Inleiding

Op zondagavond 16 januari, 29 n.Chr., bereikte Abner met de apostelen van Johannes de Doper Bethsaida en ze hadden de volgende dag een vergadering gezamenlijk met Andreas en de apostelen van Jezus. Abner en zijn metgezellen hadden hun hoofdkwartier gevestigd in Hebron en kwamen als gewoonte regelmatig naar Bethsaida voor deze besprekingen.

Een van de vele zaken die tijdens deze gezamenlijke bespreking werden besproken, was de praktijk van het zalven van zieken met bepaalde soorten olie in verband met gebeden om genezing. Opnieuw weigerde Jezus deel te nemen aan hun discussies of zich uit te spreken over hun conclusies. De apostelen van Johannes de Doper hadden altijd de zalf-olie gebruikt in hun bediening aan de zieken en lijdenden, en zij probeerden dit als een uniforme praktijk voor beide groepen te vestigen, maar de apostelen van Jezus weigerden zich aan een dergelijke regel te binden.

Op dinsdag 18 januari voegden de beproefde evangelisten, ongeveer vijfenzeventig in getal, zich bij de vierentwintig in het huis van Zebedeüs in Bethsaida, ter voorbereiding op hun uitzending voor de derde predikingstocht door Galilea. Deze derde missie duurde zeven weken.

De evangelisten werden uitgezonden in groepen van vijf, terwijl Jezus en de twaalf het grootste deel van de tijd samen reisden. De apostelen gingen er twee aan twee op uit om gelovigen te dopen als de gelegenheid zich voordeed. Gedurende bijna drie weken werkten Abner en zijn metgezellen ook samen met de evangelisatiegroepen, adviseerden hen en doopten gelovigen. Ze bezochten Magdala, Tiberias, Nazareth en alle belangrijke steden en dorpen van centraal en zuidelijk Galilea, alle eerder bezochte plaatsen en vele andere. Dit was hun laatste boodschap aan Galilea, behalve aan de noordelijke delen.

Kaartje van de 3e prediktocht, ontleend aan www.urantia.org/in-his-steps/26

Het Vrouwen Evangelisatie Korps

Van alle gedurfde dingen die Jezus deed in verband met zijn aardse loopbaan, was zijn plotselinge aankondiging op de avond van 16 januari, 29 n.Chr., wel zeer verbazingwekkend: “Morgen zullen we tien vrouwen selecteren voor het verkondigende werk van het koninkrijk.” Aan het begin van de periode van twee weken waarin de apostelen en de evangelisten vanwege verlof afwezig zouden zijn uit Bethsaida, verzocht Jezus aan David zijn ouders terug te roepen naar hun huis en boodschappers te sturen om tien vrome vrouwen naar Bethsaida te halen. Zij hadden gediend in het beheer van het voormalige kampement en het tenten-ziekenhuis. Deze vrouwen hadden allemaal geluisterd naar de instructies van de jonge evangelisten, maar het was noch bij henzelf, noch bij hun leraren opgekomen dat Jezus het zou wagen vrouwen aan te stellen om het evangelie van het koninkrijk te verkondigen en zieken te verzorgen. Deze tien vrouwen die door Jezus waren uitgekozen en aangesteld, waren:

  • Susanna, de dochter van de voormalige chazan van de synagoge in Nazareth;
  • Johanna, de vrouw van Chuza, de steward van Herodes Antipas;
  • Elisabeth, de dochter van een rijke Jood uit Tiberias en Sepphoris;
  • Martha, de oudere zus van Andreas en Petrus;
  • Rachel, de schoonzus van Judas (de broer van de Meester, dus niet Judas Iscariot);
  • Nasanta, de dochter van Elman, de Syrische arts;
  • Milcha, een nicht van de apostel Thomas;
  • Ruth, de oudste dochter van Mattheüs Levi;
  • Celta, de dochter van een Romeinse centurion; en
  • Agaman, een weduwe uit Damascus.

Vervolgens voegde Jezus twee andere vrouwen aan deze groep toe:

Jezus machtigde deze vrouwen om hun eigen organisatie op te zetten en droeg Judas op om geld te verstrekken voor hun uitrusting en lastdieren. De tien kozen Susanna tot hun leider en Johanna tot hun penningmeester. Vanaf dat moment zorgden ze zelf voor hun geld; nooit meer deden ze een beroep op Judas voor steun.

Het was zeer verbazingwekkend in die tijd -toen vrouwen zelfs niet op de begane grond van de synagoge mochten komen-, om te zien dat ze erkend werden als bevoegde leraressen van het nieuwe evangelie van het koninkrijk. De opdracht die Jezus deze tien vrouwen gaf toen hij hen selecteerde voor het evangelie-onderricht en de missie/dienstverlening, was de emancipatieproclamatie die alle vrouwen voor altijd bevrijdde: de man mocht de vrouw niet langer als zijn spiritueel mindere beschouwen. Dit was een enorme schok, zelfs voor de twaalf apostelen. Hoewel ze de Meester al vaak hadden horen zeggen dat ‘in het hemelse koninkrijk geen rijken of armen, vrijen of slaven, mannen of vrouwen zijn, maar dat iedereen gelijkelijk zonen en dochters van God zijn‘, waren ze letterlijk verbijsterd toen hij voorstelde deze tien vrouwen formeel aan te stellen als godsdienstleraren en hen zelfs toe te staan met hen mee te reizen. Het hele land raakte in beroering door deze gang van zaken, de vijanden van Jezus haalden er enorm voordeel uit, maar overal stonden de vrouwen die in het goede nieuws geloofden onwrikbaar achter hun uitverkoren zusters en spraken ze hun onvoorwaardelijke goedkeuring uit voor deze late erkenning van de plaats van vrouwen in het religieuze werk. En deze bevrijding van vrouwen, die hun de nodige erkenning gaf, werd door de apostelen direct na het vertrek van de Meester in praktijk gebracht, hoewel ze in latere generaties terugvielen op oude gebruiken. Gedurende de begindagen van de christelijke kerk werden vrouwelijke leraren en predikanten diaconessen genoemd en kregen ze algemene erkenning. Maar Paulus, ondanks het feit dat hij dit alles in theorie erkende, heeft het nooit echt in zijn eigen houding verwerkt en vond het persoonlijk moeilijk om het in de praktijk te brengen.

De tussenstop bij Magdala

Terwijl het apostolische gezelschap vanuit Bethsaida reisde, liepen de vrouwen achteraan. Tijdens bijeenkomsten of onderricht zaten ze altijd in een groep vooraan en rechts van de spreker. Steeds meer vrouwen waren gelovigen geworden in het evangelie van het koninkrijk, en het was altijd een bron van veel moeilijkheden en eindeloze verlegenheid [embarrassment] geweest wanneer ze een persoonlijk gesprek met Jezus of een van de apostelen wilden voeren. Nu was dit alles veranderd. Wanneer een van de vrouwelijke gelovigen de Meester wilde zien of met de apostelen wilde overleggen, ging ze naar Susanna en, samen met een van de twaalf vrouwelijke evangelisten, gingen zij dan onmiddellijk naar de Meester of een van zijn apostelen.

Het was in Magdala dat de vrouwen voor het eerst hun nut bewezen en de wijsheid van hun keuze bevestigden. Andreas had zijn metgezellen vrij strenge regels opgelegd over het persoonlijk werk met vrouwen, vooral met vrouwen van twijfelachtig karakter. Toen het gezelschap Magdala binnenkwam, mochten deze tien vrouwelijke evangelisten de slechte oorden betreden en het goede nieuws rechtstreeks aan al hun bewoners verkondigen. En wanneer ze de zieken bezochten, konden deze vrouwen in hun dienstverlening zeer nauw contact leggen met hun bedroefde zusters. Als resultaat van de missie van deze tien vrouwen (later bekend als de twaalf vrouwen) in deze plaats, werd Maria Magdalena gewonnen voor het koninkrijk. Door een opeenvolging van tegenslagen en als gevolg van de houding van de achtenswaardige samenleving ten opzichte van vrouwen die zulke beoordelingsfouten maken, was deze vrouw in een van de duistere oorden van Magdala terechtgekomen. Het waren Martha en Rachel die Maria duidelijk maakten dat de poorten van het koninkrijk zelfs voor zulke mensen openstonden. Maria geloofde het goede nieuws en werd de volgende dag door Petrus gedoopt.

Maria Magdalena werd de meest effectieve lerares van het evangelie binnen deze groep van twaalf vrouwelijke evangelisten. Zij werd, samen met Rebecca, in Jotapata, ongeveer vier weken na haar bekering voor deze missie geselecteerd. Maria en Rebecca gingen, samen met de anderen van deze groep, de rest van het leven van Jezus op aarde door met dit werk en werkten getrouw en effectief voor de verlichting en verheffing van hun onderdrukte zusters. En toen de laatste en tragische episode in het drama van het leven van Jezus zich afspeelde, waren, ondanks het feit dat alle apostelen op één na vluchtten, deze vrouwen allemaal aanwezig, en niemand verloochende of verraadde hem.

Sabbath in Tiberias

De Sabbath-diensten van de apostolische groep waren door Andreas, op instructie van Jezus, aan de vrouwen toevertrouwd. Dit betekende natuurlijk dat ze niet in de nieuwe synagoge konden worden gehouden. De vrouwen kozen Johanna om de leiding over deze gelegenheid te nemen, en de bijeenkomst werd gehouden in de feestzaal van het nieuwe paleis van Herodus, omdat Herodes in Julias in Perea verbleef. Johanna las voor uit de Schrift over de rol van vrouwen in het religieuze leven van Israël, waarbij ze verwees naar Miriam, Deborah, Esther en anderen.

Laat die avond gaf Jezus de verenigde groep een gedenkwaardige lezing over ‘Magie en Bijgeloof’. In die tijd werd de verschijning van een heldere en zogenaamd nieuwe ster beschouwd als een teken dat er een groot man op aarde geboren was. Nadat zo’n ster onlangs was waargenomen, vroeg Andreas aan Jezus of deze overtuigingen gegrond waren. In het lange antwoord op de vraag van Andreas begon de Meester een diepgaande discussie over het hele onderwerp van menselijk bijgeloof. De uitspraken die Jezus destijds deed, kan in moderne bewoordingen als volgt worden samengevat:

1. De banen van de sterren aan de hemel hebben absoluut niets te maken met de gebeurtenissen in het menselijk leven op aarde. Astronomie is een gepaste vorm van wetenschap, maar astrologie is een massa bijgelovige dwalingen die geen plaats hebben in het evangelie van het koninkrijk.

2. Het onderzoek van de inwendige organen van een onlangs gedood dier kan niets onthullen over het weer, toekomstige gebeurtenissen of de uitkomst van menselijke aangelegenheden.

3. De ‘geesten’ van de doden keren niet terug om te communiceren met hun familie of hun voormalige vrienden onder de levenden.

4. Amuletten en relikwieën zijn niet in staat ziekten te genezen, onheil af te wenden of boze ‘geesten’ te beïnvloeden; het geloof in al dergelijke materiële middelen om de spirituele wereld te beïnvloeden is niets anders dan grof bijgeloof.

5. Hoewel het werpen van loten een gemakkelijke manier kan zijn om veel kleine moeilijkheden op te lossen, is het geen methode die bedoeld is om de goddelijke wil te onthullen. Zulke uitkomsten zijn puur een kwestie van materiële toevalligheid. Het enige middel tot communicatie met de spirituele wereld is vervat in de spirituele gift aan de mensheid, de inwonende Mentor-Spirit van de Vader, samen met de geschonken Spirit [van Waarheid] van de Zoon en de alomtegenwoordige invloed van de Oneindige Spirit [de derde persoon van ‘God als drie-eenheid’].

6. Waarzeggerij, tovenarij en hekserij zijn bijgeloof van een onwetend verstand, evenals de waanideeën van magie. Het geloof in magische getallen, voortekenen van geluk en voorboden van ongeluk, is puur en ongegrond bijgeloof.

7. De interpretatie van dromen is grotendeels een bijgelovig en ongegrond systeem van onwetende en fantastische speculatie. Het evangelie van het koninkrijk moet niets gemeen hebben met de waarzeggende priesters van primitieve religie.

8. De ‘geesten’ van goed of kwaad kunnen niet verblijven in materiële symbolen van klei, hout of metaal; afgoden zijn niets méér dan het materiaal waarvan ze gemaakt zijn.

9. De praktijken van de tovenaars, de magiërs en de heksen waren afgeleid van het bijgeloof van de Egyptenaren, de Assyriërs, de Babyloniërs en de oude Kanaänieten. Amuletten en allerlei bezweringen zijn nutteloos, noch om de bescherming van goede ‘geesten’ te winnen, noch om vermeende kwade ‘geesten’ af te weren.

10. Hij ontmaskerde en veroordeelde hun geloof in spreuken, beproevingen, betovering, vervloekingen, tekenen, alruinen, geknoopte koorden en alle andere vormen van onwetend en verslavend bijgeloof.

De apostelen twee aan twee uitsturen

De volgende avond, nadat hij de twaalf apostelen, de apostelen van Johannes de Doper en de pas aangestelde vrouwengroep bijeen had gebracht, zei Jezus: “Jullie zien zelf dat de oogst overvloedig is, maar dat er weinig arbeiders zijn. Laten we daarom allen de Heer van de oogst bidden dat Hij nog meer arbeiders naar Zijn velden stuurt. Terwijl ik achterblijf om de jonge leraren te troosten en te onderwijzen, zou ik de ouderen twee aan twee willen uitzenden, zodat ze snel door heel Galilea kunnen trekken en het evangelie van het koninkrijk kunnen prediken, zolang het nog gepast en vredig is.” Toen wees hij de paren apostelen aan zoals hij wilde dat ze zouden vertrekken, en dat waren: Andreas en Petrus, Jakobus en Johannes Zebedeüs, Filippus en Nathanaël, Thomas en Mattheüs, Jakobus en Judas Alpheus, Simon Zelotes en Judas Iscariot.

Jezus stelde de datum vast waarop hij de twaalf weer zou ontmoeten in Nazareth, en bij het afscheid zei hij: “Ga op deze missie niet naar een stad van de niet-Joden, ga ook niet naar Samaria, maar ga in plaats daarvan naar de verloren schapen van het huis van Israël. Predik het evangelie van het koninkrijk en verkondig de reddende waarheid dat de mens een zoon van God is. Bedenk dat de discipel niet echt boven zijn meester staat, noch is een dienaar groter dan zijn heer. Het is voldoende voor de discipel om gelijk te zijn aan zijn meester en voor de dienaar om als zijn heer te worden. Als sommigen het hebben gewaagd om de heer des huizes een bondgenoot van Beëlzebub [hier gebruikt als een andere naam voor satan of de duivel] te noemen, hoeveel te meer zullen zij dan zijn huisgenoten zo beschouwen! Maar u hoeft niet bang te zijn voor deze ongelovige vijanden. Ik verklaar u dat er niets verborgen is dat niet onthuld zal worden; er is niets verborgen dat niet bekend zal worden. Wat ik u in privé heb geleerd, moet u met wijsheid in het openbaar prediken. Wat ik u binnenskamers heb geopenbaard, moet u te zijner tijd van de daken verkondigen. En ik zeg u, mijn vrienden en discipelen: wees niet bang voor hen die het lichaam kunnen doden, want zij kunnen de ziel niet vernietigen; stel uw vertrouwen veeleer op Hem die het lichaam kan onderhouden en de ziel kan redden.”

“Worden niet twee mussen voor een penning verkocht? En toch verklaar ik dat niet één van hen vergeten is in Gods ogen. Weet u niet dat zelfs de haren op uw hoofd alle geteld zijn? Vrees daarom niet; u bent meer waard dan een groot aantal mussen. Schaam u niet voor mijn leer; ga uit en verkondig vrede en goede wil, maar laat u niet misleiden. Vrede zal niet altijd uw prediking vergezellen. Ik kwam om vrede op aarde te brengen, maar wanneer mensen mijn gift afwijzen, zullen verdeeldheid en onrust het resultaat zijn. Wanneer een heel gezin het evangelie van het koninkrijk ontvangt, heerst er waarlijk vrede in dat huis; maar wanneer sommigen van het gezin het koninkrijk binnengaan en anderen het evangelie verwerpen, kan zo’n verdeeldheid alleen maar verdriet en droefheid veroorzaken. Werk er ernstig aan om het hele gezin te redden, opdat iemands vijanden niet de vijanden van zijn eigen huisgenoten worden. Maar nadat u uw uiterste best hebt gedaan voor alle gezinnen, verklaar ik u dat hij die vader of moeder meer liefheeft dan dit evangelie, het koninkrijk niet waardig is.”

Toen de twaalf deze woorden hoorden, maakten ze zich gereed om te vertrekken. En ze kwamen pas weer bijeen op het moment dat ze zich in Nazareth verzamelden om Jezus en de andere discipelen te ontmoeten, zoals de Meester had afgesproken.

Wat moet ik doen om gered te worden?

Op een avond in Sunem, nadat de apostelen van Johannes de Doper naar Hebron waren teruggekeerd, en nadat de apostelen van Jezus twee aan twee waren uitgezonden, toen de Meester bezig was met het onderwijzen van een groep van twaalf van de jongere evangelisten die onder leiding van Jakobus werkten, samen met de twaalf vrouwen, stelde Rachel Jezus deze vraag: “Meester, wat moeten we antwoorden als vrouwen ons vragen: Wat moet ik doen om gered te worden?” Toen Jezus deze vraag hoorde, antwoordde hij:

“Wanneer mannen en vrouwen vragen wat we moeten doen om gered te worden, zul je antwoorden: Geloof dit evangelie van het koninkrijk; aanvaard goddelijke vergeving. Herken door geloof de inwonende Mentor-Spirit van God, en als je die aanvaardt maakt dit jou tot een kind van God. Heb je niet in de Schriften gelezen waar staat: ( bronvermelding toegevoegd )

In de Heer heb ik gerechtigheid en kracht.” ( 📖 Jesaja 45:24 )

Ook waar de Vader zegt: “Mijn gerechtigheid is nabij; Mijn redding is uitgegaan, en Mijn armen zullen Mijn volk omvatten.” ( 📖 Jesaja 51:5 )

Mijn ziel zal zich verheugen in de liefde van mijn God, want Hij heeft mij bekleed met de kleren van redding en heeft mij bedekt met de mantel van zijn gerechtigheid.”  ( 📖 Jesaja 61:10 )

Hebt u ook niet van de Vader gelezen dat zijn naam genoemd zal worden: ‘de Heer, onze gerechtigheid.‘ ( 📖 Jeremia 23:6, ook herhaald in Jeremia 33:16 )

Doe de vuile kleren van zelfgerechtigheid weg en bekleed Mijn zoon met de mantel van goddelijke gerechtigheid en eeuwige redding.’ ( 📖 Zacharia 3:3–5, beeldspraak rond Jozua de hogepriester; thematisch geparafraseerd )

Het is voor altijd waar: de rechtvaardige zal leven door geloof. ‘De toegang tot het koninkrijk van de Vader is geheel gratis, maar vooruitgang -groei in genade- is essentieel om erin te blijven.’

“Verlossing is de gift van de Vader en wordt geopenbaard door zijn Zonen. Aanvaarding door geloof van uw kant maakt u deelgenoot van de goddelijke natuur, een zoon of dochter van God. Door geloof wordt u gerechtvaardigd; door geloof wordt u gered; en door ditzelfde geloof vordert u eeuwig op de weg van progressieve en goddelijke volmaaktheid. Door geloof werd Abraham gerechtvaardigd en bewust gemaakt van verlossing door de leringen van Melchizedek. Door de eeuwen heen heeft ditzelfde geloof de mensenkinderen gered, maar nu is er een Zoon van de Vader voortgekomen om verlossing reëler en aanvaardbaarder te maken.”

Toen Jezus was opgehouden te spreken, was er grote vreugde onder hen die deze genadige woorden hadden gehoord, en zij gingen allen in de dagen die volgden door met het verkondigen van het evangelie van het koninkrijk met nieuwe kracht en met hernieuwde energie en enthousiasme. En de vrouwen verheugden zich des te meer doordat zij wisten dat zij betrokken waren bij deze plannen voor de vestiging van het koninkrijk op aarde.

Bij het samenvatten van zijn laatste verklaring zei Jezus: “Je kunt verlossing niet kopen; je kunt rechtvaardigheid niet verdienen. Verlossing is de gift van God, en rechtvaardigheid is de natuurlijke vrucht van het uit de spirit geboren leven als kind in het koninkrijk. Je wordt niet gered omdat je een rechtvaardig leven leidt; het is veeleer zo dat je een rechtvaardig leven leidt omdat je al gered bent, doordat je hebt erkend dat je een kind van God bent als de gift van God; en hebt erkend dat dienen in het koninkrijk geldt als het hoogste genot van het leven op aarde. Wanneer mensen dit evangelie geloven, dat een openbaring is van de goedheid van God, zullen ze geleid worden tot vrijwillige bekering van alle bekende zonden. Het besef van kind-van-God-zijn is onverenigbaar met het verlangen om te zondigen. Gelovigen in het koninkrijk hongeren naar rechtvaardigheid en dorsten naar goddelijke volmaaktheid.”

De Avondlessen

Tijdens de avondgesprekken sprak Jezus over vele onderwerpen. Tijdens de rest van deze tocht – voordat ze allemaal in Nazareth herenigd werden – besprak hij: “De Liefde van God”, “Dromen en Visioenen”, “Kwaadaardigheid”, “Nederigheid en Zachtmoedigheid”, “Moed en Loyaliteit”, “Muziek en Aanbidding”, “Dienstbaarheid en Gehoorzaamheid”, “Trots en Verwaandheid”, “Vergeving in relatie tot berouw”, “Vrede en volmaaktheid”, “Kwaadspreken en afgunst”, “Kwaad, zonde en verleiding”, “Twijfels en ongeloof”, “Wijsheid en aanbidding”.

Nu de oudere apostelen weg waren, gingen deze jongere groepen, zowel mannen als vrouwen, vrijer met de Meester in gesprek.

Nadat Jezus twee of drie dagen bij een groep van twaalf evangelisten had doorgebracht, ging hij verder om zich bij een andere groep aan te sluiten. Hij werd door Davids boodschappers ingelicht over de verblijfplaats en bewegingen van al deze werkers. Omdat dit hun eerste reis was, bleven de vrouwen een groot deel van de tijd bij Jezus. Door de koeriersdienst werd elk van deze groepen volledig op de hoogte gehouden van de voortgang van de reis, en het ontvangen van nieuws van andere groepen was altijd een bron van bemoediging voor deze verspreide en gescheiden werkers.

Vóór hun scheiding was er afgesproken dat de twaalf apostelen, samen met de evangelisten en het vrouwenkorps, op vrijdag 4 maart in Nazareth zouden samenkomen om de Meester te ontmoeten. En zo begonnen rond deze tijd vanuit alle delen van Midden- en Zuid-Galilea deze verschillende groepen apostelen en evangelisten richting Nazareth te trekken. Tegen het midden van de middag bereikten Andreas en Petrus, de laatsten die aankwamen, het kampement dat was voorbereid door degenen die als eerste aankwamen en dat zich op de hooglanden ten noorden van de stad bevond. En dit was de eerste keer dat Jezus Nazareth bezocht sinds het begin van zijn openbare missie.

Het verblijf in Nazareth

Deze vrijdagmiddag liep Jezus onopgemerkt en volkomen onherkend door Nazareth. Hij liep langs het huis waar hij was opgegroeid en de timmerwerkplaats en bracht een half uur door op de heuvel waar hij als jongen zo van genoot. Sinds de dag van zijn doop door Johannes in de Jordaan had de MensenZoon niet zo’n vloedgolf van menselijke emoties in zijn ziel gehad. Terwijl hij van de berg afdaalde, hoorde hij de vertrouwde klanken van de trompetstoot die de zonsondergang aankondigde, net zoals hij die zo vaak had gehoord toen hij als jongen in Nazareth opgroeide. Voordat hij terugkeerde naar het kamp, liep hij langs de synagoge waar hij naar school was gegaan en gaf hij zich over aan de vele herinneringen aan zijn jeugd. Eerder die dag had Jezus Thomas gestuurd om met de overste van de synagoge afspraken te maken over zijn prediking tijdens de Sabbath-morgendienst.

De inwoners van Nazareth stonden nooit bekend om hun vroomheid en rechtschapen levenswijze. Naarmate de jaren verstreken, raakte dit dorp steeds meer besmet met de lage morele normen van het nabijgelegen Sepphoris. Gedurende de jeugd van Jezus en zijn jonge jaren was er in Nazareth verdeeldheid over hem geweest. Er was veel wrok toen hij naar Capernaum verhuisde. Hoewel de inwoners van Nazareth veel hadden gehoord over de daden van hun voormalige timmerman, waren ze verontwaardigd dat hij zijn geboortedorp nooit had opgenomen in een van zijn eerdere predikingstochten. Ze hadden weliswaar van de roem van Jezus gehoord, maar de meerderheid van de burgers was boos omdat hij geen van zijn grote werken in de stad van zijn jeugd had verricht. Maandenlang hadden de inwoners van Nazareth veel over Jezus gesproken, maar hun meningen waren over het algemeen ongunstig voor hem.

Zo bevond de Meester zich te midden van een sfeer die niet bepaald ‘welkom thuis’ was, maar eerder een uitgesproken vijandige en hyperkritische thuiskomst. Maar dat was niet alles. Zijn vijanden, die wisten dat hij deze Sabbathdag in Nazareth zou doorbrengen en ervan uitgingen dat hij in de synagoge zou spreken, hadden talloze ruwe en lompe mannen ingehuurd om hem lastig te vallen en op alle mogelijke manieren problemen te veroorzaken.

De meeste van de oudere vrienden van Jezus, waaronder de toegewijde chazanleraar uit zijn jeugd, waren dood of hadden Nazareth verlaten, en de jongere generatie was geneigd zijn roem met sterke jaloezie te verafschuwen. Ze vergaten zijn vroege toewijding aan de familie van zijn vader en waren bitter in hun kritiek op zijn nalatigheid om zijn broer en zijn getrouwde zussen die in Nazareth woonden te bezoeken. De houding van de familie van Jezus jegens hem had deze onvriendelijke gevoelens van de burgerij ook versterkt. De orthodoxe Joden waagden het zelfs om Jezus te bekritiseren omdat hij die Sabbath-morgen te snel liep, op weg naar de synagoge.

De Sabbathdienst

Deze Sabbath was een prachtige dag, en heel Nazareth, vriend en vijand, kwam bijeen om deze voormalige burger van hun stad in de synagoge te horen spreken. Veel van het apostolische gevolg moesten buiten de synagoge blijven; er was geen plaats voor iedereen die gekomen was om hem te horen. Als jongeman had Jezus vaak in deze plaats van aanbidding gesproken, en vanmorgen, toen de overste van de synagoge hem de rol met heilige geschriften overhandigde waaruit hij de Schriftlezing kon lezen, leek niemand zich te herinneren dat dit het manuscript was dat hij aan deze synagoge had geschonken.

De diensten op deze dag werden gehouden zoals toen Jezus ze als jongen bijwoonde. Hij beklom het spreekgestoelte met de leider van de synagoge, en de dienst begon met het reciteren van twee gebeden: “Gezegend is de Heer, Koning van de wereld, die het licht vormt en de duisternis schept, die vrede brengt en alles schept; die in barmhartigheid licht geeft aan de aarde en aan hen die erop wonen en in goedheid, dag aan dag en elke dag, de werken van de schepping vernieuwt. Gezegend is de Heer, onze God, voor de glorie van zijn handwerken en voor de lichtgevende lichten die hij tot zijn lof heeft gemaakt. Selah. Gezegend is de Heer, onze God, die de lichten heeft gevormd.” (📖 Joodse morgenliturgie – Yotzer Or, gebaseerd op Jesaja 45:7 e.a. )

Na een ogenblik stilte baden ze opnieuw: “Met grote liefde heeft de Heer, onze God, ons liefgehad, en met veel overvloedig medelijden heeft hij medelijden gehad met ons, onze Vader en onze Koning, omwille van onze vaderen die op hem vertrouwden. U hebt hun de voorschriften van het leven geleerd; wees ons genadig en leer ons. Verlicht onze ogen in de wet; laat onze harten zich hechten aan uw geboden; verenig onze harten om uw naam lief te hebben en te vrezen, en wij zullen niet beschaamd worden, in eeuwigheid. Want u bent een God die redding biedt, en u hebt ons uit alle volken en talen gekozen, en in waarheid hebt u ons dichtbij uw grote naam gebracht – selah – opdat wij liefdevol uw eenheid mogen prijzen. Gezegend is de Heer, die in liefde zijn volk Israël heeft gekozen.” ( 📖 Joodse liturgie – Ahava Rabbah, zegen vóór het Sjema )

De gemeente reciteerde vervolgens Shema, de Joodse geloofsbelijdenis. Dit ritueel bestond uit het herhalen van talrijke passages uit de wet en gaf aan dat de aanbidders het juk van het hemelse koninkrijk op zich namen, ook het juk van de geboden zoals die van toepassing waren op de dag en de nacht.

En toen volgde het derde gebed: “Het is waar dat U Jahweh bent, onze God en de God van onze vaderen; onze Koning en de Koning van onze vaderen; onze Redder en de Redder van onze vaderen; onze Schepper en de rots van onze redding; onze hulp en onze bevrijder. Uw naam is van eeuwigheid, en er is geen God behalve U. Een nieuw lied zongen zij die verlost waren voor uw naam aan de oever van de zee; allen loofden en erkenden U, Koning, en zeiden: Jahweh zal regeren, in alle eeuwigheid. Gezegend is de Heer die Israël redt.” ( 📖 Joodse liturgie – Emet veYatziv (zegen na het Sjema), met verwijzing naar Exodus 15:18 )

De overste van de synagoge nam vervolgens zijn plaats in voor de ark, of kist, die de heilige geschriften bevatte, en begon met het reciteren van de negentien lofredegebeden, of zegeningen. Maar bij deze gelegenheid was het wenselijk de dienst in te korten, zodat de voorname gast meer tijd had voor zijn toespraak; daarom werden alleen de eerste en de laatste zegen gereciteerd. De eerste was: “Gezegend is de Heer, onze God, en de God van onze vaderen, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob; de grote, machtige en vreselijke God, die barmhartigheid en goedheid betoont, die alle dingen schept, die de genadige beloften aan de vaderen gedenkt en een redder brengt voor de kinderen van hun kinderen omwille van zijn eigen naam, in liefde. O Koning, helper, redder en schild! Gezegend zijt Gij, o Jahweh, het schild van Abraham.” ( 📖 Joodse liturgie – Avot, eerste zegen van de Achttien Zegeningen )

Toen volgde de laatste zegen: “O schenk uw volk Israël grote vrede voor altijd, want U bent Koning en de Heer van alle vrede. En het is goed in Uw ogen Israël te allen tijde en op elk uur met vrede te zegenen. Gezegend zijt Gij, Jahweh, die zijn volk Israël zegent met vrede.”  ( 📖 Joodse liturgie – Sim Shalom, slotzegen van de Achttien Zegeningen ) De gemeente keek de leider niet aan terwijl hij de zegeningen reciteerde. Na de zegeningen sprak hij een informeel gebed uit dat geschikt was voor de gelegenheid, en toen dit was beëindigd, zei de hele gemeente gezamenlijk amen.

Toen ging de chazan naar de ark en haalde er een rol uit, die hij aan Jezus overhandigde, zodat deze de Schriftlezing kon doen. Het was gebruikelijk om zeven personen te vragen om niet minder dan drie verzen uit de wet voor te lezen. Deze keer werd hiervan afgeweken, zodat de bezoeker een les naar eigen keuze kon voorlezen. Jezus nam de rol aan, stond op en begon te lezen uit Deuteronomium:

“Want dit gebod dat ik u heden geef, is voor u niet verborgen en ook niet ver weg. Het is niet in de hemel, zodat u zou kunnen zeggen: ‘Wie zal voor ons opstijgen naar de hemel en het voor ons neerhalen, zodat wij het kunnen horen en doen?’ En het is niet aan de overkant van de zee, zodat u zou kunnen zeggen: ‘Wie zal over de zee gaan om het gebod voor ons te brengen, zodat wij het kunnen horen en doen?’ Nee, het woord des levens is heel dicht bij u, zelfs in uw aanwezigheid en in uw hart, zodat u het kunt kennen en gehoorzamen.” ( 📖 Deuteronomium 30:11–14 )

En toen hij opgehouden was met lezen uit de wet, wendde hij zich tot Jesaja en begon te lezen: “De spirit van de Heer is op mij, omdat hij mij gezalfd heeft om aan de armen het goede nieuws te brengen. Hij heeft mij gezonden om aan gevangenen vrijlating te verkondigen en aan blinden het herstel van hun gezichtsvermogen, om gekneusden in vrijheid te stellen en om het jaar van welbehagen van de Heer uit te roepen.” ( 📖 Jesaja 61:1–2, vergelijk ook Jesaja 42:7 )

Jezus sloot het boek en gaf het terug aan de overste van de synagoge. Hij ging zitten en begon een toespraak tot het volk. Hij begon met de woorden: “Vandaag zijn deze Schriften in vervulling gegaan.”

Daarna sprak Jezus bijna vijftien minuten over “De Zonen en Dochters van God.” Veel mensen waren blij met de toespraak en verwonderden zich over zijn goedheid en wijsheid.

Het was gebruikelijk in de synagoge dat de spreker na afloop van de eredienst bleef, zodat degenen die geïnteresseerd waren hem vragen konden stellen. En zo stapte Jezus op deze Sabbath-morgen in de menigte die naar voren drong om vragen te stellen. In deze groep bevonden zich veel onrustige individuen die op onheil uit waren, terwijl aan de rand van deze menigte de verdorven mannen rondliepen die waren ingehuurd om Jezus problemen te bezorgen. Veel van de discipelen en evangelisten die buiten waren gebleven, verdrongen zich nu in de synagoge en merkten al snel dat er problemen opdoemden. Ze probeerden de Meester weg te lokken, maar hij wilde niet met hen meegaan.

De verwerping in Nazareth

Jezus bevond zich in de synagoge omringd door een grote menigte van zijn vijanden en een handvol van zijn eigen volgelingen, en in antwoord op hun grove vragen en sinistere geklets merkte hij half humoristisch op: “Ja, ik ben de zoon van Jozef; ik ben de timmerman, en het verbaast me niet dat u me aan het spreekwoord ‘Geneesheer, genees uzelf’ doet denken en dat u mij uitdaagt om in Nazareth te doen wat u hebt gehoord dat ik in Capernaum heb gedaan; maar ik roep u tot getuige dat zelfs de Schrift verklaart dat ‘een profeet niet zonder eer is, behalve in zijn eigen land en onder zijn eigen volk.’

Maar ze duwden hem weg en wezen beschuldigend naar hem en zeiden: ‘U denkt dat u beter bent dan de mensen van Nazareth; u bent van ons weggegaan, maar uw broer is een gewone arbeider en uw zusters wonen nog steeds bij ons. We kennen uw moeder, Maria. Waar zijn ze vandaag? We horen grote dingen over u, maar we merken dat u geen wonderen verricht als u terugkomt.’

Jezus antwoordde hun: “Ik houd van de mensen die in de stad wonen waar ik ben opgegroeid, en ik zou blij zijn als jullie allemaal het hemelse koninkrijk zouden binnengaan, maar het is niet aan mij om te bepalen wat de werken van God doen. De transformaties van genade worden teweeggebracht als reactie op het levende geloof van hen die er de begunstigden van zijn.”

Jezus zou de menigte goedmoedig hebben geleid en zelfs zijn gewelddadige vijanden effectief hebben ontwapend. Maar er was een tactische blunder van een van zijn eigen apostelen, Simon Zelotes, die, met de hulp van Nahor, een van de jongere evangelisten, intussen een groep vrienden van Jezus uit de menigte had verzameld en, met een agressieve houding, de vijanden van de Meester had gewaarschuwd om weg te gaan. Jezus had de apostelen al lang geleerd dat een zacht antwoord woede afwendt, maar zijn volgelingen waren er niet aan gewend dat hun geliefde leraar, die ze zo graag Meester noemden, met zoveel onbeleefdheid en minachting werd behandeld. Het was te veel voor hen, en ze merkten dat ze uiting gaven aan hartstochtelijke en hevige wrok, wat de stemming in deze goddeloze en onbeschaafde menigte alleen maar aanwakkerde. En zo grepen deze schurken, onder leiding van huurlingen, Jezus vast en joegen hem de synagoge uit naar de rand van een nabijgelegen steile heuvel, waar ze van plan waren hem over de rand te duwen, naar zijn dood. Maar net toen ze hem over de rand van de klif wilden duwen, draaide Jezus zich plotseling om naar zijn bewakers en sloeg, tegenover hen, stilletjes zijn armen over elkaar. Hij zei niets, maar zijn vrienden waren meer dan verbaasd dat, toen hij naar voren begon te lopen, de menigte zich opende en hem ongehinderd liet doorlopen.

Jezus, gevolgd door zijn discipelen, ging naar hun kampement, waar dit alles werd verteld. En die avond maakten ze zich gereed om de volgende dag vroeg terug te keren naar Capernaum, zoals Jezus had opgedragen. Dit turbulente einde van de derde openbare predikingstocht had een ontnuchterende uitwerking op alle volgelingen van Jezus. Ze begonnen de betekenis van sommige leringen van de Meester te beseffen; ze werden zich ervan bewust dat het koninkrijk alleen door veel verdriet en bittere teleurstelling tot stand zou komen.

Ze verlieten Nazareth die zondagmorgen en reisden langs verschillende routes, en verzamelden zich uiteindelijk allemaal in Bethsaida tegen het middaguur van donderdag 10 maart. Ze kwamen samen als een nuchtere en serieuze groep gedesillusioneerde predikers van het evangelie van de waarheid en niet als een enthousiaste en alles-overwinnende groep triomfantelijke kruisvaarders.

Dit hoofdstuk is een nieuwe Nederlandse vertaling gebaseerd op Paper 150 van het Urantia Boek: https://www.urantia.org