Inleiding
Jezus en de apostelen arriveerden op woensdag 17 maart in Capernaum en brachten twee weken door in het hoofdkwartier in Bethsaida voordat ze naar Jeruzalem vertrokken. Deze twee weken onderwezen de apostelen de mensen aan de kust, terwijl Jezus veel tijd alleen doorbracht in de heuvels, bezig met de zaken van zijn Vader. Gedurende deze periode maakte Jezus, vergezeld door Jacobus en Johannes Zebedeüs, twee geheime reizen naar Tiberias, waar ze de gelovigen ontmoetten en hen onderwezen in het evangelie van het koninkrijk.
Velen uit het huis van Herodes geloofden in Jezus en woonden deze bijeenkomsten bij. Het was de invloed van deze gelovigen binnen de officiële familie van Herodes die ertoe had bijgedragen de vijandschap van die heerser jegens Jezus te verminderen. Deze gelovigen in Tiberias hadden Herodes volledig uitgelegd dat het koninkrijk dat Jezus verkondigde van spirituele aard was en geen politieke onderneming. Herodes geloofde deze leden van zijn eigen huisgezin redelijk sterk en liet zich daarom niet onnodig verontrusten door de verspreiding van de berichten over onderwijs en genezingen van Jezus. Hij had geen bezwaren tegen het werk van Jezus als genezer of godsdienstleraar. Ondanks de welwillende houding van veel van de adviseurs van Herodes, en zelfs van Herodes zelf, bestond er een groep ondergeschikten die zo beïnvloed waren door de religieuze leiders in Jeruzalem dat ze bittere en bedreigende vijanden van Jezus en de apostelen bleven en later hun publieke activiteiten ernstig belemmerden. Het grootste gevaar voor Jezus lag bij de religieuze leiders in Jeruzalem en niet bij Herodes. En het was juist om deze reden dat Jezus en de apostelen zoveel tijd doorbrachten en het grootste deel van hun openbare prediking deden in Galilea, in plaats van in Jeruzalem en Judea.
De dienaar van de centurion
De dag voordat zij zich gereedmaakten om naar Jeruzalem te gaan voor het Pesachfeest, kwam Mangus, een centurion (oftewel een kapitein over honderd Romeinse soldaten) van de Romeinse wacht die in Capernaum gelegerd was, naar de oversten van de synagoge en zei: “Mijn trouwe ordonnans is ziek en op sterven na dood. Zou u daarom namens mij naar Jezus willen gaan en hem smeken mijn dienaar te genezen?” De Romeinse kapitein deed dit omdat hij dacht dat de Joodse leiders meer invloed op Jezus zouden hebben. De oudsten gingen dus naar Jezus toe en hun woordvoerder zei: “Meester, wij verzoeken u dringend naar Capernaum te gaan en de geliefde dienaar van de Romeinse centurion te redden, die uw aandacht waard is omdat hij van ons volk houdt en zelfs de synagoge voor ons heeft gebouwd waarin u zo vaak hebt gesproken.”
En toen Jezus hen had gehoord, zei hij: “Ik ga met u mee.” En terwijl hij met hen naar het huis van de centurion ging, en nog voordat ze zijn erf waren binnengegaan, stuurde de Romeinse soldaat zijn vrienden eropuit om Jezus te begroeten en droeg hun op te zeggen: “Heer, neem de moeite niet om mijn huis binnen te gaan, want ik ben het niet waard dat u onder mijn dak komt. Ik achtte mezelf ook niet waardig om naar u toe te komen; daarom heb ik de oudsten van uw volk gestuurd. Maar ik weet dat u het woord kunt spreken waar u staat en mijn dienaar zal genezen. Want ik sta zelf onder de bevelen van anderen, en ik heb soldaten onder mij, en ik zeg tot de een ga, en hij gaat; tot een ander kom, en hij komt, en tot mijn dienaren doe dit of doe dat, en zij doen het.”
En toen Jezus deze woorden hoorde, keerde hij zich om en zei tot zijn apostelen en degenen die bij hen waren: “Ik verwonder mij over het geloof van deze niet-Jood. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, ik heb zo’n groot geloof niet gevonden, nee, niet in Israël.” Jezus keerde zich om van het huis en zei: “Laten we hier weggaan.” En de vrienden van de centurion gingen het huis binnen en vertelden Mangus wat Jezus had gezegd. En vanaf dat uur begon de dienaar te herstellen en werd uiteindelijk weer normaal gezond en bruikbaar.
Maar we wisten nooit precies wat er bij deze gelegenheid gebeurde. Dit is slechts het verslag, en of onzichtbare wezens de dienaar van de centurion al dan niet genezing brachten, werd niet onthuld aan degenen die Jezus vergezelden. We weten alleen dat de dienaar volledig hersteld was.
De reis naar Jeruzalem
Vroeg in de ochtend van dinsdag 30 maart begonnen Jezus en het apostolische gezelschap aan hun reis naar Jeruzalem voor het Pascha, via de route door de Jordaanvallei. Ze arriveerden in de middag van vrijdag 2 april en vestigden hun hoofdkwartier, zoals gebruikelijk, in Bethanië. Terwijl ze door Jericho reisden, hielden ze even pauze om uit te rusten terwijl Judas een deel van hun gemeenschappelijke geld stortte op de bank van een vriend van zijn familie. Dit was de eerste keer dat Judas een overschot aan geld bij zich had, en dit geld bleef onaangeroerd totdat ze opnieuw door Jericho reisden tijdens die laatste en veelbewogen reis naar Jeruzalem, vlak voor het proces en de dood van Jezus.
Het gezelschap had een rustige reis naar Jeruzalem, maar ze waren nauwelijks gesetteld in Bethanië, toen van heinde en verre mensen zich begonnen te verzamelen op zoek naar genezing voor hun lichaam, troost voor hun verontruste mind en redding voor hun ziel, zozeer zelfs dat Jezus weinig tijd had om te rusten. Daarom sloegen ze tenten op in Gethsemane, en de Meester reisde heen en weer tussen Bethanië en Gethsemane om de menigte te vermijden die zich voortdurend om hem heen verdrong. De apostolische groep bracht bijna drie weken in Jeruzalem door, maar Jezus gebood hen geen openbare prediking te doen, alleen privé-onderricht en persoonlijk werk.
In Bethanië vierden ze in stilte het Pascha. En dit was de eerste keer dat Jezus en alle twaalf deelnamen aan het bloedeloze [zonder de ‘normale’ slachting van een lam] Paschafeest. De apostelen van Johannes aten het Pascha niet met Jezus en zijn apostelen; ze vierden het feest met Abner en veel van de eerste gelovigen in de prediking van Johannes. Dit was het tweede Pascha dat Jezus met zijn apostelen in Jeruzalem vierde.
Toen Jezus en de twaalf naar Capernaum vertrokken, keerden de apostelen van Johannes niet met hen terug. Onder leiding van Abner bleven ze in Jeruzalem en de omliggende gebieden, waar ze in stilte werkten aan de uitbreiding van het koninkrijk, terwijl Jezus en de twaalf terugkeerden om in Galilea te werken. Nooit meer waren de vierentwintig samen, tot kort voor de aanstelling en uitzending van de zeventig evangelisten. Maar de twee groepen werkten samen en ondanks hun meningsverschillen overheersten de beste gevoelens.
Bij het bad van Bethesda
Op de middag van de tweede sabbath in Jeruzalem, toen de Meester en de apostelen op het punt stonden deel te nemen aan de tempeldiensten, zei Johannes tegen Jezus: “Kom met me mee, ik wil je iets laten zien.” Johannes leidde Jezus door een van de poorten van Jeruzalem naar een bad met water dat Bethesda heette. Rondom dit bad bevond zich een constructie met vijf zuilengangen waaronder een grote groep zieken vertoefde op zoek naar genezing. Dit was een warmwaterbron waarvan het roodachtige water met onregelmatige tussenpozen opborrelde door gasophopingen in de rotsholten onder het bad. Velen geloofden dat deze periodieke verstoring van het warme water te wijten was aan bovennatuurlijke invloeden, en het was een populaire overtuiging dat de eerste persoon die na zo’n verstoring het water inging, genezen zou worden van welke kwaal hij ook had.
De apostelen waren enigszins onrustig onder de beperkingen die Jezus hen oplegde, en Johannes, de jongste van de twaalf, was bijzonder onrustig onder deze beperking. Hij had Jezus naar het bad gebracht in de veronderstelling dat de aanblik van de verzamelde lijdenden zo’n beroep zou doen op het mededogen van de Meester dat hij ertoe bewogen zou worden een wonder van genezing te verrichten, en daardoor heel Jeruzalem versteld zou staan en spoedig gewonnen zou worden om in het evangelie van het koninkrijk te geloven. Johannes zei tegen Jezus: “Meester, zie al deze lijdende mensen; is er niets dat we voor hen kunnen doen?” En Jezus antwoordde: “Johannes, waarom zou je mij verzoeken af te wijken van de weg die ik heb gekozen? Waarom blijf je ernaar verlangen om het verrichten van wonderen en het genezen van zieken in de plaats te zetten van de verkondiging van het evangelie van de eeuwige waarheid? Mijn zoon, ik mag niet doen wat je wenst, maar ik breng deze zieken en gekwelden bijeen, zodat ik woorden van goede moed en eeuwige troost tot hen kan spreken.”
Sprekend tot de aanwezigen, zei Jezus: “Velen van jullie zijn hier, ziek en gekweld, vanwege jullie vele jaren van verkeerd leven. Sommigen lijden onder de ongelukken van de tijd, anderen als gevolg van de fouten van hun voorouders, terwijl sommigen van jullie worstelen met de handicaps van de onvolmaakte omstandigheden van jullie tijdelijke bestaan. Maar mijn Vader werkt, en ik wil werken, om jullie aardse staat te verbeteren, maar vooral om jullie eeuwige staat te verzekeren. Niemand van ons kan veel doen om de moeilijkheden van het leven te veranderen, tenzij we ontdekken dat de Vader in de hemel dat wil. We zijn immers allemaal verplicht de wil van de Eeuwige te doen. Als jullie allemaal genezen zouden kunnen worden van jullie fysieke kwalen, zouden jullie je inderdaad verbazen, maar het is nog indrukwekkender als jullie gereinigd zouden worden van alle spirituele ziekten en jezelf genezen zouden vinden van alle morele zwakheden. Jullie zijn allemaal Gods kinderen; jullie zijn de kinderen van de hemelse Vader. De banden van de tijd lijken jullie misschien te kwellen, maar de God van de eeuwigheid heeft jullie lief. En wanneer de tijd van het oordeel komt, vrees niet, jullie zullen allemaal niet alleen gerechtigheid vinden, maar ook een overvloed aan genade. Voorwaar, voorwaar, ik zeg jullie: hij die het evangelie van het koninkrijk hoort en gelooft in deze leer van kind-zijn van God, heeft eeuwig leven; zulke gelovigen gaan nu al over van oordeel en dood naar licht en leven. En het uur komt waarin zelfs zij die in de graven zijn de stem van de opstanding zullen horen.”
En velen van hen die het hoorden, geloofden het evangelie van het koninkrijk. Sommige van de getroffenen waren zo geïnspireerd en spiritueel verkwikt dat ze rondgingen en verkondigden dat ze ook van hun fysieke kwalen waren genezen.
Een man die al jaren terneergeslagen was en ernstig gekweld werd door de zwakheden van zijn verontruste mind, verheugde zich over Jezus’ woorden, pakte zijn bed op en ging naar huis, ook al was het sabbath. Deze getroffen man had al die jaren gewacht op iemand die hem zou helpen; hij was zo’n slachtoffer van zijn eigen hulpeloosheid dat hij nooit de gedachte had overwogen zichzelf te helpen, wat het enige bleek te zijn wat hij moest doen om te herstellen: zijn bed opnemen en lopen.
Toen zei Jezus tegen Johannes: “Laten we vertrekken voordat de hogepriesters en de schriftgeleerden ons aantreffen en er aanstoot aan nemen dat we woorden van leven tot deze ellendigen spraken.” En ze keerden terug naar de tempel om zich bij hun metgezellen te voegen, en al snel vertrokken ze allemaal om de nacht in Bethanië door te brengen. Maar Johannes vertelde de andere apostelen nooit over dit bezoek van hemzelf en Jezus aan het bad van Bethesda op deze sabbathmiddag.
De leefregel
Op de avond van diezelfde sabbathdag, in Bethanië, terwijl Jezus, de twaalf en een groep gelovigen bijeen waren rond het vuur in de tuin van Lazarus, stelde Nathanaël Jezus deze vraag: “Meester, hoewel u ons de positieve versie van de oude leefregel hebt geleerd, door ons te instrueren dat we anderen moeten behandelen zoals we willen dat zij ons behandelen, begrijp ik niet helemaal hoe we ons altijd aan zo’n bevel kunnen houden. Laat me mijn bewering illustreren door het voorbeeld aan te halen van een wellustige man die ondeugend kijkt naar zijn beoogde partner in zonde. Hoe kunnen we leren dat deze kwaadwillende man anderen moet behandelen zoals hij wil dat zij hem behandelen?” [Nathanael bedoelt: als de man wil dat de ander hem “zondig en wellustig” behandelt, moet hij die ander dan ook zo behandelen?”]
Toen Jezus de vraag van Nathanaël hoorde, stond hij onmiddellijk op en wees met zijn vinger naar de apostel en zei: “Nathanaël, Nathanaël! Wat voor soort gedachten gaan er in je hart om? Neem je mijn leringen niet aan als iemand die uit de spirit geboren is? Hoor je de waarheid niet zoals mensen met wijsheid en spiritueel inzicht dat doen? Toen ik je aanspoorde om anderen te behandelen zoals je wilt dat ze jou behandelen, sprak ik tot mensen met hoge idealen, niet tot hen die in de verleiding zouden komen mijn leer te verdraaien tot een vrijbrief voor het aanmoedigen van kwaad-doen.”
Toen de Meester had gesproken, stond Nathanaël op en zei: “Maar, Meester, u moet niet denken dat ik een dergelijke interpretatie van uw leer goedkeur. Ik stelde de vraag omdat ik vermoedde dat veel mensen uw aansporing verkeerd zouden kunnen interpreteren, en ik hoopte dat u ons hierover verdere instructies zou willen geven.”
En toen Nathanaël was gaan zitten, vervolgde Jezus zijn toespraak: “Ik weet heel goed, Nathanaël, dat een dergelijk idee van kwaad niet in jouw gedachten wordt goedgekeurd, maar ik ben teleurgesteld dat je er zo vaak niet in slaagt een oprecht spirituele interpretatie te geven aan mijn alledaagse leringen; [het is een] instructie die ik jullie in menselijke taal moet geven en zoals mensen moeten spreken. Laat mij jullie nu onderwijzen over de verschillende niveaus van betekenis die verbonden zijn aan de interpretatie van deze levensregel, deze aansporing om ‘anderen te doen wat u wilt dat anderen u doen’:
“1. Het niveau van het lichaam: Zo’n puur egoïstische en wellustige interpretatie zou goed geïllustreerd worden door het voorbeeld van de man in je vraag.”
“2. Het niveau van de gevoelens: Dit niveau is één niveau hoger dan dat van het lichaam en impliceert dat sympathie en medelijden iemands interpretatie van deze levensregel zouden versterken.”
“3. Het niveau van mind: Nu komen het verstand van de mind en de intelligentie van de ervaring in actie. Een goed oordeel dicteert dat een dergelijke levensregel geïnterpreteerd moet worden in overeenstemming met het hoogste idealisme, nobel uitgedrukt met diep zelfrespect.”
“4. Het niveau van broederliefde: Nog hoger vinden we het niveau van onzelfzuchtige toewijding aan het welzijn van de medemens. Op dit hogere niveau van oprechte maatschappelijke dienstbaarheid, voortkomend uit het bewustzijn van Gods vaderschap en de daaruit voortvloeiende erkenning van de broederschap onder de mensen, wordt een nieuwe en veel mooiere interpretatie van deze fundamentele levensregel ontdekt.”
“5. Het morele niveau: En dan, wanneer je ware filosofische niveaus van interpretatie bereikt, wanneer je werkelijk inzicht hebt in de juistheid en onjuistheid van dingen, wanneer je inziet wanneer en hoe menselijke relaties ‘passend’ zijn in het licht van de eeuwigheid, zul je een dergelijk interpretatieprobleem gaan bekijken zoals je je zou voorstellen dat een hoogstaande, idealistische, wijze en onpartijdige derde persoon zo’n opdracht zou bekijken en interpreteren, en dan zou toepassen op je persoonlijke problemen met betrekking tot aanpassing aan bepaalde situaties in het leven.”
“6. Het spirituele niveau: En dan, als laatste, maar het allerbelangrijkste, bereiken we het niveau van spiritueel inzicht en spirituele interpretatie dat ons ertoe aanzet in deze levensregel het goddelijke gebod te herkennen om alle mensen te behandelen zoals wij denken dat God hen zou behandelen. Dat is het universum-ideaal van menselijke relaties. En dit is je houding ten opzichte van al dergelijke problemen wanneer het je hoogste verlangen is om altijd de wil van de Vader te doen. Ik wil daarom dat je aan alle mensen doet wat jij weet dat IK hen in soortgelijke omstandigheden zou doen.”
Niets wat Jezus tot dan toe tegen de apostelen had gezegd, had hen ooit meer verbaasd. Ze bleven de woorden van de Meester bespreken, lang nadat hij zich had teruggetrokken. Hoewel Nathanaël langzaam herstelde van zijn veronderstelling dat Jezus de strekking van zijn vraag verkeerd had begrepen, waren de anderen meer dan dankbaar dat hun filosofische mede-apostel de moed had gehad om zo’n tot nadenken stemmende vraag te stellen.
Bezoek aan Simon de Farizeeër
Hoewel Simon geen lid was van het Joodse Sanhedrin, was hij een invloedrijke Farizeeër in Jeruzalem. Hij was een halfslachtige gelovige, en ondanks dat hij daarvoor ernstig bekritiseerd kon worden, durfde hij Jezus en zijn persoonlijke metgezellen, Petrus, Jacobus en Johannes, bij hem thuis uit te nodigen voor een gezellige maaltijd. Simon had de Meester al lang geobserveerd en was zeer onder de indruk van zijn leringen en nog meer van zijn persoonlijkheid.
De rijke Farizeeën waren toegewijd aan het geven van aalmoezen, en ze schuwden de publiciteit rond hun vrijgevigheid niet. Soms bliezen ze zelfs op een trompet wanneer ze op het punt stonden aalmoezen te schenken aan een bedelaar. Het was de gewoonte van deze Farizeeën, wanneer ze een feestmaal aanrichtten voor voorname gasten, om de deuren van het huis open te laten staan, zodat zelfs de bedelaars van de straat binnen konden komen en, staand langs de muren van de kamer achter de banken van de eters, in de positie waren om porties voedsel te ontvangen die hun door de feestvierders zouden worden toegeworpen.
Bij deze bijzondere gelegenheid in Simons huis, bevond zich onder degenen die van de straat binnenkwamen een vrouw met een slechte reputatie die onlangs tot gelovige in het goede nieuws van het evangelie van het koninkrijk was gekomen. Deze vrouw was in heel Jeruzalem bekend als de voormalige eigenares van een van de zogenaamde chique bordelen vlak bij de tempelhof van de niet-Joden. Nadat ze de leringen van Jezus had aanvaard, had ze haar schandelijke zaak gesloten en de meerderheid van de vrouwen die met haar omgingen ertoe aangezet het evangelie te aanvaarden en hun levensstijl te veranderen. Desondanks werd ze nog steeds met grote minachting ontvangen door de Farizeeën en werd ze gedwongen haar haar los te dragen – het symbool van hoererij. Deze naamloze vrouw had een grote fles geparfumeerde zalfolie bij zich en, staande achter Jezus terwijl hij aanlag aan de maaltijd, begon zij zijn voeten te zalven, terwijl zij ook zijn voeten natmaakte met haar tranen van dankbaarheid, en ze afveegde met haar haar. En toen ze klaar was met deze zalving, bleef ze huilen en zijn voeten kussen.
Toen Simon dit alles zag, zei hij bij zichzelf: “Als deze man een profeet was, zou hij hebben opgemerkt wie en wat voor soort vrouw dit is die hem zo aanraakt; dat ze een notoire zondares is.”
En Jezus, die wist wat er in Simons gedachten omging, nam het woord en zei: “Simon, ik heb iets dat ik u wil zeggen.”
Simon antwoordde: “Meester, zeg het!”
Toen zei Jezus: “Een rijke geldschieter had twee schuldenaars. De een was hem vijfhonderd denarii schuldig en de ander vijftig. Toen geen van beiden kon betalen, schold hij hen beiden de hele schuld kwijt. Wie van hen, denk je, Simon, zou hem het meest liefhebben?”
Simon antwoordde: “Hij, denk ik, aan wie hij het meest vergeven heeft.”
En Jezus zei: “Je hebt correct geoordeeld”, en wijzend naar de vrouw vervolgde hij: “Simon, kijk eens goed naar deze vrouw. Ik ben als uitgenodigde gast bij u binnengekomen, maar u hebt mij geen water voor mijn voeten gegeven. Deze dankbare vrouw heeft mijn voeten met tranen gewassen en ze met haar haar afgedroogd. U gaf mij geen kus van vriendelijke groet, maar deze vrouw is, sinds ze binnenkwam, niet opgehouden mijn voeten te kussen. Mijn hoofd met olie hebt u nagelaten te zalven, maar zij heeft mijn voeten gezalfd met kostbare lotions. En wat is de betekenis van dit alles? Gewoon dat haar vele zonden vergeven zijn, en dit heeft haar ertoe gebracht veel lief te hebben. Maar zij die maar weinig vergeving hebben ontvangen, hebben soms maar weinig lief.” En zich naar de vrouw omdraaiend, nam hij haar hand, tilde haar op en zei: “U hebt inderdaad berouw getoond voor uw zonden, en ze zijn vergeven. Laat u niet ontmoedigen door de onnadenkende en onvriendelijke houding van uw medemensen. Ga voort in de vreugde en vrijheid van het hemelse koninkrijk.”
Toen Simon en zijn vrienden, die met hem aan tafel zaten, deze woorden hoorden, waren ze des te meer verbaasd en begonnen onder elkaar te fluisteren: “Wie is deze man dat hij zelfs zonden durft te vergeven?” En toen Jezus hen zo hoorde mompelen, keerde hij zich om, liet de vrouw gaan en zei: “Vrouw, ga in vrede; uw geloof heeft u gered.”
Toen Jezus met zijn vrienden opstond om te vertrekken, wendde hij zich tot Simon en zei: “Ik ken je hart, Simon, hoe je verscheurd wordt tussen geloof en twijfel, hoe je radeloos bent van angst en gekweld door trots. Maar ik bid voor je dat je je mag overgeven aan het licht en in je positie in het leven zulke machtige transformaties van spirit en ziel mag ervaren als vergelijkbaar zijn met de enorme veranderingen die het evangelie van het koninkrijk al heeft teweeggebracht in het hart van je ongenode en onwelkome gast. En ik verklaar aan jullie allen dat de Vader de deuren van het hemelse koninkrijk heeft geopend voor allen die het geloof hebben om binnen te gaan, en geen mens of vereniging van mensen kan die deuren sluiten, zelfs niet voor de meest nederige ziel of zogenaamd meest flagrante zondaar op aarde, als die oprecht een ingang zoeken.” En Jezus nam met Petrus, Jacobus en Johannes afscheid van hun gastheer en ging zich bij de rest van de apostelen voegen in het kamp in de hof van Gethsemane.
Diezelfde avond hield Jezus de nog lang te onthouden toespraak tot de apostelen over de relatieve waarde van status bij God en vooruitgang in de eeuwige opklimming naar het Paradijs. Jezus zei: “Mijn kinderen, als er een ware en levende verbinding bestaat tussen het kind en de Vader, zal het kind zeker voortdurend vooruitgang boeken in de richting van de idealen van de Vader. Toegegeven, het kind maakt misschien aanvankelijk langzame vooruitgang, maar de vooruitgang is niettemin zeker. Het belangrijkste is niet de snelheid van je vooruitgang, maar eerder de zekerheid ervan. Je werkelijke prestatie is niet zo belangrijk als het feit dat de richting van je vooruitgang Godwaarts is. Wat je dag na dag wordt, is van oneindig veel groter belang dan wat je vandaag bent.”
“Deze getransformeerde vrouw die sommigen van jullie vandaag in Simon’s huis zagen, leeft op dit moment op een niveau dat ver beneden dat van Simon en zijn goedbedoelende metgezellen ligt. Maar terwijl deze Farizeeën bezig zijn met de valse vooruitgang van de illusie van het doorlopen van bedrieglijke kringen van betekenisloze ceremoniële diensten, is deze vrouw in doodse ernst begonnen aan de lange en veelbewogen zoektocht naar God, en haar pad naar de hemel wordt niet geblokkeerd door spirituele trots en morele zelfgenoegzaamheid. De vrouw is, menselijk gesproken, veel verder van God verwijderd dan Simon, maar haar ziel gaat vooruit en is in beweging. Ze is op weg naar een eeuwig doel. Er zijn in deze vrouw enorme spirituele mogelijkheden voor de toekomst aanwezig. Sommigen van jullie staan misschien niet hoog op het werkelijke niveau van ziel en spirit, maar jullie maken dagelijks vooruitgang op de levende weg die, door geloof, naar God is geopend. Er zijn in ieder van jullie enorme mogelijkheden voor de toekomst. Het is veel beter om een klein maar levend en groeiend geloof te hebben dan een groot intellect met zijn dode schatten aan wereldse wijsheid en spiritueel ongeloof.”
Maar Jezus waarschuwde zijn apostelen ernstig voor de dwaasheid van het kind van God dat misbruik maakt van de liefde van de Vader. Hij verklaarde dat de hemelse Vader geen lakse, losbandige of dwaas toegeeflijke ouder is die altijd bereid is zonde te vergeven en roekeloosheid te vergeven. Hij waarschuwde zijn toehoorders om zijn voorbeelden van vader en kind niet verkeerd toe te passen en daarmee de schijn te wekken dat God is als een of andere overmatig toegeeflijke en onwijze ouder die samenspant met de dwazen der aarde om de morele ondergang van hun onnadenkende kinderen te bewerkstelligen, en die daardoor zeker en direct bijdragen aan de delinquentie en vroege demoralisatie van hun eigen nakomelingen. Jezus zei: “Mijn Vader keurt niet toegeeflijk die daden en praktijken van zijn kinderen goed die zelfdestructief en zelfmoordend zijn voor alle morele groei en spirituele vooruitgang. Zulke zondige praktijken zijn een gruwel in Gods ogen.”
Jezus woonde nog vele andere semi-private bijeenkomsten en banketten bij met de hoog- en laag-geplaatsten van Jeruzalem, de rijken en de armen, voordat hij en zijn apostelen uiteindelijk naar Capernaum vertrokken. En velen werden inderdaad gelovigen in het evangelie van het koninkrijk en werden vervolgens gedoopt door Abner en zijn metgezellen, die achterbleven om de belangen van het koninkrijk in Jeruzalem en omgeving te behartigen.
Terugkeer naar Capernaum
In de laatste week van april vertrokken Jezus en de twaalf vanuit hun hoofdkwartier in Bethanië, nabij Jeruzalem, en begonnen hun reis terug naar Capernaum via Jericho en de Jordaan.
De hogepriesters en de religieuze leiders van de Joden hielden vele geheime vergaderingen om te beslissen wat ze met Jezus moesten doen. Ze waren het er allemaal over eens dat er iets gedaan moest worden om een einde te maken aan zijn leer, maar ze konden het niet eens worden over de methode. Ze hadden gehoopt dat de burgerlijke autoriteiten zich van hem zouden ontdoen zoals Herodes een einde had gemaakt aan Johannes, maar ze ontdekten dat Jezus zijn werk zo uitvoerde dat de Romeinse functionarissen niet erg verontrust waren door zijn prediking. En zo werd tijdens een bijeenkomst die de dag vóór het vertrek van Jezus naar Capernaum werd gehouden, besloten dat hij op religieuze gronden zou worden gearresteerd en door het Sanhedrin zou worden berecht. Daarom werd een commissie van zes geheime spionnen aangesteld om Jezus te volgen, zijn woorden en daden te observeren en, zodra ze voldoende bewijs van wetsovertreding en godslastering hadden verzameld, met hun verslag naar Jeruzalem terug te keren. Deze zes Joden troffen de ongeveer dertig apostelen in Jericho aan en sloten zich, onder het voorwendsel discipelen te willen worden, aan bij de familie van volgelingen van Jezus. Ze bleven bij de groep tot het begin van de tweede predikingstocht in Galilea, waarop drie van hen terugkeerden naar Jeruzalem om hun verslag uit te brengen aan de hogepriesters en het Sanhedrin.
Petrus predikte tot de verzamelde menigte bij de oversteek van de Jordaan, en de volgende morgen trokken ze langs de rivier op richting Amathus. Ze wilden rechtstreeks doorreizen naar Capernaum, maar er verzamelde zich hier zo’n menigte dat ze drie dagen bleven prediken, onderwijzen en dopen. Ze gingen pas vroeg op sabbathmorgen, de eerste dag van mei, naar huis. De spionnen van Jeruzalem waren er zeker van dat ze nu hun eerste aanklacht tegen Jezus zouden krijgen –die van het schenden van de sabbath– aangezien hij zijn reis op de sabbath had aangevangen. Maar ze waren gedoemd tot teleurstelling, want vlak voor hun vertrek riep Jezus Andreas bij zich en gaf hem, voor hen allen, de opdracht om slechts duizend meter af te leggen, de wettelijk togestane reisafstand op een Joodse sabbathdag.
Maar de spionnen hoefden niet lang te wachten op hun kans om Jezus en zijn metgezellen te beschuldigen van het breken van de sabbath. Terwijl het gezelschap langs de smalle weg liep, was de wuivende tarwe, die net aan het rijpen was, aan beide kanten dichtbij, en enkele van de apostelen, die honger hadden, plukten het rijpe graan en aten het. Het was gebruikelijk dat reizigers zich aan wat graan hielpen terwijl ze langs de weg liepen, en daarom werd er geen gedachte aan kwaad-doen aan dergelijk gedrag gehecht. Maar de spionnen grepen dit aan als voorwendsel om Jezus aan te vallen. Toen ze Andreas het graan in zijn hand zagen wrijven, gingen ze naar hem toe en zeiden: “Weet je niet dat het onwettig is om het graan te plukken en te wrijven op de sabbathdag?” En Andreas antwoordde: “Maar wij hebben honger en wrijven slechts voldoende voor onze behoeften; en sinds wanneer is het een zonde om op de sabbath graan te eten?” Maar de Farizeeën antwoordden: “Jullie doen geen kwaad door graan te eten, maar jullie overtreden de wet door het graan tussen jullie handen te plukken en uit te wrijven; jullie Meester zou zulke handelingen toch niet goedkeuren?” Toen zei Andreas: “Maar als het niet verkeerd is om graan te eten, dan is het uitwrijven tussen onze handen toch nauwelijks meer werk dan het kauwen van het graan, wat jullie toestaan; waarom kibbelen jullie over zulke kleinigheden?” Toen Andreas te kennen gaf dat ze muggenzifters waren, waren ze verontwaardigd en renden terug naar waar Jezus liep en met Mattheüs sprak. Ze protesteerden en zeiden: “Zie, Meester, uw apostelen doen wat op de sabbathdag onwettig is; ze plukken, wrijven en eten het graan. Wij zijn er zeker van dat u hun zult bevelen daarmee op te houden.” En toen zei Jezus tegen de aanklagers: “Jullie zijn inderdaad ijverig voor de wet, en jullie doen er goed aan de sabbathdag te gedenken om die heilig te houden; maar hebben jullie nooit in de Schrift gelezen dat, op een dag toen David honger had, hij en zij die bij hem waren het huis van God binnengingen en de toon-broden aten, die niemand mocht eten behalve de priesters? En David gaf dit brood ook aan hen die bij hem waren. En hebben jullie niet in onze wet gelezen dat het geoorloofd is om op de sabbathdag veel noodzakelijke dingen te doen? En zal ik niet, voordat de dag voorbij is, jullie zien eten wat jullie hebben meegebracht voor de behoeften van deze dag? Mijn beste mannen, jullie doen er goed aan ijverig te zijn voor de sabbath, maar jullie zouden er beter aan doen de gezondheid en het welzijn van jullie medemensen te bewaken. Ik verklaar dat de sabbath gemaakt is voor de mens en niet de mens voor de sabbath. En als jullie hier bij ons aanwezig zijn om op mijn woorden te letten, dan zal ik openlijk verkondigen dat de MensenZoon zelfs heer is over de sabbath.”
De Farizeeën waren verbaasd en in verwarring gebracht door zijn woorden van onderscheidingsvermogen en wijsheid. De rest van de dag bleven ze op zichzelf en durfden ze geen vragen meer te stellen.
De vijandigheid van Jezus tegen de Joodse tradities en slaafse ceremoniën was altijd positief. Het bestond uit wat hij deed en wat hij bevestigde. De Meester besteedde weinig tijd aan negatieve veroordelingen. Hij leerde dat degenen die God kennen, de vrijheid van het leven kunnen genieten zonder zichzelf te bedriegen door de vrijbrief om te zondigen. Jezus zei tegen de apostelen: “Mannen, als u verlicht bent door de waarheid en werkelijk weet wat u doet, bent u gezegend; maar als u de goddelijke weg niet kent, bent u ongelukkig en overtreedt u de wet al.”
Terug in Capernaum
Het was rond het middaguur op maandag 3 mei toen Jezus en de twaalf per boot vanuit Tarichea in Bethsaida aankwamen. Ze reisden per boot om te ontsnappen aan degenen die met hen meereisden. Maar de volgende dag hadden de anderen, waaronder de officiële spionnen uit Jeruzalem, Jezus weer gevonden.
Op dinsdagavond hield Jezus een van zijn gebruikelijke lessen met vragen en antwoorden toen de leider van de zes spionnen tegen hem zei: “Ik sprak vandaag met een van de discipelen van Johannes die hier aanwezig is bij uw onderwijs, en wij konden niet begrijpen waarom u uw discipelen nooit beveelt te vasten en te bidden zoals wij Farizeeën vasten en zoals Johannes zijn volgelingen opdroeg.” En Jezus, verwijzend naar een uitspraak van Johannes, antwoordde deze vragensteller: “Vasten de vrienden van de bruidegom die voor hem de bruidskamer voorbereiden en hem bij de bruiloft begeleiden, terwijl de bruidegom bij hen is? Zolang de bruidegom bij hen blijft, kunnen ze moeilijk vasten. Maar de tijd komt dat de bruidegom zal worden weggenomen, en gedurende die tijd zullen de vrienden van de bruidegom ongetwijfeld vasten en bidden. Bidden is natuurlijk voor de kinderen van het licht, maar vasten maakt geen deel uit van het evangelie van het hemelse koninkrijk. Bedenk dat een verstandige kleermaker geen stuk nieuwe en ongekrompen stof op een oud kledingstuk naait, opdat het niet, wanneer het nat is, krimpt en een ergere scheur veroorzaakt. Ook doet men geen nieuwe wijn in oude wijnzakken, opdat de nieuwe wijn de zakken niet doet barsten, waardoor zowel de wijn als de zakken zouden vergaan. De verstandige doet de nieuwe wijn in nieuwe wijnzakken. Daarom tonen mijn discipelen wijsheid door niet te veel van de oude orde over te brengen in de nieuwe leer van het evangelie van het koninkrijk. U die uw leraar verloren hebt, mag gerechtvaardigd zijn om een tijdje te vasten. Vasten mag dan een passend onderdeel zijn van de wet van Mozes, maar in het komende koninkrijk zullen de zonen van God vrijheid van vrees ervaren en ook vreugde in de goddelijke spirit.” En toen zij deze woorden hoorden, werden de discipelen van Johannes getroost, terwijl de Farizeeën zelf des te meer in verwarring raakten.
Toen waarschuwde de Meester zijn toehoorders tegen het idee dat alle oude leringen volledig vervangen zouden moeten worden door nieuwe doctrines. Jezus zei: “Dat wat oud en ook waar is, moet blijven. Evenzo moet dat wat nieuw maar vals is, verworpen worden. Maar dat wat nieuw en ook waar is, heb het geloof en de moed om dat te aanvaarden. Bedenk dat er geschreven staat: ‘Verlaat een oude vriend niet, want de nieuwe is niet met hem te vergelijken. Zoals nieuwe wijn, zo is een nieuwe vriend; als hij oud wordt, zult u hem met blijdschap drinken.'”
Het Feest van de Spirituele Goedheid
Die avond, lang nadat de gebruikelijke luisteraars zich hadden teruggetrokken, zette Jezus zijn onderricht aan zijn apostelen voort. Hij begon deze speciale instructie met een citaat uit de profeet Jesaja:
“‘Waarom hebben jullie gevast? Waarom kwellen jullie je ziel terwijl jullie nog steeds plezier vinden in onderdrukking en behagen scheppen in onrecht? Zie, jullie vasten ter wille van strijd en twist en om te slaan met de vuist van goddeloosheid. Maar jullie zullen niet op deze manier vasten om jullie stemmen in de hoogte te laten horen.’
“‘Is dit het vasten dat ik heb gekozen: een dag voor een mens om zijn ziel te kwellen? Is het om zijn hoofd te buigen als een riet, om door het stof te kruipen in zak en as? Durf je dit een vasten en een aangename dag te noemen in de ogen van de Heer? Is dit niet veel meer het vasten dat ik zou kiezen: de banden van goddeloosheid los te maken, de knopen van zware lasten te ontbinden, de verdrukten vrij te laten en elk juk te breken? Is het niet om mijn brood te delen met de hongerigen, en om de daklozen en armen in mijn huis te brengen? En wanneer ik de naakten zie, zal ik hen kleden.”
“‘ Dan zal uw licht doorbreken als de morgen, terwijl uw gezondheid snel toeneemt. Uw gerechtigheid zal voor u uit gaan, terwijl de glorie van de Heer uw achterhoede zal zijn. Dan zult u de Heer aanroepen, en Hij zal antwoorden; Jullie zullen roepen, en Hij zal zeggen: “Hier ben ik.” En dit alles zal Hij doen als jullie je onthouden van onderdrukking, veroordeling en ijdelheid. De Vader verlangt er veeleer naar dat jullie je hart openen voor de hongerigen en dat jullie de bedroefde zielen dienen; dan zal jullie licht schijnen in de duisternis, en zelfs jullie duisternis zal zijn als de mid-dag. Dan zal de Heer jullie voortdurend leiden, jullie ziel verzadigen en jullie kracht vernieuwen. Jullie zullen worden als een bewaterde tuin, als een bron waarvan het water niet ophoudt. En zij die deze dingen doen, zullen de verwoeste glorie herstellen; zij zullen de fundamenten van vele generaties herbouwen; zij zullen de herbouwers van gebroken muren genoemd worden, de herstellers van veilige paden om in te wonen.”
En toen, tot diep in de nacht, legde Jezus zijn apostelen de waarheid uit dat het hun geloof was dat hen zekerheid gaf in het koninkrijk van het heden en de toekomst, en niet het lijden van hun ziel of het vasten van het lichaam. Hij spoorde de apostelen aan om op zijn minst te leven naar de ideeën van de profeet van weleer en sprak de hoop uit dat ze zelfs de idealen van Jesaja en de oudere profeten ver zouden overstijgen. Zijn laatste woorden die nacht waren: “Groei! Groei in genade door middel van dat levende geloof dat het feit begrijpt dat jullie de kinderen van God zijn, terwijl dat levende geloof tegelijkertijd ieder mens als een broeder of zuster erkent.”
Het was na twee uur ’s nachts toen Jezus ophield met spreken en ieder naar zijn slaapplaats ging.
Dit hoofdstuk is een nieuwe Nederlandse vertaling gebaseerd op Paper 147 van het Urantia Boek: https://www.urantia.org
