Inleiding
Van 3 mei tot 3 oktober, 28 n.Chr., verbleven Jezus en de apostolische groep in het huis van Zebedeüs in Bethsaida. Gedurende deze vijf maanden durende periode van het droge seizoen werd er een enorm kampement onderhouden aan de kust, vlakbij het huis van Zebedeüs, dat aanzienlijk was uitgebreid om de groeiende familie van Jezus te huisvesten. Dit kampement aan de kust, bewoond door een steeds wisselende bevolking van waarheidszoekers, genezingskandidaten en nieuwsgierigen, telde tussen de vijfhonderd en vijftienhonderd mensen. Deze tentenstad stond onder het algemene toezicht van David Zebedeüs, bijgestaan door de tweeling Alpheus. Het kampement was een voorbeeld in orde en hygiëne, evenals in de algemene administratie. De zieken van verschillende typen werden gescheiden en stonden onder toezicht van een gelovige arts, een Syriër genaamd Elman.
Gedurende deze periode gingen de apostelen minstens één dag per week vissen en verkochten zij hun vangst aan David voor consumptie door het kamp aan de kust. De aldus ontvangen gelden werden overgedragen aan de groepskas. De twaalf mochten één week per maand bij hun familie of vrienden doorbrengen.
Terwijl Andreas de algemene leiding over de apostolische activiteiten bleef houden, had Petrus de volledige leiding over de school van de evangelisten. De apostelen droegen allemaal hun steentje bij aan het onderwijzen van groepen evangelisten elke ochtend, en zowel leraren als leerlingen onderwezen de mensen ’s middags. Na de avondmaaltijd, vijf avonden per week, hielden de apostelen vraag-lessen ten behoeve van de evangelisten. Eenmaal per week leidde Jezus deze vragensessie en beantwoordde hij de overgebleven vragen van eerdere sessies.
In vijf maanden tijd kwamen en gingen er enkele duizenden naar/uit dit kamp. Geïnteresseerden uit alle delen van het Romeinse Rijk en uit de landen ten oosten van de Eufraat waren regelmatig aanwezig. Dit was de langste periode van vaste en goed georganiseerde leer van de Meester. De directe familie van Jezs bracht het grootste deel van deze tijd door in Nazareth of Kana.
Het kampement werd niet geleid als een gemeenschap van gelijke en gezamenlijke belangen, zoals de apostolische familie. David Zebedeüs beheerde deze grote tentenstad zo dat het een zelfvoorzienende onderneming werd, ondanks dat er nooit iemand werd weggestuurd. Dit steeds veranderende kampement was een onmisbaar onderdeel van de evangelisatie-opleidingsschool van Petrus.
Een nieuwe school van de profeten
Petrus, Jacobus en Andreas vormden de commissie die door Jezus was aangewezen om kandidaten voor toelating tot de school van evangelisten te beoordelen. Alle rassen en nationaliteiten van de Romeinse wereld en het Oosten, tot aan India toe, waren vertegenwoordigd onder de studenten in deze nieuwe profetenschool. Deze school werd geleid volgens het principe van leren en doen. Wat de studenten ’s ochtends leerden, onderwezen ze ’s middags aan een bijeenkomst van mensen in het kampement aan de kust. Na het avondeten bespraken ze informeel zowel het geleerde van de ochtend als het onderricht van de middag.
Elk van de apostolische leraren onderwees zijn eigen visie op het evangelie van het koninkrijk. Ze deden geen enkele poging om precies hetzelfde te onderwijzen. Er was geen gestandaardiseerde of dogmatische formulering van theologische doctrines. Hoewel ze allemaal dezelfde waarheid onderwezen, presenteerde elke apostel zijn eigen persoonlijke interpretatie van de leer van de Meester. En Jezus hield vast aan deze presentatie van de diversiteit aan persoonlijke ervaringen met de zaken van het koninkrijk, waarbij hij deze vele en uiteenlopende visies op het evangelie onfeilbaar harmoniseerde en coördineerde tijdens zijn wekelijkse vragenuurtjes. Ondanks deze grote mate van persoonlijke vrijheid in onderwijszaken, had Simon Petrus de neiging de theologie van de school van evangelisten te domineren. Na Petrus oefende Jacobus Zebedeüs de grootste persoonlijke invloed uit.
De honderd en meer evangelisten die gedurende deze vijf maanden aan de kust werden opgeleid, vertegenwoordigden het materiaal waaruit de latere zeventig evangelieleraars en -predikers werden samengesteld (met uitzondering van Abner en de apostelen van Johannes).
Hoewel deze evangelisten het evangelie onderwezen en predikten, doopten ze de gelovigen pas nadat ze later door Jezus waren gewijd en aangesteld als de zeventig boodschappers van het koninkrijk. Slechts zeven van het grote aantal mensen dat bij de zonsondergang op deze plek werd genezen, waren te vinden onder deze evangelisatiestudenten. De zoon van de edelman uit Capernaum was een van degenen die op de school van Petrus werden opgeleid voor de evangelie-missie.
Het ziekenhuis van Bethsaida
Verbonden aan het kamp aan de kust organiseerde en leidde Elman, de Syrische arts, met de hulp van een korps van vijfentwintig jonge vrouwen en twaalf mannen, gedurende vier maanden wat beschouwd moet worden als het eerste ziekenhuis van het koninkrijk. In dit ziekenhuis, gelegen op korte afstand ten zuiden van de belangrijkste tentenstad, behandelden ze de zieken volgens alle bekende materiële methoden, evenals door de spirituele praktijken van gebed en geloofsbemoediging. Jezus bezocht de zieken van dit kamp minstens drie keer per week en maakte persoonlijk contact met elke lijdende. Voor zover wij weten, vonden er geen zogenaamde wonderen van bovennatuurlijke genezing plaats onder de duizend gekwelde en zieke personen die dit ziekenhuis verbeterd of genezen verlieten. De overgrote meerderheid van deze genezen personen hield echter niet op te verkondigen dat Jezus hen had genezen.
Veel van de genezingen die Jezus tot stand bracht in verband met zijn dienstverlening aan Elman’s patiënten, leken inderdaad op het verrichten van wonderen, maar ons werd geleerd dat het slechts zulke transformaties van spirit en ziel waren als kunnen optreden in de ervaring van verwachtingsvolle en door geloof gedomineerde personen die onder de directe en inspirerende invloed staan van een sterke, positieve en weldadige persoonlijkheid die angst verdrijft en bezorgdheid vernietigt.
Elman en zijn metgezellen probeerden deze zieken de waarheid te leren over de bezetenheid door boze ‘geesten’, maar ze hadden weinig succes. Het geloof dat fysieke ziekte en mentale ontregeling veroorzaakt konden worden door de aanwezigheid van een zogenaamde onreine ‘geest’ in de mind of het lichaam van de getroffen persoon, was vrijwel universeel.
In al zijn contacten met zieken en lijdenden, wanneer het ging om de behandeltechniek of de onthulling van de onbekende oorzaken van ziekte, negeerde Jezus de instructies van zijn Paradijsbroeder Immanuel niet. Instructies die hij had gekregen voordat hij aan zijn avontuur op aarde begon. Desondanks leerden degenen die de zieken verzorgden veel nuttige lessen door te observeren hoe Jezus het geloof en vertrouwen van de zieken en lijdenden inspireerde.
Het kamp werd ontbonden kort voordat het seizoen van toenemende koude rillingen en koorts aanbrak.
De zaken van de Vader
Gedurende deze periode hield Jezus minder dan twaalf keer openbare diensten in het kamp en sprak hij slechts één keer in de synagoge van Capernaum, de tweede sabbath voordat ze met de pas opgeleide evangelisten vertrokken voor hun tweede openbare predikingstocht door Galilea.
Sinds zijn doop was de Meester niet zo alleen geweest als gedurende deze periode van het trainingskamp van de evangelisten in Bethsaida. Wanneer een van de apostelen Jezus durfde te vragen waarom hij zo vaak uit hun midden was, antwoordde hij steevast dat hij bezig was met ‘de zaken van de Vader’.
Gedurende deze perioden van afwezigheid werd Jezus slechts door twee van de apostelen vergezeld. Hij had Petrus, Jacobus en Johannes tijdelijk ontheven van hun taak als zijn persoonlijke metgezellen, zodat zij ook konden deelnemen aan het werk van de opleiding van de nieuwe evangelisatiekandidaten, die meer dan honderd in getal waren. Wanneer de Meester de heuvels in wilde gaan om de zaken van de Vader te regelen, riep hij twee van de apostelen die vrij waren bijeen om hem te vergezellen. Op deze manier had elk van de twaalf de gelegenheid tot nauwe omgang en contact met Jezus.
Het is niet onthuld voor de doeleinden van dit verslag, maar we zijn ertoe gebracht af te leiden, dat de Meester, gedurende veel van deze eenzame seizoenen in de heuvels, in directe en leidinggevende verbinding stond met veel van zijn belangrijkste bestuurders van de aangelegenheden van zijn lokale universum. Sinds ongeveer de tijd van zijn doop was deze geïncarneerde Soeverein van ons lokale universum steeds meer en bewust actief geworden met het leiden van bepaalde fasen van het bestuur van het lokale universum. En wij zijn altijd van mening geweest dat hij, op een bepaalde manier die hij niet onthulde aan zijn directe metgezellen, tijdens deze weken van verminderde deelname aan de Aardse aangelegenheden bezig was met de leiding van die hoge spirituele intelligenties die belast waren met het besturen van een enorm lokaal universum, en dat de mens Jezus ervoor koos dergelijke activiteiten van zijn kant aan te duiden als “betreffende de zaken van zijn Vader”.
Vaak, wanneer Jezus urenlang alleen was, maar wanneer twee van zijn apostelen in de buurt waren, zagen ze zijn gelaatstrekken snelle en talrijke veranderingen ondergaan, hoewel ze hem geen woorden hoorden spreken. Zij zagen ook geen zichtbare manifestatie van hemelse wezens die mogelijk in contact stonden met hun Meester, zoals sommigen van hen bij een latere gelegenheid wel zagen.
Kwaad, zonde en misdaad
Het was de gewoonte van Jezus om twee avonden per week speciale gesprekken te voeren met mensen die met hem wilden praten, in een afgelegen en beschutte hoek van de tuin van Zebedeüs. Tijdens een van deze privé-avondgesprekken stelde Thomas de Meester deze vraag: “Waarom is het noodzakelijk dat mensen uit de spirit geboren worden om het koninkrijk binnen te gaan? Is wedergeboorte noodzakelijk om aan de controle van de duivel te ontsnappen? Meester, wat is kwaad?” Toen Jezus deze vragen hoorde, zei hij tegen Thomas:
“Maak niet de fout kwaad te verwarren met de duivel, of beter gezegd de misdadige. Hij die jullie de duivel noemen, is de zoon van eigenliefde, de hoge bestuurder die willens en wetens in opstand kwam tegen de heerschappij van mijn Vader en zijn trouwe Zonen. Maar ik heb deze zondige rebellen al overwonnen. Maak in je mind een duidelijk onderscheid tussen deze verschillende houdingen ten opzichte van de Vader en zijn universum. Vergeet nooit deze wetten van relatie tot de wil van de Vader:
“KWAAD is de onbewuste of onbedoelde overtreding van de goddelijke wet, de wil van de Vader. Kwaad is eveneens de maatstaf voor de onvolmaaktheid van gehoorzaamheid aan de wil van de Vader.”
“ZONDE is de bewuste overtreding, willens en wetens, van de goddelijke wet, de wil van de Vader. Zonde is de maatstaf van onwil om goddelijk geleid en spiritueel gestuurd te worden.”
“(Spirituele) MISDAAD is de opzettelijke, vastberaden en aanhoudende overtreding van de goddelijke wet, de wil van de Vader. Misdaad is de maatstaf van de voortdurende verwerping van het liefdevolle plan van de Vader voor het overleven van de persoonlijkheid en van de barmhartige schenking van verlossing door de Zoon.”
“Van nature is de sterfelijke mens, vóór de wedergeboorte van de spirit, onderhevig aan inherente neigingen tot kwaad, maar zulke natuurlijke onvolmaaktheden in gedrag zijn nog geen zonde en zeker nog geen misdaad. De sterfelijke mens begint pas aan zijn lange opgang naar de volmaaktheid van de Vader in het Paradijs. Onvolmaakt of gedeeltelijk zijn in natuurlijke begaafdheid is niet zondig. De mens is inderdaad onderworpen aan het kwaad, maar hij is in geen enkel opzicht het kind van de duivel, behalve wanneer hij willens en wetens de paden van de zonde en het leven van spirituele misdaad heeft gekozen. Het kwaad is inherent aan de natuurlijke orde van deze wereld, maar zonde is een houding van bewuste rebellie die naar deze wereld is gebracht door hen die vanuit het spirituele licht in de diepe duisternis zijn gevallen.”
“Je bent in de war, Thomas, door de doctrines van de Grieken en de dwalingen van de Perzen. Je begrijpt de relaties tussen kwaad en zonde niet, omdat je de mensheid ziet als beginnend op aarde met een volmaakte Adam en snel degenererend, door zonde, tot de huidige betreurenswaardige staat van de mens. Maar waarom weigert je de betekenis te begrijpen van het verhaal dat onthult hoe Kaïn, de zoon van Adam, naar het land Nod ging en daar een vrouw vond? En waarom weiger je de betekenis te interpreteren van het verhaal dat de zonen van God afschildert die vrouwen voor zichzelf vinden onder de dochters van de mensen?”
“De mens is inderdaad van nature geneigd tot kwaad, maar niet noodzakelijkerwijs zondig. De nieuwe geboorte, de doop met de Spirit, is essentieel voor de bevrijding van dat kwaad en noodzakelijk voor de toegang tot het hemelse koninkrijk. Maar dit alles doet niets af aan het feit dat de mens de zoon van God is. Ook betekent de inherente aanwezigheid van potentieel kwaad niet dat de mens op mysterieuze wijze vervreemd is van de Vader in de hemel. Zodat hij een vreemdeling of stiefkind zou zijn geworden en hij dus op de een of andere manier [met doop of ‘wedergeboorte’] om wettelijke adoptie door de Vader moeten vragen. Al dergelijke opvattingen worden geboren, ten eerste, uit je misvatting over de Vader en, ten tweede, uit je onwetendheid over de oorsprong, aard en bestemming van de mens.”
“De Grieken en anderen hebben je geleerd dat de mens gestaag afdaalt van goddelijke volmaaktheid naar vergetelheid of vernietiging. Maar ik ben nu gekomen om te tonen dat de mens, door het hemelse koninkrijk binnen te gaan, met vaste zekerheid zal opklimmen naar God en goddelijke volmaaktheid. Elk wezen dat op enigerlei wijze tekortschiet in de goddelijke en spirituele idealen van de wil van de eeuwige Vader, is potentieel slecht, maar zulke wezens zijn in geen enkel opzicht zondig, laat staan spiritueel misdadig.”
“Thomas, heb je hierover niet gelezen in de Schrift, waar geschreven staat:
- ‘Jullie zijn de kinderen van de Heer, jullie God.’ (📖 Deuteronomium 14:1)
- ‘Ik zal zijn Vader zijn en hij zal mijn zoon zijn.’ (📖 2 Samuel 7:14 (Nathan-profetie aan David))
- ‘Ik heb hem uitgekozen om mijn zoon te zijn. – Ik zal zijn Vader zijn.’ (📖 1 Kronieken 17:13; (paralleltekst van 2 Samuël 7))
- ‘Breng mijn zonen van ver en mijn dochters van de einden van de aarde; ja, ieder die naar mijn naam genoemd is, want ik heb hen tot mijn glorie geschapen.’ (📖 Jesaja 43:6–7)
- ‘Jullie zijn de zonen van de levende God.’ (📖 Hosea 1:10 (in sommige vertalingen: 2:1))
- ‘Zij die de spirit van God hebben, zijn inderdaad de zonen van God.’ (📖 Romeinen 8:14)
Terwijl er een stoffelijk deel van de menselijke vader in het kind van de natuur is, is er een spiritueel deel van de hemelse Vader in elke gelovig kind van het hemelse koninkrijk.”
Dit alles en nog veel meer zei Jezus tegen Thomas, en veel ervan begreep de apostel, hoewel Jezus hem aanspoorde om niet met de anderen over deze zaken te spreken ’totdat Ik tot de Vader zal zijn teruggekeerd.’ En Thomas maakte pas melding van dit gesprek nadat de Meester deze wereld had verlaten.
Het doel van lijden
Tijdens een ander privégesprek in de tuin vroeg Nathanaël aan Jezus: “Meester, hoewel ik begin te begrijpen waarom u weigert om zonder onderscheid genezing te beoefenen, begrijp ik nog steeds niet waarom de liefhebbende Vader in de hemel zoveel van zijn kinderen op aarde aan zoveel aandoeningen laat lijden.” De Meester antwoordde Nathanaël en zei:
“Nathanaël, jij en vele anderen zijn zo verbijsterd omdat je niet begrijpt hoe de natuurlijke orde van deze wereld zo vaak is verstoord door de zondige avonturen van bepaalde opstandige verraders van de wil van de Vader. En ik ben gekomen om een begin te maken met het in orde brengen van deze dingen. Maar er zullen vele eeuwen nodig zijn om dit deel van het universum te herstellen naar de oude paden en zo de mensenkinderen te bevrijden van de extra lasten van zonde en rebellie. De aanwezigheid van het kwaad alleen is al voldoende test voor de opklimming van de mens –zonde is niet essentieel voor overleving.”
“Maar, mijn zoon, je moet weten dat de Vader zijn kinderen niet opzettelijk kwelt. De mens roept onnodig lijden over zichzelf af als gevolg van zijn aanhoudende weigering om de betere wegen van de goddelijke wil te bewandelen. Kwelling is potentieel in het kwaad, maar veel ervan is veroorzaakt door zonde en spirituele misdaden. Veel ongewone gebeurtenissen hebben zich op deze wereld voorgedaan, en het is niet vreemd dat alle denkende mensen verbijsterd zijn door de taferelen van lijden en kwelling waarvan ze nu getuige zijn. Maar van één ding kun je zeker zijn: de Vader zendt geen kwelling als een willekeurige straf voor wangedrag. De onvolmaaktheden en handicaps van het kwaad zijn inherent; de straffen voor de zonde zijn onvermijdelijk; de vernietigende gevolgen van spirituele misdaden zijn onverbiddelijk. De mens zou God niet de schuld moeten geven van die beproevingen die het natuurlijke gevolg zijn van het leven dat hij kiest te leiden. Evenmin zou de mens moeten klagen over die ervaringen die deel uitmaken van het leven zoals dat op deze aarde wordt geleefd. Het is de wil van de Vader dat de sterfelijke mens volhardend en consequent werkt aan de verbetering van zijn staat op aarde. Intelligente toewijding zou de mens in staat stellen veel van zijn aardse ellende te overwinnen.”
“Nathanaël, het is onze missie om mensen te helpen hun spirituele problemen op te lossen en op deze manier hun mind te verscherpen, zodat ze beter voorbereid en geïnspireerd kunnen zijn om hun veelvuldige materiële problemen op te lossen. Ik weet van je verwarring terwijl je de Schrift leest. Maar al te vaak heeft de neiging geheerst om God de verantwoordelijkheid toe te schrijven voor alles wat de onwetende mens niet begrijpt. Maar de Vader is niet persoonlijk verantwoordelijk voor alles wat jij mogelijk niet begrijpt. Twijfel niet aan de liefde van de Vader, alleen maar omdat een rechtvaardige en wijze wet die Hij heeft voorgeschreven, jou treft omdat je onschuldig of opzettelijk zo’n goddelijke verordening hebt overtreden.”
“Maar, Nathanaël, er staat veel in de Schrift dat je had kunnen onderwijzen als je maar met onderscheidingsvermogen had gelezen. Herinner je je niet dat er geschreven staat:
- ‘Mijn zoon, veracht de tuchtiging van de Heer niet; word ook niet moe van zijn bestraffing, want wie de Heer liefheeft, corrigeert Hij, zoals een vader de zoon corrigeert in wie hij behagen schept.’ (📖 Spreuken 3:11–12)
- ‘De Heer kwelt niet vrijwillig.’ (📖 Klaagliederen 3:33)
- ‘Voordat ik gekweld werd, dwaalde ik af, maar nu houd ik mij aan de wet. Kwelling was goed voor mij, opdat ik daardoor de goddelijke regels zou leren.’ (📖 Psalm 119:67, 71)
- ‘Ik ken je verdriet. De eeuwige God is je toevlucht, terwijl onder jou de eeuwige armen zijn.’ (📖 Deuteronomium 33:27)
- ‘De Heer is ook een toevlucht voor de verdrukten, een haven van rust in tijden van nood.’ (📖 Psalm 9:10 (soms genummerd als 9:9))
- ‘De Heer zal hem sterken op het bed van ellende; de Heer zal de zieken niet vergeten.’ (📖 Psalm 41:4)
- ‘Zoals een vader mededogen toont voor zijn kinderen, zo is de Heer mededogend voor wie Hem vrezen. Hij kent uw lichaam; Hij herinnert zich dat u stof bent.’ (📖 Psalm 103:13–14)
- ‘Hij geneest de gebrokenen van hart en verbindt hun wonden.’ (📖 Psalm 147:3)
- ‘Hij is de hoop van de arme, de sterkte van de behoeftige in zijn nood, een toevlucht tegen de storm en een schaduw tegen de verwoestende hitte.’ (📖 Jesaja 25:4)
- ‘Hij geeft kracht aan de zwakken en de aan de machteloze geeft Hij sterkte.’ (📖 Jesaja 40:29)
- ‘Een geknakt riet zal hij niet breken, en de walmende vlaswiek zal hij niet doven.’ (📖 Jesaja 42:3)
- ‘Wanneer u door de wateren van ellende gaat, zal Ik bij u zijn, en wanneer de rivieren van tegenspoed u overspoelen, zal Ik u niet verlaten.’ (📖 Jesaja 43:2)
- ‘Hij heeft mij gezonden om de gebrokenen van hart te verbinden, om de gevangenen vrijheid te verkondigen en om allen die treuren te troosten.’ (📖 Jesaja 61:1–2)
- ‘Er schuilt correctie in lijden; ellende komt niet uit het stof voort.'” (📖 Job 5:6–7, 17)
Het misverstand over lijden: Verhandeling over Job
Het was diezelfde avond in Bethsaida dat Johannes Jezus ook vroeg waarom zoveel schijnbaar onschuldige mensen aan zoveel ziekten leden en zoveel ellende meemaakten. In antwoord op de vragen van Johannes zei de Meester, naast vele andere dingen:
“Mijn zoon, je begrijpt de betekenis van tegenspoed of de missie van lijden niet. Heb je dat meesterwerk van de Semitische literatuur niet gelezen? Het Bijbelverhaal over de ellende van Job? [ Engels ; en over de persoon Job ] Herinner je je niet hoe deze prachtige gelijkenis begint met de opsomming van de materiële voorspoed van de dienaar van de Heer? Je herinnert je goed dat Job gezegend was met kinderen, rijkdom, waardigheid, positie, gezondheid en al het andere dat mensen in dit tijdelijke leven waarderen. Volgens de aloude leringen van de kinderen van Abraham was zulke materiële voorspoed een voldoende bewijs van goddelijke gunst. Maar zulke materiële bezittingen en zulke tijdelijke voorspoed duiden niet op Gods gunst. Mijn Vader in de hemel heeft de armen net zoveel lief als de rijken; Hij kent geen aanzien des persoons.”
“Hoewel overtreding van de goddelijke wet vroeg of laat gevolgd wordt door de oogst van straf, hoewel mensen uiteindelijk zeker oogsten wat ze zaaien, moet je toch weten dat menselijk lijden niet altijd een straf is voor voorafgaande zonde. Zowel Job als zijn vrienden slaagden er niet in het ware antwoord te vinden op hun verwarring. En met het licht dat u nu geniet, zou u Satan of God nauwelijks de rollen toeschrijven die zij spelen in deze unieke gelijkenis. Hoewel Job door lijden geen oplossing vond voor zijn intellectuele problemen of de oplossing voor zijn filosofische moeilijkheden, behaalde hij wel grote overwinningen. Zelfs toen zijn theologische verdedigingen instortten, steeg hij op tot die spirituele hoogten waar hij oprecht kon zeggen: “Ik verafschuw mezelf”; toen werd hem de redding van een visioen van God geschonken. Zo steeg Job, zelfs door verkeerd begrepen lijden heen, op naar het bovenmenselijke niveau van moreel begrip en spiritueel inzicht. Wanneer de lijdende dienaar een visioen van God krijgt, volgt er een zielsvrede die alle menselijk begrip te boven gaat.”
“De eerste van Jobs vrienden, Eliphaz, spoorde de lijder aan om in zijn beproevingen dezelfde standvastigheid te tonen die hij anderen had voorgeschreven in de dagen van zijn voorspoed. Deze valse trooster zei: ‘Vertrouw op je religie, Job; bedenk dat het de goddelozen zijn en niet de rechtvaardigen die lijden. Je moet deze straf verdienen, anders zou je niet beproefd worden. Je weet heel goed dat geen mens rechtvaardig kan zijn in Gods ogen. Je weet dat de goddelozen nooit echt voorspoedig zijn. Hoe dan ook, de mens lijkt voorbestemd tot moeilijkheden, en misschien straft de Heer je alleen maar voor je eigen bestwil.’ Geen wonder dat de arme Job niet veel troost putte uit zo’n interpretatie van het probleem van menselijk lijden.”
“Maar de raad van zijn tweede vriend, Bildad, was nog deprimerender, ondanks de degelijkheid ervan vanuit het standpunt van de toen aanvaarde theologie. Bildad zei: ‘God kan niet onrechtvaardig zijn. Uw kinderen moeten zondaars zijn geweest omdat ze omkwamen; u moet in fouten zijn geraakt, anders zou u niet zo gekweld zijn. En als u werkelijk rechtvaardig bent, zal God u zeker van uw kwellingen verlossen. U zou uit de geschiedenis van Gods omgang met de mens moeten leren dat de Almachtige alleen de goddelozen vernietigt.’ ”
“En dan herinner je je hoe Job zijn vrienden antwoordde, zeggende: ‘Ik weet heel goed dat God mijn hulpgeroep niet hoort. Hoe kan God rechtvaardig zijn en tegelijkertijd mijn onschuld zo volkomen negeren? Ik leer dat ik geen voldoening kan vinden door een beroep te doen op de Almachtige. Kunt u niet inzien dat God de vervolging van de goeden door de slechten tolereert? En aangezien de mens zo zwak is, welke kans heeft hij dan op consideratie van een almachtige God? God heeft mij gemaakt zoals ik ben, en wanneer Hij zich zo tegen mij keert, ben ik weerloos. En waarom heeft God mij ooit geschapen om op deze ellendige manier te lijden?’
“En wie kan de houding van Job betwisten gezien de raad van zijn vrienden en de onjuiste ideeën over God die zijn eigen mind bezighielden? Zie je niet dat Job verlangde naar een menselijke God, dat hij ernaar verlangde te communiceren met een goddelijk Wezen dat de sterfelijke staat van de mens kent en begrijpt dat de rechtvaardige vaak in onschuld moet lijden als onderdeel van dit eerste leven van de lange opklimming naar het Paradijs? En dat is waarom de MensenZoon van de Vader gekomen is: om zo’n leven in een sterfelijk lichaam te leiden dat hij in staat zal zijn om al degenen te troosten en te helpen die voortaan de beproevingen van Job moeten doorstaan.”
“Jobs derde vriend, Zophar, sprak vervolgens nog minder troostende woorden toen hij zei: ‘Je bent dwaas om te beweren rechtvaardig te zijn, aangezien je zo beproefd wordt. Maar ik erken dat het onmogelijk is Gods wegen te begrijpen. Misschien zit er een verborgen doel in al je ellende.’ En toen Job naar al zijn drie vrienden had geluisterd, smeekte hij God rechtstreeks om hulp, daarbij verwijzend naar het feit dat de mens, geboren uit een vrouw, weinig dagen heeft en vol problemen zit.”
“Toen begon de tweede sessie met zijn vrienden. Eliphaz werd strenger, beschuldigender en sarcastischer. Bildad werd verontwaardigd over Job’s minachting voor zijn vrienden. Zophar herhaalde zijn melancholieke advies. Job walgde inmiddels van zijn vrienden en deed opnieuw een beroep op God, en nu deed hij een beroep op een rechtvaardige God in plaats van de God van onrecht die belichaamd was in de filosofie van zijn vrienden en die zelfs in zijn eigen religieuze houding verankerd was. Vervolgens zocht Job zijn toevlucht in de troost van een toekomstig leven waarin de ongelijkheden van het sterfelijke bestaan rechtvaardiger rechtgezet kunnen worden. Het niet ontvangen van hulp van de mens drijft Job naar God. Dan volgt de grote strijd in zijn hart tussen geloof en twijfel. Uiteindelijk begint de mens die lijdt het licht van het leven te zien; zijn gekwelde ziel bereikt nieuwe hoogten van hoop en moed; hij mag blijven lijden en zelfs sterven, maar zijn verlichte ziel uit nu die triomfkreet: ‘Mijn Verdediger leeft!’
“Job had volkomen gelijk toen hij de leer bestreed dat God kinderen zou kwellen om hun ouders te straffen. Job was altijd bereid toe te geven dat God rechtvaardig is, maar hij verlangde naar een zielsbevredigende openbaring van het persoonlijke karakter van de Eeuwige. En dat is onze missie op aarde. Aan lijdende stervelingen zal niet langer de troost ontzegd worden van het kennen van Gods liefde en het begrijpen van de genade van de Vader in de hemel. Hoewel de woorden van God, gesproken vanuit de wervelwind [ Job 38:1 ], een majestueus concept waren voor de dag van hun uiting, hebben jullie nu al geleerd dat de Vader zich niet op deze manier openbaart, maar dat Hij in het menselijk hart spreekt als een zachte, stille stem, die zegt: ‘Dit is de weg; bewandel die weg.’ Begrijp je dan niet dat God in je woont, dat Hij is geworden wat jij bent, zodat Hij je kan maken wat Hij is!”
Toen deed Jezus deze laatste uitspraak: “De Vader in de hemel kwelt de mensenkinderen niet vrijwillig. De mens lijdt eerst onder de toevalligheden van de tijd en de onvolmaaktheden van het kwaad van een onvolwassen lichamelijk bestaan. Vervolgens lijdt hij onder de onverbiddelijke gevolgen van de zonde: de overtreding van de wetten van leven en licht. En ten slotte ontvangt de mens de oogst van zijn eigen spiritueel misdadige volharding in opstand tegen de rechtvaardige heerschappij van de hemel op aarde. Maar de ellende van de mens is geen persoonlijke bezoeking van goddelijk oordeel. De mens kan en zal veel doen om zijn tijdelijk lijden te verlichten. Maar wees eens en voor altijd bevrijd van het bijgeloof dat God de mens kwelt in opdracht van de duivel. Bestudeer het boek Job om te ontdekken hoeveel verkeerde ideeën over God zelfs goede mensen oprecht kunnen koesteren. En merk dan op hoe zelfs de pijnlijk gekwelde Job de God van troost en redding vond, ondanks zulke onjuiste leringen. Uiteindelijk doorboorde zijn geloof de wolken van lijden om het licht van het leven te onderscheiden dat van de Vader uitstroomde als helende genade en eeuwige rechtvaardigheid.”
Johannes overwoog deze woorden vele dagen in zijn hart. Zijn hele leven daarna veranderde aanzienlijk als gevolg van dit gesprek met de Meester in de tuin, en hij deed er later veel aan om de andere apostelen ertoe te brengen hun standpunten te veranderen met betrekking tot de oorzaak, aard en het doel van alledaagse menselijke beproevingen. Maar Johannes sprak nooit over deze ontmoeting totdat de Meester was vertrokken.
De man met de verdorde hand
De tweede sabbath vóór het vertrek van de apostelen en het nieuwe korps evangelisten op de tweede predikingstocht door Galilea, sprak Jezus in de synagoge van Capernaum over de “Vreugden van een rechtvaardig leven.” Toen Jezus uitgesproken was, verzamelde zich een grote groep verminkten, kreupelen, zieken en lijdenden om hem heen, op zoek naar genezing. In deze groep bevonden zich ook de apostelen, veel van de nieuwe evangelisten en de Farizeïsche spionnen uit Jeruzalem. Overal waar Jezus ging (behalve toen hij in de heuvels was voor ‘de zaken van de Vader’) volgden de zes spionnen uit Jeruzalem hem ook.
De leider van de spionerende Farizeeën, terwijl Jezus met de mensen stond te praten, bracht een man met een verschrompelde hand ertoe om naar hem toe te komen en te vragen of het geoorloofd was om op de sabbath genezen te worden of dat hij op een andere dag hulp moest zoeken. Toen Jezus de man zag, zijn woorden hoorde en bemerkte dat hij door de Farizeeën was gestuurd, zei hij: “Kom naar voren terwijl ik u een vraag stel. Als u een schaap had en het zou op de sabbath in een kuil vallen, zou u zich dan bukken, het vastpakken en het eruit tillen? Is het geoorloofd om zulke dingen op de sabbath te doen?” En de man antwoordde: “Ja, Meester, het zou geoorloofd zijn om op de sabbath zo goed te doen.” Toen zei Jezus, sprekend tot hen allen: “Ik weet waarom u deze man in mijn tegenwoordigheid hebt gezonden.” U zou aanstoot aan mij nemen als u mij zou kunnen verleiden om op de sabbath genade te tonen. In stilte waren jullie het er allemaal over eens dat het geoorloofd was om het ongelukkige schaap uit de put te tillen, zelfs op de sabbath, en ik roep jullie op om te getuigen dat het geoorloofd is om op de sabbath niet alleen aan dieren, maar ook aan mensen liefdevolle vriendelijkheid te tonen. Hoeveel waardevoller is een mens dan een schaap! Ik verkondig dat het geoorloofd is om op de sabbath goed te doen aan mensen. En terwijl ze allemaal zwijgend voor hem stonden, sprak Jezus de man met de verschrompelde hand aan en zei: “Kom hier naast me staan, zodat iedereen je kan zien. En nu, opdat u mag weten dat het de wil van mijn Vader is dat u op de sabbath goed doet, als u het geloof hebt om genezen te worden, smeek ik u om uw hand uit te strekken.”
En toen deze man zijn verschrompelde hand uitstrekte, werd deze weer heel. Het volk was van plan zich tegen de Farizeeën te keren, maar Jezus gebood hen kalm te blijven en zei: “Ik heb jullie net verteld dat het geoorloofd is om op de sabbath goed te doen om levens te redden, maar ik heb jullie niet opgedragen kwaad te doen en toe te geven aan de drang om te doden.” De woedende Farizeeën gingen weg en hoewel het sabbath was, haastten ze zich onmiddellijk naar Tiberias en raadpleegden Herodes. Ze deden er alles aan om zijn vooroordeel op te wekken om de Herodianen als bondgenoten tegen Jezus te krijgen. Maar Herodes weigerde actie te ondernemen tegen Jezus en adviseerde hen hun klachten naar Jeruzalem te brengen.
Dit is het eerste geval van een wonder dat Jezus verrichtte in reactie op de uitdaging van zijn vijanden. En de Meester verrichtte dit zogenaamde wonder niet als een demonstratie van zijn genezende kracht, maar als een effectief protest tegen het maken van de sabbathsrust van de religie tot een ware slavernij van zinloze beperkingen voor de hele mensheid. Deze man keerde terug naar zijn werk als steenhouwer en bewees een van degenen te zijn wier genezing werd gevolgd door een leven van dankzegging en rechtschapenheid.
Laatste week in Bethsaida
In de laatste week van het verblijf in Bethsaida raakten de spionnen van Jeruzalem zeer verdeeld in hun houding ten opzichte van Jezus en zijn leringen. Drie van deze Farizeeën waren enorm onder de indruk van wat ze hadden gezien en gehoord. Ondertussen omarmde Abraham, een jong en invloedrijk lid van het Sanhedrin, in Jeruzalem publiekelijk de leringen van Jezus en werd door Abner gedoopt in het bad van Siloam. Heel Jeruzalem was in rep en roer over deze gebeurtenis en er werden onmiddellijk boodschappers naar Bethsaida gestuurd om de zes spionerende Farizeeën terug te roepen.
De Griekse filosoof die tijdens de vorige tocht door Galilea voor het koninkrijk was gewonnen, keerde terug met enkele rijke Joden uit Alexandrië, en opnieuw nodigden ze Jezus uit om naar hun stad te komen om een gezamenlijke school voor filosofie en religie te stichten, evenals een ziekenboeg. Maar Jezus wees de uitnodiging hoffelijk af.
Rond deze tijd arriveerde er in het kamp van Bethsaida een trance-profeet uit Bagdad, een zekere Kirmeth. Deze vermeende profeet had eigenaardige visioenen wanneer hij in trance was en droomde fantastische dromen wanneer zijn slaap verstoord werd. Hij veroorzaakte aanzienlijke opschudding in het kamp, en Simon Zelotes was er voorstander van om deze door-zichzelf-misleide pretendent [we zouden tegenwoordig zeggen: ‘faker’ of ‘scammer’ 🙂 ] nogal ruw aan te pakken, maar Jezus greep in en gaf hem een paar dagen volledige vrijheid van handelen. Allen die zijn prediking hoorden, beseften al snel dat zijn leer niet deugdelijk was, beoordeeld naar het evangelie van het koninkrijk. Hij keerde kort daarna terug naar Bagdad en nam slechts een stuk of zes onstabiele en grillige zielen mee. Maar voordat Jezus voor de profeet uit Bagdad pleitte, had David Zebedeüs, met de hulp van een zelfbenoemde commissie, Kirmeth meegenomen naar het meer en, na hem herhaaldelijk in het water te hebben gedompeld, hem geadviseerd vandaar te vertrekken om een eigen kamp te organiseren en te bouwen.
Op diezelfde dag werd Beth-Marion, een Phenicische vrouw, zo fanatiek dat ze haar verstand verloor en, nadat ze bijna verdronk toen ze probeerde op het water te lopen, door haar vrienden werd weggestuurd.
De nieuwe bekeerling uit Jeruzalem, Abraham de Farizeeër, gaf al zijn aardse goederen aan de apostolische schatkist, en deze schenking droeg er in grote mate aan bij om de onmiddellijke uitzending van de honderd pas opgeleide evangelisten mogelijk te maken. Andreas had de sluiting van het kamp al aangekondigd, en iedereen maakte zich gereed om naar huis te gaan of om de evangelisten naar Galilea te volgen.
Genezing van de verlamde
Op vrijdagmiddag 1 oktober, toen Jezus zijn laatste bijeenkomst hield met de apostelen, evangelisten en andere leiders van het ontbindende kamp, en met de zes Farizeeën uit Jeruzalem op de eerste rij van deze bijeenkomst in de ruime en vergrote voorkamer van het huis van Zebedeüs, vond er een van de vreemdste en meest unieke episodes uit het hele aardse leven van Jezus plaats. De Meester sprak op dat moment terwijl hij in deze grote kamer stond, die gebouwd was om deze bijeenkomsten tijdens het regenseizoen te huisvesten. Het huis was volledig omringd door een grote menigte mensen die hun oren spitsten om iets van de toespraak van Jezus op te vangen.
Terwijl het huis zo vol mensen was en volledig omringd door gretige luisteraars, werd een man die al lang verlamd was door zijn vrienden op een klein bed uit Capernaum naar beneden gedragen. Deze verlamde had gehoord dat Jezus op het punt stond Bethsaida te verlaten, en na met Aäron, de steenhouwer, gesproken te hebben, die zo kort daarvoor genezen was, besloot hij zich naar de aanwezigheid van Jezus te laten dragen, waar hij genezing kon zoeken. Zijn vrienden probeerden via zowel de voor- als de achterdeur toegang te krijgen tot het huis van Zebedeüs, maar er stonden te veel mensen opeengepakt. Maar de verlamde weigerde zich gewonnen te geven. Hij gaf zijn vrienden opdracht ladders te halen waarmee ze naar het dak van de kamer klommen waar Jezus sprak. Nadat ze de dakpannen hadden losgemaakt, lieten ze de zieke man dapper met touwen op zijn rustbed zakken totdat de zieke vlak voor de Meester op de grond lag. Toen Jezus zag wat ze hadden gedaan, hield hij op met spreken, terwijl degenen die bij hem in de kamer waren zich verwonderden over het doorzettingsvermogen van de zieke man en zijn vrienden. De verlamde zei: “Meester, ik wil uw onderricht niet verstoren, maar ik ben vastbesloten om gezond te worden. Ik ben niet zoals degenen die genezing ontvingen en uw leer onmiddellijk vergaten. Ik zou graag genezen worden, zodat ik in het hemelse koninkrijk kan dienen.” Nu, ondanks dat deze man zijn aandoening te wijten had aan zijn eigen verdorven leven, zei Jezus, toen hij zijn geloof zag, tegen de verlamde: “Zoon, vrees niet; uw zonden zijn vergeven. Uw geloof zal u redden.”
Toen de Farizeeën uit Jeruzalem, samen met andere schriftgeleerden en wetgeleerden die bij hen zaten, deze uitspraak van Jezus hoorden, begonnen ze bij zichzelf te zeggen: “Hoe durft deze man zo te spreken? Begrijpt hij niet dat zulke woorden godslastering zijn? Wie anders dan God kan zonden vergeven?” Jezus, die in zijn mind bemerkte dat zij aldus in hun eigen verstand en onder elkaar overlegden, sprak tot hen en zei: “Waarom overlegt u zo in uw hart? Wie bent u dat u over mij oordeelt? Wat maakt het uit of ik tegen deze verlamde zeg: ‘Uw zonden zijn vergeven’, of ‘sta op, neem uw bed op en loop’? Maar opdat u, die dit alles ziet, eindelijk zult weten dat de MensenZoon autoriteit en macht heeft op aarde om zonden te vergeven, zal ik tegen deze ellendige man zeggen: ‘Sta op, neem uw bed op en ga naar uw eigen huis.'” En toen Jezus dit had gezegd, stond de verlamde op, en terwijl zij voor hem plaats maakten, liep hij voor hen allen naar buiten. En zij die dit zagen, waren verbaasd. Petrus liet de bijeenkomst eindigen, terwijl velen baden en God verheerlijkten, en beleden dat ze nog nooit eerder zulke vreemde gebeurtenissen hadden gezien.
En het was rond deze tijd dat de boodschappers van het Sanhedrin arriveerden om de zes spionnen te bevelen naar Jeruzalem terug te keren. Toen ze deze boodschap hoorden, raakten ze in een hevig debat met elkaar. En nadat ze hun discussies hadden beëindigd, keerden de leider en twee van zijn metgezellen met de boodschappers terug naar Jeruzalem, terwijl drie van de spionerende Farizeeën hun geloof in Jezus beleden en, onmiddellijk naar het meer gaand, door Petrus werden gedoopt en door de apostelen werden opgenomen als kinderen van het koninkrijk.
Dit hoofdstuk is een nieuwe Nederlandse vertaling gebaseerd op Paper 148 van het Urantia Boek: https://www.urantia.org
