Inleiding

Zaterdagmiddag 11 maart hield Jezus zijn laatste preek in Pella. Dit was een van de opmerkelijke toespraken van zijn openbare missie, waarin hij het hemelse koninkrijk uitvoerig en volledig besprak. Hij was zich bewust van de verwarring die er in de hoofden van zijn apostelen en discipelen bestond over de betekenis en het belang van de termen “hemelse koninkrijk” en “koninkrijk van God”, die hij gebruikte als onderling verwisselbare aanduidingen voor zijn missie op aarde. Hoewel de term “hemelse koninkrijk” voldoende had moeten zijn om de betekenis ervan te scheiden van alle verband met aardse koninkrijken en wereldlijke regeringen, was dat niet het geval. Het idee van een wereldlijke koning was te diepgeworteld in de Joodse mindset om in één generatie te worden verdreven. Daarom verzette Jezus zich aanvankelijk niet openlijk tegen dit lang gekoesterde concept van het koninkrijk.

Deze sabbath-middag probeerde de Meester de leer over het hemelse koninkrijk te verduidelijken. Hij besprak het onderwerp vanuit elk gezichtspunt en probeerde de vele verschillende betekenissen waarin de term was gebruikt, te verduidelijken. In dit verhaal zullen we de toespraak uitbreiden door talrijke uitspraken van Jezus bij eerdere gelegenheden toe te voegen en door enkele opmerkingen op te nemen die alleen tot de apostelen werden gemaakt tijdens de avondbesprekingen van diezelfde dag. We zullen ook enkele opmerkingen maken over de latere uitwerking van het koninkrijksidee in relatie tot de latere christelijke kerk.

Begrippen van het hemelse koninkrijk

In verband met het verhaal hieronder van de toespraak van Jezus moet worden opgemerkt dat er in de Hebreeuwse geschriften een tweeledig concept van het hemelse koninkrijk bestond. De profeten presenteerden het koninkrijk van God als:

  1. Een huidige realiteit; en als:
  2. Een toekomstige hoop – wanneer het koninkrijk volledig gerealiseerd zou worden bij de verschijning van de Messias. Dit is het koninkrijksconcept dat Johannes de Doper onderwees.

Vanaf het allereerste begin onderwezen Jezus en de apostelen beide concepten. Er waren nog twee andere ideeën over het koninkrijk die in gedachten gehouden moeten worden:

  1. Het latere Joodse concept van een wereldwijd en transcendentaal koninkrijk van bovennatuurlijke oorsprong en wonderbaarlijke inauguratie [ = begin, fundering, ontstaan].
  2. De Perzische leringen die de vestiging van een goddelijk koninkrijk afschilderen als de overwinning van het goede op het kwade aan het einde van de wereld.

Vlak voor de komst van Jezus op aarde combineerden en verwarden de Joden al deze ideeën over het koninkrijk tot hun apocalyptische concept van de komst van de Messias om het tijdperk van de Joodse triomf te vestigen, het eeuwige tijdperk van Gods opperste heerschappij op aarde, de nieuwe wereld, het tijdperk waarin de hele mensheid Jahweh zou aanbidden. Door te kiezen voor dit concept van het hemelse koninkrijk, koos Jezus ervoor zich het meest vitale en tot-een-climax-leidende erfgoed van zowel de Joodse als de Perzische religie toe te eigenen.

Het hemelse koninkrijk, zoals het later door de eeuwen van de Christelijke tijd heen is begrepen en verkeerd begrepen, omvatte dus een mix van vier verschillende groepen ideeën:

  1. Het concept van de Joden.
  2. Het concept van de Perzen.
  3. Het concept van persoonlijke ervaring van Jezus: “het hemelse koninkrijk in u.”
  4. De samengestelde en verwarde concepten die de grondleggers en verkondigers van het christendom hebben geprobeerd te onderwijzen aan de wereld.

Op verschillende momenten en onder verschillende omstandigheden lijkt het erop dat Jezus in zijn openbare leringen talloze concepten van het “koninkrijk” heeft gepresenteerd, maar aan zijn apostelen onderwees hij altijd dat het koninkrijk de persoonlijke ervaring van de mens omvatte in relatie tot zijn medemensen op aarde en tot de Vader in de hemel. Wat het koninkrijk betreft, was zijn laatste woord altijd: “Het koninkrijk is in u.”

Eeuwenlange verwarring over de betekenis van de term “hemelse koninkrijk” is te wijten aan drie factoren:

  1. De verwarring die ontstond toen men het idee van het “koninkrijk” observeerde, terwijl het concept zelf door verschillende fasen van groei en opnieuw beschrijven en definiëren door Jezus en zijn apostelen ging.
  2. De verwarring die onvermijdelijk gepaard ging met het overplanten van het vroege christendom van Joodse naar niet-Joodse bodem.
  3. De verwarring die inherent was aan het feit dat het christendom een religie werd die georganiseerd was rond de centrale gedachte van de persoon van Jezus; het evangelie van het koninkrijk werd steeds meer een religie over hem.

Het concept van Jezus van het koninkrijk

De Meester maakte duidelijk dat het hemelse koninkrijk moet beginnen met, en gecentreerd moet zijn in, het tweeledige concept van de waarheid van het vaderschap van God en het daarmee samenhangende feit van de broederschap van de mensen. De aanvaarding van een dergelijke leer, zo verklaarde Jezus, zou de mens bevrijden van de eeuwenlange slavernij van dierlijke angst en tegelijkertijd het menselijk leven verrijken met de volgende gaven van het nieuwe leven van spirituele vrijheid:

  1. Het bezit van nieuwe moed en toegenomen spirituele kracht. Het evangelie van het koninkrijk moest de mens bevrijden en hem inspireren om te durven hopen op het eeuwige leven.
  2. Het evangelie bracht een boodschap van nieuw vertrouwen en ware troost voor alle mensen, zelfs voor de armen.
  3. Het was op zichzelf een nieuwe standaard voor morele waarden, een nieuwe ethische maatstaf om menselijk gedrag aan af te meten. Het gaf een beeld van het ideaal van een nieuwe orde van de menselijke samenleving, die het resultaat zou zijn van de nieuwe leer.
  4. Het leerde dat het spirituele voorrang heeft boven het materiële; het verheerlijkte spirituele realiteiten en verheerlijkte bovenmenselijke idealen.
  5. Dit nieuwe evangelie stelde het bereiken en verwerven van spirituele kwaliteiten voorop als het ware doel van het leven. Het menselijk leven werd op een nieuwe manier uitgerust met morele waarde en goddelijke waardigheid.
  6. Jezus leerde dat eeuwige realiteiten het resultaat (de beloning) waren van rechtvaardig aards streven. Het sterfelijke verblijf van de mens op aarde kreeg nieuwe betekenissen als gevolg van de erkenning van een nobele bestemming.
  7. Het nieuwe evangelie bevestigde dat menselijke redding de openbaring is (en dus onderdeel uitmaakt) van een verreikend goddelijk doel dat vervuld en gerealiseerd moet worden in de toekomstige bestemming van de eindeloze missie van de geredde kinderen van God.

Deze leringen vormen het uitgebreide idee van het koninkrijk dat door Jezus werd onderwezen. Dit grote concept werd nauwelijks begrepen in de elementaire en verwarrende koninkrijksleer van Johannes de Doper.

De apostelen waren niet in staat de werkelijke betekenis van de uitspraken van de Meester over het koninkrijk te vatten. De daaropvolgende verdraaiing van de leringen van Jezus, zoals die in het Nieuwe Testament zijn opgetekend, komt doordat het concept van de evangelieschrijvers gekleurd werd door de overtuiging dat Jezus toen slechts voor een korte tijd afwezig was van de wereld. Ze waren ervan overtuigd dat hij spoedig zou terugkeren om het koninkrijk in macht en glorie te vestigen – precies zo’n idee hadden zij toen hij bij hen was in de vorm van een sterfelijk lichaam. Maar Jezus verbond de vestiging van het koninkrijk niet met het idee van zijn terugkeer naar deze wereld. Dat er eeuwen zijn verstreken zonder tekenen van de komst van de “New Age”, is geenszins in strijd met de leer van Jezus.

De grote inspanning die in deze preek besloten lag, was de poging om het concept van het hemelse koninkrijk te vertalen naar het ideaal van het idee om de wil van God te doen. De Meester had zijn volgelingen al lang leren bidden:

“Uw koninkrijk kome; Uw wil geschiede”;

en op dit moment probeerde hij hen er ernstig toe te bewegen het gebruik van de term koninkrijk van God te laten varen ten gunste van het meer praktische equivalent, de wil van God. Maar hij slaagde daar niet in. [ !! ]

Jezus wilde het idee van het koninkrijk, de koning en de onderdanen vervangen door het concept van de hemelse familie, de hemelse Vader en de bevrijde kinderen van God, die zich bezighielden met vreugdevolle en vrijwillige dienstverlening aan hun medemensen en met de verheven en intelligente aanbidding van God de Vader.

Tot die tijd hadden de apostelen een dubbel perspectief op het koninkrijk ontwikkeld; zij beschouwden het als:

  1. Een kwestie van persoonlijke ervaring die toen aanwezig was in de harten van ware gelovigen, en
  2. Een kwestie van raciale of wereldverschijnselen; dat het koninkrijk in de toekomst lag, iets om naar uit te kijken.

Zij beschouwden de komst van het koninkrijk in de harten van mensen als een geleidelijke ontwikkeling, zoals het zuurdesem in het deeg of de groei van het mosterdzaadje. Zij geloofden dat de komst van het koninkrijk in raciale of wereldlijke zin zowel plotseling als spectaculair zou zijn. Jezus werd nooit moe hun te vertellen dat het hemelse koninkrijk hun persoonlijke ervaring was van het realiseren van de hogere kwaliteiten van het spirituele leven; dat deze realiteiten van de spirituele ervaring geleidelijk worden vertaald in nieuwe en hogere niveaus van goddelijke zekerheid en eeuwige grootsheid.

Die middag onderwees de Meester duidelijk een nieuw concept van de dubbele aard van het koninkrijk, doordat hij de volgende twee fasen beschreef:

  • “Ten eerste. Het koninkrijk van God in deze wereld, het allerhoogste verlangen om Gods wil te doen, de onzelfzuchtige liefde voor de mens die de goede vruchten voortbrengt van verbeterd ethisch en moreel gedrag.
  • “Ten tweede. Het koninkrijk van God in de hemel, het doel van sterfelijke gelovigen, de toestand waarin de liefde voor God wordt vervolmaakt en waarin Gods wil goddelijker wordt gedaan.”

Jezus leerde dat de gelovige door geloof het koninkrijk nu binnengaat. In de verschillende toespraken leerde hij dat twee dingen essentieel zijn voor geloof – de toegang tot het koninkrijk:

  1. Geloof, oprechtheid: Komen als een klein kind, de gave van het kind-van-God-zijn ontvangen; je onderwerpen aan het doen van de wil van de Vader zonder vragen en in de volle zekerheid van en met oprecht vertrouwen in de wijsheid van de Vader; het koninkrijk binnengaan vrij van vooroordelen en vooropgezette meningen; open-minded en leergierig zijn als een onbedorven kind.
  2. Honger naar waarheid: De dorst naar rechtschapenheid, een verandering van denken, het verkrijgen van de motivatie om [net zo perfect] als God te zijn en God te vinden.

Jezus leerde dat zonde niet het kind is van een gebrekkige natuur, maar veeleer de nakomeling van een mind die weet, maar die gedomineerd wordt door een wil die zich niet wil onderwerpen. Met betrekking tot zonde leerde hij dat God heeft vergeven; dat wij die vergeving persoonlijk beschikbaar maken door onze medemens te vergeven. Wanneer je je sterfelijke broeder vergeeft, creëer je daarmee in je eigen ziel het vermogen om de realiteit van Gods vergeving van je eigen wandaden te ontvangen.

Tegen de tijd dat de apostel Johannes begon met het schrijven van het verhaal over het leven en de leringen van Jezus, hadden de vroege christenen zoveel moeite gehad met het idee van het koninkrijk van God als een voedingsbodem voor vervolging, dat ze het gebruik van de term grotendeels hadden laten varen. Johannes spreekt veel over het “eeuwige leven”. Jezus sprak er vaak over als het “koninkrijk des levens”. Hij verwees ook vaak naar “het koninkrijk van God in u”. Hij sprak ooit over zo’n ervaring als “familiegemeenschap met God de Vader”. Jezus probeerde het koninkrijk door veel termen te vervangen, maar altijd zonder succes. Hij gebruikte onder andere: de familie van God, de wil van de Vader, de vrienden van God, de gemeenschap van gelovigen, de broederschap van de mensen, de kudde van de Vader, de kinderen van God, de gemeenschap van getrouwen, de dienst van de Vader en de bevrijde kinderen van God.

Maar hij kon niet ontkomen aan het gebruik van de koninkrijksgedachte. Pas meer dan vijftig jaar later, pas na de verwoesting van Jeruzalem door de Romeinse legers, begon dit concept van het koninkrijk te veranderen in de cultus van het eeuwige leven, toen de sociale en institutionele aspecten ervan werden overgenomen door de snel groeiende en zich kristalliserende christelijke kerk.

In relatie tot rechtschapenheid

Jezus probeerde zijn apostelen en discipelen er voortdurend van te doordringen dat zij door geloof een rechtschapenheid moesten verwerven die de rechtschapenheid van slaafse daden [slaafs omdat ze een slaafse gebondenheid aan rituelen en tradities vertoonden], waarmee sommige schriftgeleerden en farizeeën zo ijdel voor de wereld paradeerden, zou overtreffen.

Hoewel Jezus leerde dat geloof, eenvoudig kinderlijk geloof, de sleutel is tot de deur van het koninkrijk, leerde hij ook dat, na de deur te zijn binnengegaan, er de progressieve stappen van rechtschapenheid zijn die elk gelovig kind moet beklimmen om op te groeien tot de een volwassen status als robuust kind van God.

Het is in de beschouwing van de techniek van het ontvangen van Gods vergeving dat het bereiken van de rechtschapenheid van het koninkrijk wordt onthuld. Geloof is de prijs die je betaalt voor toetreding tot de familie van God. Maar vergeving is de daad van God die je geloof als toegangsprijs aanvaardt. En het ontvangen van Gods vergeving door een gelovige in het koninkrijk omvat een duidelijke en actuele ervaring en bestaat uit de volgende vier stappen, de koninkrijks-stappen van innerlijke rechtschapenheid:

  1. Gods vergeving wordt daadwerkelijk beschikbaar gesteld en wordt door de mens persoonlijk ervaren in zoverre hij zijn medemensen vergeeft.
  2. De mens zal zijn medemensen niet echt vergeven tenzij hij hen liefheeft als zichzelf.
  3. Zo je naaste liefhebben als jezelf is de hoogste ethiek.
  4. Moreel gedrag, ware rechtschapenheid, wordt dan het natuurlijke resultaat van dergelijke liefde.

Het is daarom duidelijk dat de ware en innerlijke religie van het koninkrijk zich onfeilbaar en steeds meer manifesteert in praktische vormen van maatschappelijke dienstverlening. Jezus onderwees een levende religie die haar gelovigen aanzette tot het verrichten van liefdevolle dienstbaarheid. Maar Jezus stelde ethiek niet in de plaats van religie. Hij onderwees religie als oorzaak en ethiek als gevolg.

De rechtschapenheid van elke handeling moet worden afgemeten aan het motief; de hoogste vormen van goedheid zijn daarom onbewust. Jezus hield zich nooit bezig met moraal of ethiek als zodanig. Hij was volledig bezig met die innerlijke en spirituele gemeenschap met God de Vader die zich zo zeker en direct manifesteert als uiterlijke en liefdevolle dienstbaarheid aan de mens. Hij leerde dat de religie van het koninkrijk een oprechte persoonlijke ervaring is die geen mens binnen en voor zichzelf kan houden. Als je je bewust bent lid te zijn van de familie van gelovigen leidt dat onvermijdelijk tot het in praktijk brengen van de voorschriften van het gezinsgedrag: de dienstbaarheid aan iemands broeders en zusters in een poging de broederschap te versterken en te vergroten.

De religie van het koninkrijk is persoonlijk, individueel; de vruchten, de resultaten, zijn familiaal, sociaal. Jezus verzuimde nooit de heiligheid van het individu te verheerlijken in tegenstelling tot de gemeenschap. Maar hij erkende ook dat de mens zijn karakter ontwikkelt door onzelfzuchtige dienstbaarheid; dat hij zijn morele natuur ontvouwt in liefdevolle relaties met zijn medemensen.

Door te onderwijzen dat het koninkrijk binnenin is, door het individu te verheffen, bracht Jezus de doodsteek toe aan de oude maatschappij, doordat hij een nieuw tijdperk en beschikbaar-komen van ware sociale rechtschapenheid inluidde. De wereld heeft deze nieuwe maatschappelijke orde nog nauwelijks gekend omdat zij heeft geweigerd de beginselen van het evangelie van het hemelse koninkrijk in praktijk te brengen. En wanneer dit koninkrijk van spirituele superioriteit op aarde komt, zal het zich niet manifesteren in louter verbeterde sociale en materiële omstandigheden, maar eerder in de glorie van die versterkte en verrijkte spirituele waarden die kenmerkend zijn voor het naderende tijdperk van verbeterde menselijke relaties en voortschrijdende spirituele verworvenheden.

De leer van Jezus over het koninkrijk

Jezus heeft nooit een precieze definitie van het koninkrijk gegeven. Soms sprak hij over een bepaalde fase van het koninkrijk, en soms besprak hij een ander aspect van de broederschap van Gods heerschappij in de harten van mensen. Tijdens de preek van die sabbath-middag noemde Jezus niet minder dan vijf fasen, of tijdperken, van het koninkrijk, en dat waren:

  1. De persoonlijke en innerlijke ervaring van het spirituele leven van de vriendschap/gemeenschap [fellowship] van de individuele gelovige met God de Vader.
  2. De groeiende broederschap van gelovigen in het evangelie, de sociale aspecten van de verbeterde moraal en de verlevendigde ethiek die voortkomen uit de heerschappij van Gods Spirit in de harten van individuele gelovigen.
  3. De boven-sterfelijke broederschap van onzichtbare spirituele wezens die heerst op aarde en in de hemel, het bovenmenselijke koninkrijk van God.
  4. Het vooruitzicht op de steeds meer volmaakte vervulling van Gods wil, de vooruitgang naar de dageraad van een nieuwe sociale orde in verband met een verbeterd spiritueel leven – het volgende tijdperk van de mens.
  5. Het koninkrijk in zijn volheid, het toekomstige spirituele tijdperk van bestendigd licht en leven op aarde.

Daarom moeten we de leer van de Meester altijd onderzoeken om vast te stellen op welke van deze vijf fasen hij doelt wanneer hij de term hemelse koninkrijk gebruikt. Door dit proces van geleidelijke verandering van de wil van de mens en de invloed die dat zo heeft op menselijke beslissingen, veranderen Michaël en zijn metgezellen eveneens geleidelijk maar zeker de gehele loop van de menselijke evolutie, sociaal en anderszins.

De Meester legde bij deze gelegenheid de nadruk op de volgende vijf punten als de hoofdkenmerken van het evangelie van het koninkrijk:

  1. De belangrijke positie voor het individu. [ pre-eminence ]
  2. De wil als bepalende factor in de menselijke ervaring.
  3. Spirituele vriendschap / gemeenschap [fellowship ] met God de Vader.
  4. Dat liefdevolle dienstverlening aan de medemens de hoogste voldoening oplevert.
  5. Dat het spirituele boven het materiële uitgaat, in de menselijke persoonlijkheid.

Deze wereld heeft deze dynamische ideeën en goddelijke idealen van de leer van Jezus over het hemelse koninkrijk nooit serieus, oprecht of eerlijk uitgeprobeerd. Maar je moet niet ontmoedigd raken door de ogenschijnlijk trage voortgang van dit koninkrijks-idee op aarde. Bedenk dat de orde van progressieve evolutie onderhevig is aan plotselinge en onverwachte periodieke veranderingen, zowel in de materiële als in de spirituele wereld. De schenking van Jezus als geïncarneerde Zoon was zo’n vreemde en onverwachte gebeurtenis in het spirituele leven van de wereld. Maak ook niet de fatale fout om, door [vooral bezig te zijn met ] te zoeken naar de manifestatie van het koninkrijk, deze niet in je eigen ziel te vestigen.

Hoewel Jezus één fase van het koninkrijk naar de toekomst verwees en bij talloze gelegenheden te kennen gaf dat een dergelijke gebeurtenis zich zou kunnen voordoen als onderdeel van een wereldcrisis; en hoewel hij eveneens bij verschillende gelegenheden zeer zeker en onomwonden beloofde ooit naar de aarde terug te keren, moet worden vermeld dat hij deze twee ideeën nooit positief met elkaar in verband bracht. Hij beloofde een nieuwe openbaring van het koninkrijk op aarde en op een later tijdstip; hij beloofde ook ooit persoonlijk naar deze wereld terug te keren; maar hij zei niet dat deze twee gebeurtenissen synoniem waren. Voor zover wij weten, kunnen deze beloften al dan niet naar dezelfde gebeurtenis verwijzen.

Zijn apostelen en discipelen brachten deze twee leringen zeer zeker wel met elkaar in verband. Toen het koninkrijk zich niet manifesteerde zoals zij hadden verwacht, herinnerden zij zich de leer van de Meester over een toekomstig koninkrijk en herinnerden zij zich zijn belofte om terug te keren, en kwamen tot de conclusie dat deze beloften betrekking hadden op een identieke gebeurtenis. En daarom leefden zij in de hoop op zijn onmiddellijke wederkomst om het koninkrijk in zijn volheid en met macht en glorie te vestigen. En zo hebben opeenvolgende gelovige generaties op aarde geleefd met dezelfde inspirerende maar teleurstellende hoop.

Latere ideeën over het koninkrijk

Nu we de leringen van Jezus over het hemelse koninkrijk hebben samengevat, mogen we bepaalde latere ideeën beschrijven die aan het concept van het koninkrijk werden verbonden en mogen we ons bezighouden met een profetische voorspelling van het koninkrijk zoals het zich in de komende tijd zou kunnen ontwikkelen.

Gedurende de eerste eeuwen van de christelijke propaganda werd het idee van het hemelse koninkrijk enorm beïnvloed door de toen snel verspreidende ideeën van het Griekse idealisme, het idee van het natuurlijke als de schaduw van het spirituele – het tijdelijke als de tijdschaduw van het eeuwige.

Maar de grote stap die de overplanting van de leringen van Jezus van Joodse naar niet-Joodse bodem markeerde, werd gezet toen de Messias van het koninkrijk de Verlosser werd van de KERK, een religieuze en sociale organisatie die voortkwam uit de activiteiten van Paulus en zijn opvolgers en gebaseerd was op de leringen van Jezus, aangevuld met de ideeën van Philo en de Perzische leerstellingen over goed en kwaad.

De ideeën en idealen van Jezus, belichaamd in de leer van het evangelie van het koninkrijk, mislukten bijna omdat zijn volgelingen zijn uitspraken steeds meer verdraaiden. Het concept van het koninkrijk van de Meester werd met name beïnvloed door twee belangrijke tendensen:

  1. De Joodse gelovigen bleven hem beschouwen als de messias. Zij geloofden dat Jezus zeer binnenkort zou terugkeren om daadwerkelijk het wereldwijde en min of meer materiële koninkrijk te vestigen.
  2. De niet-Joodse christenen begonnen al heel vroeg de leer van Paulus te aanvaarden, wat steeds meer leidde tot de algemene overtuiging dat Jezus de verlosser van de kinderen van de kerk was, de nieuwe en institutionele opvolger van het eerdere concept van de zuiver spirituele broederschap van het koninkrijk.

De kerk, als sociale uitloper van het koninkrijk, zou volkomen natuurlijk en zelfs wenselijk zijn geweest. Het kwaad van de kerk was niet haar bestaan, maar eerder dat ze het door Jezus voorgestelde concept van het koninkrijk bijna volledig verdrong. De geïnstitutionaliseerde kerk van Paulus werd feitelijk een substituut voor het hemelse koninkrijk dat Jezus had verkondigd.

Maar twijfel er niet aan, ditzelfde hemelse koninkrijk, waarvan de Meester leerde dat het in het hart van de gelovige bestaat, zal nog aan deze christelijke kerk verkondigd worden, evenals aan alle andere religies, rassen en naties op aarde – zelfs aan ieder individu.

Het koninkrijk uit de leer van Jezus, het spirituele ideaal van individuele rechtschapenheid en het concept van de goddelijke gemeenschap van de mens met God, raakte geleidelijk ondergedompeld in een mystieke opvatting van de persoon van Jezus als de Verlosser-Schepper en het spirituele hoofd van een gesocialiseerde religieuze gemeenschap. Op deze manier werd een formele en institutionele kerk de vervanging voor de individueel door de spirit geleide broederschap van het koninkrijk.

De kerk was een onvermijdelijk en nuttig sociaal resultaat van het leven en de leringen van Jezus. De tragedie bestond uit het feit dat deze maatschappelijke reactie op de leringen van het koninkrijk het spirituele concept van het echte koninkrijk zoals Jezus dat onderwees en leefde, zo volledig verdrong.

Het koninkrijk was voor de Joden de Israëlitische gemeenschap; voor de niet-Joden werd het de christelijke kerk. Voor Jezus was het koninkrijk de som van die individuen die hun geloof in het vaderschap van God hadden beleden en daarmee hun oprechte toewijding aan het doen van de wil van God hadden verklaard, en zo leden waren geworden van de spirituele broederschap van mensen.

De Meester besefte ten volle dat bepaalde sociale resultaten in de wereld zouden verschijnen als gevolg van de verspreiding van het evangelie van het koninkrijk. Maar hij bedoelde dat al dergelijke wenselijke sociale manifestaties zouden verschijnen als onbewuste en onvermijdelijke uitwassen, of natuurlijke vruchten, van deze innerlijke persoonlijke ervaring van individuele gelovigen, van deze zuiver spirituele gemeenschap en verbondenheid met de goddelijke Mentor-Spirit die in al zulke gelovigen woont en hen activeert.

Jezus voorzag dat een sociale organisatie, of kerk, de voortgang van het ware spirituele koninkrijk zou volgen, en daarom verzette hij zich nooit tegen de uitvoering door de apostelen van het ritueel van de doop zoals ingevoerd door Johannes. Hij leerde dat de waarheidlievende ziel, degene die hongert en dorst naar gerechtigheid, naar God, door geloof tot het spirituele koninkrijk wordt toegelaten. Maar tegelijkertijd leerden de apostelen dat zo’n gelovige tot de sociale organisatie van discipelen wordt toegelaten door het uiterlijke ritueel van de doop.

Toen de directe volgelingen van Jezus beseften dat ze er gedeeltelijk niet in slaagden zijn ideaal te verwezenlijken van de vestiging van het koninkrijk in de harten van mensen door de overheersing en leiding van de Mentor-Spirit van de individuele gelovige, begonnen ze zijn leer te redden van volledige verdwijning door het ideaal van de Meester van het koninkrijk te vervangen door de geleidelijke schepping van een zichtbare sociale organisatie, de christelijke kerk. En toen zij dit vervangingsprogramma hadden voltooid, om de consistentie te behouden en de erkenning van de leer van de Meester met betrekking tot het koninkrijk te waarborgen, gingen zij over tot het plaatsen van het koninkrijk in de toekomst. Zodra de kerk goed gevestigd was, begon ze te onderwijzen dat het koninkrijk in werkelijkheid zou verschijnen op het hoogtepunt van het christelijke tijdperk: bij de wederkomst van Christus.

Op deze manier werd het koninkrijk het concept van een bepaald tijdperk, het idee van een toekomstige verschijning, en het ideaal van de uiteindelijke verlossing van de heiligen van de Allerhoogsten. De vroege christenen (en maar al te veel van de latere) verloren over het algemeen het Vader en ‘kind-van-God-zijn’ idee uit het oog, belichaamd in de leer van Jezus over het koninkrijk, terwijl zij daarvoor de goed georganiseerde sociale gemeenschap van de kerk in de plaats stelden. De kerk werd zo in hoofdzaak een sociale broederschap die het concept en ideaal van Jezus van een spirituele broederschap effectief verdrong.

Het ideale concept van Jezus mislukte dus grotendeels, maar op basis van het persoonlijke leven en de leringen van de Meester, aangevuld met de Griekse en Perzische concepten van eeuwig leven en uitgebreid met Philo’s leer over het tijdelijke in contrast met het spirituele, ging Paulus op pad om een van de meest vooruitstrevende menselijke organisaties op te bouwen die ooit op aarde heeft bestaan.

Het concept van Jezus leeft nog steeds in de ontwikkelde religies van de wereld. De christelijke kerk van Paulus is de gesocialiseerde en gehumaniseerde schaduw van wat Jezus bedoelde dat het hemelse koninkrijk zou zijn – en wat het zeer zeker nog zal worden. Paulus en zijn opvolgers verlegden de kwesties van het eeuwige leven gedeeltelijk van het individu naar de kerk. Christus werd zo het hoofd van de kerk in plaats van de oudere broer van iedere individuele gelovige in de familie van de Vader, die het koninkrijk vormt. Paulus en zijn tijdgenoten pasten alle spirituele implicaties van Jezus met betrekking tot hemzelf en de individuele gelovige toe op de kerk als een groep gelovigen. En daarmee brachten ze een dodelijke slag toe aan het concept van Jezus van het goddelijke koninkrijk in het hart van de individuele gelovige.

En zo heeft de christelijke kerk eeuwenlang geleefd tot haar grote schaamte, omdat ze het waagde aanspraak te maken op die mysterieuze krachten en privileges van het koninkrijk; krachten en privileges die alleen kunnen worden uitgeoefend en ervaren tussen Jezus en zijn spirituele broeders, de gelovigen. En zo wordt duidelijk dat lidmaatschap van de kerk niet noodzakelijkerwijs gemeenschap/broederschap in het koninkrijk betekent; het ene is spiritueel, het andere voornamelijk sociaal.

Vroeg of laat zal een andere, grotere Johannes de Doper opstaan en verkondigen: ‘Het koninkrijk Gods is nabijgekomen’ – wat betekent een terugkeer naar het hoge spirituele concept van Jezus, die verkondigde dat het koninkrijk de wil van zijn hemelse Vader is, die dominant en transcendent [het materiële overstijgend] is in het hart van de gelovige – en die dit alles deed zonder op enige manier te verwijzen naar de zichtbare kerk op aarde of naar de verwachte wederkomst van Christus. Er moet een herleving komen van de werkelijke leringen van Jezus, een dergelijke herformulering die het werk teniet zal doen van zijn vroege volgelingen die een sociaal-filosofisch geloofssysteem probeerden te creëren met betrekking tot het feit van Michaëls verblijf op aarde. In korte tijd verdrong de leer van dit verhaal over Jezus bijna de prediking van het evangelie van Jezus over het koninkrijk. Op deze manier verving een historische religie de leer waarin Jezus de hoogste morele ideeën en spirituele idealen van de mens had vermengd met de meest verheven hoop van de mens voor de toekomst: het eeuwige leven. En dat was het evangelie van het koninkrijk.

Juist omdat het evangelie van Jezus zo veelzijdig was, raakten de studenten van zijn leringen binnen enkele eeuwen verdeeld in talloze culten en sekten. Deze beklagenswaardige verdeling van christelijke gelovigen is het gevolg van het onvermogen om in de veelvuldige leringen van de Meester de goddelijke eenheid van zijn ongeëvenaarde leven te onderscheiden. Maar op een dag zullen de ware gelovigen in Jezus niet meer zo spiritueel verdeeld zijn in hun houding tegenover ongelovigen. We kunnen altijd een verscheidenheid aan intellectueel begrip en interpretatie hebben, zelfs verschillende graden van socialisatie, maar gebrek aan spirituele broederschap is zowel onvergeeflijk als verwerpelijk.

Vergis je niet! Er schuilt in de leringen van Jezus een eeuwige aard en kern die niet zal toestaan dat ze voor altijd onvruchtbaar blijven in de harten van denkende mensen. Het koninkrijk zoals Jezus het bedacht, heeft op aarde grotendeels gefaald. Voorlopig is er een uiterlijke kerk voor in de plaats gekomen. Maar je moet begrijpen dat deze kerk slechts het larvestadium is van het gedwarsboomde spirituele koninkrijk, dat dit koninkrijk door dit materiële tijdperk heen zal dragen naar een meer spiritueel tijdperk van beschikbaar-komen, waarin de leringen van de Meester een vollere kans tot ontwikkeling kunnen krijgen. Zo wordt de zogenaamde christelijke kerk de cocon waarin het koninkrijk volgens het concept van Jezus nu sluimert. Het koninkrijk van de Goddelijke broederschap leeft nog steeds en zal uiteindelijk en zeker tevoorschijn komen uit deze lange onderdompeling, net zo zeker als de vlinder uiteindelijk tevoorschijn komt als de prachtige ontvouwing van zijn minder aantrekkelijke schepsel van metamorfe ontwikkeling.

Dit hoofdstuk is een nieuwe Nederlandse vertaling gebaseerd op Paper 170 van het Urantia Boek: https://www.urantia.org