Inleiding
Het was ongeveer tien uur deze donderdagavond toen Jezus de elf apostelen vanuit het huis van Elijah en Maria Marcus terugleidde naar het kamp in Gethsemane. Sinds die dag in de heuvels had Johannes Marcus er zijn taak van gemaakt om Jezus nauwlettend in de gaten te houden. Johannes Marcus, die slaap nodig had, had enkele uren rust genomen terwijl de Meester met zijn apostelen in de bovenzaal was, maar toen hij hen naar beneden hoorde komen, stond hij op en sloeg snel een linnen mantel om zich heen. Hij volgde hen door de stad, over de beek Kidron, en verder naar hun privékamp naast het Gethsemane-park. En Johannes Marcus bleef de hele nacht en de volgende dag zo dicht bij de Meester dat hij alles zag en veel hoorde van wat de Meester vanaf dat moment tot aan het uur van de kruisiging zei.
Terwijl Jezus en de elf terugliepen naar het kamp, begonnen de apostelen zich af te vragen wat de langdurige afwezigheid van Judas te betekenen had. Ze spraken met elkaar over de voorspelling van de Meester dat een van hen hem zou verraden. Voor het eerst vermoedden ze dat het niet goed ging met Judas Iscariot. Maar ze uitten geen openlijk commentaar op Judas totdat ze het kamp bereikten en zagen dat hij daar niet stond te wachten om hen te ontvangen. Toen ze Andreas met z’n allen belegerden om te weten wat er met Judas was gebeurd, zei hun leider alleen: “Ik weet niet waar Judas is, maar ik vrees dat hij ons in de steek heeft gelaten.”
Het laatste groepsgebed
Enkele ogenblikken na aankomst in het kamp zei Jezus tot hen: “Mijn vrienden en broeders, mijn tijd bij jullie is nu heel kort, en ik wil dat we ons afzonderen en bidden tot onze Vader in de hemel om kracht om ons te steunen in dit uur en voortaan in al het werk dat we in zijn naam moeten doen.”
Nadat Jezus dit had gezegd, leidde hij de weg een stukje de Olijfberg op, en met het volle uitzicht op Jeruzalem beval hij hen om in een kring om hem heen op een grote, platte rots te knielen, zoals ze hadden gedaan op de dag van hun wijding; en toen, terwijl hij daar te midden van hen stond, verheerlijkt in het zachte maanlicht, hief hij zijn ogen op naar de hemel en bad:
“Vader, mijn uur is gekomen; verheerlijk nu Uw Zoon, opdat de Zoon U moge verheerlijken. Ik weet dat U mij volledige autoriteit hebt gegeven over alle levende wezens in mijn rijk, en ik zal het eeuwige leven geven aan allen die geloofskinderen van God zullen worden. En dit is het eeuwige leven, dat mijn schepselen U kennen als de enige ware God en Vader van allen, en dat zij geloven in Hem die U in de wereld hebt gezonden. Vader, ik heb U op aarde verhoogd en het werk volbracht dat U mij te doen hebt gegeven. Ik heb mijn schenking aan de kinderen van onze eigen schepping bijna voltooid; het enige dat mij rest, is mijn leven in dit lichaam af te leggen. En nu, o mijn Vader, verheerlijk mij met de heerlijkheid die ik bij U had voordat deze wereld was en ontvang mij nogmaals aan Uw rechterhand.”
“Ik heb U geopenbaard aan de mensen die U uit de wereld hebt gekozen en aan mij hebt gegeven. Zij zijn van U – zoals al het leven in Uw handen is – U hebt ze aan mij gegeven, en ik heb onder hen geleefd, hun de weg van het leven geleerd, en zij hebben geloofd. Deze mannen leren dat alles wat ik heb van U komt, en dat het leven dat ik in het lichaam leef, is om mijn Vader aan de werelden bekend te maken. De waarheid die U mij hebt gegeven, heb ik aan hen geopenbaard. Deze, mijn vrienden en ambassadeurs, hebben oprecht Uw woord willen ontvangen. Ik heb hun verteld dat ik van U ben voortgekomen, dat U mij in deze wereld hebt gezonden en dat ik op het punt sta naar U terug te keren. Vader, ik bid voor deze uitverkoren mannen. En ik bid voor hen niet zoals ik voor de wereld zou bidden, maar als voor hen die ik uit de wereld heb gekozen om mij in de wereld te vertegenwoordigen nadat ik ben teruggekeerd naar Uw werk, zoals ik U in deze wereld heb vertegenwoordigd tijdens mijn verblijf in het lichaam. Deze mannen zijn van mij; U hebt ze aan mij gegeven; maar alles wat van mij is, is altijd van U, en alles wat van U was, hebt U nu van mij gemaakt. U bent in mij verheven, en ik bid nu dat ik in deze mannen geëerd mag worden. Ik kan niet langer in deze wereld zijn; ik sta op het punt terug te keren naar het werk dat U mij hebt gegeven te doen. Ik moet deze mannen achterlaten om ons en ons koninkrijk onder de mensen te vertegenwoordigen. Vader, houd deze mannen trouw terwijl ik me voorbereid om mijn leven in het lichaam op te geven. Help deze, mijn vrienden, om één in spirit te zijn, zoals wij één zijn. Zolang ik bij hen kon zijn, kon ik over hen waken en hen leiden, maar nu sta ik op het punt weg te gaan. Wees bij hen, Vader, totdat we de nieuwe leraar kunnen sturen om hen te troosten en te versterken.”
“U gaf mij twaalf mannen, en ik heb ze allen behouden, behalve één, de zoon van wraak, die geen verdere verbondenheid met ons wilde. Deze mannen zijn zwak en broos, maar ik weet dat we hen kunnen vertrouwen; ik heb hen beproefd; zij hebben mij lief, zoals zij U vereren. Hoewel zij vanwege mij veel moeten lijden, verlang ik ernaar dat zij ook vervuld worden van de vreugde van de zekerheid van het kind-schap in het hemelse koninkrijk. Ik heb deze mannen Uw woord gegeven en hun de waarheid geleerd. De wereld mag hen haten, zoals zij mij heeft gehaat, maar ik vraag niet dat U hen uit de wereld wegneemt, alleen dat U hen bewaart voor het kwaad in de wereld. Heilig hen in de waarheid; Uw woord is waarheid. En zoals U mij in deze wereld hebt gezonden, zo sta ik op het punt deze mannen de wereld in te sturen. Om wille van hen heb ik onder de mensen geleefd en mijn leven aan Uw dienst gewijd, opdat ik hen zou kunnen inspireren om gezuiverd te worden door de waarheid die ik hun heb geleerd en de liefde die ik aan hen heb geopenbaard. Ik weet heel goed, mijn Vader, dat het niet nodig is dat ik U vraag om over deze broeders te waken nadat ik heengegaan ben; ik weet dat U hen liefhebt zoals ik, maar ik doe dit opdat zij des te beter mogen beseffen dat de Vader sterfelijke mensen liefheeft zoals de Zoon dat doet.”
“En nu, mijn Vader, wil ik niet alleen bidden voor deze elf mannen, maar ook voor alle anderen die nu geloven, of die later het evangelie van het koninkrijk zullen geloven door het woord van hun toekomstige bediening. Ik wil dat zij allen één zijn, zoals U en ik één zijn. U bent in mij en ik ben in U, en ik verlang dat deze gelovigen eveneens in Ons zijn; dat Onze beider Spirit in hen woont. Als mijn kinderen één zijn zoals wij één zijn, en als zij elkaar liefhebben zoals ik hen heb liefgehad, zullen alle mensen geloven dat ik van U ben uitgegaan en bereid zijn de openbaring van waarheid en heerlijkheid te ontvangen die ik heb gegeven. De heerlijkheid die U mij hebt gegeven, heb ik aan deze gelovigen geopenbaard. Zoals U in de spirit met mij geleefd hebt, zo heb ik in een lichaam met hen geleefd. Zoals U één met mij bent geweest, zo ben ik één met hen geweest, en zo zal de nieuwe leraar altijd één met hen en in hen zijn. En dit alles heb ik gedaan, opdat mijn broeders in het lichaam mogen weten dat de Vader hen liefheeft zoals de Zoon, en dat U hen liefhebt zoals U mij liefhebt. Vader, werk met mij mee om deze gelovigen te redden, zodat zij spoedig bij mij in heerlijkheid mogen zijn en zich vervolgens bij U mogen voegen in de omhelzing van het Paradijs. Degenen die met mij dienen in nederigheid, wil ik bij mij hebben in heerlijkheid, zodat zij alles mogen zien wat U in mijn handen hebt gelegd als de eeuwige oogst van het zaad dat in de tijd is gezaaid in de gelijkenis van het sterfelijk lichaam. Ik verlang ernaar mijn aardse broeders de heerlijkheid te laten zien die ik bij U had vóór de grondlegging van deze wereld. Deze wereld weet heel weinig van U, rechtvaardige Vader, maar ik ken U, en ik heb U aan deze gelovigen bekendgemaakt, en zij zullen Uw naam aan andere generaties bekendmaken. En nu beloof ik hun dat U bij hen zult zijn in de wereld, net zoals U bij mij bent geweest – zo zal het zijn.”
De elf bleven enkele minuten in deze kring rond Jezus knielen voordat ze opstonden en in stilte teruggingen naar het nabijgelegen kamp.
Jezus bad voor eenheid onder zijn volgelingen, maar hij verlangde geen uniformiteit. Zonde creëert een dood niveau van kwade inertie, maar rechtschapenheid voedt de scheppende spirit van individuele ervaring: a. met de levende realiteiten van eeuwige waarheid en b. met de voortgaande verbondenheid van de goddelijke spirits van de Vader en de Zoon. In de spirituele gemeenschap van het gelovige kind met de goddelijke Vader kan er nooit sprake zijn van
a. doctrinaire finaliteit [dat een bepaalde leer of doctrine VAST staat en niet meer levend is] en
b. sektarische superioriteit van groepsbewustzijn [dat een bepaalde groep zich afscheidt en zich superieur voelt].
De Meester zinspeelde tijdens dit laatste gebed met zijn apostelen op het feit dat Hij de naam van de Vader aan de wereld had geopenbaard. En dat is wat hij werkelijk deed door de openbaring van God door zijn volmaakte leven in het lichaam. De Vader in de hemel had geprobeerd Zichzelf aan Mozes te openbaren, maar Hij kon niet verder gaan dan te laten zeggen: “IK BEN.” En toen er bij Hem werd aangedrongen op verdere openbaring van Zichzelf, werd er alleen onthuld: “IK BEN die IK BEN.” Maar toen Jezus zijn aardse leven had voltooid, was deze Naam van de Vader zo geopenbaard dat de Meester, die de Vader-in-een lichaam was, naar waarheid kon zeggen:
- Ik ben het brood van leven.
- Ik ben het levende water.
- Ik ben het licht van de wereld.
- Ik ben het verlangen van alle tijden.
- Ik ben de open deur naar eeuwige verlossing.
- Ik ben de werkelijkheid van het eindeloze leven.
- Ik ben de goede herder.
- Ik ben het pad naar oneindige volmaaktheid.
- Ik ben de opstanding en het leven.
- Ik ben het geheim van eeuwig overleven.
- Ik ben de weg, de waarheid en het leven.
- Ik ben de oneindige Vader van mijn eindige kinderen.
- Ik ben de ware wijnstok; jullie zijn de ranken.
- Ik ben de hoop van allen die de levende waarheid kennen.
- Ik ben de levende brug van de ene wereld naar de andere.
- Ik ben de levende schakel tussen tijd en eeuwigheid.
Zo breidde Jezus de levende openbaring van Gods naam uit naar alle generaties. Zoals goddelijke liefde de aard van God onthult, openbaart eeuwige waarheid Zijn Naam in steeds grotere proporties.
Laatste uur voor het verraad
De apostelen waren zeer geschokt toen ze terugkeerden naar hun kamp en Judas afwezig bleek. Terwijl de elf verwikkeld waren in een verhitte discussie over hun verraderlijke mede-apostel, namen David Zebedeüs en Johannes Marcus Jezus apart en onthulden dat ze Judas enkele dagen in de gaten hadden gehouden en dat ze wisten dat hij van plan was hem aan zijn vijanden te verraden. Jezus luisterde naar hen, maar zei alleen: “Mijn vrienden, er kan de MensenZoon niets overkomen, tenzij de Vader in de hemel het wil. Laat jullie hart niet verontrust zijn; alle dingen zullen meewerken tot eer van God en tot redding van de mensen.”
De opgewekte houding van Jezus nam af. Naarmate het uur verstreek, werd hij steeds ernstiger, zelfs bedroefd. De apostelen, die zeer geagiteerd waren, waren onwillig om naar hun tenten terug te keren, zelfs toen de Meester hen zelf verzocht. Terugkerend van zijn gesprek met David en Johannes richtte hij zijn laatste woorden tot alle elf: “Mijn vrienden, ga ter ruste. Bereid je voor op het werk van morgen. Bedenk dat wij ons allen moeten onderwerpen aan de wil van de Vader in de hemel. Mijn vrede laat ik bij jullie.” En na dit gezegd te hebben, wenkte hij hen naar hun tenten, maar terwijl ze weggingen, riep hij Petrus, Jacobus en Johannes en zei: “Ik wil graag dat jullie nog even bij mij blijven.”
De apostelen vielen alleen in slaap omdat ze letterlijk uitgeput waren. Ze hadden sinds hun aankomst in Jeruzalem slaapgebrek gehad. Voordat ze naar hun aparte slaapvertrekken gingen, leidde Simon Zelotes hen allen naar zijn tent, waar de zwaarden en andere wapens waren opgeslagen, en voorzag hen allen van deze gevechtsuitrusting. Allen namen deze wapens aan en omgordden zich ermee, behalve Nathanaël. Nathanaël weigerde zich te bewapenen en zei: “Broeders, de Meester heeft ons herhaaldelijk verteld dat zijn koninkrijk niet van deze wereld is en dat zijn discipelen niet met het zwaard moeten vechten om het te vestigen. Ik geloof dit; ik denk niet dat de Meester ons met het zwaard ter verdediging nodig heeft. We hebben allemaal zijn enorme kracht gezien en weten dat hij zich tegen zijn vijanden kan verdedigen als hij dat wil. Als hij zijn vijanden niet wil weerstaan, moet dat zijn poging zijn om de wil van zijn Vader te vervullen. Ik zal bidden, maar ik zal het zwaard niet hanteren.” Toen Andreas Nathanaëls toespraak hoorde, gaf hij zijn zwaard terug aan Simon Zelotes. Zo waren negen van hen bewapend toen ze uiteengingen voor de nacht.
Wrok over het verraad van Judas overschaduwde op dat moment alles in de gedachten van de apostelen. De opmerking van de Meester over Judas, uitgesproken tijdens het laatste gebed, opende hun ogen voor het feit dat hij hen had verlaten.
Nadat de acht apostelen eindelijk naar hun tenten waren gegaan, en terwijl Petrus, Jacobus en Johannes klaarstonden om de bevelen van de Meester te ontvangen, riep Jezus David Zebedeüs toe: ‘Stuur uw snelste en meest betrouwbare boodschapper naar mij toe.’ Toen David Jacob, een nachtkoerier tussen Jeruzalem en Bethsaida, bij de Meester bracht, zei Jezus tegen hem: “Ga snel naar Abner in Philadelphia en zeg: ‘De Meester zendt jullie vredegroeten en zegt dat het uur gekomen is dat hij zal worden overgeleverd aan zijn vijanden, die hem ter dood zullen brengen. Maar hij zal uit de dood opstaan en binnenkort aan jullie verschijnen, voordat hij naar de Vader gaat; en dat hij jullie dan aanwijzingen zal geven over de tijd dat de nieuwe leraar zal komen om in jullie harten te wonen.'” En toen Jacob deze boodschap tot tevredenheid van de Meester had herhaald, stuurde Jezus hem weg met de woorden: “Wees niet bang voor wat iemand je zou kunnen aandoen, Jacob, want vannacht zal er een onzichtbare boodschapper naast je rennen.”
Toen wendde Jezus zich tot de leider van de bezoekende Grieken die bij hen gelegerd waren, en zei: “Mijn broeder, wees niet verontrust door wat er gaat gebeuren, want ik heb u al gewaarschuwd. De MensenZoon zal ter dood gebracht worden op instigatie van zijn vijanden, de hogepriesters en de leiders van de Joden, maar ik zal opstaan om bij u te zijn, kort voordat ik naar de Vader ga. En wanneer u dit alles hebt zien gebeuren, verheerlijk God en versterk uw broeders.”
Normaal gesproken zouden de apostelen de Meester persoonlijk goedenacht hebben gewenst, maar vanavond waren ze zo in beslag genomen door het plotselinge besef van de desertie van Judas en zo overweldigd door de ongewone aard van het afscheidsgebed van de Meester, dat ze naar zijn afscheidsgroet luisterden en in stilte weggingen.
Jezus zei dit inderdaad tegen Andreas toen hij die nacht van hem wegging: “Andreas, doe wat je kunt om je broeders bijeen te houden totdat ik weer bij je kom nadat ik deze beker heb gedronken. Versterk je broeders, aangezien ik jullie alles al verteld heb. Vrede zij met jullie.”
Geen van de apostelen verwachtte die nacht iets ongewoons, aangezien het al zo laat was. Ze zochten slaap om ’s ochtends vroeg op te staan en voorbereid te zijn op het ergste. Ze dachten dat de hogepriesters hun Meester vroeg in de ochtend zouden proberen te arresteren, omdat er na de middag op de voorbereidingsdag voor het Pascha nooit seculier werk werd gedaan. Alleen David Zebedeüs en Johannes Marcus begrepen dat de vijanden van Jezus diezelfde nacht met Judas mee zouden komen.
David had geregeld dat hij die nacht de wacht zou houden op het bovenste pad dat naar de weg van Bethanië naar Jeruzalem leidde, terwijl Johannes Marcus de wacht zou houden langs de weg die langs de Kidron naar Gethsemane liep. Voordat David aan zijn zelfopgelegde taak als buitenpost begon, nam hij afscheid van Jezus en zei: “Meester, ik heb veel vreugde gehad in mijn dienst bij u. Mijn broeders zijn uw apostelen, maar ik heb er genoegen in gehad de minder belangrijke dingen te doen zoals ze gedaan moesten worden, en ik zal u met heel mijn hart missen als u er niet meer bent.” En toen zei Jezus tegen David: “David, mijn zoon, anderen hebben gedaan wat hun opgedragen was, maar deze dienst heb je uit eigen beweging gedaan, en ik ben je toewijding niet vergeten. Ook jij zult ooit met mij dienen in het eeuwige koninkrijk.”
En toen hij zich gereedmaakte om de wacht te gaan houden bij het bovenpad, zei David tegen Jezus: “Weet u, Meester, ik heb uw familie laten komen en ik heb bericht ontvangen van een boodschapper dat ze vannacht in Jericho zijn. Ze zullen hier morgenvroeg aankomen, want het zou gevaarlijk voor hen zijn om ’s nachts de weg op te gaan.” En Jezus keek neer op David en zei alleen: “Laat het zo zijn, David.”
Toen David de Olijfberg was opgeklommen, nam Johannes Marcus zijn wacht op bij de weg die langs de beek naar Jeruzalem liep. En Johannes zou op deze post zijn gebleven als hij niet zo’n groot verlangen had gehad om dicht bij Jezus te zijn en te weten wat er gaande was. Kort nadat David hem had verlaten, en toen Johannes Marcus zag dat Jezus zich met Petrus, Jacobus en Johannes terugtrok in een nabijgelegen ravijn, werd hij zo overmand door een combinatie van toewijding en nieuwsgierigheid dat hij zijn wachtpost verliet en hen volgde, zich verstoppend in de struiken. Vanuit die plaats zag en hoorde hij alles wat er gebeurde tijdens die laatste momenten in de tuin en vlak voordat Judas en de gewapende wachters verschenen om Jezus te arresteren.
Terwijl dit alles gaande was in het kamp van de Meester, was Judas Iscariot in overleg met de kapitein van de tempelwacht, die zijn mannen had verzameld ter voorbereiding op het vertrek, onder leiding van de verrader, om Jezus te arresteren.
Alleen in Gethsemane
Nadat alles stil en rustig was in het kamp, ging Jezus, samen met Petrus, Jacobus en Johannes, een stukje de nabijgelegen kloof in, waar Hij vaak eerder was geweest om te bidden en communicatie [met de Vader] te hebben. De drie apostelen konden niet anders dan beseffen dat hij zwaar werd gekweld; nooit eerder hadden ze hun Meester zo zwaar beladen en bedroefd gezien. Toen ze bij de plaats van zijn gebeden aankwamen, beval hij de drie te gaan zitten en met hem te waken, terwijl hij op ongeveer een steenworp afstand ging bidden. En toen hij zijn gezicht naar de grond had gebogen, bad hij: “Mijn Vader, ik ben in deze wereld gekomen om Uw wil te doen, en dat heb ik ook gedaan. Ik weet dat het uur gekomen is om dit leven in het lichaam af te leggen, en ik deins daar niet voor terug, maar ik wil weten dat het Uw wil is dat ik deze beker drink. Geef mij de verzekering dat ik U in mijn dood zal behagen, net zoals ik dat in mijn leven heb gedaan.”
De Meester bleef enkele ogenblikken in gebedshouding en ging toen naar de drie apostelen. Hij trof ze vast in slaap aan, want hun ogen waren zwaar en ze konden niet wakker blijven. Toen Jezus hen wakker maakte, zei hij: “Wat! Kunnen jullie niet eens één uur met mij waken? Zien jullie dan niet dat mijn ziel zeer bedroefd is, tot de dood toe, en dat ik jullie gezelschap verlang?” Nadat de drie uit hun slaap waren ontwaakt, ging de Meester weer alleen heen, viel neer op de grond en bad opnieuw: “Vader, ik weet dat het mogelijk is deze beker te vermijden – alle dingen zijn mogelijk bij U – maar ik ben gekomen om Uw wil te doen, en hoewel dit een bittere beker is, zou ik hem drinken als het Uw wil is.” En toen hij zo had gebeden, daalde een machtige engel naast hem neer, sprak tot hem, raakte hem aan en sterkte hem.
Toen Jezus terugkeerde om met de drie apostelen te spreken, trof hij hen opnieuw vast in slaap aan. Hij wekte hen en zei: “In zo’n uur heb ik er behoefte aan dat jullie met mij waken en bidden – des te meer is het nodig dat jullie bidden dat jullie niet in verleiding komen – waarom vallen jullie in slaap wanneer ik jullie verlaat?”
En toen, voor de derde keer, trok de Meester zich terug en bad: “Vader, U ziet mijn slapende apostelen; wees hun genadig. De spirit is wel gewillig, maar het lichaam is zwak. En nu, o Vader, indien deze beker niet voorbij kan gaan, dan wil ik hem drinken. Niet mijn wil, maar de Uwe, geschiede.” En toen hij klaar was met bidden, lag hij een ogenblik languit op de grond. Toen hij opstond en terugging naar zijn apostelen, trof hij hen opnieuw slapend aan. Hij nam hen op en zei met een medelijdend gebaar teder: “Slaap nu maar en rust uit; de tijd van de beslissing is voorbij. Het uur is nu aangebroken waarin de MensenZoon zal worden overgeleverd aan zijn vijanden.” Terwijl hij zich boog om hen te schudden en wakker te maken, zei hij: “Sta op, laten we teruggaan naar het kamp, want zie, hij die mij verraadt, is nabij, en het uur is gekomen dat mijn kudde verstrooid zal worden. Maar ik heb jullie al over deze dingen verteld.”
Gedurende de jaren dat Jezus onder zijn volgelingen leefde, hadden ze inderdaad veel bewijzen van zijn goddelijke natuur, maar nu staan ze op het punt getuige te zijn van nieuwe bewijzen van zijn menselijkheid. Vlak voor de grootste van alle openbaringen van zijn goddelijkheid, zijn opstanding, moeten nu de grootste bewijzen van zijn sterfelijke natuur komen, zijn vernedering en kruisiging.
Telkens wanneer hij in de tuin bad, legde zijn menselijkheid een sterkere geloofsgreep op zijn goddelijkheid; zijn menselijke wil werd vollediger één met de goddelijke wil van zijn Vader. Onder de andere woorden die de machtige engel tot hem sprak, was de boodschap dat de Vader verlangde dat Zijn Zoon zijn aardse missie zou voltooien door de ervaring van de dood als schepsel door te maken, net zoals alle sterfelijke schepselen materiële ontbinding moeten ervaren bij de overgang van het bestaan van de tijd naar de voortgang van de eeuwigheid.
Eerder op de avond had het niet zo moeilijk geleken om de beker te drinken, maar toen de menselijke Jezus afscheid nam van zijn apostelen en hen naar hun rustplaats stuurde, werd de beproeving afschuwelijker. Jezus had de ervaring van die natuurlijke eb en vloed van gevoelens die kenmerkend is voor alle menselijke ervaringen, en juist nu was hij vermoeid van het werk, uitgeput door de lange uren van zware arbeid en pijnlijke bezorgdheid over de veiligheid van zijn apostelen. Hoewel geen sterveling zich kan aanmatigen de gedachten en gevoelens van de lichaam-geworden Zoon van God op een moment als dit te begrijpen, weten we dat hij grote angst en onnoemelijk verdriet doorstond, want het zweet rolde in grote druppels van zijn gezicht. Hij was er uiteindelijk van overtuigd dat de Vader van plan was de natuurlijke gebeurtenissen hun gang te laten gaan; hij was vastbesloten niets van zijn soevereine macht als opperste leider van een universum aan te wenden om zichzelf te redden.
De verzamelde legers van een enorme schepping zweven nu boven dit tafereel onder het voorbijgaande gezamenlijke bevel van Gabriël en de Gepersonaliseerde Mentor-Spirit van Jezus. De divisiecommandanten van deze hemelse legers zijn herhaaldelijk gewaarschuwd zich niet met deze gebeurtenissen op aarde te bemoeien, tenzij Jezus zelf hen daartoe opdracht zou geven.
De ervaring van het afscheid nemen van de apostelen was een grote belasting voor het menselijk hart van Jezus. Dit liefdesverdriet drukte op hem en maakte het moeilijker om een dood onder ogen te zien waarvan hij maar al te goed wist dat die hem te wachten stond. Hij besefte hoe zwak en onwetend zijn apostelen waren, en hij vreesde hen te moeten verlaten. Hij wist heel goed dat de tijd van zijn vertrek was gekomen, maar zijn menselijk hart verlangde ernaar te ontdekken of er mogelijk geen legitieme uitweg was uit deze vreselijke toestand van lijden en verdriet. En toen het op deze manier had geprobeerd te ontsnappen en faalde, was het bereid de beker te drinken. De goddelijke mind van Michaël wist dat hij zijn best had gedaan voor de twaalf apostelen. Maar het menselijke hart van Jezus wenste dat er meer voor hen gedaan had kunnen worden voordat ze alleen zouden worden gelaten in de wereld. Het hart van Jezus werd gebroken; hij had zijn broeders werkelijk lief. Hij was geïsoleerd van zijn aardse familie; een van zijn uitverkoren metgezellen verraadde hem. Het volk van zijn vader Jozef had hem verworpen en daarmee hun ondergang bezegeld als een volk met een speciale missie op aarde. Zijn ziel werd gekweld door verbijsterde liefde en afgewezen genade. Het was gewoon een van die vreselijke menselijke momenten waarop alles je lijkt te deprimeren met verpletterende wreedheid en vreselijke doodsangst.
De menselijkheid van Jezus was niet ongevoelig voor deze situatie van persoonlijke eenzaamheid, publieke schande en de schijn van het mislukken van zijn zaak. Al deze gevoelens drukten op hem met een onbeschrijfelijke zwaarte. In dit grote verdriet gingen zijn gedachten terug naar zijn jeugd in Nazareth en zijn vroege werk in Galilea. Ten tijde van deze grote beproeving kwamen in zijn gedachten veel van die aangename taferelen uit zijn aardse bediening naar boven. En het was vanuit deze oude herinneringen aan Nazareth, Capernaum, de berg Hermon, en aan de zonsopgang en zonsondergang aan het glinsterende Meer van Galilea, dat hij zichzelf kalmeerde terwijl hij zijn menselijk hart sterk maakte en gereed maakte om de verrader te ontmoeten die hem zo spoedig zou bedriegen.
Voordat Judas en de soldaten arriveerden, had de Meester zijn gebruikelijke kalmte volledig herwonnen; de spirit had gezegevierd over het lichaam; het geloof had zich doen gelden boven alle menselijke neigingen tot angst of twijfel. De ultieme test van de volledige verwerkelijking van de menselijke natuur was doorstaan en met goed gevolg afgelegd. Opnieuw was de MensenZoon bereid zijn vijanden met kalmte tegemoet te treden en in de volle zekerheid van zijn onoverwinnelijkheid, als een sterfelijk mens onvoorwaardelijk toegewijd aan het doen van de wil van zijn Vader.
Dit hoofdstuk is een nieuwe Nederlandse vertaling gebaseerd op Paper 182 van het Urantia Boek: https://www.urantia.org
