Inleiding
Kort na twee uur op deze dinsdagmiddag [4 april, 30 n.Chr.] arriveerde Jezus, vergezeld door elf apostelen, Jozef van Arimathea, de dertig Grieken en enkele andere discipelen, bij de tempel en begon zijn laatste toespraak in de voorhoven van het heilige gebouw. Deze toespraak was bedoeld als zijn laatste oproep aan het Joodse volk en de laatste aanklacht tegen zijn felle vijanden en potentiële verwoesters – de schriftgeleerden, Farizeeën, Sadduceeën en de voornaamste leiders van Israël. Gedurende de voormiddag hadden de verschillende groepen de gelegenheid gehad om Jezus te ondervragen; die middag stelde niemand hem een vraag.
Toen de Meester begon te spreken, was het tempelplein stil en ordelijk. De geldwisselaars en de kooplieden hadden het niet meer aangedurfd de tempel te betreden sinds Jezus en de opgewonden menigte hen de vorige dag hadden verdreven. Voordat Jezus zijn toespraak begon, keek hij vol tederheid neer op dit publiek dat spoedig zijn openbare afscheidsrede over genade voor de mensheid zou horen, gepaard gaande met zijn laatste veroordeling van de valse leraren en de bekrompen heersers van de Joden.
De Rede
“Al zo lang ben ik bij jullie, op en neer reizend door het land, de liefde van de Vader voor de mensenkinderen verkondigend, en velen hebben het licht gezien en zijn door geloof het hemelse koninkrijk binnengegaan. In verband met deze leer en prediking heeft de Vader vele wonderbaarlijke werken verricht, zelfs tot aan de opstanding van de doden toe. Vele zieken en gekwelden zijn genezen omdat ze geloofden; maar al deze verkondiging van de waarheid en genezing van ziekten heeft de ogen niet geopend van hen die weigeren het licht te zien, van hen die vastbesloten zijn dit evangelie van het koninkrijk te verwerpen.”
“Op alle manieren die in overeenstemming zijn met het doen van de wil van mijn Vader, hebben ik en mijn apostelen ons uiterste best gedaan om in vrede te leven met onze broeders, om ons te houden aan de redelijke eisen van de wetten van Mozes en de tradities van Israël. We hebben voortdurend naar vrede gestreefd, maar de leiders van Israël willen die niet. Door de waarheid van God en het licht van de hemel te verwerpen, scharen zij zich aan de kant van dwaling en duisternis. Er kan geen vrede zijn tussen licht en duisternis, tussen leven en dood, tussen waarheid en dwaling.”
“Velen van jullie hebben het aangedurfd mijn leringen te geloven en zijn reeds de vreugde en vrijheid van het besef van kind-schap met God binnengegaan. En jullie zullen van mij getuigen dat ik ditzelfde kind-van-God-zijn heb aangeboden aan de hele Joodse natie, zelfs aan deze mannen die nu mijn vernietiging zoeken. En zelfs nu zou mijn Vader deze verblinde leraren en deze huichelachtige leiders ontvangen als ze zich maar tot Hem zouden wenden en Zijn barmhartigheid zouden aanvaarden. Zelfs nu is het nog niet te laat voor dit volk om het woord van de hemel te ontvangen en de MensenZoon te verwelkomen.”
“Mijn Vader heeft lang barmhartigheid betracht jegens dit volk. Generatie na generatie hebben wij onze profeten gezonden om hen te onderwijzen en te waarschuwen, en generatie na generatie hebben zij deze door de hemel gezonden leraren gedood. En nu gaan jullie eigenzinnige hogepriesters en koppige heersers gewoon door met hetzelfde. Zoals Herodes de dood van Johannes teweegbracht, zo maken jullie nu ook plannen om de MensenZoon te vernietigen.”
“Zolang er een kans bestaat dat de Joden zich tot mijn Vader zullen wenden en verlossing zullen zoeken, zal de God van Abraham, Isaak en Jacob zijn handen van barmhartigheid naar u uitgestrekt houden. Maar wanneer u eenmaal uw beker hebt gevuld met niet-bereidheid tot boete, en wanneer u eenmaal de barmhartigheid van mijn Vader definitief hebt afgewezen, zal deze natie aan haar eigen beraadslagingen worden overgelaten en zal zij spoedig tot een roemloos einde komen. Dit volk was geroepen om het licht van de wereld te worden, om de spirituele glorie van een God-kennend ras te tonen, maar u bent zo ver afgedwaald van de vervulling van uw goddelijke voorrechten dat uw leiders op het punt staan de allergrootste dwaasheid aller tijden te begaan. Zij staan op het punt de gift van God aan alle mensen en voor alle tijden definitief af te wijzen – de openbaring van de liefde van de Vader in de hemel voor al zijn schepselen op aarde.”
“En wanneer u eenmaal deze openbaring van God aan de mens afwijst, dan zal het hemelse koninkrijk aan andere volken gegeven worden, aan hen die het met vreugde en blijdschap zullen ontvangen. In de naam van de Vader die mij gezonden heeft, waarschuw ik u plechtig dat u op het punt staat uw positie in de wereld als vaandeldragers van de eeuwige waarheid en bewaarders van de goddelijke wet te verliezen. Ik bied u nu uw laatste kans om naar voren te komen en u te bekeren, om uw voornemen kenbaar te maken om God met heel uw hart te zoeken en, als kleine kinderen en door oprecht geloof, de veiligheid en het heil van het hemelse koninkrijk binnen te gaan.”
“Mijn Vader heeft lang aan jullie verlossing gewerkt, en ik ben neergedaald om onder jullie te wonen en jullie persoonlijk de weg te wijzen. Velen van zowel de Joden als de Samaritanen, en zelfs andere niet-Joden, hebben het evangelie van het koninkrijk geloofd, maar degenen die als eersten naar voren zouden moeten komen en het licht van de hemel zouden moeten aanvaarden, hebben standvastig geweigerd de openbaring van de waarheid van God te geloven – God geopenbaard in de mens en de mens opgeheven tot God.”
“Vanmiddag staan mijn apostelen hier in stilte voor jullie, maar jullie zullen spoedig hun stemmen horen klinken met de roep om verlossing en met de drang om u te verenigen met het hemelse koninkrijk als de zonen van de levende God. En nu roep ik deze, mijn discipelen en gelovigen in het evangelie van het koninkrijk, evenals de onzichtbare boodschappers aan hun zijde, tot getuigen dat ik Israël en haar heersers opnieuw verlossing en redding heb aangeboden. Maar jullie zien allemaal hoe de genade van de Vader wordt veracht en hoe de boodschappers van de waarheid worden afgewezen. Niettemin waarschuw ik jullie dat deze schriftgeleerden en farizeeën nog steeds op de stoel van Mozes zitten, en daarom, totdat de Allerhoogsten, die over de koninkrijken van de mensen regeren, uiteindelijk dit volk omverwerpen en de positie van deze heersers vernietigen, beveel ik jullie samen te werken met deze oudsten in Israël. Jullie hoeven je niet bij hen aan te sluiten in hun plannen om de MensenZoon te vernietigen, maar in alles wat met de vrede van Israël te maken heeft, moeten jullie je aan hen onderwerpen. Doe in al deze zaken wat zij jullie opdragen en houd je aan de essentiële regels van de wet, maar volg hun slechte werken niet. Bedenk, dit is de zonde van deze heersers: ze zeggen het goede, maar ze doen het niet. Jullie weten heel goed hoe deze leiders aan jullie zware lasten opleggen, lasten die zwaar zijn om te dragen, en dat ze geen vinger zullen uitsteken om jullie te helpen deze zware lasten te dragen. Ze hebben jullie onderdrukt met ceremonies en jullie onderworpen aan tradities.
“Bovendien scheppen deze egocentrische heersers er behagen in hun goede werken te doen, zodat ze door mensen gezien zullen worden. Ze maken hun gebedsriemen breed en vergroten de randen van hun ambtsgewaden. Ze hunkeren naar de ereplaatsen bij de feesten en eisen de ereplaatsen in de synagogen. Ze begeren lofbetuigingen op de marktplaatsen en willen door iedereen rabbi genoemd worden. En zelfs terwijl ze al deze eer van mensen zoeken, nemen ze in het geheim de huizen van weduwen in beslag en profiteren ze van de diensten van de heilige tempel. Voor de schijn bidden deze huichelaars in het openbaar lange gebeden en geven ze aalmoezen om de aandacht van hun medemensen te trekken.”
“Hoewel jullie je heersers moeten eren en je leraren moeten vereren, mogen jullie niemand in spirituele zin Vader noemen, want er is er één die jullie Vader is, namelijk God. Jullie moeten er ook niet naar streven om over je broeders in het koninkrijk te heersen. Bedenk dat ik jullie heb geleerd dat degene die de grootste onder jullie wil zijn, de dienaar van allen moet worden. Als jullie jezelf voor God verheffen, zullen jullie zeker vernederd worden; maar wie zichzelf werkelijk nederig maakt, zal zeker verhoogd worden. Zoek in je dagelijks leven niet naar zelfverheerlijking, maar naar de glorie van God. Maak je eigen wil op intelligente wijze ondergeschikt aan de wil van de Vader in de hemel.”
“Vergis je niet in mijn woorden. Ik draag geen wrok jegens deze hogepriesters en leiders die nu al mijn ondergang zoeken. Ik koester geen wrok jegens deze schriftgeleerden en Farizeeën die mijn leringen verwerpen. Ik weet dat velen van u in het geheim geloven, en ik weet dat u openlijk uw trouw aan het koninkrijk zult belijden wanneer mijn uur komt. Maar hoe zullen uw rabbijnen zich rechtvaardigen, aangezien zij beweren met God te praten en vervolgens de pretentie hebben hem te verwerpen en te vernietigen die komt om de Vader aan de werelden te openbaren?”
“Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars! U wilt de deuren van het hemelse koninkrijk sluiten voor oprechte mensen, omdat zij nu eenmaal ongeleerd zijn in de wegen van uw leer. U weigert het koninkrijk binnen te gaan en doet tegelijkertijd alles wat in uw vermogen ligt om alle anderen de toegang te ontzeggen. U staat met uw rug naar de deuren van de verlossing en strijdt tegen allen die daar willen binnengaan.”
“Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars die u bent! Want u bewerkt inderdaad land en zee om één proseliet [iemand die ot het Joodse geloof bekeert, maar van oorsprong geen Jood is] te maken, en wanneer u daarin slaagt, bent u niet tevreden totdat u hem twee keer erger hebt gemaakt dan hij was als kind van de niet-Joden.”
“Wee u, hogepriesters en leiders die beslag leggen op de bezittingen van de armen en hoge bedragen eisen van hen die God willen dienen zoals zij denken dat Mozes heeft verordend! U die weigert genade te tonen, kunt u hopen op genade in de toekomende wereld?”
“Wee u, valse leraren, blinde gidsen! Wat kan er van een volk verwacht worden wanneer de blinden de blinden leiden? Beiden zullen struikelen in de put van vernietiging.”
“Wee u, die net doet alsof wanneer u een eed aflegt! U bent bedriegers, want u leert dat iemand bij de tempel mag zweren en zijn eed mag breken, maar dat wie zweert bij het goud in de tempel gebonden moet blijven aan die eed. U bent allen dwazen en blinden. U bent zelfs niet consequent in uw oneerlijkheid, want wat is belangrijker, het goud of de tempel die zogenaamd het goud heeft geheiligd? U leert ook dat als iemand zweert bij het altaar, het niets is; maar dat als iemand zweert bij de gift die op het altaar ligt, hij dan als schuldenaar zal worden beschouwd. Nogmaals, bent u blind voor de waarheid, want wat is belangrijker, de gift of het altaar dat de gift heiligt? Hoe kunt u zulke huichelarij en oneerlijkheid rechtvaardigen in de ogen van de God in de hemel?”
“Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën en alle andere huichelaars die er zeker van zijn dat ze tienden geven van munt, anijs en komijn, maar tegelijkertijd de gewichtiger zaken van de wet – geloof, barmhartigheid en oordeel – negeren! Binnen de grenzen van het redelijke had je het ene moeten doen, maar het andere niet nalaten. Jullie zijn waarlijk blinde gidsen en domme leraren; jullie zeven de mug uit en slikken de kameel door.”
“Wee u, schriftgeleerden, Farizeeën en huichelaars! Want u bent nauwgezet in het reinigen van de buitenkant van de beker en de schotel, maar van binnen blijft het vuil van afpersing, buitensporigheden en bedrog achter. U bent spiritueel blind. Beseft u niet hoeveel beter het zou zijn om eerst de binnenkant van de beker te reinigen, en dat wat overloopt vanzelf de buitenkant reinigt? U goddeloze verworpenen! U laat de uiterlijke gebruiken van uw godsdienst in overeenstemming zijn met de letter van uw interpretatie van de wet van Mozes, terwijl uw ziel doordrenkt is van ongerechtigheid en vervuld van moord.”
“Wee u allen die de waarheid verwerpen en genade versmaden! Velen van u zijn als gewitte graven, die van buiten mooi lijken, maar van binnen vol doodsbeenderen en allerlei onreinheid zitten. Zo ook u, die de raad van God willens en wetens verwerpt, u lijkt voor de mensen van buitenaf heilig en rechtvaardig, maar van binnen is uw hart vervuld van huichelarij en onrecht.”
“Wee u, valse leiders van een volk! Daarginds hebt u een monument opgericht voor de gemartelde profeten van weleer, terwijl u samenzweert om hem te vernietigen over wie zij spraken. U versiert de graven van de rechtvaardigen en vleit uzelf dat u, als u in de dagen van uw vaderen had geleefd, de profeten niet zou hebben gedood. En dan, in het aangezicht van zo’n zelfingenomen denken, maakt u zich gereed om hem te doden over wie de profeten spraken, de MensenZoon. Door deze dingen te doen, getuigt u voor uzelf dat u de goddeloze zonen bent van hen die de profeten doodden. Ga dan maar door en vul de beker van uw veroordeling tot de rand toe!”
“Wee u, kinderen van het kwaad! Johannes noemde u terecht adderengebroed, en ik vraag u hoe u kunt ontsnappen aan het oordeel dat Johannes over u heeft uitgesproken?”
“Maar zelfs nu bied ik jullie in de naam van mijn Vader genade en vergeving aan. Zelfs nu reik ik de liefdevolle hand van eeuwige broederschap en kind-van-God-zijn aan. Mijn Vader heeft jullie de wijzen en de profeten gezonden; sommigen hebben jullie vervolgd en anderen gedood. Toen verscheen Johannes, die de komst van de MensenZoon verkondigde, en hem hebben jullie vernietigd nadat velen zijn leer hadden geloofd. En nu maken jullie je klaar om nog meer onschuldig bloed te vergieten. Begrijpen jullie niet dat er een vreselijke dag van afrekening zal komen, waarop de Rechter van de hele aarde van dit volk rekenschap zal eisen voor de manier waarop zij deze boodschappers van de hemel hebben verworpen, vervolgd en vernietigd? Begrijpen jullie niet dat jullie rekenschap moeten afleggen van al dit rechtvaardige bloed, vanaf de eerste profeet die werd gedood tot aan de tijd van Zechariah, die werd gedood tussen het heiligdom en het altaar? En als jullie doorgaan met jullie slechte wegen, kan deze verantwoording van deze generatie worden geëist.”
“O Jeruzalem en de kinderen van Abraham, jullie die de profeten gestenigd en de leraren gedood hebben die tot jullie gezonden waren, zelfs nu zou ik jullie kinderen willen bijeenbrengen zoals een hen haar kuikens onder haar vleugels verzamelt, maar jullie zullen niet!”
“En nu neem ik afscheid van jullie. Jullie hebben mijn boodschap gehoord en je besluit genomen. Degenen die mijn evangelie hebben geloofd, zijn nu veilig in het koninkrijk van God. Tot jullie die ervoor gekozen hebben de gift van God te verwerpen, zeg ik dat jullie mij niet meer in de tempel zullen zien onderwijzen. Mijn werk voor jullie is volbracht. Zie, ik ga nu met mijn kinderen weg, en jullie huis wordt aan jullie overgelaten!”
En toen wenkte de Meester zijn volgelingen om de tempel te verlaten.
Status van individuele Joden
Het feit dat de spirituele leiders en religieuze leraren van de Joodse natie ooit de leringen van Jezus verwierpen en samenspanden om zijn wrede dood te bewerkstelligen, heeft op geen enkele wijze invloed op de status van welke individuele Jood dan ook in zijn positie voor God. En het zou er niet toe moeten leiden dat degenen die belijden volgelingen van Christus te zijn, vooroordelen hebben jegens de Jood als medemens. De Joden, als natie, als sociaal-politieke groep, hebben de verschrikkelijke prijs van het verwerpen van de Vredevorst volledig betaald. Ze zijn al lang geleden opgehouden de spirituele fakkeldragers van goddelijke waarheid te zijn voor de rassen van de mensheid, maar dit vormt geen geldige reden waarom de individuele nakomelingen van deze lang geleden levende Joden de vervolgingen zouden moeten ondergaan die hen zijn aangedaan door intolerante, onwaardige en bekrompen belijdende volgelingen van Jezus van Nazareth, die zelf een Jood was van natuurlijke geboorte.
Vele malen heeft deze onredelijke en onchristelijke haat en vervolging van moderne Joden geleid tot het lijden en de dood van een onschuldige en niet-beledigende Joodse persoon, wiens voorouders, ten tijde van Jezus, zijn evangelie van harte aanvaardden en spoedig onwrikbaar stierven voor die waarheid waarin zij zo hartstochtelijk geloofden. Wat een huivering van afschuw gaat er door de toekijkende hemelse wezens heen wanneer zij zien hoe de belijdende volgelingen van Jezus zich overgeven aan het vervolgen, lastigvallen en zelfs vermoorden van de latere nakomelingen van Petrus, Filippus, Mattheus en andere Palestijnse Joden die zo glorieus hun leven gaven als de eerste martelaren van het evangelie van het hemelse koninkrijk!
Hoe wreed en onredelijk is het om onschuldige kinderen te dwingen te lijden voor de zonden van hun voorouders, wandaden waarvan zij volkomen onwetend zijn en waarvoor zij op geen enkele manier verantwoordelijk kunnen worden gehouden! En zulke slechte daden te verrichten in naam van iemand die zijn discipelen leerde zelfs hun vijanden lief te hebben! Het is noodzakelijk geworden om in dit verhaal over het leven van Jezus de manier te beschrijven waarop sommige van zijn mede-Joden hem verwierpen en samenspanden om zijn schandelijke dood te bewerkstelligen.
Maar we willen iedereen die dit verhaal leest waarschuwen dat de presentatie van zo’n historisch verhaal op geen enkele manier de onrechtvaardige haat rechtvaardigt, noch de oneerlijke houding goedkeurt die zo veel belijdende christenen eeuwenlang jegens individuele Joden hebben gekoesterd. Koninkrijksgelovigen, zij die de leer van Jezus volgen, moeten ophouden de individuele Jood te mishandelen als iemand die schuldig is aan de verwerping en kruisiging van Jezus. De Vader en zijn Schepperzoon hebben nooit opgehouden de Joden lief te hebben. God kent geen aanzien des persoons, en verlossing is er zowel voor de Jood als voor de niet-Jood.
De noodlottige Sanhedrinvergadering
Om acht uur op deze dinsdagavond werd de noodlottige vergadering van het Sanhedrin geopend. Bij vele eerdere gelegenheden had dit hooggerechtshof van het Joodse volk informeel de dood van Jezus bevolen. Vele malen had dit verheven bestuursorgaan besloten een einde te maken aan zijn werk, maar nooit eerder hadden ze besloten hem te arresteren en zijn dood te bewerkstelligen, koste wat kost. Het was vlak voor middernacht op deze dinsdag, 4 april, 30 n.Chr., dat het Sanhedrin, zoals het toen was samengesteld, officieel en unaniem stemde om het doodvonnis op te leggen aan zowel Jezus als Lazarus. Dit was het antwoord op de laatste oproep van de Meester aan de Joodse oversten, die hij slechts enkele uren eerder in de tempel had gedaan, en het vertegenwoordigde hun bittere reactie op de laatste en krachtige aanklacht van Jezus tegen diezelfde hogepriesters en Sadduceeën en Farizeeën, zonder berouw. Het uitspreken van het doodvonnis (zelfs vóór zijn proces) over de Zoon van God was het antwoord van het Sanhedrin op het laatste aanbod van hemelse genade dat ooit aan de Joodse natie als zodanig zou worden gedaan.
Vanaf dat moment moesten de Joden hun korte periode van nationaal leven voltooien, geheel in overeenstemming met hun puur menselijke status onder de naties van de aarde. Israël had de Zoon van de God die een verbond met Abraham had gesloten, verworpen, en het plan om de kinderen van Abraham tot lichtbrengers van de waarheid voor de wereld te maken, was verbrijzeld. Het goddelijke verbond was opgeheven en het einde van de Hebreeuwse natie naderde met rasse schreden.
De beambten van het Sanhedrin kregen de volgende ochtend vroeg de opdracht Jezus te arresteren, maar met de instructie dat hij niet in het openbaar mocht worden gearresteerd. Hun werd verteld dat ze hem in het geheim moesten arresteren, bij voorkeur plotseling en ’s nachts. Omdat ze begrepen dat hij die dag (woensdag) misschien niet zou terugkeren om in de tempel te onderwijzen, gaven ze deze beambten van het Sanhedrin de opdracht om hem ‘donderdag vóór middernacht voor het hoge Joodse gerechtshof te brengen’.
De situatie in Jeruzalem
Aan het einde van de laatste toespraak van Jezus in de tempel bleven de apostelen opnieuw in verwarring en ontsteltenis achter. Voordat de Meester zijn vreselijke veroordeling van de Joodse leiders begon, was Judas teruggekeerd naar de tempel, zodat alle twaalf de tweede helft van de laatste toespraak in de tempel hoorden. Het is jammer dat Judas Iscariot de eerste, genadevolle helft van deze afscheidsrede niet heeft kunnen horen. Hij hoorde dit laatste aanbod van genade aan de Joodse leiders niet omdat hij nog in gesprek was met een bepaalde groep Sadduceese familieleden en vrienden met wie hij had geluncht en met wie hij overlegde over de meest geschikte manier om zich te distantiëren van Jezus en zijn mede-apostelen. Terwijl hij luisterde naar de laatste aanklacht van de Meester tegen de Joodse leiders en leiders, besloot Judas uiteindelijk en volledig de evangeliebeweging te verlaten en zijn handen in onschuld te wassen. Niettemin verliet hij samen met de twaalf de tempel en ging met hen mee naar de Olijfberg, waar hij met zijn mede-apostelen luisterde naar die noodlottige toespraak over de verwoesting van Jeruzalem en het einde van de Joodse natie. Die dinsdagavond bleef hij bij hen in het nieuwe kamp bij Gethsemane.
De menigte die Jezus hoorde overgaan van zijn barmhartige oproep aan de Joodse leiders naar die plotselinge en scherpe berisping die grensde aan een meedogenloze veroordeling, was verbaasd en verbijsterd. Die nacht, terwijl het Sanhedrin zich bezighield met het doodsoordeel over Jezus, en terwijl de Meester met zijn apostelen en enkele van zijn discipelen op de Olijfberg zat en de dood van de Joodse natie voorspelde, was heel Jeruzalem gewijd aan de serieuze en onderdrukte discussie over slechts één vraag: “Wat zullen ze met Jezus doen?”
In het huis van Nicodemus kwamen meer dan dertig vooraanstaande Joden, die in het geheim in het koninkrijk geloofden, bijeen om te bespreken welke koers ze zouden varen in het geval van een openlijke breuk met het Sanhedrin. Alle aanwezigen waren het erover eens dat ze openlijk hun trouw aan de Meester zouden belijden op het moment dat ze van zijn arrestatie zouden horen. En dat deden ze dan ook.
De Sadduceeën, die nu het Sanhedrin controleerden en domineerden, wilden Jezus om de volgende redenen uit de weg ruimen:
- Ze vreesden dat de toenemende populariteit waarmee de menigte hem beschouwde, het bestaan van de Joodse natie in gevaar dreigde te brengen door mogelijke betrokkenheid van de Romeinse autoriteiten.
- Zijn ijver voor tempelhervorming raakte hun inkomsten rechtstreeks; de reiniging van de tempel had gevolgen voor hun portemonnee.
- Ze voelden zich verantwoordelijk voor het behoud van de sociale orde en vreesden de gevolgen van de verdere verspreiding van de vreemde en nieuwe leer van Jezus over de broederschap van de mensen.
De Farizeeën hadden verschillende motieven om Jezus ter dood te willen zien. Ze vreesden hem omdat:
- Hij zich in een felle oppositie bevond tegen hun traditionele greep op het volk. De Farizeeën waren ultraconservatief en ze waren bitter verontwaardigd over deze zogenaamd radicale aanvallen op hun gevestigde prestige als religieuze leraren.
- Ze waren van mening dat Jezus een wetsovertreder was; dat hij volkomen minachting had getoond voor de sabbath en talloze andere wettelijke en ceremoniële vereisten.
- Ze beschuldigden hem van godslastering omdat hij God als zijn Vader aanduidde.
- En nu waren ze woedend op hem vanwege zijn laatste bittere veroordeling die hij vandaag in de tempel had uitgesproken als slot van zijn afscheidsrede.
Nadat het Sanhedrin formeel de dood van Jezus had bevolen en bevelen tot zijn arrestatie had uitgevaardigd, werd de vergadering op deze dinsdag rond middernacht geschorst, nadat ze hadden afgesproken om de volgende ochtend om tien uur bijeen te komen in het huis van de hogepriester Caiaphas om de aanklachten te formuleren op grond waarvan Jezus terecht moest staan.
Een kleine groep Sadduceeën had daadwerkelijk voorgesteld Jezus door middel van moord uit de weg te ruimen, maar de Farizeeën weigerden pertinent een dergelijke procedure te tolereren.
En dit was de situatie in Jeruzalem en onder de mensen op deze gedenkwaardige dag, terwijl een enorme menigte hemelse wezens boven dit gewichtige tafereel op aarde zweefde, verlangend om iets te doen om hun geliefde Soeverein en Schepper te helpen, maar machteloos om te handelen omdat ze effectief werden tegengehouden door hun bevelvoerende superieuren.
Dit hoofdstuk is een nieuwe Nederlandse vertaling gebaseerd op Paper 175 van het Urantia Boek: https://www.urantia.org
