Citaten uit het verhaal

In hoofdstuk 5 vinden we het eerste aanknopingspunt:

In de loop van dit jaar vond Jezus een passage in het zogenaamde Boek van Enoch die hem beïnvloedde bij de latere aanname van de term ‘MensenZoon’ als een aanduiding voor zijn missie op Aarde. Hij had het idee van de Joodse Messias grondig overwogen en was er vast van overtuigd dat hij die Messias niet zou zijn. Hij verlangde ernaar het volk van zijn vader te helpen, maar hij had nooit verwacht Joodse legers te leiden bij het omverwerpen van de buitenlandse overheersing van Palestina. Hij wist dat hij nooit op de troon van David in Jeruzalem zou zitten. Evenmin geloofde hij dat zijn missie die van een spirituele bevrijder of morele leraar uitsluitend voor het Joodse volk was. In geen enkel opzicht kon zijn levensmissie daarom de vervulling zijn van de intense verlangens en vermeende Messiaanse profetieën uit de Hebreeuwse geschriften; tenminste niet zoals de Joden deze voorspellingen van de profeten begrepen. Evenzo was hij er zeker van dat hij nooit zou verschijnen als de Mensenzoon zoals beschreven door de profeet Daniël.

Maar wanneer de tijd voor hem aanbrak om als wereldleraar op te treden, hoe zou hij zichzelf dan noemen? Wat zou hij pretenderen te zijn met betrekking tot zijn missie? Welke naam zouden de mensen die in zijn lessen gaan geloven hem geven?

Terwijl hij al deze problemen overdacht, vond hij in de bibliotheek van de synagoge in Nazareth, tussen de apocalyptische boeken die hij bestudeerd had, dit manuscript genaamd ‘Het Boek van Enoch‘; en hoewel hij er zeker van was dat het niet door de oude Enoch geschreven was, vond hij het zeer intrigerend, en hij las en herlas het vele malen. Er was één passage die op hem een bijzondere indruk maakte, een passage waarin deze term ‘Mensenzoon’ voorkwam. De schrijver van dit zogenaamde Boek van Enoch vertelde vervolgens over deze Mensenzoon, en beschreef het werk dat hij op aarde zou doen en legde uit dat deze Mensenzoon, voordat hij naar deze aarde kwam om de mensheid redding te brengen, door de hoven van hemelse glorie had gewandeld met zijn Vader, de Vader van allen. En dat hij al deze pracht en glorie de rug had toegekeerd om naar de aarde te komen om redding te verkondigen aan behoeftige stervelingen. Toen Jezus deze passages las (terwijl hij goed begreep dat veel van de oosterse mystiek die met deze leringen was vermengd, onjuist was), reageerde hij in zijn hart en herkende hij met zijn verstand dat van alle Messiaanse voorspellingen in de Hebreeuwse geschriften en van alle theorieën over de Joodse bevrijder, geen enkele zo dicht bij de waarheid was als dit verhaal, verscholen in dit slechts gedeeltelijk erkende Boek van Enoch. Hij besloot toen en daar om als zijn eerste titel ‘de MensenZoon’ aan te nemen. En dit deed hij toen hij vervolgens aan zijn openbare werk begon. Jezus had een onfeilbaar vermogen om de waarheid te herkennen, en hij aarzelde nooit om de waarheid te omarmen, ongeacht uit welke bron die leek voort te komen.

En dan gaat het nog verder in hoofdstuk 5:

Tegen die tijd had hij veel zaken over zijn toekomstige werk voor de wereld al grondig geregeld, maar hij zei er niets over tegen zijn moeder, die nog steeds vastberaden vasthield aan het idee dat hij de Joodse Messias was. De grote verwarring van de jeugdjaren van Jezus begon nu. Nadat hij iets had vastgesteld over de aard van zijn missie op aarde – dat hij zich bezig moest houden met de zaken van zijn Vader – om de liefdevolle aard van zijn Vader aan de hele mensheid te tonen – begon hij opnieuw na te denken over de vele uitspraken in de Geschriften die betrekking hadden op de komst van een nationale bevrijder, een Joodse leraar of koning. Naar welke gebeurtenis verwezen deze profetieën? Was hij geen Jood? Of toch wel? Kwam hij wel of niet uit het huis van David? Zijn moeder beweerde van wel; zijn vader had geoordeeld dat hij dat niet was. Hij besloot dat hij dat niet was. Maar hadden de profeten de aard en de missie van de Messias met elkaar verward? Zou het immers mogelijk kunnen zijn dat zijn moeder gelijk had? In de meeste gevallen had zij, wanneer er in het verleden meningsverschillen waren ontstaan, gelijk gehad. Als hij een nieuwe leraar was en NIET de Messias, hoe zou hij dan de Joodse Messias herkennen als zo iemand in Jeruzalem zou verschijnen tijdens zijn aardse missie? En, verder, wat zou zijn relatie tot deze Joodse Messias moeten zijn?

Johannes de Doper loopt tegen dezelfde soort verwarring op. In Hoofdstuk 13 lezen we:

Johannes kon nooit volledig boven de verwarring uitstijgen die ontstond door wat hij van zijn ouders over Jezus had gehoord en door deze passages die hij in de Schrift las. In Daniël las hij: ‘Ik zag in de nacht visioenen, en zie, er kwam iemand gelijk een Mensenzoon met de wolken des hemels, en hem werd heerschappij, heerlijkheid en een koninkrijk gegeven.‘ Maar deze woorden van de profeet kwamen niet overeen met wat zijn ouders hem hadden geleerd. Evenmin kwam zijn gesprek met Jezus, ten tijde van zijn bezoek toen hij achttien jaar oud was, overeen met deze uitspraken in de Schrift. Ondanks deze verwarring verzekerde zijn moeder hem dat zijn verre neef, Jezus van Nazareth, de ware Messias was, dat hij gekomen was om op de troon van David te zitten, en dat hij (Johannes) zijn voorbode en voornaamste steunpilaar zou worden.

en:

Tweeënhalf jaar lang woonde Johannes in Engedi, en hij overtuigde het grootste deel van de broederschap ervan dat ‘het einde der tijden nabij was’; dat ‘het hemels koninkrijk op het punt stond te verschijnen’. En al zijn vroege leringen waren gebaseerd op het gangbare Joodse idee en concept van de Messias als de beloofde bevrijder van de Joodse natie van de overheersing door hun heidense heersers.

en:

Om de boodschap van Johannes te begrijpen, moet rekening worden gehouden met de status van het Joodse volk in de tijd dat hij op het toneel verscheen. Bijna honderd jaar lang verkeerde heel Israël in een lastig parket. Ze wisten niet hoe ze hun voortdurende onderwerping aan heidense overheersers moesten verklaren. Had Mozes niet geleerd dat rechtvaardigheid altijd beloond werd met welvaart en macht? Waren zij niet Gods uitverkoren volk? Waarom was de troon van David verlaten en leeg? In het licht van de leer van Mozes en de voorschriften van de profeten vonden de Joden het moeilijk hun langdurige nationale verwoesting te verklaren.

Ongeveer honderd jaar voor de dagen van Jezus en Johannes ontstond er in Palestina een nieuwe school van religieuze leraren, de ‘apocalyptici’. Deze nieuwe leraren ontwikkelden een geloofssysteem dat het lijden en de vernedering van de Joden verklaarde op grond van het feit dat zij de straf voor de zonden van de natie betaalden. Ze vielen terug op de bekende redenen die werden aangevoerd om de Babylonische en andere gevangenschappen uit vroegere tijden te verklaren. Maar, zo leerden de apocalyptici, Israël moest moed vatten; de dagen van hun ellende waren bijna voorbij; de discipline van Gods uitverkoren volk was bijna ten einde; Gods geduld met de heidense buitenlanders was bijna uitgeput. Het einde van de Romeinse heerschappij was synoniem met het einde der tijden en, in zekere zin, met het einde van de wereld. Deze nieuwe leraren leunden zwaar op de voorspellingen van Daniël en leerden consequent dat de schepping op het punt stond haar laatste fase in te gaan. De koninkrijken van deze wereld zouden het koninkrijk van God worden. Voor de Joodse geest van die tijd was dit de betekenis van de uitdrukking ‘het hemels koninkrijk’, die overal in de leringen van zowel Johannes als Jezus terugkomt. Voor de Joden in Palestina had de uitdrukking ‘hemels koninkrijk’ maar één betekenis: een absoluut rechtvaardige staat waarin God (de Messias) de naties van de aarde zou regeren in volmaakte macht, net zoals Hij in de hemel regeerde: ‘Uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel.’

In de dagen van Johannes vroegen alle Joden vol verwachting: ‘Hoe snel zal het koninkrijk komen?’ Er heerste een algemeen gevoel dat het einde van de heerschappij van de heidense naties nabij was. Er heerste in het hele Jodendom een levendige hoop en een sterke verwachting dat de vervulling van het eeuwenoude verlangen zou plaatsvinden tijdens het leven van die generatie. Hoewel de Joden sterk verschilden in hun inschatting van de aard van het komende koninkrijk, waren ze gelijk in hun geloof dat de gebeurtenis op handen was, nabij, zelfs voor de deur. Velen die het Oude Testament letterlijk lazen, keken vol verwachting uit naar een nieuwe koning in Palestina, naar een herboren Joodse natie, bevrijd van haar vijanden en geleid door de opvolger van Koning David, de Messias die spoedig erkend zou worden als de rechtmatige en rechtvaardige heerser van de hele wereld. Een andere, hoewel kleinere, groep vrome Joden had een heel andere visie op dit koninkrijk van God. Zij leerden dat het komende koninkrijk niet van deze wereld was, dat de wereld haar zekere einde naderde en dat ‘een nieuwe hemel en een nieuwe aarde’ de vestiging van het koninkrijk van God zouden inluiden; dat dit koninkrijk een eeuwigdurende heerschappij zou zijn, dat de zonde zou worden beëindigd en dat de burgers van het nieuwe koninkrijk onsterfelijk zouden worden in hun genot van deze eindeloze gelukzaligheid.

Allen waren het erover eens dat een drastische zuiverende discipline noodzakelijkerwijs vooraf zou gaan aan de vestiging van het nieuwe koninkrijk op aarde. De letterlijken leerden dat er een wereldwijde oorlog zou uitbreken die alle ongelovigen zou vernietigen, terwijl de gelovigen zouden voortgaan naar een universele en eeuwige overwinning. De spiritisten leerden dat het koninkrijk zou worden ingeleid door het grote oordeel van God, dat de onrechtvaardigen zou verbannen naar hun welverdiende oordeel van straf en uiteindelijke vernietiging, en tegelijkertijd de gelovige heiligen van het uitverkoren volk zou verheffen tot hoge zetels van eer en gezag met de MensenZoon, die in Gods naam over de verloste volken zou regeren. En deze laatste groep geloofde zelfs dat vele vrome heidenen tot de gemeenschap van het nieuwe koninkrijk zouden kunnen worden toegelaten.

Sommige Joden waren van mening dat God dit nieuwe koninkrijk mogelijk zou vestigen door directe en goddelijke interventie, maar de overgrote meerderheid geloofde dat Hij een vertegenwoordigende bemiddelaar, de Messias, zou aanstellen. En dat was de enige mogelijke betekenis die de term Messias kon hebben in de gedachten van de Joden uit de generatie van Johannes en Jezus. Messias kon onmogelijk verwijzen naar iemand die slechts Gods wil onderwees of de noodzaak van een rechtvaardig leven verkondigde. Aan al zulke heilige personen gaven de Joden de titel profeet. De Messias zou meer zijn dan een profeet; de Messias zou de vestiging van het nieuwe koninkrijk, het koninkrijk van God, teweegbrengen. Iemand die dit naliet, kon niet de Messias zijn, in de traditionele Joodse zin.

Wie zou deze Messias zijn? Opnieuw verschilden de Joodse leraren van mening. De ouderen hielden vast aan de leer van de zoon van David. De nieuwere leerden dat, aangezien het nieuwe koninkrijk een hemels koninkrijk was, de nieuwe heerser ook een goddelijke persoonlijkheid zou kunnen zijn, iemand die al lang aan Gods rechterhand in de hemel had gezeten. En hoe vreemd het ook mag lijken, zij die zich de heerser van het nieuwe koninkrijk zo voorstelden, beschouwden hem niet als een menselijke Messias, niet als een loutere mens, maar als ‘MensenZoon’, een Zoon van God, een hemelse Vorst, die al lang wachtte om aldus de heerschappij over de nieuwe aarde op zich te nemen.

Dat was de religieuze achtergrond van de Joodse wereld toen Johannes erop uitging en verkondigde: “Bekeert u, want het hemelse koninkrijk is nabij!”

Verderop in Hoofdstuk 13:

Johannes had nog steeds verwarde ideeën over het komende koninkrijk en zijn koning. Hoe langer hij predikte, hoe meer hij in de war raakte, maar deze intellectuele onzekerheid over de aard van het komende koninkrijk verminderde nooit zijn overtuiging van de zekerheid van de onmiddellijke verschijning van het koninkrijk. In gedachten, in mind, was Johannes misschien in de war, maar in spirit nooit. Hij twijfelde niet aan het komende koninkrijk, maar hij was er helemaal niet zeker van of Jezus wel of niet de heerser van dat koninkrijk zou zijn. Zolang Johannes vasthield aan het idee van het herstel van de troon van David, leken de leringen van zijn ouders dat Jezus, geboren in de Stad van David, de langverwachte verlosser zou zijn, consistent. Maar op die momenten dat hij meer neigde naar de leer van een spiritueel koninkrijk en het einde van het wereldlijk tijdperk op aarde, twijfelde hij hevig over de rol die Jezus in zulke gebeurtenissen zou spelen. Soms stelde hij alles ter discussie, maar niet lang. Hij wenste werkelijk dat hij het allemaal met zijn neef kon bespreken, maar dat was in strijd met hun uitdrukkelijke afspraak.

en:

Deze veertig dagen waren een moeilijke periode voor Johannes en zijn discipelen. Wat zou de relatie van Johannes tot Jezus zijn? Honderd vragen kwamen ter discussie. Politiek en zelfzuchtige bevoordeling begonnen hun intrede te doen. Er ontstonden intense discussies over de verschillende ideeën en concepten van de Messias. Zou hij een militair leider en een Davidische koning worden? Zou hij de Romeinse legers verslaan zoals Jozua de Kanaänieten had verslagen? Of zou hij komen om een spiritueel koninkrijk te stichten? Johannes besloot, met de minderheid, dat Jezus gekomen was om het hemelse koninkrijk te stichten, hoewel hij zelf niet helemaal duidelijk wist wat deze missie van het vestigen van het hemelse koninkrijk precies inhield.

Dan in Hoofdstuk 15:

Begrippen over de verwachte Messias

De Joden hadden veel ideeën over de verwachte verlosser, en elk van deze verschillende scholen van Messiaanse leer kon verwijzen naar uitspraken in de Hebreeuwse geschriften als bewijs voor hun beweringen. In het algemeen beschouwden de Joden hun nationale geschiedenis als beginnend met Abraham en culminerend in de Messias en (daarna) het nieuwe tijdperk van het koninkrijk van God. Vroeger hadden ze deze verlosser gezien als ‘de dienaar van de Heer,’ toen als ‘de MensenZoon’, terwijl sommigen later zelfs zo ver gingen om de Messias te omschrijven als de ‘Zoon van God’. Maar of hij nu het ‘zaad van Abraham’ of ‘de zoon van David’ werd genoemd, iedereen was het erover eens dat hij de Messias zou zijn, de ‘gezalfde’ [ https://en.wikipedia.org/wiki/Messiah#Etymology ]. Zo evolueerde het concept van ‘dienaar van de Heer’ naar ‘zoon van David’, ‘MensenZoon’ en ‘Zoon van God’.

In de tijd van Johannes en Jezus hadden de meer geleerde Joden een idee ontwikkeld van de komende Messias als de volmaakte en representatieve Israëliet, die in zichzelf als de ’dienaar van de Heer’ het drievoudige ambt van profeet, priester en koning combineerde.

De Joden geloofden vurig dat, zoals Mozes hun vaderen door wonderbaarlijke wonderen uit de Egyptische slavernij had bevrijd, zo ook de komende Messias het Joodse volk van de Romeinse overheersing zou verlossen door nog grotere wonderen van macht en raciale triomf. De rabbijnen hadden bijna vijfhonderd passages uit de Schrift verzameld die, ondanks hun schijnbare tegenstrijdigheden, volgens hen profetisch waren voor de komende Messias. En te midden van al deze details over tijd, techniek en functie verloren ze bijna volledig de persoonlijkheid van de beloofde Messias uit het oog. Zij zochten naar een herstel van de Joodse nationale glorie – de tijdelijke verheffing van Israël – in plaats van naar de redding van de wereld. Het wordt daarom duidelijk dat Jezus van Nazareth nooit aan dit materialistische Messiaanse concept van de Joodse mind kon voldoen. Veel van hun vermeende Messiaanse voorspellingen zouden, als zij deze profetische uitspraken maar in een ander licht hadden gezien, hun mind heel natuurlijk hebben voorbereid op de erkenning van Jezus als de beëindiger van een tijdperk en de inaugurator van een nieuwe en betere verstrekking van genade en redding voor alle volken.

De Joden waren opgevoed met het geloof in de leer van de shekhinah [ https://en.wikipedia.org/wiki/Shekhinah ]. Maar dit vermeende symbool van de Goddelijke Tegenwoordigheid was niet te zien in de tempel. Zij geloofden dat de komst van de Messias de herstelling ervan zou bewerkstelligen. Zij koesterden verwarrende ideeën over raciale zonde en de veronderstelde slechte aard van de mens. Sommigen onderwezen dat Adams zonde het menselijk ras had vervloekt, en dat de Messias deze vloek zou wegnemen en de mens in goddelijke gunst zou herstellen. Anderen leerden dat God, bij de schepping van de mens, zowel goede als kwade naturen in zijn wezen had gelegd; dat toen hij de uitwerking van deze regeling zag, hij zeer teleurgesteld was, en dat hij er berouw van had dat hij de mens aldus had geschapen. En degenen die dit leerden, geloofden dat de Messias zou komen om de mens van deze inherente kwade natuur te verlossen.

De meerderheid van de Joden geloofde dat ze nog steeds onder Romeins bestuur verkommerden vanwege hun nationale zonden en vanwege de halfslachtigheid van de niet-Joodse proselieten (niet-Joods, maar bekeerd tot het Jodendom). De Joodse natie had zich niet van harte bekeerd en daarom stelde de Messias zijn komst uit. Er werd veel over bekering gesproken. Vandaar de krachtige en onmiddellijke oproep van de prediking van Johannes: “Bekeer u en laat u dopen, want het hemels koninkrijk is nabij.” En het hemels koninkrijk kon voor elke vrome Jood maar één ding betekenen: de komst van de Messias.

Er was één kenmerk van de schenking van Michaël dat volkomen vreemd was aan de Joodse opvatting van de Messias, en dat was de vereniging van de twee naturen, de menselijke en de goddelijke. De Joden hadden de Messias op verschillende manieren opgevat als een volmaakte mens, een bovenmenselijke en zelfs een goddelijke, maar ze hebben nooit het concept van de vereniging van het menselijke en het goddelijke overwogen. En dit was het grote struikelblok voor de vroege discipelen van Jezus. Zij begrepen het menselijke concept van de Messias als de zoon van David, zoals gepresenteerd door de vroege profeten. Zij begrepen de ‘MensenZoon’, het bovenmenselijke idee van Daniël en enkele latere profeten; en zelfs als de Zoon van God, zoals beschreven door de auteur van het Boek van Henoch en door enkele van zijn tijdgenoten. Maar ze hadden nooit ook maar een moment stilgestaan bij het ware concept van de vereniging in één aardse persoonlijkheid van de twee naturen, de menselijke en de goddelijke. De incarnatie van de Schepper in de vorm van het schepsel was niet eerder geopenbaard. Deze werd pas geopenbaard in Jezus. De wereld wist niets van dergelijke dingen totdat de Schepper-zoon een lichaam kreeg en onder de stervelingen van de Aarde woonde.

Opnieuw in Hoofdstuk 15:

Jezus nam nu het definitieve besluit dat hem zou verbieden zichzelf verder te beschouwen als de Joodse Messias, althans zoals de Messias in die tijd algemeen werd opgevat.

De Joden hadden een verlosser voor ogen die met wonderbaarlijke kracht zou komen om Israëls vijanden neer te slaan en de Joden tot wereldheersers te maken, vrij van gebrek en onderdrukking. Jezus wist dat deze hoop nooit werkelijkheid zou worden. Hij wist dat het hemels koninkrijk te maken had met het omverwerpen van het kwaad in de harten van de mensen, en dat het puur een kwestie van spirituele zorg was. Hij overwoog de wenselijkheid om het spirituele koninkrijk in te wijden met een schitterend en oogverblindend machtsvertoon – en zo’n handelwijze zou toelaatbaar zijn geweest en volledig binnen de jurisdictie van Michaël – maar hij besloot volledig tegen een dergelijk plan. Hij wilde geen revolutionaire technieken. Hij had de wereld in potentie gewonnen door onderwerping aan de wil van de Vader, en hij stelde zich voor zijn werk te voltooien zoals hij het was begonnen, en als de MensenZoon.

Je kunt je nauwelijks voorstellen wat er op Aarde gebeurd zou zijn als deze God-mens, nu in potentieel bezit van alle macht in de hemel en op aarde, ooit had besloten de banier van soevereiniteit te ontvouwen en zijn wonderdoende bataljons in strijdende gelederen te verzamelen! Maar hij wilde geen compromis sluiten. Hij wilde geen kwaad dienen, zodat de aanbidding van God daaruit zou kunnen voortvloeien. Hij wilde zich houden aan de wil van de Vader. Hij zou aan een toeziend universum verkondigen: ‘Gij zult de Heer, uw God, aanbidden en Hem alleen zult gij dienen.’

Naarmate de dagen verstreken, zag Jezus met steeds toenemende helderheid wat voor soort openbaarder van waarheid hij zou worden. Hij besefte dat Gods weg niet de gemakkelijke weg zou zijn. Hij begon te beseffen dat de beker van het restant van zijn menselijke ervaring mogelijk bitter zou kunnen zijn, maar hij besloot hem te drinken.

Zelfs zijn menselijke mind neemt afscheid van de troon van David. Stap voor stap volgt deze menselijke mind het pad van het goddelijke. De menselijke mind stelt in gedachten nog steeds vragen, maar aanvaardt onfeilbaar de goddelijke antwoorden als definitieve beslissingen in dit gecombineerde leven als mens in de wereld, en tegelijk als onvoorwaardelijk onderworpen aan het doen van de eeuwige en goddelijke wil van de Vader.

Rome was meesteres van de westerse wereld. De MensenZoon, nu geïsoleerd en bezig deze gewichtige beslissingen te nemen, met de hemelse legers tot zijn beschikking, vertegenwoordigde de laatste kans van de Joden om wereldheerschappij te verwerven. Maar deze op Aarde geboren Jood, die zo’n enorme wijsheid en macht bezat, weigerde zijn universele gaven te gebruiken voor zijn eigen verheerlijking, en ook niet voor de troonsbestijging van zijn volk. Hij zag als het ware ‘de koninkrijken van deze wereld’ en bezat de macht om ze in bezit te nemen. De goddelijk Allerhoogsten hadden al deze machten aan hem overgedragen, maar hij wilde ze niet. De koninkrijken van de aarde waren onbelangrijke dingen om de Schepper en Heerser van een lokaal universum te interesseren. Hij had slechts één doel: de verdere openbaring van God aan de mens, de vestiging van het koninkrijk, de heerschappij van de hemelse Vader in de harten van de mensheid.

Het idee van strijd, onenigheid en slachting was weerzinwekkend voor Jezus; hij moest er niets van weten. Hij zou op aarde verschijnen als de Vredevorst om een God van liefde te openbaren. Vóór zijn doop had hij opnieuw het aanbod van de Zeloten om hen te leiden in een opstand tegen de Romeinse onderdrukkers afgewezen. En nu nam hij zijn definitieve beslissing met betrekking tot de Schriften die zijn moeder hem had geleerd, zoals: “De Heer heeft tot mij gezegd: Jij bent mijn Zoon; heden heb Ik je verwekt. Vraag Mij, en Ik zal je de heidenen als je erfdeel geven en de uiteinden van de aarde tot je bezit. Je zult ze verbrijzelen met een ijzeren staf; je zult ze in stukken slaan als een pottenbakkersvat.”

Jezus van Nazareth kwam tot de conclusie dat dergelijke uitspraken niet op Hem betrekking hadden. Eindelijk, en definitief, maakte de menselijke mind van de MensenZoon schoon schip met al deze Messiaanse moeilijkheden en tegenstrijdigheden – Hebreeuwse geschriften, ouderlijke opvoeding, chazan-leer, Joodse verwachtingen en menselijke ambitieuze verlangens. Eens en voor altijd besloot hij zijn koers te bepalen. Hij zou terugkeren naar Galilea en in stilte beginnen met de verkondiging van het koninkrijk en erop vertrouwen dat zijn Vader (de Gepersonaliseerde Mentor-Spirit) de details van de procedure dag in dag uit zou uitwerken.

Door deze beslissingen gaf Jezus een waardig voorbeeld voor iedere persoon op elke wereld in een enorm universum, toen hij weigerde materiële tests toe te passen om spirituele problemen aan te tonen, toen hij weigerde om arrogant de natuurwetten te trotseren. En hij gaf een inspirerend voorbeeld van universele loyaliteit en morele hoogheid toen hij weigerde wereldlijke macht te grijpen als voorspel tot spirituele glorie.

Als de MensenZoon al twijfels had over zijn missie en de aard ervan toen hij na zijn doop de bergen introk, had hij er geen enkele meer toen hij na de veertig dagen van afzondering en beslissingen terugkeerde naar zijn medemensen.

Jezus heeft een programma geformuleerd voor de vestiging van het koninkrijk van de Vader. Hij zal niet voorzien in de fysieke bevrediging van het volk. Hij zal geen brood uitdelen aan de menigten zoals hij dat onlangs nog in Rome had zien gebeuren. Hij zal niet de aandacht op zich vestigen door wonderen te verrichten, ook al verwachten de Joden precies dat soort verlosser. Evenmin zal hij proberen de aanvaarding van een spirituele boodschap te winnen door een vertoon van politieke autoriteit of wereldlijke macht.

Door deze methoden te verwerpen om het komende koninkrijk in de ogen van de verwachtingsvolle Joden te versterken, zorgde Jezus er ook voor dat deze Joden al zijn aanspraken op gezag en goddelijkheid definitief zouden verwerpen. Dit alles wetende, probeerde Jezus lange tijd te voorkomen dat zijn vroege volgelingen naar hem zouden verwijzen als de Messias.

Gedurende zijn openbare optreden werd hij geconfronteerd met de noodzaak om met drie voortdurend terugkerende situaties om te gaan: de roep om gevoed te worden, het aandringen op wonderen, en als laatste het verzoek dat hij aan zijn volgelingen zou toestaan hem tot koning te maken. Maar Jezus week nooit af van de beslissingen die hij nam tijdens deze dagen van afzondering in de heuvels van Perea.

 

Externe Bronnen: