Inleiding
Jezus genoot een subliem en oprecht geloof in God. Hij ervoer de gewone ups en downs van het sterfelijke bestaan, maar hij twijfelde nooit religieus aan de zekerheid van Gods waakzaamheid en leiding. Zijn geloof was het resultaat van het inzicht dat voortkwam uit de activiteit van de goddelijke aanwezigheid, zijn inwonende Mentor-Spirit. Zijn geloof was niet traditioneel, en ook niet alleen maar intellectueel; het was volledig persoonlijk en puur spiritueel.
De menselijke Jezus zag God als heilig, rechtvaardig en groot, maar ook als waarachtig, mooi en goed. Al deze eigenschappen van goddelijkheid [waarheid, schoonheid en goedheid] concentreerde hij in zijn mind als de “wil van de Vader in de hemel”. De God van Jezus was tegelijkertijd “De Heilige van Israël” en “De levende en liefhebbende Vader in de hemel”. Het concept van God als Vader was niet origineel van Jezus, maar hij verheerlijkte en verhief het idee tot een sublieme ervaring door een nieuwe openbaring van God te bewerkstelligen en door te verkondigen dat ieder sterfelijk schepsel een kind is van deze Vader van liefde, een kind van God.
Jezus klampte zich niet vast aan het geloof in God zoals een worstelende ziel die in oorlog is met het universum en in een dodelijke greep is van een vijandige en zondige wereld. Hij nam niet zijn toevlucht tot geloof louter als troost te midden van moeilijkheden of als troost in dreigende wanhoop. Geloof was niet slechts een illusie als compensatie voor de onaangename realiteiten en het verdriet van het leven. Juist te midden van alle natuurlijke moeilijkheden en de tijdelijke tegenstrijdigheden van het sterfelijk bestaan ervoer hij de rust van het allerhoogste en onbetwiste vertrouwen in God en voelde hij de enorme opwinding van het leven, door geloof, in de directe aanwezigheid van de hemelse Vader. En dit triomfantelijke geloof was een levende ervaring van daadwerkelijke spirituele verwerving. De grote bijdrage van Jezus aan de waarden van de menselijke ervaring was niet dat hij zoveel nieuwe ideeën over de Vader in de hemel onthulde, maar eerder dat hij zo magnifiek en menselijk een nieuw en hoger type levend geloof in God demonstreerde. Nooit op alle werelden van dit universum, in het leven van een sterveling, werd God zo’n levende realiteit als in de menselijke ervaring van Jezus van Nazareth.
In het leven van de Meester op aarde ontdekken deze en alle andere werelden van de lokale schepping een nieuw en hoger type religie, een religie gebaseerd op persoonlijke spirituele relaties met de Universele Vader en volledig bekrachtigd door de allerhoogste autoriteit van echte persoonlijke ervaring. Dit levende geloof van Jezus was meer dan een intellectuele reflectie, en het was geen mystieke meditatie.
Theologie mag geloof dan wel vastleggen, formuleren, definiëren en dogmatiseren, maar in het menselijke leven van Jezus was geloof persoonlijk, levend, oorspronkelijk, spontaan en zuiver spiritueel. Dit geloof was geen eerbied voor traditie, en ook geen louter intellectuele overtuiging die hij als een heilige geloofsbelijdenis beschouwde, maar eerder een verheven ervaring en een diepe overtuiging die hem stevig vasthield. Zijn geloof was zo echt en allesomvattend dat het alle spirituele twijfels volledig wegvaagde en elk conflicterend verlangen effectief vernietigde. Niets kon hem losrukken van de spirituele verankering van dit vurige, verheven en onverschrokken geloof. Zelfs tegenover een schijnbare nederlaag of in de greep van teleurstelling en dreigende wanhoop, stond hij kalm in de goddelijke aanwezigheid, vrij van angst en volledig bewust van zijn spirituele onoverwinnelijkheid. Jezus genoot de verkwikkende zekerheid van het bezit van een onwrikbaar geloof, en in elke moeilijke situatie van het leven toonde hij onfeilbaar een onvoorwaardelijke loyaliteit aan de wil van de Vader. En dit sublieme geloof bleef onverschrokken, zelfs onder de wrede en verpletterende dreiging van een smadelijke dood.
Bij een religieus genie leidt een sterk spiritueel geloof vaak rechtstreeks tot rampzalig fanatisme, tot overdrijving van het religieuze ego, maar dat was niet het geval bij Jezus. Hij werd in zijn praktische leven niet ongunstig beïnvloed door zijn buitengewone geloof en spirituele verworvenheden, omdat deze spirituele verheffing een volledig onbewuste en spontane zielsuitdrukking was van zijn persoonlijke ervaring met God.
Het allesverslindende en ontembare spirituele geloof van Jezus werd nooit fanatiek, want het probeerde nooit op de loop te gaan met zijn evenwichtige intellectuele oordelen over de proportionele waarden van praktische en alledaagse sociale, economische en morele levenssituaties. De MensenZoon was een prachtig verenigde menselijke persoonlijkheid. Hij was een volmaakt begaafd goddelijk wezen. Hij was ook magnifiek gecoördineerd als een gecombineerd menselijk en goddelijk wezen dat op aarde functioneerde als één persoonlijkheid. De Meester coördineerde altijd het geloof van de ziel met de wijsheids-beoordelingen van gerijpte ervaring. Persoonlijk geloof, spirituele hoop en morele toewijding gingen altijd samen in een ongeëvenaarde religieuze eenheid van harmonieuze verbondenheid met het scherpe besef van de realiteit en heiligheid van alle menselijke loyaliteiten – persoonlijke eer, familieliefde, religieuze verplichting, sociale plicht en economische noodzaak.
Het geloof van Jezus visualiseerde alle spirituele waarden als te vinden in het koninkrijk van God; daarom zei hij: “Zoek eerst het hemelse koninkrijk.” Jezus zag in de gevorderde en ideale gemeenschap van het koninkrijk de verwezenlijking en vervulling van de “wil van God”. De kern van het gebed dat hij zijn discipelen leerde, was: “moge Uw koninkrijk komen; moge uw wil geschieden.” Nadat hij het koninkrijk aldus had opgevat als de wil van God, wijdde hij zich met verbazingwekkende zelfvergetelheid en grenzeloos enthousiasme aan de verwezenlijking ervan. Maar in heel zijn intense missie en gedurende zijn buitengewone leven verscheen nooit de woede van de fanaticus, en ook niet de oppervlakkige luchtbellen van de religieuze egoïst.
Het hele leven van de Meester werd consequent bepaald door dit levende geloof, deze verheven religieuze ervaring. Deze spirituele houding domineerde volledig zijn denken en voelen, zijn geloven en bidden, zijn onderricht en prediking. Dit persoonlijke geloof van een zoon in de zekerheid en veiligheid van de leiding en bescherming van de hemelse Vader verleende zijn unieke leven een diepe gave van spirituele realiteit. En toch, ondanks dit zeer diepe bewustzijn van een nauwe band met het goddelijke, antwoordde deze Galileeër, Gods Galileeër, toen hij werd aangesproken als Goede Leraar, onmiddellijk: “Waarom noem je mij goed?” Wanneer we geconfronteerd worden met zo’n schitterende zelfvergetelheid, beginnen we te begrijpen hoe de Universele Vader het mogelijk vond om Zich zo volledig aan hem te manifesteren en Zich door hem aan de stervelingen van de werelden te openbaren.
Jezus bracht, als mens van de werelden, aan God het grootste offer van alle: de toewijding en overgave van zijn eigen wil aan de majestueuze dienst van het doen van de goddelijke wil. Jezus interpreteerde religie altijd en consequent volledig in termen van de wil van de Vader. Wanneer je de loopbaan van de Meester bestudeert, met betrekking tot gebed of enig ander aspect van het religieuze leven, kijk dan niet zozeer naar wat hij onderwees, maar naar wat hij deed. Jezus bad nooit als een religieuze plicht. Voor hem was gebed een oprechte uiting van spirituele houding, een verklaring van zielstrouw, een betuiging van persoonlijke devotie, een uiting van dankzegging, een vermijding van emotionele spanning, een voorkoming van conflicten, een verheffing van het intellect, een veredeling van verlangen, een rechtvaardiging van morele beslissingen, een verrijking van het denken, een versterking van hogere neigingen, een wijding van impulsen, een verheldering van standpunten, een geloofsverklaring, een transcendentale overgave van de wil, een verheven bevestiging van vertrouwen, een openbaring van moed, de verkondiging van ontdekkingen, een bekentenis van opperste devotie, de bevestiging van de wijding, een techniek voor het oplossen van moeilijkheden en de machtige mobilisatie van de gecombineerde zielskrachten om alle menselijke neigingen tot egoïsme, kwaad en zonde te weerstaan. Hij leefde precies zo’n leven van biddende toewijding aan het doen van de wil van zijn Vader en beëindigde zijn leven triomfantelijk met precies zo’n gebed. Het geheim van zijn ongeëvenaarde religieuze leven was dit bewustzijn van de aanwezigheid van God; en hij bereikte het door intelligent gebed en oprechte aanbidding – een ononderbroken verbondenheid en communicatie met God – en niet door ingevingen, stemmen, visioenen of buitengewone religieuze praktijken.
In het aardse leven van Jezus was religie een levende ervaring, een directe en persoonlijke beweging van spirituele eerbied naar praktische rechtvaardigheid. Het geloof van Jezus droeg de transcendente vruchten van de goddelijke spirit. Zijn geloof was niet onvolwassen en lichtgelovig zoals dat van een kind, maar in veel opzichten leek het op het argeloze vertrouwen van de kinderlijke mind. Jezus vertrouwde God zoals een kind een ouder vertrouwt. Hij had een diep vertrouwen in het universum – net zo’n vertrouwen als het kind in zijn ouderlijke omgeving. Het oprechte geloof van Jezus in de fundamentele goedheid van het universum leek sterk op het vertrouwen van het kind in de veiligheid van zijn aardse omgeving. Hij vertrouwde op de hemelse Vader zoals een kind op zijn aardse ouder, en zijn vurige geloof twijfelde geen moment aan de zekerheid van de overmatige zorg van de hemelse Vader. Hij werd niet ernstig verontrust door angsten, twijfels en scepsis. Ongeloof belemmerde de vrije en oorspronkelijke expressie van zijn leven niet. Hij combineerde de standvastige en intelligente moed van een volwassen man met het oprechte en vertrouwende optimisme van een gelovig kind. Zijn geloof groeide tot zulke hoogten van vertrouwen dat het vrij was van angst.
Het geloof van Jezus bereikte de zuiverheid van het vertrouwen van een kind. Zijn geloof was zo absoluut en onwrikbaar dat het reageerde op de charme van het contact met medemensen en op de wonderen van het universum. Zijn gevoel van afhankelijkheid van het goddelijke was zo volledig en zo vol vertrouwen dat het de vreugde en de zekerheid van absolute persoonlijke veiligheid opleverde. Er was geen aarzelende schijn in zijn religieuze ervaring. In dit reusachtige intellect van de volwassen man heerste het geloof van het kind oppermachtig in alle zaken die betrekking hadden op het religieuze bewustzijn. Het is niet verwonderlijk dat hij ooit zei: “Tenzij je wordt als een klein kind, zul je het koninkrijk niet binnengaan.” Hoewel het geloof van Jezus als een kind was, was het in geen enkel opzicht kinderlijk.
Jezus verlangt niet van zijn discipelen dat ze in hem geloven, maar eerder dat ze met hem geloven, geloven in de werkelijkheid van Gods liefde en in vol vertrouwen de zekerheid aanvaarden van het zijn van kind-van-de-hemelse-Vader. De Meester verlangt dat al zijn volgelingen zijn transcendente geloof volledig delen. Jezus daagde zijn volgelingen op een zeer ontroerende manier uit om niet alleen te geloven wat hij geloofde, maar ook te geloven zoals hij geloofde. Dit is de volle betekenis van zijn allerhoogste eis: “Volg mij.”
Het aardse leven van Jezus was gewijd aan één groot doel: de wil van de Vader doen, religieus en door geloof het menselijk leven leiden. Het geloof van Jezus was vol vertrouwen, zoals dat van een kind, maar het was geheel vrij van aanmatiging. Hij nam robuuste en mannelijke beslissingen, trotseerde moedig talrijke teleurstellingen, overwon resoluut buitengewone moeilijkheden en ging onverschrokken de strenge eisen van de plicht tegemoet. Het vereiste een sterke wil en een onfeilbaar vertrouwen om te geloven wat Jezus geloofde en zoals hij geloofde.
Jezus: de Mens
De toewijding van Jezus aan de wil van de Vader en de dienst aan de mens was zelfs meer dan een sterfelijke beslissing en menselijke vastberadenheid; het was een oprechte toewijding van zichzelf aan zo’n onvoorwaardelijke schenking van liefde. Hoe groot het feit van de soevereiniteit van Michaël ook is, je mag de menselijke Jezus niet van de mensen afnemen. De Meester is naar de hemel opgestegen als mens, en ook als God; hij behoort aan de mensen; de mensen behoren aan hem toe. Hoe ongelukkig dat religie zelf zo verkeerd wordt geïnterpreteerd dat ze de menselijke Jezus van worstelende stervelingen afneemt! Laat de discussies over de menselijkheid of goddelijkheid van Christus niet de reddende waarheid verduisteren dat Jezus van Nazareth een religieus mens was die door geloof de wil van God leerde kennen en deed; hij was de meest waarlijk religieuze mens die ooit op aarde heeft geleefd.
De tijd is rijp om getuige te zijn van de figuurlijke opstanding van de mens Jezus uit zijn graf, te midden van de theologische tradities en religieuze dogma’s van negentien [intussen bijna twintig] eeuwen. Jezus van Nazareth mag niet langer worden opgeofferd aan zelfs het schitterende concept van de verheerlijkte Christus. Wat een transcendente dienst zou het zijn als door deze openbaring de MensenZoon uit het graf van de traditionele theologie zou worden gehaald en als de levende Jezus zou worden gepresenteerd aan de kerk die zijn naam draagt, en aan alle andere religies! De christelijke geloofsgemeenschap zal ongetwijfeld niet aarzelen om haar geloof en levenspraktijken zodanig aan te passen dat ze de Meester kan “navolgen” in de demonstratie van zijn ware leven van religieuze toewijding aan het doen van de wil van zijn Vader en van toewijding aan de onbaatzuchtige dienst aan de mens. Zijn belijdende christenen bang voor de ontmaskering van een zelfvoorzienende en ongewijde gemeenschap van sociale respectabiliteit en egoïstische economische maladaptatie? Vreest het institutionele christendom het mogelijke gevaar, of zelfs de omverwerping, van het traditionele kerkelijke gezag als de Jezus van Galilea in de minds en zielen van sterfelijke mensen wordt hersteld als het ideaal van een persoonlijk religieus leven? Inderdaad, de maatschappelijke heraanpassingen, de economische transformaties, de morele verjongingen en de religieuze herzieningen van de christelijke beschaving zouden drastisch en revolutionair zijn als de levende religie van Jezus plotseling de theologische religie over Jezus zou vervangen.
‘Jezus volgen‘ betekent persoonlijk zijn religieuze geloof delen en zich inleven in de spirit van het leven van onbaatzuchtige dienstbaarheid aan de mens van de Meester. Een van de belangrijkste dingen in het menselijk leven is te ontdekken wat Jezus geloofde, zijn idealen te ontdekken en te streven naar het bereiken van zijn verheven levensdoel. Van alle menselijke kennis is kennis van het religieuze leven van Jezus en hoe hij dat leefde, van de grootste waarde.
Het gewone volk luisterde met vreugde naar Jezus, en zij zullen opnieuw reageren op de presentatie van zijn oprechte menselijke leven van gewijde religieuze motivatie als zulke waarheden opnieuw aan de wereld verkondigd worden. Het volk luisterde met vreugde naar hem omdat hij een van hen was, een bescheiden leek; de grootste religieuze leraar ter wereld was inderdaad een leek [in de zin van: geen priester of rabbi].
Het zou niet het doel van gelovigen in het koninkrijk moeten zijn om het uiterlijke leven van Jezus in het lichaam letterlijk na te bootsen, maar veeleer om zijn geloof te delen; God te vertrouwen zoals hij God vertrouwde en in mensen te geloven zoals hij in mensen geloofde. Jezus debatteerde nooit over het vaderschap van God of de broederschap onder de mensen; hij was een levende illustratie van het een en een diepgaande demonstratie van het ander.
Net zoals mensen moeten evolueren van het bewustzijn van het menselijke naar de realisatie van het goddelijke, zo steeg Jezus op van de menselijke natuur naar het bewustzijn van de goddelijke natuur. En de Meester maakte deze grote opstijging van het menselijke naar het goddelijke door de gezamenlijke vervulling van het geloof van zijn sterfelijke intellect en de handelingen van zijn inwonende Mentor-Spirit. De feitelijke realisatie van het bereiken van de totaliteit van goddelijkheid (terwijl hij zich tegelijkertijd volledig bewust was van de realiteit van zijn mens-zijn) ging gepaard met zeven stadia van geloofsbewustzijn van progressieve vergoddelijking. Deze stadia van progressieve zelfrealisatie werden gemarkeerd door de volgende buitengewone gebeurtenissen in de levenservaring van de Meester:
- De aankomst van de Mentor-Spirit.
- De boodschapper van Immanuel die aan hem verscheen in Jeruzalem toen hij ongeveer twaalf jaar oud was.
- De manifestaties die met zijn doop gepaard gingen.
- De ervaringen op de Berg van de transfiguratie.
- De morontia-opstanding.
- De spirituele hemelvaart.
- De uiteindelijke omhelzing door de Paradijs-Vader, die onbeperkte soevereiniteit over zijn universum verleent.
De religie van Jezus
Ooit zal een reformatie in de christelijke kerk wellicht diep genoeg inslaan om terug te keren naar de onvervalste religieuze leringen van Jezus, de grondlegger en voltooier van ons geloof. Je mag een religie over Jezus prediken, maar de religie van Jezus moet je per se leven. In het enthousiasme van Pinksteren luidde Petrus onbedoeld een nieuwe religie in, de religie van de verrezen en verheerlijkte Christus. De apostel Paulus transformeerde dit nieuwe evangelie later tot het christendom, een religie die zijn eigen theologische opvattingen belichaamde en zijn eigen persoonlijke ervaring met de Jezus van de weg naar Damascus uitbeeldde. Het evangelie van het koninkrijk is gebaseerd op de persoonlijke religieuze ervaring van de Jezus van Galilea; het christendom is bijna uitsluitend gebaseerd op de persoonlijke religieuze ervaring van de apostel Paulus. Bijna het hele Nieuwe Testament is gewijd, niet aan de beschrijving van het betekenisvolle en inspirerende religieuze leven van Jezus, maar aan een bespreking van de religieuze ervaring van Paulus en aan een beschrijving van zijn persoonlijke religieuze overtuigingen. De enige noemenswaardige uitzonderingen op deze bewering, afgezien van bepaalde delen van Mattheus, Marcus en Lucas, zijn de Hebreeënbrief en de brief van Jacobus. Zelfs Petrus keerde in zijn geschriften slechts één keer terug naar het persoonlijke religieuze leven van zijn Meester. Het Nieuwe Testament is een prachtig christelijk document, maar het heeft maar een heel matig Jezus-gehalte.
Het leven van Jezus in het lichaam toont een transcendente religieuze groei, van de vroege ideeën van primitief ontzag en menselijke eerbied, via jaren van persoonlijke spirituele verbondenheid en communicatie, totdat hij uiteindelijk die gevorderde en verheven status van bewustzijn van zijn eenheid met de Vader bereikte. En zo doorliep Jezus in één kort leven die ervaring van religieuze spirituele vooruitgang die de mens op aarde begint en gewoonlijk pas bereikt aan het einde van zijn lange verblijf in de spirituele opleidingsscholen van de opeenvolgende niveaus van de loopbaan vóór het paradijs. Jezus ontwikkelde zich van een puur menselijk bewustzijn van de geloofszekerheden van persoonlijke religieuze ervaring tot de sublieme spirituele hoogten van de positieve realisatie van zijn goddelijke natuur en tot het bewustzijn van zijn nauwe verbondenheid met de Universele Vader in het bestuur van een universum. Hij ontwikkelde zich van de nederige status van sterfelijke afhankelijkheid, die hem spontaan ertoe aanzette om tegen degene die hem Goede Leraar noemde te zeggen: “Waarom noem je mij goed? Niemand is goed behalve God”, naar dat verheven bewustzijn van bereikte goddelijkheid, dat hem ertoe bracht uit te roepen: “Wie van jullie overtuigt mij van zonde?” En deze voortgaande opstijging van het menselijke naar het goddelijke was een uitsluitend sterfelijke prestatie. En toen hij aldus de goddelijkheid had bereikt, was hij nog steeds dezelfde mens Jezus, de MensenZoon én de Zoon van God.
Marcus, Mattheus en Lucas behouden iets van het beeld van de menselijke Jezus, toen hij verwikkeld was in de sublieme strijd om de goddelijke wil te achterhalen en die wil te doen. Johannes schetst een beeld van de triomfantelijke Jezus, toen hij op aarde rondwandelde in het volle bewustzijn van zijn goddelijkheid. De grote fout die is gemaakt door hen die het leven van de Meester hebben bestudeerd, is dat sommigen hem als volledig menselijk hebben opgevat, terwijl anderen hem enkel als goddelijk hebben beschouwd. Gedurende zijn hele ervaring was hij waarlijk zowel menselijk als goddelijk, zoals hij nog steeds is.
Maar de grootste fout werd gemaakt doordat, terwijl de menselijke Jezus werd erkend als iemand met een religie, de goddelijke Jezus (Christus) bijna van de ene op de andere dag een religie werd. Het christendom van Paulus verzekerde de aanbidding van de goddelijke Christus, maar verloor bijna volledig het zicht op de worstelende en dappere mens Jezus van Galilea, die, door de moed van zijn persoonlijke religieuze geloof en de heldhaftigheid van zijn inwonende Mentor-Spirit, opsteeg van de nederige niveaus van de mensheid om één te worden met de goddelijkheid, en zo de nieuwe en levende weg werd waardoor alle stervelingen zo van de mensheid naar de goddelijkheid kunnen opstijgen. Stervelingen in alle stadia van spiritualiteit en op alle werelden kunnen in het persoonlijke leven van Jezus datgene vinden wat hen zal versterken en inspireren terwijl ze vorderen van de laagste mind-niveaus tot de hoogste spirituele en goddelijke waarden, van het begin tot het einde van elke persoonlijke religieuze ervaring.
Ten tijde van het schrijven van het Nieuwe Testament geloofden de auteurs niet alleen ten diepste in de goddelijkheid van de verrezen Christus, maar geloofden ze ook toegewijd en oprecht in zijn onmiddellijke wederkomst op aarde om het hemelse koninkrijk te voltooien. Dit sterke geloof in de onmiddellijke wederkomst van de Heer had veel te maken met de neiging om uit het verslag die verwijzingen weg te laten die de puur menselijke ervaringen en eigenschappen van de Meester belichtten. De hele christelijke beweging had de neiging weg te bewegen van het menselijke beeld van Jezus van Nazareth naar de verheerlijking van de verrezen Christus – de verheerlijkte en spoedig wederkerende Heer Jezus Christus.
Jezus stichtte de religie van persoonlijke ervaring in het doen van de wil van God en het dienen van de menselijke broederschap; Paulus stichtte een religie waarin de verheerlijkte Jezus het voorwerp van aanbidding werd en de broederschap bestond uit medegelovigen in de goddelijke Christus. In de missie van Jezus waren deze twee concepten potentieel aanwezig in zijn goddelijk-menselijke leven, en het is inderdaad jammer dat zijn volgelingen er niet in slaagden een verenigde religie te creëren die zowel de menselijke als de goddelijke natuur van de Meester op gepaste wijze had kunnen erkennen, aangezien deze onlosmakelijk met elkaar verbonden waren in zijn aardse leven en zo glorieus uiteengezet in het oorspronkelijke evangelie van het koninkrijk.
Je zou niet geschokt zijn en ook niet verontrust zijn door sommige van de krachtige uitspraken van Jezus als je je maar zou herinneren dat hij de meest oprechte en toegewijde religieuze persoon ter wereld was. Hij was een volledig toegewijde sterveling, onvoorwaardelijk toegewijd aan het doen van de wil van zijn Vader. Veel van zijn ogenschijnlijk harde uitspraken waren meer een persoonlijke geloofsbelijdenis en een belofte van toewijding dan bevelen aan zijn volgelingen. En het was juist deze doelgerichtheid en onzelfzuchtige toewijding die hem in staat stelden om in één kort leven zulke buitengewone vooruitgang te boeken in de verovering van de menselijke mind. Veel van zijn uitspraken moeten worden beschouwd als een bekentenis van wat hij van zichzelf eiste, in plaats van wat hij van al zijn volgelingen verlangde. In zijn toewijding aan de zaak van het koninkrijk verbrandde Jezus alle bruggen achter zich; hij offerde alle belemmeringen op voor het doen van de wil van zijn Vader.
Jezus zegende de armen omdat ze doorgaans oprecht en vroom waren; hij veroordeelde de rijken omdat ze doorgaans losbandig en ongodsdienstig waren. Hij veroordeelde evenzeer de ongodsdienstige arme en prees de toegewijde en eerbiedwaardige rijke man.
Jezus leidde mensen ertoe zich thuis te voelen in de wereld; hij bevrijdde hen uit de slavernij van het taboe en leerde hen dat de wereld niet fundamenteel slecht was. Hij verlangde er niet naar te ontsnappen aan zijn aardse leven; hij beheerste een techniek om de wil van de Vader op aanvaardbare wijze te doen terwijl hij nog in het lichaam was. Hij bereikte een idealistisch religieus leven te midden van een realistische wereld. Jezus deelde de pessimistische kijk van Paulus op de mensheid niet. De Meester beschouwde mensen als de kinderen van God en voorzag een prachtige en eeuwige toekomst voor hen die voor overleving kozen. Hij was geen morele scepticus; hij bekeek de mens positief, niet negatief. Hij zag de meeste mensen als zwak in plaats van slecht, meer radeloos dan verdorven. Maar ongeacht hun status, ze waren allemaal Gods kinderen en zijn broeders en zusters.
Hij leerde de mens een hoge waarde aan zichzelf te hechten, in tijd en eeuwigheid. Vanwege deze hoge achting die Jezus aan de mens hechtte, was hij bereid zich in te zetten voor de onophoudelijke dienst aan de mensheid. En het was deze oneindige waarde van het eindige die de gouden regel tot een essentiële factor in zijn religie maakte. Welke sterveling kan niet verheven worden door het buitengewone geloof dat Jezus in hem heeft?
Jezus gaf geen regels voor maatschappelijke vooruitgang; zijn missie was een religieuze, en religie is een uitsluitend individuele ervaring. Het uiteindelijke doel van de meest geavanceerde prestatie van de maatschappij kan nooit hoger zijn dan de broederschap van mensen die Jezus ons leerde, gebaseerd op de erkenning van het vaderschap van God. Het ideaal van alle maatschappelijke verworvenheden kan alleen worden gerealiseerd met de komst van dit goddelijke koninkrijk.
De suprematie van religie
Persoonlijke, spirituele religieuze ervaring is een efficiënt middel om de meeste sterfelijke moeilijkheden op te lossen; het is een effectieve sorteerder, evalueerder en bemiddelaar van alle menselijke problemen. Religie verwijdert of vernietigt menselijke problemen niet, maar lost ze wel op, absorbeert, verlicht en overstijgt ze. Ware religie verenigt de persoonlijkheid voor een effectieve aanpassing aan alle sterfelijke vereisten. Religieus geloof – de positieve leiding van de inwonende goddelijke aanwezigheid – stelt de Godkennende mens onfeilbaar in staat de kloof te overbruggen die bestaat tussen de intellectuele logica die de Universele Eerste Oorzaak herkent als HET en die positieve bevestigingen van de ziel die beweren dat deze Eerste Oorzaak HIJ is, de hemelse Vader van het evangelie van Jezus, de persoonlijke God van de menselijke verlossing.
Er zijn slechts drie elementen in de universele werkelijkheid: feit, idee en relatie. Het religieuze bewustzijn identificeert deze realiteiten als wetenschap, filosofie en waarheid. De filosofie zou geneigd zijn deze activiteiten te beschouwen als rede, wijsheid en geloof – fysieke realiteit, intellectuele realiteit en spirituele realiteit. We zijn gewend deze realiteiten aan te duiden als ding, betekenis en waarde.
Het progressieve begrip van de realiteit is het equivalent van het naderen tot God. Het vinden van God, het bewustzijn van identiteit met de realiteit, is het equivalent van het ervaren van zelfvoltooiing – zelf-heelheid, zelf-totaliteit. Het ervaren van de totale realiteit is de volledige realisatie van God, de finaliteit, de uiteindelijkheid van de Godkennende ervaring.
De volledige samenvatting van het menselijk leven is de wetenschap dat de mens wordt opgevoed door feiten, veredeld door wijsheid en gered – gerechtvaardigd – door religieus geloof.
Fysieke zekerheid bestaat in de logica van de wetenschap; morele zekerheid in de wijsheid van de filosofie; spirituele zekerheid in de waarheid van de ware religieuze ervaring.
De menselijke mind kan hoge niveaus van spiritueel inzicht en corresponderende sferen van goddelijke waarden bereiken omdat mind niet geheel materieel is. Er bevindt zich een spirituele kern in de menselijke mind – de Mentor-Spirit van de goddelijke aanwezigheid. Er zijn drie afzonderlijke bewijzen voor deze inwoning van de Mentor-Spirit in de menselijke mind:
- Humanitaire kameraadschap – liefde. De puur dierlijke mind kan sociaal zijn ter zelfbescherming, maar alleen het intellect waarin de Mentor-Spirit woont, is onzelfzuchtig altruïstisch en onvoorwaardelijk liefdevol.
- Interpretatie van de wijsheid van het universum. Alleen de door de Mentor-Spirit bewoonde mind kan begrijpen dat het universum vriendelijk is voor het individu.
- Spirituele evaluatie van levensaanbidding. Alleen de door de Mentor-Spirit bewoonde mens kan de goddelijke aanwezigheid beseffen en streven naar een vollediger ervaring in en met deze voorsmaak van goddelijkheid.
De menselijke mind creëert geen werkelijke waarden; menselijke ervaring levert geen inzicht in het universum op. Wat betreft inzicht, het herkennen van morele waarden en het onderscheiden van spirituele betekenissen, kan de menselijke mind niets anders doen dan ontdekken, herkennen, interpreteren en kiezen.
De morele waarden van het universum worden intellectuele bezittingen door het uitoefenen van de drie basisoordelen, of keuzes, van de sterfelijke mind:
1. Zelfoordeel – morele keuze.
2. Sociaal oordeel – ethische keuze.
3. Godsoordeel – religieuze keuze.
Het lijkt er dus op dat alle menselijke vooruitgang wordt bewerkstelligd door een techniek van gezamenlijke openbarende evolutie.
Alleen omdat er een goddelijke minnaar in de mens huist, kon hij onzelfzuchtig en spiritueel liefhebben. Alleen omdat er een interpretator in de mind huist, kan de mens de eenheid van het universum waarlijk realiseren. Alleen omdat er een evaluator in de mens woont, kan hij morele waarden beoordelen en spirituele betekenissen herkennen. En deze minnaar komt voort uit de bron van oneindige liefde; deze interpretator is een deel van Universele Eenheid; deze evaluator is het kind van het Centrum en de Bron van alle absolute waarden van de goddelijke en eeuwige werkelijkheid.
Morele evaluatie met een religieuze betekenis – spiritueel inzicht – impliceert de keuze van het individu tussen goed en kwaad, waarheid en dwaling, materieel en spiritueel, menselijk en goddelijk, tijd en eeuwigheid. Het menselijk voortbestaan is in grote mate afhankelijk van het wijden van de menselijke wil aan het kiezen van de waarden die geselecteerd zijn door deze ‘sorteerder van spirituele waarden’ – de inwonende ‘vertolker en vereniger’. Persoonlijke religieuze ervaring bestaat uit twee fasen: ontdekking in de menselijke mind en openbaring door de inwonende goddelijke Mentor-Spirit. Door te veel werelds denken of als gevolg van het ongodsdienstige gedrag van belijdende religieuze mensen kan iemand, of zelfs een hele generatie, ervoor kiezen hun pogingen op te schorten om de God die in hen woont te ontdekken; ze kunnen er niet in slagen vooruitgang te boeken en de goddelijke openbaring te bereiken. Maar zulke houdingen van spirituele non-progressie kunnen niet lang voortduren vanwege de aanwezigheid en invloed van de inwonende Mentor-Spirits.
Deze diepgaande ervaring van de realiteit van de goddelijke inwoning overstijgt voor altijd de grove materialistische techniek van de natuurwetenschappen. Je kunt spirituele vreugde niet onder een microscoop leggen; je kunt liefde niet wegen in een weegschaal; je kunt morele waarden niet meten; noch kun je de kwaliteit van spirituele aanbidding schatten.
De Hebreeën hadden een religie van morele verhevenheid; de Grieken ontwikkelden een religie van schoonheid; Paulus en degenen met wie hij bijeenkwam stichtten een religie van geloof, hoop en naastenliefde. Jezus openbaarde en illustreerde een religie van liefde: geborgenheid in de liefde van de Vader, met vreugde en voldoening als gevolg van het delen van deze liefde in dienst van de menselijke broederschap.
Telkens wanneer de mens een weloverwogen morele keuze maakt, ervaart hij onmiddellijk een nieuwe goddelijke invasie in zijn ziel. Morele keuzes maken religie tot het motief van een innerlijke reactie op uiterlijke omstandigheden. Maar zo’n werkelijke religie is geen puur subjectieve ervaring. Het symboliseert de gehele subjectiviteit van het individu, betrokken bij een betekenisvolle en intelligente reactie op totale objectiviteit – het universum en zijn Schepper.
De voortreffelijke en transcendente ervaring van liefhebben en bemind worden is niet slechts een psychische illusie omdat ze zo puur subjectief is. De enige waarlijk goddelijke en objectieve realiteit die met sterfelijke wezens wordt geassocieerd, de Mentor-Spirit, functioneert voor menselijke waarneming blijkbaar als een uitsluitend subjectief fenomeen. Het contact van de mens met de hoogste objectieve realiteit, God, vindt slechts plaats door de puur subjectieve ervaring van Hem te kennen, Hem te aanbidden, en het besef van kind-schap met Hem.
Ware religieuze aanbidding is geen nutteloze monoloog van zelfbedrog. Aanbidding is een persoonlijke verbondenheid en communicatie met dat wat goddelijk werkelijk is, met dat wat de Bron van de realiteit zelf is. De mens streeft er door aanbidding naar beter te worden en bereikt daardoor uiteindelijk het BESTE.
De idealisering en poging tot dienstbaarheid van waarheid, schoonheid en goedheid is geen vervanging voor oprechte religieuze ervaring – spirituele realiteit. Psychologie en idealisme zijn niet het equivalent van religieuze realiteit. De projecties van het menselijk intellect kunnen inderdaad valse goden – goden naar het beeld van de mens – voortbrengen, maar het ware Godbewustzijn heeft zo’n oorsprong niet. Het Godbewustzijn resideert in de inwonende Mentor-Spirit. Veel religieuze systemen van de mens komen voort uit de formuleringen van het menselijk intellect, maar het Godbewustzijn maakt niet noodzakelijkerwijs deel uit van deze groteske systemen van religieuze slavernij.
God is niet slechts de uitvinding van het idealisme van de mens; Hij is de Bron van al dergelijke bovendierlijke inzichten en waarden. God is geen hypothese die geformuleerd is om de menselijke concepten van waarheid, schoonheid en goedheid te verenigen; Hij is de Persoonlijkheid van Liefde waaruit al deze manifestaties van het universum voortkomen. De waarheid, schoonheid en goedheid van de wereld van de mens worden verenigd door de toenemende spiritualiteit van de ervaring van stervelingen die opstijgen naar de realiteiten van het Paradijs. De eenheid van waarheid, schoonheid en goedheid kan alleen worden gerealiseerd in de spirituele ervaring van de Godkennende persoonlijkheid.
Moraliteit is de essentiële, pre-existente bodem van persoonlijk Godbewustzijn, de persoonlijke realisatie van de innerlijke aanwezigheid van de Mentor-Spirit, maar zulke moraliteit is niet de bron van religieuze ervaring en het daaruit voortvloeiende spirituele inzicht. De morele natuur is boven-animaal maar sub-spiritueel. Moraliteit staat gelijk aan de erkenning van plicht, de realisatie van het bestaan van goed en kwaad. De morele zone bemiddelt tussen het dierlijke en het menselijke type van mind, zoals morontia functioneert tussen de materiële en de spirituele sferen van persoonlijkheidsverwerving.
Het evolutionaire verstand is in staat wet, moraal en ethiek te ontdekken; maar de geschonken spirit, de inwonende Mentor-Spirit, openbaart aan het evoluerende menselijke verstand de Wetgever, de Vader-Bron van alles wat waar, schoon en goed is; en zo’n verlicht mens heeft een religie en is spiritueel toegerust om de lange en avontuurlijke zoektocht naar God te beginnen.
Moraliteit is niet noodzakelijkerwijs spiritueel; ze kan volledig en puur menselijk zijn, hoewel ware religie alle morele waarden versterkt en betekenisvoller maakt. Moraliteit zonder religie slaagt er niet in ultieme goedheid te openbaren, en ze faalt er ook in om zelfs haar eigen morele waarden te laten voortbestaan. Religie zorgt voor de versterking, verheerlijking en verzekerde overleving van alles wat de moraal erkent en goedkeurt.
Religie staat boven wetenschap, kunst, filosofie, ethiek en moraal, maar is er niet onafhankelijk van. Ze zijn allemaal onlosmakelijk met elkaar verbonden in de menselijke ervaring, zowel persoonlijk als sociaal. Religie is de hoogste ervaring van de mens in de sterfelijke natuur, maar een beperkte taal maakt het voor de theologie voor altijd onmogelijk om de ware religieuze ervaring ooit adequaat weer te geven.
Religieus inzicht bezit de kracht om nederlagen om te zetten in hogere verlangens en nieuwe vastberadenheden. Liefde is de hoogste motivatie die de mens kan gebruiken bij zijn opklimming in het universum. Maar liefde, ontdaan van waarheid, schoonheid en goedheid, is slechts een sentiment, een filosofische vervorming, een psychische illusie, een spirituele misleiding. Liefde moet steeds opnieuw gedefinieerd worden op opeenvolgende niveaus van morontia- en spirituele progressie.
Kunst is het resultaat van de poging van de mens om te ontsnappen aan het gebrek aan schoonheid in zijn materiële omgeving; het is een gebaar naar het morontia-niveau. Wetenschap is de poging van de mens om de schijnbare raadsels van het materiële universum op te lossen. Filosofie is de poging van de mens om de menselijke ervaring te verenigen. Religie is het hoogste gebaar van de mens, zijn magnifieke streven naar de uiteindelijke realiteit, zijn vastberadenheid om God te vinden en zoals Hem te zijn, – volmaakt.
Op het gebied van religieuze ervaring is spirituele mogelijkheid potentiële realiteit. De spirituele drang van de mens is geen psychische illusie. Alle romantiek in het universum van de mens is misschien niet feitelijk, maar veel, heel veel, is waarheid.
Sommige mensen hebben een te groots en nobel leven om af te dalen tot het lage niveau van louter succes. Het dier moet zich aanpassen aan de omgeving, maar de religieuze mens transcendeert -overstijgt- zijn omgeving en ontsnapt zo aan de beperkingen van de huidige materiële wereld door dit inzicht in goddelijke liefde. Dit concept van liefde wekt in de ziel van de mens die boven-dierlijke inspanning om waarheid, schoonheid en goedheid te vinden; en wanneer hij ze vindt, wordt hij verheerlijkt in hun omhelzing; hij wordt verteerd door het verlangen om ernaar te leven, om gerechtigheid te doen.
Wees niet ontmoedigd; de menselijke evolutie is nog steeds gaande, en de openbaring van God aan de wereld, in en door Jezus, zal niet falen.
De grote uitdaging voor de moderne mens is om een betere communicatie te bereiken met de goddelijke Mentor-Spirit die in de menselijke mind woont. Het grootste avontuur van de mens in het lichaam bestaat uit de evenwichtige en gezonde poging om de grenzen van het zelfbewustzijn te verleggen door de duistere gebieden van het embryonale ziel-bewustzijn heen, in een oprechte poging om het grensgebied van het spirit-bewustzijn –contact met de goddelijke aanwezigheid– te bereiken. Zo’n ervaring vormt het Godbewustzijn, een ervaring die de pre-existente waarheid van de religieuze ervaring van het kennen van God krachtig bevestigt. Zulk spirit-bewustzijn is het equivalent van de kennis van de actualiteit van kind-van-God-zijn. Of anders gezegd, de zekerheid van kind-van-God-zijn is de ervaring van geloof.
En Godbewustzijn is equivalent aan de integratie van het zelf met het universum, en wel op de hoogste niveaus van spirituele realiteit. Alleen de spirit-inhoud van enige waarde is onvergankelijk. Al dat wat waar, mooi en goed is, zal niet vergaan in de menselijke ervaring. Als de mens er niet voor kiest te overleven, dan bewaart de overlevende Mentor-Spirit alle realiteiten die geboren zijn uit liefde en gevoed worden in dienstbaarheid. En al deze dingen maken deel uit van de Universele Vader. De Vader is levende liefde, en dit leven van de Vader is in zijn Zonen.
En de spirit van de Vader is in de kinderen van zijn Zonen – de sterfelijke mensen. Als alles gezegd en gedaan is, is de Vader-idee nog steeds het hoogste menselijke concept van God.
Dit hoofdstuk is een nieuwe Nederlandse vertaling gebaseerd op Paper 196 van het Urantia Boek: https://www.urantia.org
