Het Joodse volk

De Joden maakten deel uit van het oudere Semitische ras, waartoe ook de Babyloniërs, de Feniciërs, en de Carthagers (recente vijanden van Rome) behoorden. Tijdens de eerste helft van de eerste eeuw na Christus waren de Joden de meest invloedrijke groep van de Semitische volkeren. En zij woonden ook op een buitengewoon strategische plek in de wereld zoals die toen geregeerd werd en georganiseerd was voor de handel.

Veel van de hoofdwegen die de naties uit die tijd verbonden, liepen door Palestina. Dat was daardoor het trefpunt, of kruispunt, van drie continenten. Het reizen, het handelen en de legers van Babylonië, Assyrië, Egypte, Syrië, Griekenland, Parthië en Rome trokken achtereenvolgens door Palestina. Zo lang men zich kon herinneren liepen er al vele karavaan-wegen uit het Oosten door een of ander deel van deze streek, van en naar de paar goede zeehavens aan de oostkust van de Middellandse Zee. Vandaar konden schepen hun lading naar het hele Westelijke zeegebied vervoeren. En meer dan de helft van dit karavaan-verkeer kwam door of vlak langs het kleine stadje Nazareth in Galilea.

Palestina was het thuisland was van de Joodse religieuze cultuur en het geboorteland van het Christendom, maar de Joden waren overal in de wereld te vinden. Ze woonden in vele landstreken en dreven handel in elke provincie van de Romeinse en Parthische staten.

Griekenland leverde een taal en een cultuur. Rome bouwde de wegen en verenigde het rijk. Maar de verspreiding van de Joden zorgde voor de culturele centra waarin het nieuwe evangelie als eerste werd ontvangen. Door die verspreiding van het Joodse volk waren er her en der meer dan tweehonderd synagogen en goed georganiseerde godsdienstige gemeenschappen ontstaan in de hele Romeinse wereld. Daar vandaan kon het nieuwe evangelie zich vervolgens verspreiden naar de verste uithoeken van de aarde.

Elke Joodse synagoge tolereerde een aanhang van niet-Joodse (“gentile”) gelovigen, ‘vrome’ of ‘Godvrezende’ mensen. Het was onder deze aanhang van proselieten (mensen die zichzelf tot de Joodse religie hadden bekeerd ) dat Paulus het merendeel van zijn eerste bekeerlingen tot het Christendom vond. Zelfs de tempel in Jeruzalem had een eigen fraaie voor-plaats (voorhof) voor de gentiles, de niet-Joden. De cultuur, de handel en de eredienst van Jeruzalem was heel nauw verbonden met die in Antiochië. In Antiochië werden de discipelen van Paulus voor het eerst ‘Christenen’ genoemd.

De Joodse tempeldienst was in Jeruzalem gecentraliseerd. Dat was het geheim van het overleven van hun monotheïsme (geloven in ÉÉN God). Maar ook zorgde die centrale plek ervoor dat er een soort kraamkamer was voor een nieuw en wijder begrip van die ene God van alle naties en van die ene Vader van alle stervelingen. Van daaruit kon deze nieuwe en wijdere religie de wereld in gezonden worden. De tempeldienst in Jeruzalem betekende het overleven van een religieus cultureel concept, ook al was er de ene ondergang na de andere van een hele reeks van (niet-Joods-gelovige) overheersers van het Joodse volk en vervolgers van het ras.

Het Joodse volk was in de tijd van Jezus onderworpen aan de Romeinen. Maar het genoot een aanzienlijke mate van zelfbestuur. Met de toen nog recente heldhaftige bevrijdingsstrijd van Judas Maccabeüs en zijn directe opvolgers nog vers in het geheugen, leefde het volk vol verwachting van de onmiddellijke verschijning van een nog grotere verlosser, de lang verwachte Messias.

Het geheim van het voortbestaan van Palestina -het koninkrijk van de Joden- als een semi-onafhankelijke staat, was onderdeel van de buitenlandse politiek van de regering in Rome. Die wilde de controle houden over de Palestijnse hoofdverbinding voor het verkeer en reizen tussen Syrië en Egypte, en over de westelijke eindpunten van de karavaan-routes tussen het Oosten en het Westen. Rome wilde niet dat er een andere macht in de Levant zou opstaan die haar eigen toekomstige expansie in deze regio zou kunnen beperken. Rome had een politiek van intriges, die als doel had het Syrië van de Seleuciden in het noorden en het Egypte van de Ptolemeën in het zuiden tegen elkaar op te zetten. Dat maakte het noodzakelijk te zorgen dat Palestina als een aparte, onafhankelijke staat bleef bestaan. De Romeinse politiek, de verzwakking van Egypte, en de ook toenemende verzwakking van de Seleuciden samen met de rijzende macht van Parthië, vormen een verklaring voor het feit dat een kleine, over geringe macht beschikkende groep Joden verscheidene generaties lang in staat was geweest onafhankelijk te blijven. Deze gunstige vrijheid en politieke onafhankelijkheid van de omringende machtiger volken schreven de Joden toe aan het feit dat zij het ‘uitverkoren volk’ waren, dus aan de directe tussenkomst / bescherming van Jahweh9. Deze houding van superioriteit van het Joodse ras maakte het voor hen des te moeilijker de onderwerping aan de Romeinen te verdragen, toen deze uiteindelijk toch over hun land kwam. Maar zelfs op dat treurige moment weigerden de Joden te leren dat hun missie in de wereld van spirituele aard was en niet van politieke aard.

De Joden waren in de tijd van Jezus ongewoon angstig en wantrouwend, omdat ze op dat moment geregeerd werden door een buitenstaander, Herodes de Idumeeër, die de baas over Judea was geworden doordat hij zich heel slim verzekerd had van de dankbaarheid en gunsten van de Romeinse heersers. En hoewel He­rodes net deed alsof hij trouw was aan de Hebreeuwse ceremoniële voorschriften en gebruiken, ging hij toch tempels bouwen voor veel vreemde goden.

De vriendschap tussen Herodes en de Romeinse regeerders maakte de wereld veilig voor Joodse reizigers en maakten dus het mogelijk dat de Joden met het nieuwe evangelie van het koninkrijk van de hemel konden komen zelfs tot in verafgelegen delen van het Romeinse Rijk en naar andere gebieden waarmee de Romeinen een verdrag had afgesloten. Herodes droeg ook veel bij aan een verdere vermenging van de Hebreeuwse en Hellenistische filosofieën.

Herodes legde de haven van Caesarea (Maritima) aan, wat er nog meer aan bijdroeg dat Palestina het kruispunt van de wegen van de beschaafde wereld werd. Hij stierf in het jaar 4 v.Chr., en zijn zoon Herodes Antipas regeerde over Galilea en Perea tijdens de jeugd en het latere werk van Jezus, tot het jaar 39 n. Chr.. Antipas was een groot bouwer, net als zijn vader. Hij herbouwde veel steden van Galilea, waaronder het belangrijke handelscentrum Sepphoris.

De Galileeërs werden door de religieuze leiders en rabbijnse leraren van Jeruzalem niet heel erg gunstig bekeken. Galilea was meer niet-Joods (gentile) dan Joods toen Jezus werd geboren.
Terug naar boven

Onder de Gentiles

De maatschappelijke en economische omstandigheden in het Romeinse rijk waren niet van het hoogste niveau, maar toch waren de wijd verspreide onderlinge vrede en welvaart gunstig voor de het leven van Jezus. In de eerste eeuw na Christus bestond de samenleving van de Mediterrane wereld uit vijf duidelijk bepaalde lagen:

  1. De aristocratie. De hoogste klassen met geld en officiële macht, de bevoorrechte groepen die het voor het zeggen hadden.
  2. De zakelijke klasse: de top-handelaren en de bankiers, de grote importeurs en exporteurs, de internationale kooplieden.
  3. De (kleine) middenklasse. Deze groep was inderdaad klein, maar zij hadden veel invloed en waren de morele ruggengraat van de vroege Christelijke kerk, die deze groepen aanmoedigde door te gaan met hun verschillende ambachten en vormen van handel. Onder de Joden behoorden vele Farizeeën tot deze klasse van handelaars.
  4. Het vrije proletariaat. Deze groep had weinig of geen maatschappelijk aanzien. Hoewel ze trots waren op hun vrijheid, bevonden ze zich in een zeer nadelige positie omdat ze gedwongen waren te concurreren met slavenarbeid. De hoogste klassen keken op hen neer en vonden hen alleen maar nuttig voor ‘de voortplanting.’
  5. De slaven. De helft van de bevolking van de Romeinse staat bestond uit slaven. Velen van hen waren superieure individuen en die konden snel opklimmen tot het vrije proletariaat en zelfs tot in de middenklasse. Maar de meerderheid was òf middelmatig òf zeer onontwikkeld.

Slavernij, zelfs het tot slaaf maken van superieure volken, was een normaal verschijnsel bij Romeinse militaire veroveringen. De meester had onvoorwaardelijke macht over zijn slaaf. De vroege Christelijke kerk bestond voornamelijk uit mensen van de lagere klassen en uit deze slaven.

De betere slaven ontvingen vaak loon, en door te sparen konden zij hun vrijheid kopen. Veel van zulke vrij geworden slaven veroverden hoge posities in de staat, de kerk en de zakenwereld. En juist omdat deze mogelijkheden (tot vrij kopen en opklimmen) bestonden, was de vroege Christelijke kerk zo tolerant ten opzichte van deze gematigde vorm van slavernij.

Er bestond geen wijd verspreid sociaal probleem in het Romeinse Rijk gedurende de eerste eeuw na Christus. Het grootste deel van de bevolking zag zichzelf als behorend tot de groep waarin je toevallig geboren was. De deur stond altijd open voor mensen met talent en bekwaamheden om op te klimmen van de laagste tot de hogere lagen van de Romeinse samenleving. Maar de mensen waren in het algemeen tevreden met hun maatschappelijke rang. Ze waren niet klassenbewust en ze vonden ook niet dat deze klassenverschillen onrechtvaardig of verkeerd waren. Het Christendom was op geen enkele manier een economische beweging die zich als doel stelde verbetering te brengen in de ellende van de onderdrukte klassen.

Hoewel de vrouw in het hele Romeinse Rijk meer vrijheid genoot dan in haar ingeperkte positie in Palestina, was de toewijding aan het gezin en de natuurlijke genegenheid onder de Joden veel groter dan in de niet-Joodse wereld.

Dit hoofdstuk is een nieuwe Nederlandse vertaling gebaseerd op Paper 121 van het Urantia Boek: https://www.urantia.org