Samenvatting Vervormingen door Paulus

Paper 121:

Paulus herkende de vele, doch niet alle, onsamenhangende ideeën van Philo en nam ze wijselijk niet over in zijn voor-Christelijke basis-theologie. Philo’s gebrek aan samenhang, hier en daar, kwam voort uit zijn pogingen om de Griekse mystieke filosofie en de Romeinse Stoïcijnse leerstellingen te combineren met de strikte theologie van de Hebreeën. Toch was Philo degene die het Paulus mogelijk maakte het begrip van de Paradijs-Triniteit, dat lang gesluimerd had in de Joodse theologie, in een vollediger vorm te herstellen. Slechts in één opzicht slaagde Paulus er niet in Philo’s niveau te bereiken of de leer van deze rijke en goed onderlegde Jood uit Alexandrië te overtreffen, en dat was in de leer van de verzoening. Philo leerde iedereen dat het onjuist was dat vergeving alleen verkregen kon worden door het vergieten van bloed (slachten van dieren, offeren van dieren, etc.). Ook is het mogelijk dat Philo de werkelijkheid en aanwezigheid van de spirit van God in ons hart duidelijker zag dan Paulus. Maar de theorie van Paulus over de erfzonde, zijn lessen over erfelijke schuld en aangeboren kwaad en de verlossing daarvan, hadden voor een deel een Mithraïsche oorsprong en weinig te doen met de Hebreeuwse theologie, de filosofie van Philo, of het onderricht van Jezus. Sommige aspecten van de leer van Paulus over de erfzonde en de verzoening stamden van hemzelf.

In hoofdstuk 27 lezen we:

Jezus begreep de mind van de mensen. Hij wist wat er in het hart van de mens leefde, en als zijn leringen waren gebleven zoals hij ze presenteerde, met als enige commentaar de geïnspireerde interpretatie die zijn aardse leven bood, zouden alle volken en alle religies van de wereld snel het evangelie van het koninkrijk hebben omarmd. De goedbedoelde pogingen van de vroege volgelingen van Jezus om zijn leringen opnieuw te formuleren, om ze acceptabeler te maken voor bepaalde volken, rassen en religies, resulteerden er alleen maar in dat dergelijke leringen minder acceptabel werden voor alle andere volken, rassen en religies.

De apostel Paulus schreef, in zijn pogingen om de leringen van Jezus onder de gunstige aandacht van bepaalde groepen in zijn tijd te brengen, vele brieven met lessen en aansporingen/waarschuwingen. Andere leraren van het evangelie van Jezus deden hetzelfde, maar geen van hen besefte dat sommige van deze geschriften later bijeengebracht zouden worden door degenen die ze zouden presenteren als de belichaming van de leringen van Jezus. En dus, hoewel het zogenaamde christendom méér van het evangelie van de Meester bevat dan welke andere religie dan ook, bevat het ook veel dat Jezus niet aan ons geleerd heeft. Afgezien van de opname van vele leringen uit de Perzische mysteriën en een groot deel van de Griekse filosofie in het vroege christendom, werden er twee grote fouten gemaakt:

  1. De poging om de leer van het evangelie van Jezus rechtstreeks te verbinden met de Joodse theologie. Een illustratie daarvan is de christelijke leer van de verzoening –de leer dat Jezus de geofferde Zoon was die de strenge gerechtigheid van de Vader zou bevredigen en de goddelijke toorn zou stillen. Deze leringen kwamen voort uit een op zich prijzenswaardige poging om het evangelie van het koninkrijk aanvaardbaarder te maken voor Joden die niet in het evangelie geloofden. Hoewel deze pogingen faalden wat betreft het winnen van de Joden, faalden ze niet in het verwarren en vervreemden van veel oprechte zielen in alle volgende generaties.
  2. 2. De tweede grote blunder van de eerste volgelingen van de Meester, en een die alle volgende generaties volhardend in stand hebben gehouden, was het zo volledig ordenen van de christelijke leer rond de persoon van Jezus. Deze overmatige nadruk op de persoonlijkheid van Jezus in de theologie van het christendom heeft ertoe bijgedragen zijn leringen te vertroebelen, en dit alles heeft het voor Joden, Mohammedanen, Hindoes en andere oosterse religieuzen steeds moeilijker gemaakt om de leringen van Jezus te accepteren. We willen natuurlijk de plaats van de persoon van Jezus niet kleineren in een religie die zijn naam zou dragen, maar we zouden niet moeten toestaan dat een dergelijke erkenning van zijn rechtmatige plaats zijn geïnspireerde leven overschaduwt of zijn reddende boodschap vervangt: het vaderschap van God en de broederschap van de mens.

De leraren van de religie van Jezus zouden andere religies moeten benaderen met de erkenning van de waarheden die gemeenschappelijk zijn (waarvan vele direct of indirect voortkomen uit de boodschap van Jezus), terwijl ze zich zouden moeten onthouden van het leggen van te veel nadruk op de verschillen.

Hoofdstuk 28, over de rol van vrouwen

Het was zeer verbazingwekkend in die tijd -toen vrouwen zelfs niet op de begane grond van de synagoge mochten komen1-, om te zien dat ze erkend werden als bevoegde leraressen van het nieuwe evangelie van het koninkrijk. De opdracht die Jezus deze tien vrouwen gaf toen hij hen selecteerde voor het evangelie-onderricht en de missie/dienstverlening, was de emancipatieproclamatie die alle vrouwen voor altijd bevrijdde: de man mocht de vrouw niet langer als zijn spiritueel mindere beschouwen. Dit was een enorme schok, zelfs voor de twaalf apostelen. Hoewel ze de Meester al vaak hadden horen zeggen dat ‘in het hemelse koninkrijk geen rijken of armen, vrijen of slaven, mannen of vrouwen zijn, maar dat iedereen gelijkelijk zonen en dochters van God zijn‘, waren ze letterlijk verbijsterd toen hij voorstelde deze tien vrouwen formeel aan te stellen als godsdienstleraren en hen zelfs toe te staan met hen mee te reizen. Het hele land raakte in beroering door deze gang van zaken, de vijanden van Jezus haalden er enorm voordeel uit, maar overal stonden de vrouwen die in het goede nieuws geloofden onwrikbaar achter hun uitverkoren zusters en spraken ze hun onvoorwaardelijke goedkeuring uit voor deze late erkenning van de plaats van vrouwen in het religieuze werk. En deze bevrijding van vrouwen, die hun de nodige erkenning gaf, werd door de apostelen direct na het vertrek van de Meester in praktijk gebracht, hoewel ze in latere generaties terugvielen op oude gebruiken. Gedurende de begindagen van de christelijke kerk werden vrouwelijke leraren en predikanten diaconessen genoemd en kregen ze algemene erkenning. Maar Paulus, ondanks het feit dat hij dit alles in theorie erkende, heeft het nooit echt in zijn eigen houding verwerkt en vond het persoonlijk moeilijk om het in de praktijk te brengen.

In hoofdstuk 42:

De Joden in Jeruzalem hadden altijd problemen gehad met de Joden in Philadelphia. En na de dood en opstanding van Jezus begon de [ Christelijke ] gemeente in Jeruzalem, waarvan Jacobus, de broer van Jezus, het hoofd was, ernstige moeilijkheden te krijgen met de gemeente van gelovigen in Philadelphia. Abner werd het hoofd van de kerk in Philadelphia en bleef dat tot aan zijn dood. Deze vervreemding van Jeruzalem verklaart waarom er in de evangeliën van het Nieuwe Testament niets over Abner en zijn werk wordt vermeld. Deze vete tussen Jeruzalem en Philadelphia duurde voort gedurende het leven van Jacobus en Abner en duurde nog enige tijd voort na de verwoesting van Jeruzalem. Philadelphia was in feite het hoofdkwartier van de vroege kerk in het zuiden en oosten, net zoals Antiochië dat was in het noorden en westen.

Het was het ogenschijnlijke ongeluk van Abner dat hij het oneens was met alle leiders van de vroegchristelijke kerk. Hij kreeg ruzie met Petrus en Jacobus (de broer van Jezus) over kwesties van bestuur en jurisdictie van de kerk in Jeruzalem. Hij nam afscheid van Paulus vanwege filosofische en theologische verschillen. Abner was meer Babylonisch dan Helleens in zijn filosofie, en hij verzette zich koppig tegen alle pogingen van Paulus om de leringen van Jezus te herzien zodat ze minder aanstootgevend zouden zijn, eerst voor de Joden, daarna voor de Grieks-Romeinse gelovigen in de mysteriën-cultus.

Zo werd Abner gedwongen een leven van afzondering te leiden. Hij was hoofd van een kerk die in Jeruzalem geen positie had. Hij had het gewaagd Jacobus, de broer van Jezus, te trotseren, die vervolgens door Petrus werd gesteund. Zulk gedrag scheidde hem effectief van al zijn vroegere metgezellen. Vervolgens durfde hij Paulus te weerstaan. Hoewel hij volledig sympathiseerde met Paulus in zijn zending onder de niet-Joden, en hem steunde in zijn meningsverschillen met de kerk in Jeruzalem, verzette hij zich fel tegen de versie van de leer van Jezus die Paulus verkoos te prediken. In zijn laatste jaren hekelde Abner Paulus als de “sluwe verdraaier van de levensleer van Jezus van Nazareth, de Zoon van de levende God.”

Gedurende de latere jaren van Abner en enige tijd daarna hielden de gelovigen in Philadelphia zich strikter aan de religie van Jezus, zoals hij leefde en onderwees, dan welke andere groep op aarde ook.

In hoofdstuk 46 over het Hemelse Koninkrijk:

Gedurende de eerste eeuwen van de christelijke propaganda werd het idee van het hemelse koninkrijk enorm beïnvloed door de toen snel verspreidende ideeën van het Griekse idealisme, het idee van het natuurlijke als de schaduw van het spirituele – het tijdelijke als de tijdschaduw van het eeuwige.

Maar de grote stap die de overplanting van de leringen van Jezus van Joodse naar niet-Joodse bodem markeerde, werd gezet toen de Messias van het koninkrijk de Verlosser werd van de KERK, een religieuze en sociale organisatie die voortkwam uit de activiteiten van Paulus en zijn opvolgers en gebaseerd was op de leringen van Jezus, aangevuld met de ideeën van Philo en de Perzische leerstellingen over goed en kwaad.

De ideeën en idealen van Jezus, belichaamd in de leer van het evangelie van het koninkrijk, mislukten bijna omdat zijn volgelingen zijn uitspraken steeds meer verdraaiden. Het concept van het koninkrijk van de Meester werd met name beïnvloed door twee belangrijke tendensen:

  1. De Joodse gelovigen bleven hem beschouwen als de messias. Zij geloofden dat Jezus zeer binnenkort zou terugkeren om daadwerkelijk het wereldwijde en min of meer materiële koninkrijk te vestigen.
  2. De niet-Joodse christenen begonnen al heel vroeg de leer van Paulus te aanvaarden, wat steeds meer leidde tot de algemene overtuiging dat Jezus de verlosser van de kinderen van de kerk was, de nieuwe en institutionele opvolger van het eerdere concept van de zuiver spirituele broederschap van het koninkrijk.

De kerk, als sociale uitloper van het koninkrijk, zou volkomen natuurlijk en zelfs wenselijk zijn geweest. Het kwaad van de kerk was niet haar bestaan, maar eerder dat ze het door Jezus voorgestelde concept van het koninkrijk bijna volledig verdrong. De geïnstitutionaliseerde kerk van Paulus werd feitelijk een substituut voor het hemelse koninkrijk dat Jezus had verkondigd.

Maar twijfel er niet aan, ditzelfde hemelse koninkrijk, waarvan de Meester leerde dat het in het hart van de gelovige bestaat, zal nog aan deze christelijke kerk verkondigd worden, evenals aan alle andere religies, rassen en naties op aarde – zelfs aan ieder individu.

En dan, eveneens in hoofdstuk 46, deze krachtige passage:

Het koninkrijk uit de leer van Jezus, het spirituele ideaal van individuele rechtschapenheid en het concept van de goddelijke gemeenschap van de mens met God, raakte geleidelijk ondergedompeld in een mystieke opvatting van de persoon van Jezus als de Verlosser-Schepper en het spirituele hoofd van een gesocialiseerde religieuze gemeenschap. Op deze manier werd een formele en institutionele kerk de vervanging voor de individueel door de spirit geleide broederschap van het koninkrijk.

De kerk was een onvermijdelijk en nuttig sociaal resultaat van het leven en de leringen van Jezus. De tragedie bestond uit het feit dat deze maatschappelijke reactie op de leringen van het koninkrijk het spirituele concept van het echte koninkrijk zoals Jezus dat onderwees en leefde, zo volledig verdrong.

Het koninkrijk was voor de Joden de Israëlitische gemeenschap; voor de niet-Joden werd het de christelijke kerk. Voor Jezus was het koninkrijk de som van die individuen die hun geloof in het vaderschap van God hadden beleden en daarmee hun oprechte toewijding aan het doen van de wil van God hadden verklaard, en zo leden waren geworden van de spirituele broederschap van mensen.

De Meester besefte ten volle dat bepaalde sociale resultaten in de wereld zouden verschijnen als gevolg van de verspreiding van het evangelie van het koninkrijk. Maar hij bedoelde dat al dergelijke wenselijke sociale manifestaties zouden verschijnen als onbewuste en onvermijdelijke uitwassen, of natuurlijke vruchten, van deze innerlijke persoonlijke ervaring van individuele gelovigen, van deze zuiver spirituele gemeenschap en verbondenheid met de goddelijke Mentor-Spirit die in al zulke gelovigen woont en hen activeert.

Jezus voorzag dat een sociale organisatie, of kerk, de voortgang van het ware spirituele koninkrijk zou volgen, en daarom verzette hij zich nooit tegen de uitvoering door de apostelen van het ritueel van de doop zoals ingevoerd door Johannes. Hij leerde dat de waarheidlievende ziel, degene die hongert en dorst naar gerechtigheid, naar God, door geloof tot het spirituele koninkrijk wordt toegelaten. Maar tegelijkertijd leerden de apostelen dat zo’n gelovige tot de sociale organisatie van discipelen wordt toegelaten door het uiterlijke ritueel van de doop.

Toen de directe volgelingen van Jezus beseften dat ze er gedeeltelijk niet in slaagden zijn ideaal te verwezenlijken van de vestiging van het koninkrijk in de harten van mensen door de overheersing en leiding van de Mentor-Spirit van de individuele gelovige, begonnen ze zijn leer te redden van volledige verdwijning door het ideaal van de Meester van het koninkrijk te vervangen door de geleidelijke schepping van een zichtbare sociale organisatie, de christelijke kerk. En toen zij dit vervangingsprogramma hadden voltooid, om de consistentie te behouden en de erkenning van de leer van de Meester met betrekking tot het koninkrijk te waarborgen, gingen zij over tot het plaatsen van het koninkrijk in de toekomst. Zodra de kerk goed gevestigd was, begon ze te onderwijzen dat het koninkrijk in werkelijkheid zou verschijnen op het hoogtepunt van het christelijke tijdperk: bij de wederkomst van Christus.

Op deze manier werd het koninkrijk het concept van een bepaald tijdperk, het idee van een toekomstige verschijning, en het ideaal van de uiteindelijke verlossing van de heiligen van de Allerhoogsten. De vroege christenen (en maar al te veel van de latere) verloren over het algemeen het Vader en ‘kind-van-God-zijn’ idee uit het oog, belichaamd in de leer van Jezus over het koninkrijk, terwijl zij daarvoor de goed georganiseerde sociale gemeenschap van de kerk in de plaats stelden. De kerk werd zo in hoofdzaak een sociale broederschap die het concept en ideaal van Jezus van een spirituele broederschap effectief verdrong.

Het ideale concept van Jezus mislukte dus grotendeels, maar op basis van het persoonlijke leven en de leringen van de Meester, aangevuld met de Griekse en Perzische concepten van eeuwig leven en uitgebreid met Philo’s leer over het tijdelijke in contrast met het spirituele, ging Paulus op pad om een van de meest vooruitstrevende menselijke organisaties op te bouwen die ooit op aarde heeft bestaan.

Het concept van Jezus leeft nog steeds in de ontwikkelde religies van de wereld. De christelijke kerk van Paulus is de gesocialiseerde en gehumaniseerde schaduw van wat Jezus bedoelde dat het hemelse koninkrijk zou zijn – en wat het zeer zeker nog zal worden. Paulus en zijn opvolgers verlegden de kwesties van het eeuwige leven gedeeltelijk van het individu naar de kerk. Christus werd zo het hoofd van de kerk in plaats van de oudere broer van iedere individuele gelovige in de familie van de Vader, die het koninkrijk vormt. Paulus en zijn tijdgenoten pasten alle spirituele implicaties van Jezus met betrekking tot hemzelf en de individuele gelovige toe op de kerk als een groep gelovigen. En daarmee brachten ze een dodelijke slag toe aan het concept van Jezus van het goddelijke koninkrijk in het hart van de individuele gelovige.

En zo heeft de christelijke kerk eeuwenlang geleefd tot haar grote schaamte, omdat ze het waagde aanspraak te maken op die mysterieuze krachten en privileges van het koninkrijk; krachten en privileges die alleen kunnen worden uitgeoefend en ervaren tussen Jezus en zijn spirituele broeders, de gelovigen. En zo wordt duidelijk dat lidmaatschap van de kerk niet noodzakelijkerwijs gemeenschap/broederschap in het koninkrijk betekent; het ene is spiritueel, het andere voornamelijk sociaal.

Vroeg of laat zal een andere, grotere Johannes de Doper opstaan en verkondigen: ‘Het koninkrijk Gods is nabijgekomen’ – wat betekent een terugkeer naar het hoge spirituele concept van Jezus, die verkondigde dat het koninkrijk de wil van zijn hemelse Vader is, die dominant en transcendent [het materiële overstijgend] is in het hart van de gelovige – en die dit alles deed zonder op enige manier te verwijzen naar de zichtbare kerk op aarde of naar de verwachte wederkomst van Christus. Er moet een herleving komen van de werkelijke leringen van Jezus, een dergelijke herformulering die het werk teniet zal doen van zijn vroege volgelingen die een sociaal-filosofisch geloofssysteem probeerden te creëren met betrekking tot het feit van Michaëls verblijf op aarde. In korte tijd verdrong de leer van dit verhaal over Jezus bijna de prediking van het evangelie van Jezus over het koninkrijk. Op deze manier verving een historische religie de leer waarin Jezus de hoogste morele ideeën en spirituele idealen van de mens had vermengd met de meest verheven hoop van de mens voor de toekomst: het eeuwige leven. En dat was het evangelie van het koninkrijk.

Juist omdat het evangelie van Jezus zo veelzijdig was, raakten de studenten van zijn leringen binnen enkele eeuwen verdeeld in talloze culten en sekten. Deze beklagenswaardige verdeling van christelijke gelovigen is het gevolg van het onvermogen om in de veelvuldige leringen van de Meester de goddelijke eenheid van zijn ongeëvenaarde leven te onderscheiden. Maar op een dag zullen de ware gelovigen in Jezus niet meer zo spiritueel verdeeld zijn in hun houding tegenover ongelovigen. We kunnen altijd een verscheidenheid aan intellectueel begrip en interpretatie hebben, zelfs verschillende graden van socialisatie, maar gebrek aan spirituele broederschap is zowel onvergeeflijk als verwerpelijk.

Vergis je niet! Er schuilt in de leringen van Jezus een eeuwige aard en kern die niet zal toestaan dat ze voor altijd onvruchtbaar blijven in de harten van denkende mensen. Het koninkrijk zoals Jezus het bedacht, heeft op aarde grotendeels gefaald. Voorlopig is er een uiterlijke kerk voor in de plaats gekomen. Maar je moet begrijpen dat deze kerk slechts het larvestadium is van het gedwarsboomde spirituele koninkrijk, dat dit koninkrijk door dit materiële tijdperk heen zal dragen naar een meer spiritueel tijdperk van beschikbaar-komen, waarin de leringen van de Meester een vollere kans tot ontwikkeling kunnen krijgen. Zo wordt de zogenaamde christelijke kerk de cocon waarin het koninkrijk volgens het concept van Jezus nu sluimert. Het koninkrijk van de Goddelijke broederschap leeft nog steeds en zal uiteindelijk en zeker tevoorschijn komen uit deze lange onderdompeling, net zo zeker als de vlinder uiteindelijk tevoorschijn komt als de prachtige ontvouwing van zijn minder aantrekkelijke schepsel van metamorfe ontwikkeling.

In hoofdstuk 70 is te lezen:

Deze mensen waren opgeleid en geïnstrueerd dat het evangelie dat zij moesten prediken het vaderschap van God en het kind-van-God-zijn van de mens was, maar juist op dit moment van spirituele extase en persoonlijke triomf was het beste nieuws, het grootste nieuws dat deze mensen konden bedenken, het feit van de verrezen Meester. En zo gingen zij voort, begiftigd met kracht ‘uit den hoge’, om de mensen de blijde boodschap te verkondigen – zelfs verlossing door Jezus – maar ze maakten onbedoeld de fout om enkele feiten die met het evangelie verbonden waren, te vervangen door de evangelieboodschap zelf. Petrus liep onbewust voorop in deze fout, en anderen volgden hem tot aan Paulus, die een nieuwe religie schiep uit de nieuwe versie van het goede nieuws.

Het evangelie van het koninkrijk is: het feit van het vaderschap van God, gekoppeld aan de daaruit voortvloeiende waarheid van het kind-van-God-zijn van de mens – de broederschap /verbondenheid van de mensen.

Het christendom, zoals het zich vanaf die dag ontwikkelde, is: het feit van God als de Vader van de Heer Jezus Christus, in samenhang met de ervaring van gelovige gemeenschap met de verrezen en verheerlijkte Christus.

Het is niet vreemd dat deze door de spirit vervulde mannen deze gelegenheid aangrepen om hun gevoelens van triomf te uiten over de krachten die hadden geprobeerd hun Meester te vernietigen en de invloed van zijn leringen te beëindigen. Op zo’n moment als dit was het gemakkelijker om zich hun persoonlijke band met Jezus te herinneren en verrukt te zijn door de zekerheid dat de Meester nog steeds leefde, dat hun vriendschap niet was beëindigd en dat de Spirit van Waarheid inderdaad over hen was gekomen, zoals Hij had beloofd.

Deze gelovigen voelden zich plotseling overgebracht naar een andere wereld, een nieuw bestaan van vreugde, kracht en glorie. De Meester had hun verteld dat het koninkrijk met kracht zou komen, en sommigen van hen dachten dat ze begonnen te begrijpen wat Hij bedoelde.

En wanneer dit alles in overweging wordt genomen, is het niet moeilijk te begrijpen hoe deze mannen ertoe kwamen een nieuw evangelie over Jezus te prediken in plaats van hun eerdere boodschap van het vaderschap van God en het kind-van-God-zijn in een broederschap onder de mensen.

Iets verderop in hoofdstuk 70

Jezus leefde een leven dat een openbaring is van de mens die zich aan de wil van de Vader heeft overgegeven, niet een voorbeeld dat iemand letterlijk kan proberen na te volgen. Dit leven in een lichaam, samen met zijn dood aan het kruis en de daaropvolgende opstanding, werd al snel een nieuw evangelie van de losprijs die aldus was betaald om de mens vrij te kopen uit de klauwen van de boze – vrij te kopen uit de veroordeling door een beledigde God. Ook al raakte het evangelie op die manier sterk verdraaid, het blijft toch een feit dat deze nieuwe boodschap over Jezus veel van de fundamentele waarheden en leringen van zijn eerdere evangelie van het koninkrijk met zich meebracht. En vroeg of laat zullen deze verborgen waarheden over het vaderschap van God en de broederschap/verbondenheid van mensen die kinderen van God zijn, naar boven komen om de beschaving van de hele mensheid effectief te transformeren.

En:

Zelfs na deze demonstratie van het uitstorten van de Spirit van Waarheid over alle lichamen, probeerden de apostelen aanvankelijk de eisen van het Jodendom aan hun bekeerlingen op te leggen. Zelfs Paulus had problemen met zijn broeders in Jeruzalem, omdat hij weigerde de niet-Joden aan deze Joodse gebruiken te onderwerpen. Geen enkele geopenbaarde religie kan zich over de hele wereld verspreiden wanneer ze de ernstige fout maakt zich te vermengen met een nationale cultuur of zich te associëren met gevestigde raciale, sociale of economische gebruiken.

Op basis van H72 had ik nog de volgende vraag:

Het begrip Christus in de tekst… In H72 staat bijvoorbeeld de volgende zin: “In het enthousiasme van Pinksteren luidde Petrus onbedoeld een nieuwe religie in, de religie van de verrezen en verheerlijkte Christus.” In vrijwel al het voorafgaande wordt (uiteraard) de aanduiding Jezus (van Nazareth) gebruikt, maar het lijkt erop alsof het woord Christus gebruikt wordt in een context van “niet helemaal instemmen met de vervormingen die optraden na de dood van Jezus.” Wat is toch dat gebruik van het woord/begrip “Christus” in het verhaal en waarom dat bijna pejoratief gebruikt lijkt te worden?

Het gebruik van het woord Christus in het verhaal is niet neutraal. Het is functioneel. Eerst even scherpstellen wat er gebeurt in H72. Daar staat: “…de religie van de verrezen en verheerlijkte Christus.” Dat is niet simpelweg een alternatieve naam voor Jezus. Het markeert een verschuiving.

1. Jezus als historische persoon

In het grootste deel van Deel IV wordt consequent gesproken over Jezus van Nazareth. Dat is de concrete mens:
– zijn leven
– zijn onderwijs
– zijn relaties
– zijn innerlijke ontwikkeling
– zijn boodschap over het hemelse Koninkrijk

Die focus past bij de kern van het verhaal: de openbaring van de Vader via een menselijk leven.

2. Christus als theologische constructie

Het woord Christus (Grieks: Christos, “gezalfde”, equivalent van het Hebreeuwse Messias) krijgt in de Pinkstercontext een andere lading.

Na de dood en opstanding verschuift de nadruk bij de apostelen — vooral bij Petrus en later Paulus — van:

  • het leven en de boodschap van Jezus
    naar

  • de status van Jezus als verheven, kosmische, goddelijke Messiasfiguur.

De term “Christus” wordt dan drager van:

  • titels

  • verheerlijking

  • soteriologische nadruk: Soteriologie komt van het Griekse sōtēria = redding, verlossing.
    Soteriologie is dus: de leer van de verlossing.

  • dogmatische ontwikkeling

In het verhaal wordt die verschuiving expliciet beschreven als een ontwikkeling die niet volledig samenvalt met wat Jezus zelf centraal stelde.

Dat is geen brute veroordeling, maar wel een correctie.

3. Waarom het bijna pejoratief aanvoelt

Het woord “Christus” wordt in dit narratief vaak gebruikt wanneer het gaat over:

  • de institutionalisering van het geloof

  • de verplaatsing van de aandacht van de Vader naar de persoon van Jezus

  • de verschuiving van levenswijze naar geloofsbelijdenis

  • de ontwikkeling van een religie over Jezus in plaats van de religie van Jezus

Dat geeft het woord een kritische ondertoon.

Niet omdat “Christus” als titel onjuist is.
Maar omdat het staat voor een theologische herinterpretatie.

Je kunt het bijna zo lezen:

  • “Jezus” → het oorspronkelijke leven en onderwijs

  • “Christus” → de latere religieuze constructie rond zijn verheerlijkte status

Dat onderscheid wordt in Deel IV bewust gehanteerd.

4. Het gaat niet om ontkenning, maar om accent

Belangrijk: het verhaal ontkent nergens dat Jezus de Christus is in kosmische zin. Integendeel.

Maar het bekritiseert de historische ontwikkeling waarin:

  • zijn boodschap van het hemelse Koninkrijk
    wordt overschaduwd door

  • geloof in zijn opstanding en goddelijke status als centraal punt.

Dat is de kern van H72.

Petrus predikt op Pinksteren niet meer primair:
“Leef als kinderen van de Vader.”

Maar:
“God heeft deze Jezus tot Heer en Christus gemaakt.”

Dat is een verschuiving van inhoud.

5. Theologisch mechanisme achter de term

Het woord “Christus” fungeert in het verhaal als marker van:

  • messiaanse verwachting

  • verheerlijking

  • dogmatisering

  • kerkelijke ontwikkeling

En daardoor krijgt het in bepaalde passages een licht polemische lading — niet tegen Jezus zelf, maar tegen de verschuiving in nadruk.

Dat is subtiel, maar consistent.

De volgelingen trekken een heleboel weer terug in het Messias-spoor

Wat er in het verhaal gebeurt, is inderdaad dit:

Jezus heeft tijdens zijn leven het politieke en apocalyptische Messias-begrip systematisch afgewezen. Geen nationale bevrijder, geen Davids troon, geen theocratische omwenteling. Hij verlegde het zwaartepunt naar het innerlijke hemelse koninkrijk en het kind-schap met de Vader.

Na Pinksteren gebeurt er iets psychologisch begrijpelijk maar theologisch ingrijpend: zijn volgelingen grijpen terug op het vertrouwde kader van “Messias”. Alleen nu in spirituele, verheven vorm. De gekruisigde rabbi wordt de kosmische Christus.

Dat is geen kwade wil. Het is een cognitieve noodgreep. Ze moeten zijn dood duiden binnen categorieën die ze kennen. En die categorie heet: Messias.

Maar precies daar zit de spanning. Want zodra je hem primair benoemt als “Christus” (Messias), verschuift de aandacht van:
– zijn onderwijs
naar
– zijn status

van:
– leven in relatie tot de Vader
naar
– geloof in zijn verheven positie

Ook in Hoofdstuk 72:

Ooit zal een reformatie in de christelijke kerk wellicht diep genoeg inslaan om terug te keren naar de onvervalste religieuze leringen van Jezus, de grondlegger en voltooier van ons geloof. Je mag een religie over Jezus prediken, maar de religie van Jezus moet je per se leven. In het enthousiasme van Pinksteren luidde Petrus onbedoeld een nieuwe religie in, de religie van de verrezen en verheerlijkte Christus. De apostel Paulus transformeerde dit nieuwe evangelie later tot het christendom, een religie die zijn eigen theologische opvattingen belichaamde en zijn eigen persoonlijke ervaring met de Jezus van de weg naar Damascus uitbeeldde. Het evangelie van het koninkrijk is gebaseerd op de persoonlijke religieuze ervaring van de Jezus van Galilea; het christendom is bijna uitsluitend gebaseerd op de persoonlijke religieuze ervaring van de apostel Paulus. Bijna het hele Nieuwe Testament is gewijd, niet aan de beschrijving van het betekenisvolle en inspirerende religieuze leven van Jezus, maar aan een bespreking van de religieuze ervaring van Paulus en aan een beschrijving van zijn persoonlijke religieuze overtuigingen. De enige noemenswaardige uitzonderingen op deze bewering, afgezien van bepaalde delen van Mattheus, Marcus en Lucas, zijn de Hebreeënbrief en de brief van Jacobus. Zelfs Petrus keerde in zijn geschriften slechts één keer terug naar het persoonlijke religieuze leven van zijn Meester. Het Nieuwe Testament is een prachtig christelijk document, maar het heeft maar een heel matig Jezus-gehalte.

en:

Maar de grootste fout werd gemaakt doordat, terwijl de menselijke Jezus werd erkend als iemand met een religie, de goddelijke Jezus (Christus) bijna van de ene op de andere dag een religie werd. Het christendom van Paulus verzekerde de aanbidding van de goddelijke Christus, maar verloor bijna volledig het zicht op de worstelende en dappere mens Jezus van Galilea, die, door de moed van zijn persoonlijke religieuze geloof en de heldhaftigheid van zijn inwonende Mentor-Spirit, opsteeg van de nederige niveaus van de mensheid om één te worden met de goddelijkheid, en zo de nieuwe en levende weg werd waardoor alle stervelingen zo van de mensheid naar de goddelijkheid kunnen opstijgen. Stervelingen in alle stadia van spiritualiteit en op alle werelden kunnen in het persoonlijke leven van Jezus datgene vinden wat hen zal versterken en inspireren terwijl ze vorderen van de laagste mind-niveaus tot de hoogste spirituele en goddelijke waarden, van het begin tot het einde van elke persoonlijke religieuze ervaring.

Ten tijde van het schrijven van het Nieuwe Testament geloofden de auteurs niet alleen ten diepste in de goddelijkheid van de verrezen Christus, maar geloofden ze ook toegewijd en oprecht in zijn onmiddellijke wederkomst op aarde om het hemelse koninkrijk te voltooien. Dit sterke geloof in de onmiddellijke wederkomst van de Heer had veel te maken met de neiging om uit het verslag die verwijzingen weg te laten die de puur menselijke ervaringen en eigenschappen van de Meester belichtten. De hele christelijke beweging had de neiging weg te bewegen van het menselijke beeld van Jezus van Nazareth naar de verheerlijking van de verrezen Christus – de verheerlijkte en spoedig wederkerende Heer Jezus Christus.

Jezus stichtte de religie van persoonlijke ervaring in het doen van de wil van God en het dienen van de menselijke broederschap; Paulus stichtte een religie waarin de verheerlijkte Jezus het voorwerp van aanbidding werd en de broederschap bestond uit medegelovigen in de goddelijke Christus. In de missie van Jezus waren deze twee concepten potentieel aanwezig in zijn goddelijk-menselijke leven, en het is inderdaad jammer dat zijn volgelingen er niet in slaagden een verenigde religie te creëren die zowel de menselijke als de goddelijke natuur van de Meester op gepaste wijze had kunnen erkennen, aangezien deze onlosmakelijk met elkaar verbonden waren in zijn aardse leven en zo glorieus uiteengezet in het oorspronkelijke evangelie van het koninkrijk.

Waarom dit een sterk Onderwerp wordt (later)

  • Het gaat niet over “Paulus aanvallen”

  • Het gaat over:

    • hoe een levende boodschap zich institutionaliseert

    • hoe voorbeeld → doctrine → correctie kan worden

    • hoe liefde → leer → tucht kan verschuiven

En belangrijk:

het verhaal zelf wijst dit verschil aan, zonder Paulus te demoniseren.

Externe Bronnen: