel is groot.”
Overige aansporingen
“Mijn broeders, zoals ik u uitzend, bent u het zout der aarde, zout met een behoudende smaak [Engelse tekst: ‘a saving savor’, waarin saving natuurlijk ook redding kan betekenen]. Maar indien dit zout zijn smaak verloren heeft, waarmee zal het gezouten worden? Het deugt voortaan nergens meer voor dan om weggeworpen te worden en onder de voeten van de mensen vertrapt te worden.”
“Jullie zijn het licht der wereld. Een stad die op een berg ligt, kan niet verborgen blijven. Men steekt ook geen kaars aan en zet die onder een korenmaat, maar op een kandelaar; en zij geeft licht aan allen die in huis zijn. Laat uw licht zo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien en ertoe gebracht worden uw Vader, die in de hemel is, te verheerlijken.” [Parabel van de lamp onder de korenmaat]
“Ik zend jullie de wereld in om mij te vertegenwoordigen en als ambassadeurs van het koninkrijk van mijn Vader op te treden. En terwijl jullie eropuit gaan om het goede nieuws te verkondigen, stel jullie vertrouwen op de Vader, wiens boodschappers jullie zijn. Verzet je niet met geweld tegen onrecht; stel je vertrouwen niet in de arm van het lichaam. Als je naaste je op de rechterwang slaat, keer hem dan ook de andere toe. Wees liever bereid onrecht te verdragen dan onderling rechtszaken te gaan voeren. Help met vriendelijkheid en barmhartigheid allen die in angst en nood zijn.”
“Ik zeg jullie: Heb je vijanden lief, doe goed aan hen die jullie haten, zegen hen die jullie vervloeken en bid voor hen die jullie beledigen. En alles wat jullie geloven dat ik voor de mensen zou willen doen, doe dat ook voor hen.”
“Jullie Vader in de hemel laat de zon schijnen over de slechten zowel als over de goeden; evenzo laat hij regen vallen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Jullie zijn de zonen van God; meer nog, je bent nu de ambassadeurs van het koninkrijk van mijn Vader. Wees barmhartig, zoals God barmhartig is, en in de eeuwige toekomst van het koninkrijk zul je volmaakt zijn, zoals uw hemelse Vader volmaakt is.”
“Aan jullie is nu opgedragen om mensen te redden, niet om hen te oordelen. Aan het einde van je aardse leven zullen jullie allen barmhartigheid verwachten; daarom verlang ik van jullie tijdens je sterfelijk leven dat je barmhartigheid betoont aan al je sterfelijke broeders. Maak niet de fout om te proberen een splinter uit het oog van je broeder te plukken terwijl er een balk in je eigen oog zit. Nadat je eerst de balk uit je eigen oog hebt verwijderd, kunt je veel beter zien om de splinter uit het oog van je broeder te verwijderen.”
“Onderscheid de waarheid duidelijk; leef het rechtvaardige leven zonder angst; en zo zult u mijn apostelen en ambassadeurs van mijn Vader zijn. U hebt gehoord dat er gezegd is: ‘Als de blinde de blinde leidt, zullen ze beiden in de kuil vallen.’ Als u anderen het koninkrijk wilt binnenleiden, moet u zelf wandelen in het heldere licht van de levende waarheid. In alle zaken van het koninkrijk draag ik je op om rechtvaardig oordeel en scherpe wijsheid te tonen. Geef het heilige niet aan de honden en gooi uw parels niet voor de zwijnen, opdat zij uw edelstenen niet met voeten treden en zich omkeren om u te verscheuren.”
“Ik waarschuw u voor valse profeten die in schaapskleren tot u zullen komen, terwijl ze van binnen als roofzuchtige wolven zijn. Aan hun vruchten zult u hen kennen. Plukt men druiven van doornen of vijgen van distels? Zo brengt ook elke goede boom goede vruchten voort, maar de slechte boom draagt slechte vruchten. Een goede boom kan geen slechte vruchten voortbrengen; en een slechte boom kan geen goede vruchten voortbrengen. Elke boom die geen goede vruchten voortbrengt, wordt onmiddellijk omgehakt en in het vuur geworpen. Bij het verkrijgen van toegang tot het hemelse koninkrijk is het het motief dat telt. Mijn Vader kijkt in de harten van mensen en oordeelt op basis van hun innerlijke verlangens en hun oprechte bedoelingen.”
“Op de grote dag van het oordeel van het koninkrijk zullen velen tot mij zeggen: ‘Zijn we niet een profeet in uw naam geweest en in uw naam vele wonderwerken gedaan?’ Maar ik zal gedwongen zijn hun te zeggen: ‘Ik heb u nooit gekend; ga weg van mij, jullie die valse leraren zijn.’ Maar een ieder die deze opdracht hoort en oprecht zijn opdracht uitvoert om mij voor de mensen te vertegenwoordigen, zoals ik mijn Vader voor jullie heb vertegenwoordigd, zal een rijke toegang vinden tot mijn dienstverlening en tot het koninkrijk van de hemelse Vader.”
Nooit eerder hadden de apostelen Jezus op deze manier horen spreken, want hij had tot hen gesproken als iemand met het hoogste gezag. Ze daalden rond zonsondergang van de berg af, maar niemand stelde Jezus een vraag.
Verdere uitleg van de Bergrede
Deze zogenaamde ‘Bergrede‘ is niet het evangelie van Jezus. Hij bevat weliswaar veel nuttige instructies, maar het was de opdracht waarmee Jezus de twaalf apostelen tot apostel wijdde. Het was de persoonlijke opdracht van de Meester aan hen die het evangelie moesten blijven prediken en ernaar moesten streven hem te vertegenwoordigen in de wereld van de mensen, zoals hij zo welsprekend en volmaakt zijn Vader vertegenwoordigde.
Het zout der aarde
“Jullie zijn het zout der aarde, zout met een behoudende smaak. Maar indien dit zout zijn smaak verloren heeft, waarmee zal het dan gezouten worden? Het deugt voortaan nergens meer voor dan om weggeworpen en door mensen vertrapt te worden.”
In de tijd van Jezus was zout kostbaar. Het werd zelfs als betaalmiddel gebruikt. Het moderne woord ‘salaris’ is afgeleid van zout. Zout geeft niet alleen smaak aan voedsel, maar is ook een conserveermiddel. Het maakt andere dingen smakelijker, en zo dient het door het te gebruiken.
Het licht der wereld
“Jullie zijn het licht der wereld. Een stad op een heuvel kan niet verborgen blijven. Men steekt ook geen kaars aan en zet die niet onder een korenmaat, maar op een kandelaar; en hij geeft licht aan allen die in huis zijn. Laat uw licht zo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien en ertoe gebracht worden uw Vader, die in de hemel is, te verheerlijken.”
Hoewel licht duisternis verdrijft, kan het ook zo “verblindend” zijn dat het verwarrend en frustrerend is. We worden aangespoord om ons licht ZO te laten schijnen dat onze medemensen geleid zullen worden naar nieuwe en goddelijke paden van een verbeterd leven. Ons licht moet zo schijnen dat het geen aandacht op onszelf vestigt. Zelfs iemands roeping kan gebruikt worden als een effectieve “reflector” voor de verspreiding van dit licht van het leven.
Sterke karakters komen niet voort uit het NIET doen van kwaad, maar eerder uit het daadwerkelijk doen van goed. Onbaatzuchtigheid is het kenmerk van menselijke grootsheid. De hoogste niveaus van zelfrealisatie worden bereikt door aanbidding en dienstbaarheid. De gelukkige en effectieve persoon wordt niet gemotiveerd door angst voor kwaaddoen, maar door liefde voor het goede doen.
“Aan hun vruchten zul je hen kennen”
Persoonlijkheid is in wezen onveranderlijk; dat wat verandert -groeit- is het morele karakter. De grootste dwaling van moderne religies is negativisme. De boom die geen vrucht draagt, wordt “omgehakt en in het vuur geworpen.” Morele waarde kan niet worden afgeleid uit louter onderdrukking – gehoorzamen aan het gebod ‘Gij zult niet’. Angst en schaamte zijn onwaardige motivaties voor een religieus leven. Religie is alleen geldig wanneer het het vaderschap van God onthult en de broederschap van de mensen versterkt.
Een effectieve levensfilosofie wordt gevormd door een combinatie van kosmisch inzicht en het geheel van iemands emotionele reacties op de sociale en economische omgeving. Onthoud: hoewel geërfde driften niet fundamenteel kunnen worden gewijzigd, kunnen emotionele reacties op dergelijke driften wel worden veranderd. Daarom kan de morele aard worden gewijzigd en het karakter worden verbeterd. Bij een sterk karakter worden emotionele reacties geïntegreerd en gecoördineerd, en zo ontstaat een verenigde persoonlijkheid. Gebrekkige vereniging verzwakt de morele aard en veroorzaakt ongeluk.
Zonder een waardig doel wordt het leven doelloos en onrendabel, met veel ongeluk als gevolg. De toespraak van Jezus bij de wijding van de twaalf vormt een meesterlijke levensfilosofie. Jezus spoorde zijn volgelingen aan om ervaringsgericht geloof te beoefenen. Hij spoorde hen aan om niet te vertrouwen op louter intellectuele instemming, goedgelovigheid en gevestigd gezag.
Onderwijs zou een techniek moeten zijn om de betere methoden te leren (ontdekken) om onze natuurlijke en geërfde verlangens te bevredigen, en geluk is de resulterende som van deze verbeterde technieken van emotionele bevrediging. Geluk is weinig afhankelijk van de omgeving, hoewel een prettige omgeving daaraan sterk kan bijdragen.
Iedere sterveling verlangt er werkelijk naar een compleet mens te zijn, om volmaakt te zijn zoals de Vader in de hemel volmaakt is, en die verwezenlijking is mogelijk omdat het universum uiteindelijk werkelijk vaderlijk is. [because in the last analysis the ‘universe is truly fatherly.’, is dat een quote?]
Vaderlijke en broederlijke liefde
Van deze Bergrede tot de toespraak tijdens het Laatste Avondmaal leerde Jezus zijn volgelingen om vaderlijke liefde te tonen in plaats van broederlijke liefde. Broederlijke liefde zou je naaste liefhebben zoals je jezelf liefhebt, en dat zou een adequate vervulling zijn van de gouden regel. Maar vaderlijke genegenheid vereist dat je je medemensen liefhebt zoals Jezus jou liefheeft.
Jezus heeft de mensheid lief met een dubbele genegenheid. Hij leefde op aarde als een tweevoudige persoonlijkheid – menselijk en goddelijk. Als de Zoon van God heeft hij de mens lief met een vaderlijke liefde – hij is de Schepper van de mens, zijn Vader in het lokale universum. Als de Mensenzoon heeft Jezus stervelingen lief als een broeder – hij was waarlijk een mens onder de mensen.
Jezus verwachtte niet van zijn volgelingen dat ze een onmogelijke manifestatie van broederliefde zouden bereiken, maar hij verwachtte wel dat ze ernaar zouden streven om zoals God te zijn – volmaakt te zijn zoals de Vader in de hemel volmaakt is – dat ze de mens konden gaan beschouwen zoals God zijn schepselen beschouwt en daarom de mensen konden gaan liefhebben zoals God hen liefheeft – om de eerste tekenen van vaderlijke genegenheid te tonen. In de loop van deze aansporingen aan de twaalf apostelen probeerde Jezus dit nieuwe concept van vaderlijke liefde te onthullen, zoals het verband houdt met bepaalde emotionele houdingen die betrokken zijn bij het maken van talloze sociale aanpassingen in de omgeving. [as it is related to certain emotional attitudes concerned in making numerous environmental social adjustments.]
De Meester leidde deze gewichtige toespraak in door de aandacht te vestigen op vier geloofshoudingen als inleiding op de daaropvolgende beschrijving van zijn vier transcendente en opperste reacties van vaderlijke liefde, in tegenstelling tot de beperkingen van louter broederlijke liefde. Hij sprak eerst over hen die ‘arm van spirit’ [letterlijk: ‘poor in spirit’] waren, hongerden naar gerechtigheid, zachtmoedigheid verdroegen en rein van hart waren. Van zulke spirit-onderscheidende stervelingen kon verwacht worden dat zij zulke niveaus van goddelijke onbaatzuchtigheid zouden bereiken dat zij in staat zouden zijn de verbazingwekkende beoefening van vaderlijke genegenheid te proberen. Dat zelfs als rouwenden zij de kracht zouden krijgen om genade te tonen, vrede te bevorderen en vervolgingen te doorstaan, en in al deze moeilijke situaties zelfs de niet-zo-lieflijke mensheid met vaderlijke liefde lief te hebben. De genegenheid van een vader kan niveaus van toewijding bereiken die de genegenheid van een broeder onmetelijk overstijgen.
Uitleg van de vier geloofshoudingen
Het geloof en de liefde van deze prachtige preek versterken het morele karakter en scheppen geluk. Angst en woede verzwakken het karakter en vernietigen geluk. Deze gewichtige preek begon met de noot van geluk.
1. “Gelukkig zijn de armen van spirit -de nederigen.” Voor een kind is geluk de bevrediging van het verlangen naar onmiddellijk genot. De volwassene is bereid zaden van zelfverloochening te zaaien om vervolgens de oogst van meer geluk binnen te halen. In de tijd van Jezus en sindsdien wordt geluk maar al te vaak geassocieerd met het idee van rijkdom. In het verhaal van de Farizeeër en de tollenaar die in de tempel bidden, voelde de een zich rijk van spirit – egoïstisch; de ander voelde zich “arm van spirit” – nederig. De een was zelfvoorzienend; de ander was leergierig en waarheidszoekend. De armen van spirit streven naar spirituele rijkdom – voor God. En zulke waarheidszoekers hoeven niet te wachten op beloningen in een verre toekomst; ze worden beloond NU. Ze vinden het hemelse koninkrijk in hun eigen hart, en ze ervaren zo’n geluk NU.
2. “Gelukkig zijn zij die hongeren en dorsten naar gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.” Alleen zij die zich arm van spirit voelen, zullen ooit hongeren naar gerechtigheid. Alleen de nederigen zoeken naar goddelijke kracht en hunkeren naar spirituele kracht. Maar het is het gevaarlijkst om bewust aan spiritueel vasten deel te nemen om iemands honger naar spirituele gaven te vergroten. Fysiek vasten wordt gevaarlijk na vier of vijf dagen; men is geneigd elk verlangen naar voedsel te verliezen. Langdurig vasten, zowel fysiek als spiritueel, neigt ertoe de (lichamelijke en spirituele) honger te vernietigen.
Ervaringsgerichte gerechtigheid is een plezier, geen plicht. De rechtvaardigheid van Jezus is een dynamische liefde -vaderlijk-broederlijke genegenheid. Het is niet het negatieve of gij-zult-niet-type van rechtvaardigheid. Hoe zou iemand ooit kunnen hongeren naar iets negatiefs -om iets NIET te doen?
Het is niet zo gemakkelijk om een kinderlijk verstand deze eerste twee lessen te leren, maar een volwassen verstand zou de betekenis ervan moeten begrijpen.
3. “Gelukkig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde erven.” Oprechte zachtmoedigheid heeft niets te maken met vrees. Het is veeleer een houding van de mens die samenwerkt met God -Uw wil geschiede. Het omvat geduld en verdraagzaamheid en wordt gemotiveerd door een onwrikbaar geloof in een wetmatig en vriendelijk universum. Het overwint alle verleidingen om in opstand te komen tegen de goddelijke leiding. Jezus was de ideale zachtmoedige mens van deze wereld, en hij erfde een enorm (lokaal) universum.
4. “Gelukkig zijn de reinen van hart, want zij zullen God zien.” Spirituele zuiverheid is geen negatieve eigenschap, behalve dat er een volledig gebrek is ontstaan aan wantrouwen en wraakzucht. Bij de bespreking van zuiverheid bedoelde Jezus niet uitsluitend menselijke seksuele attitudes te behandelen. Hij doelde meer op het geloof dat de mens in zijn medemens zou moeten hebben; het geloof dat een ouder in zijn kind heeft en dat hem in staat stelt zijn medemens lief te hebben zoals een vader hen zou liefhebben. De liefde van een vader hoeft niet te verwennen en keurt geen kwaad goed, maar is altijd anti-cynisch [ Cynisme is een houding die gekenmerkt wordt door een algemeen wantrouwen jegens de motieven van anderen. Een cynicus kan een algemeen gebrek aan vertrouwen of hoop hebben in mensen die gedreven worden door ambitie, geloof, verlangen, hebzucht, bevrediging, materialisme, want dit zijn dan doelen en meningen die een cynicus als ijdel, onbereikbaar of uiteindelijk zinloos beschouwt en die daarom spot of vermaning verdienen. Anti-cynisch is dan juist het aanwakkeren van hogere motieven voor iemands handelen.] Vaderlijke liefde is doelgericht en zoekt altijd het beste in de mens; dat is de houding van een ware ouder.
God zien door geloof betekent waar spiritueel inzicht verwerven. En spiritueel inzicht versterkt de leiding van de in je wonende Mentor-Spirit en dit vergroot uiteindelijk het Godsbewustzijn. En wanneer je de Vader kent, word je bevestigd in de zekerheid van goddelijk zoonschap, en kun je steeds meer van je sterfelijke broeders houden, niet alleen als een broeder met broederliefde, maar ook als een vader met vaderlijke genegenheid.
Het is gemakkelijk om deze aansporing zelfs aan een kind over te brengen. Kinderen zijn van nature vol vertrouwen, en ouders moeten ervoor zorgen dat de kinderen dat eenvoudige geloof niet verliezen. Vermijd in de omgang met kinderen alle misleiding en wek geen argwaan. Help hen wijselijk bij het kiezen van hun helden en hun levenswerk.
Uitleg van de vier voornaamste reacties van vaderlijke liefde
En vervolgens onderwees Jezus zijn volgelingen in het besef van het hoofddoel van alle menselijke worsteling: volmaaktheid, ja zelfs het bereiken van een goddelijk niveau. Hij spoorde hen steeds aan: “Wees volmaakt, zoals jullie Vader in de hemel volmaakt is.” Hij spoorde de twaalf niet aan om hun naasten lief te hebben zoals ze zichzelf liefhadden. Dat zou al een waardige prestatie zijn geweest; het zou hebben geduid op het bereiken van broederliefde. Maar hij spoorde zijn apostelen veeleer aan om de mede-mensen lief te hebben zoals hij hen had liefgehad – om lief te hebben met een vaderlijke EN broederlijke genegenheid. En hij illustreerde dit door te wijzen op vier voornaamste reacties van vaderlijke liefde:
1. “Gelukkig zijn zij die treuren, want zij zullen getroost worden.” Zogenaamd gezond verstand of de beste logica zou nooit suggereren dat geluk voort zou kunnen komen uit rouw. Maar Jezus verwees niet naar uiterlijke of opzichtige rouw. Hij zinspeelde op een emotionele houding van tederheid. Het is een grote dwaling om jongens en jonge mannen te leren dat het onmannelijk is om tederheid te tonen of anderszins blijk te geven van emotioneel gevoel of fysiek lijden. Medeleven is juist een waardevolle eigenschap van zowel de man als de vrouw. Het is niet nodig om ongevoelig te zijn om mannelijk te zijn. Dit is de verkeerde manier om moedige mannen te creëren. De grote mannen van de wereld zijn niet bang geweest om te rouwen. Mozes, de rouwende, was een groter man dan Simson of Goliath. Mozes was een voortreffelijk leider, maar hij was ook een man van zachtmoedigheid. Gevoelig zijn voor en reageren op menselijke behoeften creëert oprecht en blijvend geluk, terwijl dergelijke vriendelijke houdingen de ziel beschermen tegen de destructieve invloeden van woede, haat en achterdocht.
2. “Gelukkig zijn de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid verkrijgen.” Barmhartigheid duidt hier op de hoogte, diepte en breedte van de meest oprechte vriendschap – liefdevolle vriendelijkheid. Barmhartigheid kan soms passief zijn, maar hier is het actief en dynamisch – opperste vaderlijkheid. Een liefhebbende ouder heeft er weinig moeite mee zijn kind te vergeven, zelfs niet als dit vaak voorkomt. En bij een onbedorven kind is er een natuurlijke drang om lijden te verlichten. Kinderen zijn normaal gesproken vriendelijk en meelevend als ze oud genoeg zijn om de werkelijke omstandigheden te beseffen.
3. “Gelukkig zijn de vredestichters, want zij zullen zonen van God genoemd worden.” De toehoorders van Jezus verlangden naar militaire bevrijding, niet naar vredestichters. Maar de vrede van Jezus is niet de negatieve soort. In het aangezicht van beproevingen en vervolgingen zei hij: “Mijn vrede laat ik u na.” “Laat uw hart niet verontrust zijn, noch bevreesd.” Dit is de vrede die verwoestende conflicten voorkomt. Persoonlijke vrede integreert de persoonlijkheid. Sociale vrede voorkomt angst, hebzucht en woede. Politieke vrede voorkomt rassentegenstellingen, nationale verdenkingen en oorlog. Vrede stichten is de remedie tegen wantrouwen en achterdocht.
Aan kinderen kan gemakkelijk worden geleerd om als vredestichters te functioneren. Ze genieten van teamactiviteiten; ze spelen graag samen. De Meester zei op een ander moment: “Wie zijn leven wil behouden, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest, zal het vinden.”
4. “Gelukkig zijn zij die vervolgd worden om de gerechtigheid, want van hun is het hemelse koninkrijk. Gelukkig bent u wanneer men u smaadt en vervolgt en valselijk allerlei kwaad van u spreekt. Verheug u en wees buitengewoon blij, want uw beloning in de hemel is groot.”
Zo vaak volgt vervolging op vrede. Maar jonge mensen en dappere volwassenen schuwen moeilijkheden of gevaar nooit. “Niemand heeft grotere liefde dan diegene die zijn leven geeft voor zijn vrienden.” En een vaderlijke liefde kan al deze dingen vrijelijk doen, dingen die broederliefde nauwelijks kan omvatten. En vooruitgang is altijd de uiteindelijke oogst van vervolging geweest.
Kinderen reageren altijd op de uitdaging van moed. De jeugd is altijd bereid om een uitdaging aan te gaan. En elk kind moet vroeg leren opofferen.
En zo wordt onthuld dat de prachtige preek van de Bergrede gebaseerd is op geloof en liefde en niet op wet, ethiek en plicht.
Vaderlijke liefde schept er behagen in kwaad met goed te vergelden, goed te doen als vergelding voor onrecht.
De avond van de wijding
Zondagavond, toen Jezus vanuit de hooglanden ten noorden van Capernaum bij het huis van Zebedeüs aankwam, namen Jezus en de twaalf deel aan een eenvoudige maaltijd. Daarna, terwijl Jezus een wandeling langs het strand maakte, spraken de twaalf met elkaar. Na een kort gesprek, terwijl de tweeling een vuurtje stookte om hen warmte en meer licht te geven, ging Andreas eropuit om Jezus te zoeken. Toen hij hem had ingehaald, zei hij: “Meester, mijn broeders kunnen niet begrijpen wat u over het koninkrijk hebt gezegd. Wij voelen ons niet in staat om met dit werk te beginnen totdat u ons verdere instructies hebt gegeven. Ik ben gekomen om u te vragen om met ons mee te gaan naar de tuin en ons te helpen de betekenis van uw woorden te begrijpen.” En Jezus ging met Andreas mee om de apostelen te ontmoeten.
Toen hij de tuin was binnengegaan, verzamelde hij de apostelen om zich heen en onderwees hen verder, door te zeggen: “Jullie vinden het moeilijk om mijn boodschap te ontvangen omdat jullie de nieuwe leer direct op de oude willen bouwen. Maar ik verklaar dat jullie herboren moeten worden. Jullie moeten opnieuw beginnen als kleine kinderen en bereid zijn om op mijn leer te vertrouwen en in God te geloven. Het nieuwe evangelie van het koninkrijk kan niet in overeenstemming worden gebracht met wat er al is. Jullie hebben verkeerde ideeën over de MensenZoon en zijn missie op aarde. Maar maak ook niet de fout te denken dat ik gekomen ben om de wet en de profeten terzijde te schuiven; ik ben niet gekomen om te vernietigen, maar om te vervullen, te verruimen en te verlichten. Ik kom niet om de wet te overtreden, maar om deze nieuwe geboden op de tafelen van jullie harten te schrijven.”
“Ik eis van u een rechtvaardigheid die de rechtvaardigheid overtreft van hen die de gunst van de Vader proberen te verkrijgen door aalmoezen, gebed en vasten. Als u het koninkrijk wilt binnengaan, moet u een rechtvaardigheid hebben die bestaat uit liefde, barmhartigheid en waarheid – het oprechte verlangen om de wil van mijn Vader in de hemel te doen.”
Toen zei Simon Petrus: “Meester, als u een nieuw gebod hebt, willen we het horen. Openbaar ons de nieuwe weg.” Jezus antwoordde Petrus: “Je hebt gehoord dat door degenen die de wet onderwijzen, is gezegd: ‘Gij zult niet doden; ieder die doodt, zal onderworpen zijn aan het oordeel.’ Maar ik kijk verder dan de daad om het motief te ontdekken. Ik verklaar je dat iedereen die boos is op zijn broeder, gevaar loopt veroordeeld te worden. Wie haat in zijn hart koestert en wraak plant in zijn gedachten, loopt gevaar veroordeeld te worden. Je moet je medemensen beoordelen op hun daden; de Vader in de hemel oordeelt naar hun bedoeling.”
“Je hebt de schriftgeleerden horen zeggen: ‘U zult geen overspel plegen.’ Maar ik zeg je dat elke man die naar een vrouw kijkt met de bedoeling haar te begeren, in zijn hart al overspel met haar heeft gepleegd. Je kunt mensen alleen beoordelen op hun daden, maar mijn Vader kijkt in de harten van zijn kinderen en oordeelt hen in barmhartigheid overeenkomstig hun bedoelingen en ware verlangens.”
Jezus was van plan door te gaan met het bespreken van de andere geboden toen Jacobus Zebedeüs hem onderbrak en vroeg: “Meester, wat zullen wij het volk leren over echtscheiding? Zullen wij een man toestaan zijn vrouw te scheiden zoals Mozes heeft bevolen?” En toen Jezus deze vraag hoorde, zei hij: “Ik ben niet gekomen om wetten te maken, maar om te verlichten. Ik ben niet gekomen om de koninkrijken van deze wereld te hervormen, maar om het hemelse koninkrijk te vestigen. Het is niet de wil van de Vader dat ik zou toegeven aan de verleiding om aan jullie regels van bestuur, handel of sociaal gedrag te leren, die, hoewel ze goed zouden kunnen zijn voor vandaag, verre van geschikt zouden zijn voor de samenleving van een ander tijdperk. Ik ben alleen op aarde om de spirit te troosten, de spirit te bevrijden en de zielen van de mensen te redden. Maar ik wil zeggen, betreffende deze kwestie van echtscheiding, dat, hoewel Mozes zulke dingen welwillend beschouwde, dit niet zo was in de dagen van Adam en in de Hof van Eden.”
Nadat de apostelen een korte tijd met elkaar hadden gesproken, vervolgde Jezus met te zeggen: “Jullie moeten altijd de twee gezichtspunten van al het sterfelijke gedrag erkennen: het menselijke en het goddelijke; de wegen van het lichaam en de weg van de spirit; de inschatting van de tijd en het gezichtspunt van de eeuwigheid.” En hoewel de twaalf niet alles konden begrijpen wat hij hun leerde, werden ze werkelijk geholpen door deze instructie.
En toen zei Jezus: “Maar jullie zullen over mijn leer struikelen, omdat jullie gewend zijn mijn boodschap letterlijk te interpreteren; jullie zijn traag om de spirit van mijn leer te onderscheiden. Nogmaals, jullie moeten niet vergeten dat jullie mijn boodschappers zijn; jullie zijn verplicht jullie leven te leiden zoals ik het mijne in de spirit heb geleefd. Jullie zijn mijn persoonlijke vertegenwoordigers. Maar vergis je niet door te verwachten dat alle mensen in elk opzicht leven zoals jullie. Je moet ook onthouden dat ik schapen heb die niet tot deze kudde behoren, en dat ik ook aan hen verplicht ben [hij bedoelt waarschijnlijk de wezens op andere bewoonde werelden in het lokale universum], zodat ik hun het voorbeeld moet geven van het doen van de wil van God terwijl ik het leven van de sterfelijke natuur leef.”
Toen vroeg Nathanaël: “Meester, zouden we geen plaats geven aan gerechtigheid? De wet van Mozes zegt: ‘Oog om oog en tand om tand’. Wat zullen we zeggen?” En Jezus antwoordde: “Je zult kwaad met goed vergelden. Mijn boodschappers moeten niet met mensen twisten, maar zachtmoedig zijn jegens allen. ‘Met gelijke maat beantwoorden’ zal niet jullie regel zijn. De heersers van mensen mogen zulke wetten hebben, maar niet zo in het koninkrijk; barmhartigheid zal altijd jullie oordelen bepalen en liefde jullie gedrag. En als dit harde uitspraken zijn, kunnen jullie nu al omkeren. Als je de eisen van het apostelschap te zwaar vindt, kun je terugkeren naar het minder strenge pad van discipelschap.”
Toen de apostelen deze schokkende woorden hoorden, trokken ze zich een tijdje terug, maar ze keerden al snel terug. Petrus zei: “Meester, wij willen met u meegaan; niemand van ons wil omkeren. Wij zijn volledig bereid de extra prijs te betalen; wij zullen de beker drinken. Wij willen apostelen zijn, niet slechts discipelen.”
Toen Jezus dit hoorde, zei hij: “Wees dan bereid uw verantwoordelijkheden op u te nemen en volg mij. Doe uw goede daden in het geheim; wanneer u aalmoezen geeft, laat uw linkerhand dan niet weten wat uw rechterhand doet. En wanneer u bidt, zonder u dan af en gebruik geen ijdele herhalingen en nietszeggende zinnen. Onthoud altijd dat de Vader weet wat je nodig hebt, zelfs voordat je Hem erom vraagt. En wees niet geneigd te vasten met een somber gelaat alleen om door de mensen gezien te worden. Verzamel als mijn uitverkoren apostelen, nu apart gezet voor de dienst van het koninkrijk, geen schatten op aarde, maar verzamel door je onbaatzuchtige dienst schatten in de hemel, want waar je schatten zijn, daar zal ook je hart zijn.”
“De lamp van het lichaam is het oog; als je oog dus edelmoedig is, zal je hele lichaam verlicht zijn. Maar als je oog egoïstisch is, zal je hele lichaam met duisternis vervuld zijn. Als het licht dat in je is, in duisternis verandert, hoe groot is die duisternis dan!”
En toen vroeg Thomas aan Jezus of ze “alles gemeenschappelijk moesten blijven hebben.” De Meester zei: “Ja, mijn broeders, ik zou willen dat we samenleven als één begripvolle familie. Aan jullie is een groot werk toevertrouwd en ik verlang naar jullie onverdeelde dienstbaarheid. Jullie weten dat er terecht is gezegd: “Niemand kan twee heren dienen.” Jullie kunnen niet oprecht God aanbidden en tegelijkertijd met heel je hart de mammon dienen. Nu jullie je onvoorwaardelijk hebben aangemeld voor het werk van het koninkrijk, wees dan niet bezorgd over jullie leven; laat staan over wat jullie zullen eten of wat jullie zullen drinken; noch over jullie lichaam, welke kleding jullie zullen dragen. Jullie hebben al geleerd dat gewillige handen en oprechte harten geen honger zullen lijden. En nu, wanneer jullie je voorbereiden om al je energie te wijden aan het werk van het koninkrijk, wees er dan van verzekerd dat de Vader jullie behoeften niet zal vergeten. Zoek eerst het koninkrijk van God, en wanneer jullie daar toegang toe hebben gevonden, zal alles wat nodig is jullie worden gegeven. Wees daarom niet onnodig bezorgd voor de dag van morgen. De dag van vandaag heeft al genoeg aan zijn zorgen.”
Toen Jezus zag dat ze geneigd waren de hele nacht op te blijven om vragen te stellen, zei hij tegen hen: “Mijn broeders, jullie zijn aarden vaten [ Deze ‘aarden vaten’ zijn menselijke lichamen, die net als aarden vaten of kleipotten onderhevig zijn aan verval en vernietiging. ]; het is het beste voor jullie om te gaan rusten om klaar te zijn voor het werk van de volgende dag.” Maar de slaap was uit hun ogen geweken. Petrus waagde het zijn Meester te vragen of hij even een kort privégesprek met Jezus kon voeren. “Niet dat ik geheimen voor mijn broeders zou willen hebben, maar ik heb een onrustige geest, en als ik misschien een berisping van mijn Meester zou verdienen, zou ik die beter alleen kunnen verdragen.” En Jezus zei: “Kom met me mee, Petrus”, en leidde de weg naar het huis. Toen Petrus zeer verheugd en bemoedigd terugkeerde van de aanwezigheid bij zijn Meester, besloot Jacobus naar binnen te gaan om met Jezus te praten. En zo ging het door tot in de vroege uurtjes van de ochtend, de andere apostelen gingen één voor één naar binnen om met de Meester te praten. Toen ze allemaal persoonlijke gesprekken met hem hadden gehad, behalve de tweeling, die in slaap was gevallen, ging Andreas naar binnen bij Jezus en zei: “Meester, de tweeling is in slaap gevallen in de tuin bij het vuur; zal ik ze wakker maken om te vragen of ze ook met u willen praten?” En Jezus zei glimlachend tegen Andreas: “Het gaat goed met ze, val ze maar niet lastig.” En nu was de nacht al bijna voorbij; het licht van een nieuwe dag brak aan.
De week na de wijding
Na een paar uur slaap, toen de twaalf bijeen waren voor een laat ontbijt met Jezus, zei hij: “Nu moeten jullie beginnen met jullie werk van het prediken van het goede nieuws en het onderwijzen van de gelovigen. Maak je klaar om naar Jeruzalem te gaan.” Nadat Jezus had gesproken, verzamelde Thomas moed om te zeggen: “Ik weet, Meester, dat we nu klaar moeten zijn om aan het werk te beginnen, maar ik vrees dat we deze grote onderneming nog niet kunnen volbrengen. Zou u ermee instemmen dat we nog een paar dagen hier blijven voordat we beginnen met het werk van het koninkrijk?” En toen Jezus zag dat al zijn apostelen door dezelfde angst bezeten waren, zei hij: “Het zal gebeuren zoals je hebt gevraagd; we zullen hier de sabbathdag doorbrengen.”
Wekenlang waren kleine groepjes oprechte waarheidszoekers, samen met nieuwsgierige toeschouwers, naar Bethsaida gekomen om Jezus te zien. Het nieuws over hem had zich al over het platteland verspreid. Er waren groepen vragende mensen gekomen uit steden zo ver weg als Tyrus, Sidon, Damascus, Caesarea en Jeruzalem. Tot nu toe had Jezus deze mensen begroet en hen onderwezen over het koninkrijk, maar de Meester droeg dit werk nu over aan de twaalf. Andreas koos een van de apostelen uit en wees hem toe aan een groep bezoekers, en soms waren ze alle twaalf zo bezig.
Twee dagen lang werkten ze, overdag onderwijzend en tot laat in de nacht privégesprekken houdend. Op de derde dag bezocht Jezus Zebedeüs en Salome terwijl hij zijn apostelen eropuit stuurde: “om te gaan vissen, om zorgeloos verandering te zoeken of misschien jullie families te bezoeken.” Op donderdag keerden ze terug voor nog eens drie dagen onderricht.
Tijdens deze week van repeteren herhaalde Jezus vele malen tegenover zijn apostelen de twee belangrijkste motieven van zijn zending op aarde na zijn doop:
- De Vader aan de mens openbaren.
- Mensen ertoe brengen zich bewust te zijn van hun zoon-schap –tot het geloof en besef dat zij de kinderen (zonen/dochters) van de Allerhoogste zijn.
Eén week van deze gevarieerde ervaring deed veel voor de twaalf; sommigen werden zelfs overmoedig. Tijdens de laatste vergadering, de avond na de sabbath, kwamen Petrus en Jacobus naar Jezus en zeiden: “Wij zijn gereed! Laten we nu erop uitgaan om het koninkrijk aan te pakken.” Waarop Jezus antwoordde: “Moge uw wijsheid uw ijver evenaren en uw moed uw onwetendheid goedmaken.”
Hoewel de apostelen veel van zijn leer niet begrepen, begrepen ze wel de betekenis van het bekoorlijk mooie leven dat hij met hen leidde.
Donderdagmiddag op het Meer
Jezus wist heel goed dat zijn apostelen zijn leer niet volledig hadden verwerkt. Hij besloot Petrus, Jacobus en Johannes speciale instructies te geven, in de hoop dat zij de ideeën van hun metgezellen zouden kunnen verduidelijken. Hij zag dat sommige aspecten van het idee van een spiritueel koninkrijk door de twaalf werden begrepen. Maar ook dat zij standvastig bleven volharden in het direct verbinden van deze nieuwe spirituele leringen aan hun oude en diepgewortelde letterlijke concepten. Namelijk het oude idee van het hemelse koninkrijk als een herstel van Davids troon en het opnieuw vestigen van Israël als een wereldlijke macht op aarde. En zo ging Jezus op donderdagmiddag in een boot met Petrus, Jacobus en Johannes weg van de oever om de zaken van het koninkrijk te bespreken. Dit was een vier uur durende onderwijs-vergadering, die tientallen vragen en antwoorden omvatte. Dit alles kan het meest nuttig in dit verslag worden opgenomen door de samenvatting van deze gedenkwaardige middag weer te geven zoals die de volgende ochtend door Simon Petrus aan zijn broer Andreas werd gegeven:
“De wil van de Vader doen.”
De leer van Jezus om te vertrouwen op de alomvattende zorg van de hemelse Vader was geen blind en passief fatalisme. Hij citeerde vanmiddag met instemming een oud Hebreeuws gezegde: “Wie niet wil werken, zal niet eten.” Hij verwees naar zijn eigen ervaring als voldoende commentaar op zijn leringen. Zijn voorschriften over vertrouwen op de Vader mogen niet worden beoordeeld aan de hand van de sociale of economische omstandigheden van de moderne tijd of welke andere tijd dan ook. Zijn onderricht omvat de ideale principes van een leven nabij God in alle tijden en op alle werelden.
Jezus maakte de drie duidelijk wat het verschil was tussen de vereisten van apostelschap en discipelschap. En zelfs toen verbood hij de twaalf niet om voorzichtig en vooruitziend te zijn. Waar hij tegen predikte was niet vooruitziendheid, maar angst, bezorgdheid. Hij leerde de actieve en alerte onderwerping aan Gods wil [d.w.z.: niet passief en blind]. In antwoord op veel van hun vragen over soberheid en spaarzaamheid vestigde hij eenvoudigweg de aandacht op zijn leven als timmerman, botenbouwer en visser, en op zijn zorgvuldige organisatie van de twaalf. Hij probeerde duidelijk te maken dat de wereld niet als een vijand moet worden beschouwd; dat de levensomstandigheden een goddelijke verstrekking of toe-bedeling vormen die samenwerkt met de kinderen van God.
Jezus had grote moeite om hen zijn persoonlijke praktijk van geweldloosheid te laten begrijpen. Hij weigerde absoluut zichzelf te verdedigen, en het leek de apostelen toe dat hij blij zou zijn als zij hetzelfde beleid zouden voeren. Hij leerde hen geen weerstand te bieden aan het kwaad, geen onrecht of belediging te bestrijden, maar hij leerde ook geen passieve tolerantie voor wangedrag. En hij maakte vanmiddag duidelijk dat hij de sociale bestraffing van kwaaddoeners en criminelen goedkeurde, en dat de burgerlijke overheid soms geweld moet gebruiken voor het handhaven van de maatschappelijke orde en bij de uitvoering van gerechtigheid.
Hij hield nooit op zijn discipelen te waarschuwen voor de kwade praktijk van VERGELDING; hij stond wraak niet toe, gaf geen ruimte voor het idee van wraak nemen. Hij betreurde het koesteren van wrok. Hij verwierp het idee van oog om oog en tand om tand. Hij verwierp het hele concept van privé en persoonlijke wraak, en wees deze zaken toe aan de burgerlijke overheid enerzijds en aan het oordeel van God anderzijds. Hij maakte de drie duidelijk dat zijn leringen van toepassing waren op het INDIVIDU, niet op de staat. Hij vatte zijn instructies tot dan toe met betrekking tot deze zaken als volgt samen:
- Heb uw vijanden lief – denk aan de morele eisen van menselijke broederschap.
- De zinloosheid van het kwaad: Een onrecht wordt niet rechtgezet door wraak. Maak niet de fout het kwaad met zijn eigen wapens te bestrijden.
- Heb geloof – heb vertrouwen in de uiteindelijke triomf van goddelijke gerechtigheid en eeuwige goedheid.
Politieke houding
Hij waarschuwde zijn apostelen om discreet te zijn in hun opmerkingen over de gespannen verhoudingen die toen bestonden tussen het Joodse volk en de Romeinse regering. Hij verbood hen op enigerlei wijze betrokken te raken bij deze moeilijkheden. Hij was altijd alert om de politieke valstrikken van zijn vijanden te vermijden en antwoordde altijd: “Geef aan de keizer wat van de keizer is en aan God wat van God is.” Hij weigerde zijn aandacht te laten afleiden van zijn missie om een nieuwe weg naar verlossing te vestigen. Hij stond zichzelf niet toe zich met iets anders bezig te houden. In zijn persoonlijke leven nam hij altijd alle burgerlijke wetten en voorschriften nauwgezet in acht. In al zijn openbare leringen negeerde hij het burgerlijke, sociale en economische domein. Hij vertelde de drie apostelen dat hij zich alleen bezighield met de principes van het innerlijke en persoonlijke spirituele leven van de mens.
Jezus was daarom geen politiek hervormer. Hij kwam niet om de wereld te reorganiseren. Zelfs als hij dit had gedaan, zou het alleen van toepassing zijn geweest op die tijd en generatie. Niettemin toonde hij de mens de beste manier van leven, en geen enkele generatie is vrijgesteld van de inspanning om te ontdekken hoe het (voorbeeld) leven van Jezus het beste kan worden aangepast aan de eigentijdse problemen. Maar maak nooit de fout om de leringen van Jezus te identificeren met welke politieke of economische theorie dan ook, met welk sociaal of industrieel systeem dan ook.
Sociale houding
De Joodse rabbijnen hadden lang gedebatteerd over de vraag: Wie is mijn naaste? Jezus kwam met het idee van actieve en spontane vriendelijkheid, een liefde voor de medemens die zo oprecht was dat het ‘de buurt’ uitbreidde tot ‘de hele wereld’, waardoor iedereen elkaars naaste werd. Maar ondanks dit alles was Jezus alleen geïnteresseerd in het individu, niet in de massa. Jezus was geen socioloog, maar hij deed zijn best om alle vormen van egoïstische isolatie te doorbreken. Hij onderwees zuivere sympathie, compassie. Michaël van Nebadon is een door genade [ letterlijk: ‘mercy’ ] gedomineerde Zoon van God; compassie is zijn ware aard.
De Meester zei niet dat mensen hun vrienden nooit met een maaltijd mochten vermaken, maar hij zei wel dat zijn volgelingen feesten moesten geven voor de armen en de ongelukkigen. Jezus had een sterk rechtvaardigheidsgevoel, maar dat werd altijd getemperd met genade. Hij leerde zijn apostelen niet dat ze zich moesten laten beïnvloeden door sociale parasieten of professionele bedelaars. Het dichtst dat hij bij een sociologische uitspraak kwam, was door te zeggen: ‘Oordeel niet, opdat er niet over je geoordeeld wordt.’
Hij maakte duidelijk dat willekeurige vriendelijkheid de schuld kan zijn van veel maatschappelijke misstanden. De volgende dag instrueerde Jezus Judas nadrukkelijk dat er geen apostolische gelden als aalmoezen mochten worden gegeven, behalve op zijn verzoek of op het gezamenlijke verzoek van twee apostelen. In al deze zaken was het de gewoonte van Jezus om altijd te zeggen: ‘Wees zo wijs als slangen, maar zo onschuldig als duiven.’ Het leek zijn doel om in alle sociale situaties geduld, tolerantie en vergevingsgezindheid te onderwijzen.
Het gezin stond centraal in de levensfilosofie van Jezus, hier en in het hiernamaals. Hij baseerde zijn leringen over God op het gezin, terwijl hij probeerde de Joodse neiging te corrigeren om voorouders te veel te eren. Hij verheerlijkte het gezinsleven als de hoogste menselijke plicht, maar maakte duidelijk dat familierelaties religieuze verplichtingen niet in de weg mogen staan. Hij vestigde de aandacht op het feit dat het gezin een tijdelijke instelling is; dat het de dood niet overleeft. Jezus aarzelde niet om zijn gezin op te geven toen het gezin niet meer spoorde met de wil van de Vader. Hij onderwees de nieuwe en grotere broederschap van de mens – de kinderen van God. In de tijd van Jezus waren de echtscheidingspraktijken laks, in Palestina en in het hele Romeinse Rijk. Hij weigerde herhaaldelijk wetten te geven met betrekking tot huwelijk en echtscheiding, maar veel van de vroege volgelingen van Jezus hadden sterke meningen over echtscheiding en aarzelden niet om die aan hem toe te schrijven. Alle schrijvers van het Nieuwe Testament hielden zich aan deze strengere en geavanceerdere ideeën over echtscheiding, behalve Johannes Marcus.
Economische houding
Jezus werkte, leefde en handelde in de wereld zoals hij die aantrof. Hij was geen economisch hervormer, hoewel hij vaak de aandacht vestigde op de onrechtvaardigheid van de ongelijke verdeling van rijkdom. Maar hij deed geen suggesties voor een oplossing. Hij maakte de drie duidelijk dat, hoewel zijn apostelen geen eigendom mochten bezitten, hij niet predikte tegen rijkdom en bezit, maar slechts tegen de ongelijke en oneerlijke verdeling ervan. Hij erkende de noodzaak van sociale rechtvaardigheid en industriële eerlijkheid, maar hij gaf geen regels voor het bereiken ervan.
Hij leerde zijn volgelingen nooit om aardse bezittingen te vermijden, alleen zijn twaalf apostelen. Lucas, de arts, was een sterk voorstander van sociale gelijkheid en hij deed veel om de uitspraken van Jezus te interpreteren in overeenstemming met zijn persoonlijke overtuigingen. Maar Jezus heeft zijn volgelingen nooit persoonlijk opgedragen een gemeenschappelijke levenswijze aan te nemen; hij deed geen enkele uitspraak over dergelijke zaken.
Jezus waarschuwde zijn toehoorders herhaaldelijk voor hebzucht en verklaarde dat het geluk van een mens niet bestaat uit de overvloed van zijn materiële bezittingen. Hij herhaalde voortdurend: “Wat baat het een mens als hij de hele wereld wint en zijn eigen ziel verliest?” Hij deed geen directe aanval op het bezit van eigendom, maar hij benadrukte wel dat het voor eeuwig essentieel is dat spirituele waarden op de eerste plaats komen. In zijn latere leringen probeerde hij vele onjuiste Aardse visies op het leven te corrigeren door talrijke gelijkenissen te vertellen die hij tijdens zijn openbare optreden presenteerde. Jezus had nooit de bedoeling economische theorieën te formuleren; hij wist heel goed dat elk tijdperk zijn eigen remedies voor bestaande problemen moest ontwikkelen. En als Jezus vandaag op aarde zou zijn, en zijn leven in een sterfelijk lichaam zou leiden, zou hij een grote teleurstelling zijn voor de meerderheid van de goede mannen en vrouwen, om de simpele reden dat hij geen partij zou kiezen in de huidige politieke, sociale of economische geschillen. Hij zou zich groots afzijdig houden terwijl hij je zou leren hoe je je innerlijke spirituele leven kunt vervolmaken, zodat je vele malen bekwamer wordt om de oplossing van je puur menselijke problemen aan te pakken.
Jezus zou alle mensen goddelijk proberen te maken en vervolgens met medeleven toekijken terwijl deze zonen van God hun eigen politieke, sociale en economische problemen oplossen. Het was niet de rijkdom die hij veroordeelde, maar wat rijkdom doet met de meerderheid van zijn aanhangers. Op deze donderdagmiddag vertelde Jezus zijn metgezellen voor het eerst dat “het zaliger is te geven dan te ontvangen.”
Persoonlijke religie
Je zou, net als zijn apostelen, de leringen van Jezus beter moeten begrijpen door zijn leven. Hij leidde een vervolmaakt leven op Aarde, en zijn unieke leringen kunnen alleen worden begrepen wanneer dat leven wordt gevisualiseerd tegen de directe achtergrond ervan. Het is zijn leven, en niet zijn lessen aan de twaalf of zijn toespraken tot de menigten, dat het meest zal bijdragen aan het openbaren van het goddelijke karakter en de liefdevolle persoonlijkheid van de Vader.
Jezus viel de leringen van de Hebreeuwse profeten of de Griekse moralisten niet aan. De Meester erkende de vele goede dingen waar deze grote leraren voor stonden, maar hij was naar de aarde gekomen om iets extra’s te onderwijzen: de vrijwillige keuze van de mens om zijn menselijke wil conform aan de wil van God te laten zijn. Jezus wilde niet zomaar een religieuze mens voortbrengen, een sterveling die volledig in beslag wordt genomen door religieuze gevoelens en alleen wordt gedreven door spirituele impulsen. Had je hem maar één keer kunnen zien, dan had je geweten dat Jezus een echt mens was met veel ervaring in de dingen van deze wereld. De leringen van Jezus in dit opzicht zijn grof verdraaid en verkeerd voorgesteld gedurende alle eeuwen van het christelijke tijdperk. Je hebt ook verdraaide ideeën gehad over de zachtmoedigheid en nederigheid van de Meester. Wat hij in zijn leven nastreefde, lijkt een SUPERIEUR ZELF-RESPECT te zijn geweest. Hij adviseerde de mens alleen maar om nederig te zijn, zodat hij werkelijk verheven kon worden. Waar hij werkelijk naar streefde, was ware nederigheid ten opzichte van God. Hij hechtte grote waarde aan oprechtheid – een zuiver hart. Trouw was een hoofddeugd in zijn beoordeling van karakter, terwijl MOED de kern van zijn leringen was. ‘Vrees niet’ was zijn motto, en geduldig uithoudingsvermogen zijn ideaal van karaktersterkte. De leringen van Jezus vormen een religie van heldhaftigheid, moed en heldendom. En juist daarom koos hij als zijn persoonlijke vertegenwoordigers twaalf gewone mannen, van wie de meesten ruige, viriele en mannelijke vissers waren.
Jezus had weinig te zeggen over de sociale ondeugden van zijn tijd; zelden verwees hij naar morele fouten en overtredingen. Hij was een positieve leraar van ware deugd. Hij vermeed zorgvuldig de negatieve methode van onderricht geven; hij weigerde het kwaad te verkondigen. Hij was niet eens een moreel hervormer. Hij wist heel goed, en leerde zijn apostelen, dat de zintuiglijke driften van de mensheid niet onderdrukt worden door religieuze vermaningen of wettelijke verboden. Zijn weinige aanklachten waren grotendeels gericht tegen trots, wreedheid, onderdrukking en hypocrisie.
Jezus veroordeelde zelfs de Farizeeën niet heftig, zoals Johannes(de Doper) wel deed. Hij wist dat veel schriftgeleerden en Farizeeën oprecht van hart waren. Hij begreep hun slaafse gebondenheid aan religieuze tradities. Jezus legde grote nadruk op ‘eerst de boom goed maken‘. Hij maakte de drie duidelijk dat hij het hele leven waardeerde, niet slechts een paar specifieke deugden.
Het enige dat Johannes (de apostel) uit het onderwijs van deze dag leerde, was dat de kern van de religie van Jezus bestond uit het verwerven van een karakter van mededogen, gekoppeld aan een persoonlijkheid die gemotiveerd was om de wil van de Vader in de hemel te doen.
Petrus begreep het idee dat het evangelie dat zij op het punt stonden te verkondigen werkelijk een nieuw begin was voor de hele mensheid. Hij bracht deze indruk later over aan Paulus, die daaruit zijn leer over Christus als ’de tweede Adam’ formuleerde.
Jacobus begreep de opwindende waarheid dat Jezus wilde dat zijn kinderen op aarde zouden leven alsof ze reeds burgers waren van het voltooide hemelse koninkrijk.
Jezus wist dat elke mens weer anders is, en dat onderwees hij zijn apostelen ook. Hij spoorde hen voortdurend aan om niet te proberen de discipelen en gelovigen te vormen volgens een vast patroon. Hij streefde ernaar elke ziel de kans te geven zich op zijn eigen manier te ontwikkelen, een vervolmakend en afzonderlijk individu voor God. In antwoord op een van de vele vragen van Petrus zei de Meester: “Ik wil mensen bevrijden, zodat ze als kleine kinderen opnieuw kunnen beginnen aan het nieuwe en betere leven.” Jezus benadrukte altijd dat ware goedheid onbewust moet zijn, door liefdadigheid te schenken zonder de linkerhand te laten weten wat de rechterhand doet.
De drie apostelen waren die middag geschokt toen ze beseften dat de religie van hun Meester geen ruimte bood voor spiritueel zelfonderzoek. Alle religies vóór en na de tijd van Jezus, zelfs het christendom, voorzien zorgvuldig in gewetensvol zelfonderzoek. Maar dat gold niet voor de religie van Jezus van Nazareth. De levensfilosofie van Jezus kent geen religieuze introspectie. De zoon van de timmerman leerde ons nooit dat we karakter moeten BOUWEN, maar leerde ons karakterGROEI, door te verklaren dat het hemelse koninkrijk is als een mosterdzaadje. Maar Jezus zei niets dat zelfanalyse zou verbieden als preventie van verwaand egoïsme.
Het recht om het koninkrijk binnen te gaan, is afhankelijk van geloof, van persoonlijke overtuiging. De prijs om in de voortschrijdende opklimming in het koninkrijk te blijven, is de parel van grote waarde, waarvoor een mens alles verkoopt wat hij bezit.
De leer van Jezus is een religie voor iedereen, niet alleen voor zwakkelingen en slaven. Zijn religie kristalliseerde (tijdens zijn tijd) nooit uit tot geloofsbelijdenissen en theologische wetten. Hij liet geen enkele geschreven regel na. Zijn leven en leringen werden aan het universum nagelaten als een inspirerende en idealistische erfenis, geschikt voor de spirituele leiding en morele instructie van alle tijden, op alle werelden. En zelfs vandaag de dag staat de leer van Jezus los van alle religies, hoewel het de levende hoop van elk van hen is.
Jezus leerde zijn apostelen niet dat religie de enige aardse bezigheid van de mens is; dat was het Joodse idee van het dienen van God. Maar hij benadrukte wel dat religie de exclusieve taak van de twaalf was. Jezus onderwees niets om zijn gelovigen af te houden van het nastreven van ware cultuur; hij deed alleen afbreuk aan de traditiegebonden religieuze scholen van Jeruzalem. Hij was liberaal, ruimhartig, geleerd en tolerant. Zelfbewuste vroomheid had geen plaats in zijn filosofie van rechtvaardig leven.
De Meester bood geen oplossingen voor de niet-religieuze problemen van zijn eigen tijd, en ook niet voor enig volgend tijdperk. Jezus wilde spiritueel inzicht in eeuwige realiteiten ontwikkelen en initiatief in de originaliteit van het leven stimuleren. Hij hield zich uitsluitend bezig met de onderliggende en permanente spirituele behoeften van de mensheid. Hij openbaarde een goedheid die gelijk was aan God. Hij verheerlijkte liefde, waarheid, schoonheid en goedheid als het goddelijke ideaal en de eeuwige realiteit.
De Meester kwam om in de mens een nieuwe spirit te scheppen, een nieuwe wil – om een nieuw vermogen te schenken om de waarheid te kennen, mededogen te ervaren en het goede te kiezen – de wil om in harmonie te zijn met Gods wil, gekoppeld aan de eeuwige drang om volmaakt te worden, zoals de Vader in de hemel volmaakt is.
De dag van de toewijding
De volgende sabbath besteedde Jezus aan zijn apostelen, en reisde terug naar het hoogland waar hij hen had gewijd; en daar, na een lange en prachtige, ontroerende persoonlijke boodschap van bemoediging, ondernam hij de plechtige handeling van de toewijding [‘consecration’] van de twaalf. Deze sabbathmiddag verzamelde Jezus de apostelen om zich heen op de heuvel en gaf hen in de handen van zijn hemelse Vader ter voorbereiding op de dag dat hij gedwongen zou zijn hen alleen te laten in de wereld. Er was deze keer geen nieuwe leer, alleen een bezoek aan de plek en samen-zijn.
Jezus herhaalde vele aspecten van de wijdingspreek -de Bergrede-, die op dezelfde plek was gehouden, en riep hen vervolgens één voor één bij hem en gaf hem dan de opdracht om als zijn vertegenwoordiger de wereld in te gaan. De wijdingsopdracht van de Meester was: “Ga de hele wereld in en verkondig de blijde boodschap van het koninkrijk. Bevrijd spirituele gevangenen, troost de onderdrukten en help de bedroefden. Je hebt het gratis ontvangen, geef het ook gratis.”
Jezus adviseerde hen om geen geld of extra kleding mee te nemen, zeggende: “De arbeider is zijn loon waard.” En ten slotte zei hij: “Zie, ik zend jullie als schapen te midden van wolven; wees daarom zo wijs als slangen en zo onschuldig als duiven. Maar pas op, want jullie vijanden zullen je voor hun raadsvergaderingen brengen, terwijl zij je in hun synagogen zullen tuchtigen. Voor stadhouders en heersers zul je worden gebracht omdat je in dit evangelie gelooft, en je getuigenis zelf zal een getuige voor mij zijn tegenover hen. En wanneer zij je voor een veroordeling voorleiden, wees dan niet bezorgd over wat je zult zeggen, want de Spirit van mijn Vader woont in jou en zal op dat moment door jou spreken. Sommigen van jullie zullen ter dood worden gebracht, en voordat je het koninkrijk op aarde vestigt, zul je door vele volken worden gehaat vanwege dit evangelie. Maar vrees niet, ik zal met jullie zijn, en mijn spirit zal voor jullie uit gaan in de hele wereld. En de aanwezigheid van mijn Vader zal bij jullie blijven, terwijl jullie eerst naar de Joden en dan naar de niet-Joden gaan.”
En toen ze van de berg afdaalden, reisden ze terug naar hun huis, het huis van Zebedeüs.
De avond na de consecratie
Die avond, terwijl hij in huis onderwees, want het was begonnen te regenen, sprak Jezus lang en probeerde de twaalf te laten zien wat ze moesten ZIJN, niet wat ze moesten DOEN. Ze kenden alleen een religie die het DOEN van bepaalde dingen oplegde als middel om rechtvaardigheid en redding te bereiken. Maar Jezus herhaalde: “In het koninkrijk moet je rechtvaardig zijn om het werk te kunnen doen.” Hij herhaalde het vaak: “Wees daarom volmaakt, zoals jullie Vader in de hemel volmaakt is.” Ondertussen legde de Meester zijn verbijsterde apostelen uit dat de redding die hij de wereld kwam brengen, alleen te verkrijgen was door te geloven, door eenvoudig en oprecht geloof. Jezus zei: “Johannes predikte een doop van bekering, verdriet/berouw over de oude manier van leven. Jij moet de doop van gemeenschap met God verkondigen. Predik bekering aan hen die zulk onderwijs nodig hebben, maar voor hen die al oprecht toegang tot het koninkrijk zoeken, open de deuren wijd en nodig hen uit om binnen te treden in de vreugdevolle gemeenschap met de zonen van God.”
Maar het was een moeilijke taak om deze Galilese vissers ervan te overtuigen dat, in het koninkrijk, rechtvaardig zijn door geloof vooraf moet gaan aan rechtvaardigheid in het dagelijks leven van de stervelingen op aarde.
Een andere grote handicap in dit werk van het onderwijzen van de twaalf was hun neiging om zeer idealistische en spirituele principes van religieuze waarheid te nemen en ze om te vormen tot concrete regels voor persoonlijk gedrag. Jezus hield hun de prachtige spirit voor van hoe de houding van de ziel kon zijn, maar ze stonden erop dergelijke leringen te vertalen naar regels voor persoonlijk gedrag. Vaak, wanneer ze er wel voor zorgden dat ze zich herinnerden wat de Meester zei, was het zo goed als zeker dat ze weer vergaten wat hij NIET zei [en bedachten ze er zelf dus dingen bij die hij NIET gezegd had]. Maar ze namen zijn leer langzaam in zich op, omdat Jezus alles WAS wat hij onderwees. Wat ze niet konden leren van zijn mondelinge onderricht, verwierven ze geleidelijk door met hem te leven.
Het was voor de apostelen niet duidelijk dat hun Meester bezig was met het leiden van een leven van spirituele inspiratie voor elke persoon van elke tijd op elke wereld van een uitgestrekt (lokaal) universum. Ondanks wat Jezus hun van tijd tot tijd vertelde, begrepen de apostelen niet dat hij een werk deed OP deze wereld, maar VOOR alle andere werelden in zijn uitgestrekte schepping. Jezus leefde zijn aardse leven niet om een persoonlijk voorbeeld van sterfelijk leven te geven aan de mannen en vrouwen van deze wereld, maar veeleer om een HOOG SPIRITUEEL EN INSPIREREND IDEAAL te creëren voor alle sterfelijke wezens op alle werelden.
Diezelfde avond vroeg Thomas aan Jezus: “Meester, u zegt dat we als kleine kinderen moeten worden voordat we het koninkrijk van de Vader kunnen binnengaan, en toch hebt u ons gewaarschuwd ons niet te laten misleiden door valse profeten, en ons ook niet schuldig te maken aan het werpen van onze parels voor de zwijnen. Nu ben ik eerlijk gezegd verbaasd. Ik kan uw leer niet begrijpen.” Jezus antwoordde Thomas: “Hoe lang moet ik jullie nog verdragen! Jullie nemen steeds alles wat ik onderwijs heel letterlijk. Toen ik jullie vroeg om als kleine kinderen te worden als de prijs om het koninkrijk binnen te gaan, doelde ik niet op het gemak van misleiding, op uitsluitend maar alles te geloven, en natuurlijk ook niet op heel snel vriendelijke vreemdelingen te vertrouwen. Wat ik jullie uit dit voorbeeld wilde laten opmaken, was de kind-vaderrelatie. Jij bent het kind, en het is JOUW Vader’s koninkrijk dat je wilt binnengaan. In die relatie is die natuurlijke genegenheid aanwezig, die tussen elk normaal kind en zijn vader een begripvolle en liefdevolle relatie verzekert. Die relatie maakt het voor altijd onnodig om te onderhandelen over de liefde en genade van de Vader [er is geen ‘deal’ nodig om die liefde en genade te krijgen; het is een natuurlijke en altijd aanwezige genegenheid]. En het evangelie dat je gaat prediken, heeft te maken met een verlossing die voortkomt uit de geloofsrealisatie van precies deze eeuwige kind-vaderrelatie.
Een belangrijk kenmerk van de leer van Jezus was dat de moraal van zijn filosofie ontstond in de persoonlijke relatie van het individu tot God – deze kind-vaderrelatie. Jezus legde de nadruk op het individu, niet op ras of natie. Tijdens het avondeten had Jezus het gesprek met Mattheüs waarin hij uitlegde dat de moraliteit van elke handeling wordt bepaald door het motief van het individu. De moraliteit van Jezus was altijd positief. De gouden regel [heb een ander lief zoals Jezus jou lief had], zoals door Jezus herhaald, vereist actief sociaal contact; de oudere negatieve regel [“gij zult NIET….”] kon in afzondering worden nageleefd. Jezus ontdeed moraliteit van alle regels en ceremonies en verhief deze tot majestueuze niveaus van spiritueel denken en waarlijk rechtvaardig leven.
Deze nieuwe religie van Jezus was niet zonder praktische implicaties, maar welke praktische politieke, sociale of economische waarde er ook in zijn leer te vinden is, het is de natuurlijke uitwerking van deze innerlijke ervaring van de ziel, zoals die de vruchten van de spirit manifesteert in de spontane dagelijkse dienstverlening (aan anderen) van oprechte persoonlijke religieuze ervaring.
Nadat Jezus en Mattheüs hun gesprek hadden beëindigd, vroeg Simon Zelotes: “Maar Meester, zijn alle mensen kinderen van God?” En Jezus antwoordde: “Ja, Simon, alle mensen zijn kinderen van God, en dat is het goede nieuws dat je gaat verkondigen.”
Maar de apostelen konden zo’n leer niet vatten; het was een nieuwe, vreemde en verrassende aankondiging. En het was vanwege zijn verlangen om deze waarheid bij hen in te prenten dat Jezus zijn volgelingen leerde alle mensen als hun broeders te behandelen.
In antwoord op een vraag van Andreas maakte de Meester duidelijk dat de moraliteit van zijn leer onlosmakelijk verbonden was met de religie van zijn leven. Hij onderwees moraliteit, niet vanuit de NATUUR van de mens, maar vanuit de RELATIE van de mens tot God.
Johannes vroeg Jezus: “Meester, wat is het hemelse koninkrijk?” En Jezus antwoordde: “Het hemelse koninkrijk bestaat uit deze drie essentiële zaken: ten eerste, de erkenning van het feit van de soevereiniteit van God; ten tweede, het geloof in de waarheid dat je een kind van God bent; en ten derde, het geloof in de effectiviteit van het allerhoogste menselijke verlangen om de wil van God te doen – om zoals God te zijn. En dit is het goede nieuws van het evangelie: dat door geloof iedere sterveling al deze essentiële zaken van verlossing mag verkrijgen.”
En nu was de week van wachten voorbij, en zij maakten zich gereed om de volgende dag naar Jeruzalem te vertrekken.
Dit hoofdstuk is een nieuwe Nederlandse vertaling gebaseerd op Paper 140 van het Urantia Boek: https://www.urantia.org
