Inleiding
Maandagavond laat, 6 maart, arriveerden Jezus en de tien apostelen in het kamp van Pella. Dit was de laatste week van het verblijf van Jezus daar, en hij was zeer actief in het onderwijzen van de menigte en het instrueren van de apostelen. Hij predikte elke middag tot de menigte en beantwoordde elke avond vragen van de apostelen en van enkele van de meer gevorderde discipelen die in het kamp verbleven.
Het nieuws over de opstanding van Lazarus had het kamp twee dagen voor de aankomst van de Meester bereikt, en de hele groep was in rep en roer. Sinds het voeden van de vijfduizend was er niets gebeurd dat de verbeelding van de mensen zo had geprikkeld. En zo was het precies op het hoogtepunt van de tweede fase van de openbare missie van het koninkrijk, dat Jezus van plan was om deze ene korte week in Pella te onderwijzen en vervolgens de reis door zuidelijk Perea te beginnen, die rechtstreeks leidde tot de laatste en tragische ervaringen van de laatste week in Jeruzalem.
De Farizeeën en de hogepriesters waren begonnen hun beschuldigingen te formuleren en te concretiseren. Ze maakten bezwaar tegen de leringen van de Meester op de volgende gronden:
- Hij is een vriend van tollenaars en zondaars; hij ontvangt de goddelozen en eet zelfs met hen.
- Hij is een godslasteraar; hij spreekt over God als zijn Vader en denkt dat hij gelijk is aan God.
- Hij is een wetsovertreder; hij geneest ziekten op de sabbath en schendt op vele andere manieren de heilige wet van Israël.
- Hij is verbonden met duivels; hij verricht wonderen en doet schijnbare wonderen door de kracht van Beëlzebub, de leider van de duivels.
Parabel van het verdwaalde schaap
Op donderdagmiddag sprak Jezus tot de menigte over de “genade van verlossing”. In de loop van deze preek vertelde hij het verhaal van het verloren schaap en de verloren penning opnieuw en voegde er vervolgens zijn favoriete parabel van de verloren zoon aan toe. Jezus zei:
“Jullie zijn door de profeten, van Samuel tot Johannes, krachtig aangespoord om God te zoeken – zoek de waarheid. Altijd hebben ze gezegd: ‘Zoek de Heer terwijl Hij te vinden is.’ En al dergelijke leringen moeten ter harte worden genomen. Maar ik ben gekomen om jullie te laten zien dat, terwijl je God zoekt, God eveneens jou zoekt. Ik heb jullie al vaak het verhaal verteld van de goede herder die de negenennegentig schapen in de kudde achterliet terwijl hij op zoek ging naar het ene verdwaalde schaap, en hoe hij, toen hij het verdwaalde schaap had gevonden, het over zijn schouder legde en het teder terug droeg naar de kudde. En toen het verloren schaap weer in de kudde was, herinner je je dat de goede herder zijn vrienden uitnodigde en hen uitnodigde zich met hem te verheugen over het terugvinden van het verloren schaap. Nogmaals zeg ik dat er meer vreugde in de hemel is over één zondaar die zich bekeert dan over de negenennegentig rechtvaardigen die geen bekering nodig hebben. Het feit dat zielen verloren [dreigen te] gaan, vergroot alleen maar de belangstelling van de hemelse Vader. Ik ben naar deze wereld gekomen om de wil van mijn Vader te doen, en er is terecht van de MensenZoon gezegd dat hij een vriend is van tollenaars en zondaars.”
“Jullie hebben geleerd dat goddelijke aanvaarding komt na jullie berouw en als resultaat van al jullie daden van opoffering en boetedoening, maar ik verzeker jullie dat de Vader jullie aanvaardt zelfs vóórdat jullie berouw hebben getoond en de Zoon en zijn metgezellen zendt om jullie te vinden en jullie met vreugde terug te brengen naar de kudde, het koninkrijk van kind-van-God-zijn en spirituele vooruitgang. Jullie zijn allen als schapen die verdwaald zijn, en ik ben gekomen om degenen die verloren zijn te zoeken en te redden.”
Parabel van de verloren munt
“En jullie moeten je ook het verhaal herinneren van de vrouw die, nadat ze tien zilverlingen tot een sierlijke ketting had laten maken, er één verloor, en hoe ze de lamp aanstak en ijverig het huis veegde en bleef zoeken totdat ze de verloren zilverling had gevonden. En zodra ze de verloren munt had gevonden, riep ze haar vriendinnen en buren bijeen en zei: ‘Verheug jullie met mij, want ik heb de verloren munt gevonden.’ Dus zeg ik het nogmaals: er is altijd vreugde in de aanwezigheid van de engelen van de hemel over één zondaar die zich bekeert en terugkeert naar de kudde van de Vader. En ik vertel jullie dit verhaal om jullie ervan te doordringen dat de Vader en zijn Zoon eropuit trekken om te zoeken naar hen die verloren zijn, en in deze zoektocht gebruiken we alle invloeden die ons kunnen helpen in onze ijverige pogingen om hen te vinden die verloren zijn, hen die redding nodig hebben. En zo, terwijl de MensenZoon de woestijn in gaat om het verdwaalde schaap te zoeken, zoekt hij ook naar de munt die in huis verloren is. Het schaap dwaalt onbedoeld weg; de munt wordt bedekt door het stof van de tijd en verduisterd door de opeenhoping van menselijke bezittingen.”
Parabel van de verloren zoon
“En nu wil ik jullie het verhaal vertellen van een onnadenkende zoon van een welgestelde boer die opzettelijk het huis van zijn vader verliet en naar een vreemd land vertrok, waar hij in veel tegenspoed terechtkwam. Jullie herinneren je dat de schapen zonder opzet afdwaalden, maar deze jongeman verliet zijn huis met voorbedachte rade. Het ging als volgt:
“Een man had twee zonen. De ene, de jongste, was vrolijk en zorgeloos, altijd op zoek naar plezier en hij ontliep verantwoordelijkheid, terwijl zijn oudere broer serieus, nuchter en hardwerkend was en bereid was verantwoordelijkheid te dragen. Nu konden deze twee broers niet goed met elkaar overweg; ze maakten altijd ruzie en kibbelden. De jongere jongen was vrolijk en levendig, maar lui en onbetrouwbaar; de oudste zoon was standvastig en ijverig, maar tegelijkertijd egocentrisch, nors en verwaand. De jongste zoon hield van spelen, maar schuwde werk; de oudste wijdde zich aan het werk, maar speelde zelden. Deze omgang werd zo onaangenaam dat de jongste zoon naar zijn vader ging en zei: ‘Vader, geef mij het derde deel van uw bezittingen dat mij toekomt en sta mij toe de wereld in te trekken om mijn eigen fortuin te zoeken.’ En toen de vader dit verzoek hoorde, wetende hoe ongelukkig de jongeman thuis en bij zijn oudere broer was, verdeelde hij zijn bezittingen en gaf de jongeman zijn deel.”
“Binnen een paar weken verzamelde de jongeman al zijn geld en vertrok op reis naar een ver land. Omdat hij niets nuttigs en tegelijkertijd plezierigs te doen vond, verspilde hij al snel zijn hele erfenis aan een losbandig leven. En toen hij alles had uitgegeven, brak er een langdurige hongersnood uit in dat land, en hij raakte in armoede. En toen hij honger leed en zijn nood groot was, vond hij werk bij een van de burgers van dat land, die hem naar de velden stuurde om varkens te voeren. En de jongeman had zich graag volgepropt met de schillen die de varkens aten, maar niemand wilde hem iets geven.”
“Op een dag, toen hij grote honger had, kwam hij tot zichzelf en zei: ‘Hoeveel huurlingen van mijn vader hebben brood genoeg en in overvloed, terwijl ik hier in het buitenland van de honger omkom door varkens te voeren! Ik zal opstaan en naar mijn vader gaan en hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u. Ik ben het niet meer waard uw zoon genoemd te worden; wees alleen bereid mij tot een van uw dagloners te maken.’ Toen de jongeman tot dit besluit gekomen was, stond hij op en ging op weg naar het huis van zijn vader.”
“Deze vader had veel verdriet om zijn zoon; hij had de vrolijke, hoewel gedachteloze, jongen gemist. Deze vader hield van deze zoon en keek altijd uit naar zijn terugkeer, zodat op de dag dat hij zijn huis naderde, zelfs toen hij nog ver weg was, de vader hem zag en, bewogen door liefdevol mededogen, naar hem toe rende, en hem met een hartelijke groet omhelsde en kuste. En nadat ze elkaar zo weer hadden ontmoet, keek de zoon op in het betraande gezicht van zijn vader en zei: ‘Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en in uw ogen; ik ben niet langer waardig een zoon genoemd te worden…’ Maar de jongen kreeg geen gelegenheid om zijn bekentenis af te maken, omdat de dolblije vader tegen de inmiddels aanstormende bedienden zei: ‘Breng snel zijn beste gewaad, het gewaad dat ik heb bewaard, en trek het hem aan en doe mijn zoon’s ring aan zijn vinger en haal sandalen voor zijn voeten.’ ”
“En toen, nadat de gelukkige vader de vermoeide jongen met zijn pijnlijke voeten het huis had binnengeleid, riep hij zijn bedienden toe: ‘Breng het gemeste kalf hier en slacht het, en laten we eten en vrolijk zijn, want mijn zoon was dood en is weer levend geworden; hij was verloren en is gevonden.’ En ze verzamelden zich allemaal rond de vader om zich met hem te verheugen over de terugkeer van zijn zoon.”
“Rond deze tijd, terwijl ze feestvierden, kwam de oudste zoon binnen van zijn dagtaak op het land. Toen hij het huis naderde, hoorde hij de muziek en het dansen. Toen hij bij de achterdeur kwam, riep hij een van de bedienden naar buiten en vroeg naar de betekenis van al dit feestgedruis. Toen zei de bediende: ‘Uw lang verloren broer is thuisgekomen, en uw vader heeft het gemeste kalf geslacht om zich te verheugen over de veilige terugkeer van zijn zoon. Kom binnen, zodat ook u uw broer kunt begroeten en hem weer in het huis van uw vader kunt opnemen.'”
“Maar toen de oudste broer dit hoorde, was hij zo gekwetst en boos dat hij niet naar binnen wilde gaan. Toen zijn vader hoorde van zijn wrok over de ontvangst van zijn jongere broer, ging hij naar buiten om hem te smeken. Maar de oudste zoon gaf niet toe aan de overredingskracht van zijn vader. Hij antwoordde zijn vader en zei: ‘Al zoveel jaren dien ik u, zonder ook maar het minste van uw geboden te overtreden, en toch hebt u mij nooit een bokje gegeven, zodat ik met mijn vrienden feest kon vieren. Ik ben hier al die jaren gebleven om voor u te zorgen, en u hebt zich nooit verheugd over mijn trouwe dienst. Maar wanneer die zoon van u terugkomt, nadat hij uw vermogen met hoeren heeft verkwist, haast u zich om het gemeste kalf te slachten en er vrolijk over te zijn.'”
“Omdat deze vader echt van beide zonen hield, probeerde hij met deze oudste te redeneren: ‘Maar, mijn zoon, je bent al die tijd bij me geweest, en alles wat ik heb is van jou. Je had een bokje kunnen krijgen op elk moment dat je vrienden had gemaakt om je vrolijkheid te delen. Maar het is alleen maar gepast dat je nu met mij meedoet in blijdschap en vrolijkheid vanwege de terugkeer van je broer. Denk er eens over na, mijn zoon, je broer was verloren en is gevonden; hij is levend bij ons teruggekeerd!'”
Dit was een van de meest ontroerende en effectieve parabels die Jezus ooit vertelde om zijn toehoorders te doordringen van de bereidheid van de Vader om allen te ontvangen die toegang zoeken tot het hemelse koninkrijk.
Jezus had er een grote voorkeur voor om deze drie verhalen tegelijkertijd te vertellen. Hij vertelde het verhaal van het verloren schaap om te laten zien dat, wanneer mensen onbedoeld van het pad van het leven afdwalen, de Vader aan zulke verlorenen denkt en met zijn Zonen, de ware herders van de kudde, op zoek gaat naar het verloren schaap. Vervolgens reciteerde hij het verhaal van de in huis verloren munt om te illustreren hoe grondig het goddelijke zoeken is naar allen die verward, verbijsterd of anderszins spiritueel verblind zijn door de materiële zorgen en ophopingen van het leven. En vervolgens begon hij met het vertellen van deze parabel van de verloren zoon, de ontvangst van de terugkerende verloren zoon, om te laten zien hoe volledig het herstel van de verloren zoon in het huis en hart van zijn Vader is.
Vele, vele malen gedurende zijn jaren van onderricht vertelde en her-vertelde Jezus dit verhaal van de verloren zoon. Deze parabel en het verhaal van de barmhartige Samaritaan waren zijn favoriete manieren om de liefde van de Vader en de naastenliefde van de mens te onderwijzen.
Parabel van de slimme rentmeester
Op een avond zei Simon Zelotes, in een commentaar op een van de uitspraken van Jezus: “Meester, wat bedoelde u toen u vandaag zei dat veel kinderen van de wereld wijzer zijn in hun generatie dan de kinderen van het koninkrijk, omdat ze bedreven zijn in het maken van vrienden met de mammon van onrechtvaardigheid?” Jezus antwoordde:
“Sommigen van jullie waren, voordat jullie het koninkrijk binnengingen, zeer slim in de omgang met jullie zakenpartners. Als jullie onrechtvaardig en vaak oneerlijk waren, waren jullie niettemin verstandig en vooruitziend in de zin dat jullie je zaken deden met het oog alleen op jullie huidige winst en toekomstige veiligheid. Evenzo zouden jullie nu je leven in het koninkrijk zo moeten inrichten dat jullie in je huidige vreugde voorzien, terwijl jullie er ook voor zorgen dat je in de toekomst kunt genieten van de schatten die in de hemel zijn weggelegd. Als jullie zo ijverig waren in het maken van winst voor jezelf toen jullie in dienst van jezelf stonden, waarom zouden jullie dan minder ijver tonen in het winnen van zielen voor het koninkrijk, omdat jullie nu dienaren zijn van de broederschap der mensen en rentmeesters van God?”
“Jullie kunnen allemaal een les leren uit het verhaal van een zekere rijke man die een slimme maar onrechtvaardige rentmeester had. Deze rentmeester had niet alleen de klanten van zijn meester onderdrukt voor zijn eigen egoïstische gewin, maar hij had ook de gelden van zijn meester rechtstreeks verspild en verkwist. Toen dit alles uiteindelijk zijn meester ter ore kwam, riep hij de rentmeester bij zich en vroeg naar de betekenis van deze geruchten. Hij eiste dat hij onmiddellijk rekenschap zou afleggen van zijn rentmeesterschap en zich zou voorbereiden om de zaken van zijn meester aan een ander over te dragen.”
“Nu begon deze ontrouwe rentmeester bij zichzelf te denken: ‘Wat moet ik doen, aangezien ik op het punt sta dit rentmeesterschap te verliezen? Ik heb de kracht niet om te graven; om te bedelen schaam ik mij. Ik weet wat ik zal doen om ervoor te zorgen dat ik, wanneer ik uit dit rentmeesterschap word gezet, welkom zal zijn in de huizen van allen die zaken doen met mijn meester.’ En toen riep hij elk van de schuldenaars van zijn meester bij zich en zei tegen de eerste: ‘Hoeveel bent u mijn meester schuldig?’ En die antwoordde: ‘Honderd maten olie.’ Toen zei de rentmeester: ‘Neem uw schuldbewijs, ga snel zitten en wissel het om naar vijftig.’ Toen vroeg hij aan een andere schuldenaar: ‘Hoeveel bent u schuldig?’ En die antwoordde: ‘Honderd maten tarwe.’ Toen zei de rentmeester: ‘Neem uw schuldbewijs en schrijf er tachtig op.’ En dit deed hij met talloze andere schuldenaren. En zo probeerde deze oneerlijke rentmeester vrienden te maken voor de tijd nadat hij uit zijn rentmeesterschap zou zijn ontslagen. Zelfs zijn heer en meester moest, toen hij hier later achter kwam, toegeven dat zijn ontrouwe rentmeester op zijn minst blijk had gegeven van scherpzinnigheid in de manier waarop hij had geprobeerd te voorzien in toekomstige dagen van armoede en tegenspoed.”
“En het is op deze manier dat de zonen van deze wereld soms meer wijsheid tonen in hun voorbereiding op de toekomst dan de kinderen van het licht. Ik zeg tot jullie die beweren schatten in de hemel te vergaren: leer van hen die vriendschap sluiten met de mammon van onrechtvaardigheid, en leid jullie leven eveneens zo dat jullie eeuwige vriendschap sluiten met de krachten van rechtvaardigheid, zodat jullie, wanneer alle aardse dingen falen, met vreugde zullen worden ontvangen in de eeuwige woningwerelden.”
“Ik verzeker dat hij die getrouw is in het kleine, ook getrouw zal zijn in het grote, terwijl hij die onrechtvaardig is in het kleine, ook onrechtvaardig zal zijn in het grote. Als jullie geen vooruitziende blik en integriteit hebben getoond in de aangelegenheden van deze wereld, hoe kunnen jullie dan hopen getrouw en verstandig te zijn wanneer jullie het rentmeesterschap over de ware rijkdommen van het hemelse koninkrijk toevertrouwd krijgen? Als u geen goede rentmeesters en trouwe bankiers bent, als u niet trouw bent geweest aan wat van een ander is, wie zal dan dwaas genoeg zijn om u een grote schat in uw eigen naam te geven?”
“En nogmaals beweer ik dat niemand twee heren kan dienen; of hij zal de ene haten en de andere liefhebben, of hij zal zich aan de ene hechten en de andere verachten. U kunt niet God dienen én de mammon.”
Toen de aanwezige Farizeeën dit hoorden, begonnen ze te lachen en te spotten, omdat ze erg gesteld waren op het verwerven van rijkdom. Deze onvriendelijke toehoorders probeerden Jezus tot een nutteloze discussie te verleiden, maar hij weigerde met zijn vijanden te debatteren. Toen de Farizeeën onderling ruzie kregen, trok hun luidruchtige gepraat grote aantallen van de menigte aan die daar gelegerd was; en toen ze met elkaar begonnen te redetwisten, trok Jezus zich terug en ging naar zijn tent om te overnachten.
De rijke man en de bedelaar
Toen de bijeenkomst te rumoerig werd, stond Simon Petrus op en nam het woord. Hij zei: “Mannenbroeders, het is niet betamelijk om zo met elkaar te redetwisten. De Meester heeft gesproken, en u doet er goed aan zijn woorden te overdenken. En dit is geen nieuwe leer die hij u verkondigd heeft. Hebt u ook niet de allegorie van de Nazireeërs gehoord over de rijke man en de bedelaar? Sommigen van ons hebben Johannes de Doper deze waarschuwende parabel horen donderen aan hen die rijkdom liefhebben en oneerlijke rijkdom begeren. En hoewel deze oude parabel niet in overeenstemming is met het evangelie dat wij prediken, zou u er allen goed aan doen de lessen ervan ter harte te nemen totdat u het nieuwe licht van het hemelse koninkrijk begrijpt. Het verhaal zoals Johannes het vertelde, was als volgt:
“Er was een zekere rijke man, Dives genaamd, die, gekleed in purper en fijn linnen, elke dag in vrolijkheid en pracht leefde. En er was een zekere bedelaar, Lazarus genaamd, die bij de poort van deze rijke man lag, bedekt met zweren en verlangend om gevoed te worden met de kruimels die van de tafel van de rijke man vielen; ja, zelfs de honden kwamen en likten zijn zweren. En het gebeurde dat de bedelaar stierf en door de engelen werd weggedragen om te rusten in Abrahams schoot. En toen, kort daarna, stierf ook deze rijke man en werd begraven met grote en koninklijke pracht. Toen de rijke man uit deze wereld vertrok, ontwaakte hij in Hades, en zich in pijn bevindend, hief hij zijn ogen op en zag Abraham van verre en Lazarus in zijn schoot. En toen riep Dives luidkeels: ‘Vader Abraham, heb medelijden met mij en stuur Lazarus hierheen, zodat hij het topje van zijn vinger in water kan dopen om mijn tong te verkoelen, want ik lijd grote pijn vanwege mijn straf.’ En toen antwoordde Abraham: ‘Mijn zoon, bedenk dat je tijdens je leven van het goede hebt genoten, terwijl Lazarus op dezelfde manier het kwade heeft geleden. Maar nu is dat allemaal veranderd, aangezien Lazarus getroost wordt terwijl jij gekweld wordt. En bovendien is er tussen ons en jou een grote kloof, zodat wij niet naar jou kunnen komen, en jij ook niet naar ons.’ Toen zei Dives tegen Abraham: ‘Ik verzoek je Lazarus terug te sturen naar het huis van mijn vader, aangezien ik vijf broers heb, zodat hij kan getuigen en mijn broers ervan kan weerhouden naar deze plaats van kwelling te komen.’ Maar Abraham zei: ‘Mijn zoon, ze hebben Mozes en de profeten; laten ze naar hen luisteren.’ En toen antwoordde Dives: ‘Nee, nee, vader Abraham! Maar als iemand van de doden naar hen toe gaat, zullen ze zich bekeren.’ En toen zei Abraham: ‘Als ze Mozes en de profeten niet horen, zullen ze zich ook niet laten overtuigen als er iemand uit de dood zou opstaan.’ ”
Nadat Petrus deze oude parabel van de Nazireeërbroederschap had voorgedragen en de menigte tot rust was gekomen, stond Andreas op en stuurde hen weg voor de nacht. Hoewel zowel de apostelen als zijn discipelen Jezus vaak vragen stelden over de parabel van Dives en Lazarus, stemde hij er nooit mee in om er commentaar op te geven.
De Vader en Zijn Koninkrijk
Jezus had er altijd moeite mee om de apostelen uit te leggen dat, hoewel zij de oprichting van het koninkrijk van God verkondigden, de Vader in de hemel geen koning was. In de tijd dat Jezus op aarde leefde en in een sterfelijk lichaam onderwees, kenden de mensen op aarde vooral koningen en keizers in de regeringen van de volken, en de Joden hadden de komst van het ‘koninkrijk Gods’ al lang overwogen. Om deze en andere redenen achtte de Meester het het beste om de spirituele broederschap van de mens aan te duiden als het ‘hemelse koninkrijk’ en het spirituele hoofd van deze broederschap als ‘de Vader in de hemel’. Jezus noemde zijn Vader nooit een koning. In zijn intieme gesprekken met de apostelen noemde hij zichzelf altijd de MensenZoon en hun oudere broer. Hij beschreef al zijn volgelingen als dienaren van de mensheid en boodschappers van het evangelie van het koninkrijk.
Jezus gaf zijn apostelen nooit een systematische les over de persoonlijkheid en eigenschappen van de Vader in de hemel. Hij vroeg mensen nooit in zijn Vader te geloven; hij nam aan dat ze dat deden. Jezus maakte zichzelf nooit kleiner door argumenten aan te voeren die de realiteit van de Vader bewezen. Zijn leer over de Vader was volledig gebaseerd op de verklaring dat hij en de Vader één zijn; dat wie de Zoon heeft gezien, de Vader heeft gezien; dat de Vader, net als de Zoon, alle dingen weet; dat alleen de Zoon de Vader werkelijk kent, en degene aan wie de Zoon Hem wil openbaren; dat wie de Zoon kent, ook de Vader kent; en dat de Vader hem naar de wereld zond om hun gezamenlijke naturen te openbaren en hun gezamenlijke werk te tonen. Hij deed nooit andere uitspraken over zijn Vader, behalve tegen de Samaritaanse vrouw bij de bron van Jacob, toen hij verklaarde: “God is spirit.”
Je leert over God van Jezus door de goddelijkheid van zijn leven te observeren, niet door afhankelijk te zijn van zijn leringen. Vanuit het leven van de Meester kan iedereen dat concept van God in zich opnemen dat overeenstemt met je vermogen om spirituele en goddelijke realiteiten, reële en eeuwige waarheden waar te nemen en te begrijpen. Het eindige kan nooit hopen het Oneindige te begrijpen, behalve zoals het Oneindige gefocust was in de tijd-ruimte persoonlijkheid van de eindige ervaring van het menselijke leven van Jezus van Nazareth.
Jezus wist heel goed dat God alleen gekend kan worden door de realiteiten van de ervaring; nooit kan Hij begrepen worden door louter de leer van het verstand. Jezus leerde zijn apostelen dat, hoewel ze God nooit volledig konden begrijpen, ze Hem zeer zeker konden kennen, net zoals ze de MensenZoon hadden gekend. Je kunt God kennen, niet door te begrijpen wat Jezus zei, maar door te weten wat Jezus was. Jezus was een openbaring van God.
Behalve wanneer hij de Hebreeuwse geschriften citeerde, noemde Jezus de Godheid slechts met twee namen: God en Vader. En wanneer de Meester zijn Vader God noemde, gebruikte hij gewoonlijk het Hebreeuwse woord dat de meervoudige God (de Trinity, of Drie-eenheid) aanduidde en niet het woord Jahweh, dat stond voor een wat gevorderde opvatting van de oudere ‘stamgod’ van de Joden.
Jezus noemde de Vader nooit een koning, en hij betreurde het ten zeerste dat de Joodse hoop op een hersteld koninkrijk en de verkondiging door Johannes de Doper van een ‘komend koninkrijk’ het voor hem noodzakelijk maakten om zijn voorgestelde spirituele broederschap het ‘hemelse koninkrijk’ te noemen. Met één uitzondering – de verklaring dat “God spirit is” – verwees Jezus nooit naar de Godheid op een andere manier dan in termen die zijn eigen persoonlijke relatie met de Eerste Bron en Centrum van het Paradijs beschreven.
Jezus gebruikte het woord God om de idee van Godheid aan te duiden en het woord Vader om de ervaring van het kennen van God aan te duiden. Wanneer het woord Vader wordt gebruikt om God aan te duiden, moet het in de ruimst mogelijke betekenis worden begrepen. Het woord God kan niet worden gedefinieerd en staat daarom voor het oneindige concept van de Vader, terwijl de term Vader, die gedeeltelijk kan worden gedefinieerd, kan worden gebruikt om het menselijke concept van de goddelijke Vader weer te geven zoals Hij met de mens is verbonden tijdens het sterfelijk bestaan.
Voor de Joden was ‘Elohim’ de God der goden, terwijl Jahweh de God van Israël was. Jezus aanvaardde het concept van Elohim en noemde deze allerhoogste groep wezens God. In plaats van het concept van Jahweh, de raciale godheid, introduceerde hij het idee van het vaderschap van God en de wereldwijde broederschap van de mens. Hij verhief het Jahweh-concept van een vergoddelijkte Vader van één bepaald ras tot het idee van een Vader van alle mensenkinderen, een goddelijke Vader van de individuele gelovige. En hij leerde verder dat deze God van universa en deze Vader van alle mensen één en dezelfde Paradijsgodheid waren.
Jezus beweerde nooit de manifestatie van Elohim (God) in een sterfelijk lichaam te zijn. Hij verklaarde nooit dat hij een openbaring van Elohim (God) aan de werelden was. Hij leerde nooit dat wie hem had gezien, Elohim (God) had gezien. Maar hij verkondigde zichzelf wel als de openbaring van de Vader in een sterfelijk lichaam, en hij zei wel dat wie hem had gezien, de Vader had gezien. Als de goddelijke Zoon beweerde hij alleen de Vader te vertegenwoordigen.
Hij was inderdaad de Zoon van zelfs de Elohim-God; maar in de vorm van een sterfelijk lichaam en aan de sterfelijke kinderen van God, koos hij ervoor zijn levensopenbaring te beperken tot de uitbeelding van het karakter van zijn Vader, voor zover een dergelijke openbaring voor de sterfelijke mens begrijpelijk zou zijn. Wat betreft het karakter van de andere personen van de Paradijs-Drie-eenheid, zullen we genoegen moeten nemen met de leer dat zij geheel gelijk zijn aan de Vader, die zich in een persoonlijke uitbeelding heeft geopenbaard in het leven van zijn geïncarneerde Zoon, Jezus van Nazareth.
Hoewel Jezus de ware aard van de hemelse Vader tijdens zijn aardse leven openbaarde, leerde hij weinig over Hem. In feite leerde hij slechts twee dingen: dat God in zichzelf spirit is, en dat Hij in alle zaken van de relatie met zijn schepselen een Vader is. Vanavond deed Jezus de laatste uitspraak over zijn relatie met God toen hij verklaarde: “Ik ben van de Vader uitgegaan en ben in de wereld gekomen; wederom zal ik de wereld verlaten en naar de Vader gaan.”
Maar let wel! Jezus heeft nooit gezegd: “Wie mij heeft gehoord, heeft God gehoord.” Maar hij zei wel: “Wie mij heeft gezien, heeft de Vader gezien.” De leer van Jezus horen staat niet gelijk aan het kennen van God, maar Jezus zien is een ervaring die op zichzelf een openbaring van de Vader aan de ziel is. De God van alle universa regeert over de wijdverbreide schepping, maar het is de Vader in de hemel die zijn Mentor-Spirit uitzendt om in jouw mind te wonen.
Jezus is de spirituele lens in menselijke vorm die Hem die onzichtbaar is, zichtbaar maakt voor het materiële schepsel. Hij is je oudere broer die, in een sterfelijk lichaam, jou een Wezen met oneindige eigenschappen laat kennen, dat zelfs alle groepen van hemelse wezens niet volledig kunnen begrijpen. Maar dit alles moet bestaan uit de persoonlijke ervaring van de individuele gelovige. God, die spirit is, kan alleen gekend worden als een spirituele ervaring. God kan aan de eindige kinderen van de materiële werelden geopenbaard worden, door de goddelijke Zoon van de spirituele werelden, alleen als een Vader. Je kunt de Eeuwige kennen als een Vader; je kunt Hem aanbidden als de God van alle universa, de oneindige Schepper van alle bestaan.
Dit hoofdstuk is een nieuwe Nederlandse vertaling gebaseerd op Paper 169 van het Urantia Boek: https://www.urantia.org

