Inleiding

Jezus en de apostelen arriveerden op dinsdagavond 13 januari in Capernaum. Zoals gebruikelijk vestigden ze zich in het huis van Zebedeüs in Bethsaida. Nu Johannes de Doper ter dood was gebracht, bereidde Jezus zich voor op de eerste openbare predikingstocht door Galilea. Het nieuws dat Jezus was teruggekeerd verspreidde zich snel door de stad, en de volgende dag vroeg haastte Maria, de moeder van Jezus, zich weg, om naar Nazareth te gaan om haar zoon Jozef te bezoeken.

Woensdag, donderdag en vrijdag bracht Jezus door in het huis van Zebedeüs om zijn apostelen instructies te geven ter voorbereiding op hun eerste uitgebreide openbare predikingstocht. Hij ontving en onderwees ook veel serieuze vragenstellers, zowel individueel als in groepen. Via Andreas regelde hij dat hij op de komende sabbath in de synagoge zou spreken.

Vrijdagavond laat bracht Ruth, het kleine zusje van Jezus, hem heimelijk een bezoek. Ze brachten bijna een uur samen door in een boot die voor anker lag op korte afstand van de kust. Geen mens, behalve Johannes Zebedeüs, wist ooit van dit bezoek, en hij werd opgedragen het aan niemand te vertellen. Ruth was het enige lid van de familie van Jezus dat consequent en onwrikbaar geloofde in de goddelijkheid van zijn aardse missie, vanaf de tijd van haar vroegste spirituele bewustzijn tot en met zijn veelbewogen missie, dood, opstanding en hemelvaart. En uiteindelijk ging ze over naar de werelden hierna, zonder ooit te hebben getwijfeld aan het bovennatuurlijke karakter van de missie van haar vader-broer in de vorm van een sterfelijk lichaam. Baby Ruth was de grootste troost voor Jezus, wat betreft zijn aardse familie, gedurende de zware beproeving van zijn veroordeling, verwerping en kruisiging.

De vangst

Op vrijdagmorgen van diezelfde week, toen Jezus aan de oever van het meer onderwees, dromden de mensen zo dicht bij de waterkant samen dat hij een aantal vissers in een nabijgelegen boot een teken gaf om hem te hulp te komen. Hij stapte in de boot en bleef de verzamelde menigte meer dan twee uur onderwijzen. Deze boot heette ‘Simon’; het was de voormalige vissersboot van Simon Petrus en was door Jezus eigenhandig gebouwd. Op die specifieke ochtend werd de boot gebruikt door David Zebedeüs en twee metgezellen, die net aan de oever waren teruggekeerd van een vruchteloze nacht vissen op het meer. Ze waren hun netten aan het schoonmaken en repareren toen Jezus hen vroeg hem te hulp te komen.

Nadat Jezus klaar was met zijn onderricht aan het volk, zei hij tegen David: “Omdat ik je heb vertraagd, om mij te hulp te komen, laat mij nu met je samenwerken. Laten we gaan vissen; vaar naar verderop waar het dieper is en werp je netten uit om te vissen.” Maar Simon, een van Davids helpers, antwoordde: “Meester, het heeft geen zin. We hebben de hele nacht gewerkt en niets gevangen; maar op uw bevel zullen we uitvaren en de netten uitwerpen.” En Simon stemde ermee in de aanwijzingen van Jezus op te volgen vanwege een gebaar van zijn meester, David. Toen ze naar de door Jezus aangewezen plek waren gegaan, wierpen ze hun netten uit en vingen zo’n grote hoeveelheid vis dat ze vreesden dat de netten zouden scheuren, zozeer zelfs dat ze hun metgezellen op de oever wenkten om hen te hulp te komen. Toen ze alle drie de boten bijna tot zinken toe met vis hadden gevuld, viel deze Simon neer aan de knieën van Jezus en zei: “Ga weg van mij, Meester, want ik ben een zondig mens.” Simon en allen die bij deze gebeurtenis betrokken waren, waren verbaasd over de vangst van de vissen. Vanaf die dag lieten David Zebedeüs, deze Simon, en hun metgezellen hun netten in de steek en volgden Jezus.

Maar dit was in geen enkel opzicht een wonderbaarlijke visvangst. Jezus was een nauwgezette natuuronderzoeker; hij was een ervaren visser en kende de gewoonten van de vissen in het Meer van Galilea. Bij deze gelegenheid verwees hij deze mannen slechts naar de plaats waar de vis gewoonlijk op dit tijdstip van de dag te vinden was. Maar de volgelingen van Jezus beschouwden dit altijd als een wonder.

Middag in de synagoge

De volgende sabbath, tijdens de middagdienst in de synagoge, predikte Jezus over ‘De wil van de Vader in de hemel’. ’s Ochtends had Simon Petrus gepredikt over ‘Het Koninkrijk’. Tijdens de bijeenkomst in de synagoge op donderdagavond had Andreas onderricht gegeven, met als onderwerp ‘De nieuwe weg’. Op dat moment geloofden er in Capernaum meer mensen in Jezus dan in welke andere stad op aarde ook.

Toen Jezus die sabbathmiddag in de synagoge onderwees, koos hij volgens de gewoonte de eerste tekst uit de wet en las hij voor uit het boek Exodus: ‘En gij zult de Heer, uw God, dienen, en Hij zal uw brood en uw water zegenen, en alle ziekte zal van u worden weggenomen.’ Hij koos de tweede tekst uit de Profeten en las voor uit Jesaja: ‘Sta op en schitter, want uw licht is gekomen en de heerlijkheid van de Heer is over u opgegaan. Duisternis mag de aarde bedekken en dikke duisternis de mensen, maar de Spirit van de Heer zal over u opgaan en de goddelijke heerlijkheid zal bij u gezien worden. Zelfs de heidenen zullen tot dit licht komen en velen met groot verstand zullen zich overgeven aan de helderheid van dit licht.’

Deze preek was een poging door Jezus om duidelijk te maken dat religie een Persoonlijke Ervaring is. De Meester zei onder andere:

“Jullie weten heel goed dat, hoewel een goedhartige vader van zijn gezin als geheel houdt, hij hen als groep beschouwt vanwege zijn sterke genegenheid voor elk individueel lid van dat gezin. Jullie moeten de Vader in de hemel niet langer benaderen als een kind van Israël, maar als een Kind van God. Als groep zijn jullie inderdaad de kinderen van Israël, maar als individuen is ieder van jullie een kind van God. Ik ben niet gekomen om de Vader aan de kinderen van Israël te openbaren, maar om deze kennis van God en de openbaring van Zijn liefde en genade aan de individuele gelovige te brengen als een oprechte persoonlijke ervaring. De profeten hebben jullie allemaal geleerd dat Jahweh voor zijn volk zorgt, dat God Israël liefheeft. Maar ik ben onder u gekomen om een grotere waarheid te verkondigen, een die ook veel van de latere profeten begrepen, namelijk dat God ieder van u als individu liefheeft. Al deze generaties lang hebt u een nationale of raciale religie gehad. Nu ben ik gekomen om u een persoonlijke religie te geven.”

“Maar zelfs dit is geen nieuw idee. Velen van de spiritueel gezinden onder u hebben deze waarheid gekend, aangezien sommige van de profeten u zo hebben onderwezen. Hebt u niet in de Schrift gelezen waar de profeet Jeremia zegt: ‘In die dagen zal men niet meer zeggen: De vaders hebben zure druiven gegeten en de tanden van de kinderen zijn er ontstoken of stomp door geworden. Ieder mens zal sterven om zijn eigen ongerechtigheid; ieder die zure druiven eet, zijn eigen tanden zullen erdoor aangetast worden. Zie, de dagen zullen komen dat Ik een nieuw verbond met Mijn volk zal sluiten, niet overeenkomstig het verbond dat Ik met hun vaderen sloot toen Ik hen uit het land Egypte leidde, maar overeenkomstig de nieuwe weg. Ik zal zelfs Mijn wet in hun hart schrijven. Ik zal hun God zijn, en zij zullen Mijn volk zijn. Op die dag zullen zij niet zeggen, de een tot de ander: Kent gij de HEERE? Nee! Want zij zullen Mij allen persoonlijk kennen, van de kleinste tot de grootste.‘ ”

“Hebt u deze beloften niet gelezen? Gelooft u de Schrift niet? Begrijpt u niet dat de woorden van de profeet vervuld zijn in wat u vandaag aanschouwt? En heeft Jeremia u niet aangespoord om religie tot een zaak van het hart te maken, om uzelf als individu met God te verbinden? Heeft de profeet u niet verteld dat de hemelse God uw individuele harten zou onderzoeken? En bent u niet gewaarschuwd dat het natuurlijke menselijke hart boven alles bedrieglijk is en vaak wanhopig slecht?”

“Hebt u ook niet gelezen waar Ezechiël zelfs uw vaderen leerde dat religie een realiteit moet worden in uw individuele ervaringen? U zult niet langer het spreekwoord gebruiken dat zegt: ‘De vaders hebben zure druiven gegeten en de tanden van de kinderen zijn erdoor aangetast.’ ‘Zo waar Ik leef’, zegt de Heer God, ‘zie, alle zielen zijn van Mij; zoals de ziel van de vader, zo ook de ziel van de zoon. Alleen de ziel die zondigt, zal sterven.’ En toen voorzag Ezechiël zelfs deze dag toen hij namens God sprak en zei: “Een nieuw hart zal Ik u geven en een nieuwe spirit in u leggen.”

“U hoeft niet langer te vrezen dat God een volk zal straffen voor de zonde van een individu. En ook zal de Vader in de hemel niet een van zijn gelovige kinderen straffen voor de zonden van een volk, hoewel het individuele lid van een gezin vaak wel de materiële gevolgen moet dragen van familiefouten en groepsovertredingen. Beseft u niet dat de hoop op een betere natie of een betere wereld nauw verbonden is met de vooruitgang en verlichting van het individu?”

Vervolgens schetste de Meester dat de Vader in de hemel, nadat de mens deze spirituele vrijheid heeft onderscheiden, wil dat Zijn kinderen op aarde beginnen aan die eeuwige opklimming van de loopbaan naar het Paradijs. Een opklimming en loopbaan die bestaat uit de bewuste reactie van het schepsel op de goddelijke drang van de bij hem of haar inwonende Mentor-Spirit om de Schepper te vinden, om God te kennen en te proberen volmaakt te worden, zoals Hij.

De apostelen werden enorm geholpen door deze preek. Ze beseften allemaal beter dat het evangelie van het koninkrijk een boodschap is die gericht is tot het individu, niet tot een volk of natie.

Hoewel de mensen van Capernaum bekend waren met de leer van Jezus, waren ze verbaasd over zijn preek op deze sabbathdag. Hij onderwees inderdaad als iemand met gezag en niet zoals de schriftgeleerden.

Net toen Jezus uitgesproken was, werd een jongeman in de geloofsgemeente, die erg in beroering was geraakt door zijn woorden, overvallen door een hevige epileptische aanval en schreeuwde luid. Aan het einde van de aanval, toen hij weer bij bewustzijn kwam, sprak hij in een dromerige toestand en zei: “Wat hebben wij met u te maken, Jezus van Nazareth? U bent de heilige van God. Ben je gekomen om ons te vernietigen?” Jezus gebood de mensen stil te zijn en nam de jongeman bij de hand en zei: “Kom eruit!” en hij werd onmiddellijk wakker.

Deze jongeman was niet bezeten door een onreine ‘geest’ of demon. Hij was een slachtoffer van gewone epilepsie. Maar hem was geleerd dat zijn aandoening te wijten was aan bezetenheid door een boze ‘geest’. Hij geloofde deze leer en gedroeg zich dienovereenkomstig in alles wat hij dacht of zei over zijn kwaal. De mensen geloofden allemaal dat dergelijke verschijnselen rechtstreeks werden veroorzaakt door de aanwezigheid van onreine ‘geesten’. Daarom geloofden ze dat Jezus een demon uit deze man had verdreven. Maar Jezus genas zijn epilepsie op dat moment niet. Pas later die dag, na zonsondergang, was deze man werkelijk genezen. Lang na Pinksteren vermeed de apostel Johannes, de laatste die over de daden van Jezus schreef, elke verwijzing naar deze zogenaamde daden van ‘het uitdrijven van duivels’. En dit deed hij vanwege het feit dat dergelijke gevallen van demonische bezetenheid zich na Pinksteren nooit meer hadden voorgedaan.

Als gevolg van dit alledaagse incident verspreidde zich in Capernaum snel het gerucht dat Jezus een demon uit een man had uitgedreven en hem op wonderbaarlijke wijze had genezen in de synagoge aan het einde van zijn middagpreek. De sabbath was precies de tijd voor de snelle en effectieve verspreiding van zo’n schokkend gerucht. Dit bericht werd ook verspreid naar alle kleinere nederzettingen rond Capernaum, en veel mensen geloofden het.

Het koken en het huishoudelijk werk in het grote huis van Zebedeüs, waar Jezus en de twaalf hun hoofdkwartier hadden, werd grotendeels gedaan door de vrouw van Simon Petrus en haar moeder. Het huis van Petrus lag vlakbij dat van Zebedeüs. En Jezus en zijn vrienden stopten daar op weg van de synagoge, omdat de moeder van de vrouw van Petrus al enkele dagen ziek was met koude rillingen en koorts. Nu gebeurde het dat, ongeveer op het moment dat Jezus boven deze zieke vrouw stond, haar hand vasthield, haar voorhoofd streek en woorden van troost en bemoediging sprak, de koorts haar verliet. Jezus had nog geen tijd gehad om zijn apostelen uit te leggen dat er geen wonder in de synagoge was verricht. En met dit incident (in de synagoge) zo vers en levendig in hun gedachten, en met de herinnering aan het water en de wijn in Kana in gedachten, grepen ze dit toeval aan als een ander wonder, en sommigen van hen haastten zich eropuit om het nieuws door de hele stad te verspreiden.

Amatha, de schoonmoeder van Petrus, leed aan malaria. Ze werd op dat moment niet wonderbaarlijk genezen door Jezus. Pas enkele uren later, na zonsondergang, werd haar genezing bewerkstelligd in verband met de buitengewone gebeurtenis die plaatsvond in de voortuin van het huis van Zebedeüs.

En deze gevallen zijn typerend voor de manier waarop een generatie die op zoek was naar wonderen en een volk dat op wonderen gericht was, onfeilbaar al dergelijke toevalligheden aangrepen als voorwendsel om te verkondigen dat Jezus weer een wonder had verricht.

De genezing bij zonsondergang

Tegen de tijd dat Jezus en zijn apostelen zich gereed hadden gemaakt om aan het einde van deze gedenkwaardige sabbatdag aan hun avondmaal deel te nemen, was heel Capernaum en omgeving in rep en roer over deze vermeende wonderen van genezing. En allen die ziek of gekweld waren, begonnen met de voorbereidingen om naar Jezus te gaan of zich door hun vrienden daarheen te laten brengen zodra de zon onderging. Volgens de Joodse leer was het zelfs niet toegestaan om tijdens de heilige uren van de sabbath op zoek te gaan naar genezing.

Zodra de zon onder de horizon was verdwenen, gingen daarom tientallen gekwelde mannen, vrouwen en kinderen op weg naar het huis van Zebedeüs in Bethsaida. Een man ging op pad met zijn verlamde dochter zodra de zon achter het huis van zijn buurman was verdwenen.

De gebeurtenissen van de hele dag hadden de toon gezet voor deze buitengewone zonsondergang. Zelfs de tekst die Jezus voor zijn middagpreek had gebruikt, had aangegeven dat ziekte moest worden uitgebannen. En hij had met zo’n ongekende kracht en autoriteit gesproken! Zijn boodschap was zo overtuigend! Hoewel hij geen beroep deed op menselijk gezag, sprak hij wel rechtstreeks tot het geweten en de ziel van mensen. Hoewel hij zijn toevlucht niet nam tot logica, juridische spitsvondigheden of slimme uitspraken, deed hij wel een krachtig, direct, duidelijk en persoonlijk beroep op de harten van zijn toehoorders.

Die sabbath was een grote dag in het aardse leven van Jezus, ja, zelfs in het leven van een heel lokaal universum. Voor alle doeleinden van het lokale universum was de kleine Joodse stad Capernaum even de werkelijke hoofdstad van Nebadon. Het handjevol Joden in de synagoge van Capernaum waren niet de enigen die deze gewichtige slotverklaring van de preek van Jezus hoorden: “Haat is de schaduw van angst; wraak het masker van lafheid.” Zijn toehoorders konden zijn gezegende woorden ook niet vergeten, waarin hij verklaarde: “De mens is een kind van God, geen kind van de duivel.”

Kort na zonsondergang, terwijl Jezus en de apostelen nog rondhingen aan de eettafel, hoorde de vrouw van Petrus stemmen in de voortuin. Toen ze naar de deur ging, zag ze een grote groep zieken zich verzamelen. De weg vanuit Capernaum was vol met mensen die op weg waren om genezing te zoeken bij Jezus. Toen ze dit zag, ging ze meteen naar haar man en vertelde het aan Jezus.

Toen de Meester de voor-ingang van het huis van Zebedeüs uitstapte, ontmoette hij een reeks getroffen en gekwelde mensen. Hij zag bijna duizend zieke en gebrekkige mensen; dat was tenminste het aantal mensen dat voor hem verzameld was. Niet alle aanwezigen waren gekweld; sommigen waren gekomen om hun geliefden te helpen bij deze poging om genezing te verkrijgen.

De aanblik van deze gekwelde stervelingen, mannen, vrouwen en kinderen, die in grote mate leden als gevolg van de fouten en wandaden van zijn eigen vertrouwde Zonen van het bestuur van het universum, raakte het menselijk hart van Jezus op bijzondere wijze en daagde de goddelijke genade van deze welwillende Schepper-Zoon uit. Maar Jezus wist heel goed dat hij nooit een blijvende spirituele beweging kon bouwen op het fundament van puur materiële wonderen. Het was zijn consequente beleid geweest om af te zien van het tentoonspreiden van zijn schepper-rechten en -krachten. Sinds Kana was het bovennatuurlijke of wonderbaarlijke geen onderdeel meer geweest van zijn onderricht. Toch raakte deze gekwelde menigte zijn meelevende hart en deed een krachtig beroep op zijn begripvolle genegenheid.

Een stem uit de voortuin riep uit: “Meester, spreek het woord, herstel onze gezondheid, genees onze ziekten en red onze zielen.” Nauwelijks waren deze woorden uitgesproken of een groot gevolg van serafijnen, fysieke controleurs, Levensdragers en middenwezens, zoals die altijd deze geïncarneerde Schepper van een universum vergezelden, maakte zich gereed om met scheppende kracht te handelen mocht hun Soeverein het teken geven. Dit was een van die momenten in de aardse loopbaan van Jezus waarin goddelijke wijsheid en menselijk mededogen zo nauw met elkaar verweven waren in het oordeel van de MensenZoon dat hij zijn toevlucht zocht in een beroep op de wil van zijn Vader.

Toen Petrus de Meester smeekte gehoor te geven aan hun roep om hulp, antwoordde Jezus, neerkijkend op de gekwelde menigte: “Ik ben in de wereld gekomen om de Vader te openbaren en Zijn koninkrijk te vestigen. Voor dit doel heb ik mijn leven tot op dit uur geleefd. Als het daarom de wil is van Hem die mij gezonden heeft en niet in strijd met mijn toewijding aan de verkondiging van het evangelie van het hemelse koninkrijk, zou ik graag willen dat mijn kinderen geheeld worden, en …” -maar de verdere woorden van Jezus gingen verloren in het tumult.

Jezus had de verantwoordelijkheid voor deze genezingsbeslissing overgedragen aan de leiding van zijn Vader. Kennelijk bood de wil van de Vader geen bezwaar, want de woorden van de Meester waren nog maar nauwelijks uitgesproken of de bijeenkomst van hemelse persoonlijkheden, die onder het bevel van de Gepersonaliseerde Mentor-Spirit van Jezus dienden, was enorm in beweging. Het enorme gevolg daalde neer te midden van deze bonte menigte van gekwelde stervelingen, en in een oogwenk werden 683 mannen, vrouwen en kinderen genezen, volledig genezen van al hun lichamelijke ziekten en andere materiële aandoeningen. Zo’n tafereel was nooit eerder op aarde gezien, en ook daarna niet meer. En voor degenen onder ons die aanwezig waren om deze creatieve golf van genezing te aanschouwen, was het inderdaad een aangrijpend schouwspel.

Maar van alle wezens die verbaasd waren over deze plotselinge en onverwachte uitbarsting van bovennatuurlijke genezing, was Jezus het meest verrast. Op een moment dat zijn menselijke interesses en sympathieën gericht waren op het tafereel van lijden en ellende dat zich daar voor hem uitstrekte, verzuimde hij in zijn menselijke verstand de vermanende waarschuwingen van zijn Gepersonaliseerde Mentor-Spirit te herinneren met betrekking tot de onmogelijkheid om het tijdselement van de schepper-krachten van een Schepper-Zoon onder bepaalde voorwaarden en omstandigheden te beperken. Jezus verlangde ernaar dat deze lijdende stervelingen geheeld zouden worden als de wil van zijn Vader daardoor niet zou worden geschonden. De Gepersonaliseerde Mentor-Spirit van Jezus besliste onmiddellijk dat een dergelijke daad van scheppende energie op dat moment de wil van de Paradijs-Vader niet zou overtreden. En door zo’n beslissing –gezien de eerdere uiting van Jezus van zijn verlangen naar genezing– WAS de scheppingsdaad. Wat een Scheppende Zoon verlangt en zijn Vader wil, IS. In heel het verdere leven van Jezus op aarde vond er geen enkele andere massale fysieke genezing van stervelingen meer plaats.

Zoals verwacht kon worden, verspreidde de faam van deze genezing bij zonsondergang in Bethsaida in Capernaum zich door heel Galilea en Judea en naar de streken daarbuiten. Opnieuw werd de vrees van Herodes gewekt en hij zond waarnemers om verslag uit te brengen over het werk en de leringen van Jezus en om vast te stellen of hij de voormalige timmerman van Nazareth was of de uit de dood opgestane Johannes de Doper.

Vooral vanwege deze onbedoelde demonstratie van fysieke genezing werd Jezus voortaan, gedurende de rest van zijn aardse loopbaan, evenzeer een arts als een prediker. Weliswaar zette hij zijn onderricht voort, maar zijn persoonlijke werk bestond grotendeels uit het verzorgen van de zieken en behoeftigen, terwijl zijn apostelen het werk van openbare prediking en het dopen van gelovigen deden.

Maar de meerderheid van degenen die bij deze zonsondergangs-demonstratie van goddelijke energie bovennatuurlijke of scheppende fysieke genezing ontvingen, ondervond geen blijvend spiritueel voordeel van deze buitengewone manifestatie van barmhartigheid. Een klein aantal werd werkelijk spiritueel verbeterd door deze lichamelijke dienstverlening, maar het spirituele koninkrijk werd niet bevorderd in de harten van de mensen door deze verbazingwekkende uitbarsting van tijdloze scheppende genezing.

De genezingswonderen die af en toe de zending van Jezus op aarde vergezelden, maakten geen deel uit van zijn plan om het koninkrijk te verkondigen. Ze waren overigens inherent aan het feit dat er op aarde een goddelijk wezen was met vrijwel onbeperkte scheppende voorrechten, samen met een ongekende combinatie van goddelijke barmhartigheid en menselijk medeleven. Maar zulke zogenaamde wonderen bezorgden Jezus veel problemen, omdat ze vooroordelen zaaiden en hem veel ongewenste bekendheid gaven.

De avond erna

Gedurende de avond na deze grote uitbarsting van genezing overspoelde de vreugdevolle en gelukkige menigte het huis van Zebedeüs, en de apostelen van Jezus waren in de hoogste staat van emotioneel enthousiasme. Vanuit menselijk standpunt bekeken was dit waarschijnlijk de grootste dag van alle grote dagen van hun omgang met Jezus. Nooit daarvoor of daarna bereikte hun hoop zulke hoogten van zelfverzekerde verwachting. Jezus had hun slechts enkele dagen daarvoor verteld, toen ze zich nog binnen de grenzen van Samaria bevonden, dat het uur was gekomen waarop het koninkrijk met kracht zou worden verkondigd, en nu hadden hun ogen gezien wat zij veronderstelden de vervulling van die belofte te zijn. Ze waren opgewonden door het visioen van wat er zou komen als deze verbazingwekkende manifestatie van genezende kracht slechts het begin was. Hun aanhoudende twijfels over de goddelijkheid van Jezus waren verbannen. Ze waren letterlijk bedwelmd door de extase van hun verbijsterde betovering.

Maar toen ze Jezus zochten, konden ze hem niet vinden. De Meester was zeer verontrust door wat er gebeurd was. Deze mannen, vrouwen en kinderen, die van diverse ziekten waren genezen, bleven tot laat in de avond hangen, in de hoop dat Jezus terug zou keren, om hem te kunnen bedanken. De apostelen konden het gedrag van de Meester niet begrijpen naarmate de uren verstreken en hij in afzondering bleef. Hun vreugde zou volledig en volmaakt zijn geweest als hij niet was weggebleven. Toen Jezus uiteindelijk in hun midden terugkeerde, was het al laat en waren vrijwel alle begunstigden van de genezingsepisode naar huis gegaan. Jezus weigerde de felicitaties en aanbidding van de twaalf en de anderen die waren blijven staan om hem te begroeten en zei alleen: “Verheug je niet dat mijn Vader machtig is om het lichaam te genezen, maar dat hij machtig is om de ziel te redden. Laten we gaan rusten, want morgen moeten we ons bezighouden met de dingen van de Vader.

En opnieuw gingen twaalf teleurgestelde, verbijsterde en diepbedroefde mannen rusten; weinigen van hen, behalve de tweeling, sliepen die nacht veel. Nauwelijks had de Meester iets gedaan om de zielen van zijn apostelen op te vrolijken en hun harten te verblijden, of hij leek onmiddellijk hun hoop in duigen te slaan en de fundamenten van hun moed en enthousiasme volledig te vernietigen. Toen deze verbijsterde vissers elkaar in de ogen keken, was er maar één gedachte: ‘We kunnen hem niet begrijpen. Wat betekent dit allemaal?’

Vroege zondagochtend

Ook Jezus sliep die zaterdagnacht niet veel. Hij besefte dat de wereld vol lichamelijke nood was en overspoeld werd door materiële moeilijkheden, en hij dacht na over het grote gevaar dat hij gedwongen zou worden zoveel tijd te besteden aan de zorg voor zieken en lijdenden dat zijn missie om het spirituele koninkrijk in de harten van mensen te vestigen, verstoord of op zijn minst ondergeschikt zou worden aan de dienstverlening voor lichamelijke zaken. Vanwege deze en soortgelijke gedachten die de sterfelijke mind van Jezus ’s nachts bezighielden, stond hij die zondagochtend lang voor zonsopgang op en ging helemaal alleen naar een van zijn favoriete plaatsen om daar communicatie te hebben met de Vader. Het thema van het gebed van Jezus op deze vroege ochtend was om wijsheid en oordeel, zodat hij niet zou toestaan dat zijn menselijk medeleven, gecombineerd met zijn goddelijke genade, zo’n beroep op hem zou doen in de aanwezigheid van sterfelijk lijden dat al zijn tijd zou worden ingenomen door lichamelijke zorg ten koste van de spirituele. Hoewel hij de zorg voor de zieken niet helemaal wilde vermijden, wist hij dat hij ook het belangrijkere werk van spiritueel onderricht en religieuze training moest doen.

Jezus ging zo vaak de heuvels in om te bidden omdat er geen privévertrekken waren die geschikt waren voor zijn persoonlijke devoties.

Petrus kon die nacht niet slapen. En dus heel vroeg, kort nadat Jezus buiten was gaan bidden, wekte hij Jacobus en Johannes, en de drie gingen op zoek naar hun Meester. Na meer dan een uur zoeken vonden ze Jezus en smeekten zij hem hun de reden voor zijn vreemde gedrag te vertellen. Ze wilden weten waarom hij zo verontrust leek door de machtige uitstorting van de spirit van genezing, terwijl alle mensen dolblij waren en zijn apostelen zich zo verheugden.

Meer dan vier uur lang probeerde Jezus aan deze drie apostelen uit te leggen wat er gebeurd was. Hij onderwees hen over wat er was voorgevallen en legde de gevaren van dergelijke manifestaties uit. Jezus vertrouwde hun de reden toe waarom hij naar buiten was gegaan om te bidden. Hij probeerde zijn persoonlijke metgezellen de werkelijke redenen duidelijk te maken waarom het koninkrijk van de Vader niet gebouwd kon worden op wonder-werk en lichamelijke genezing. Maar ze konden zijn leer niet begrijpen.

Ondertussen, vroeg op zondagmorgen, begonnen andere groepen gekwelde zielen en vele nieuwsgierigen zich te verzamelen rond het huis van Zebedeüs. Ze schreeuwden om Jezus te zien. Andreas en de apostelen waren zo verbijsterd dat, terwijl Simon Zelotes de vergadering toesprak, Andreas met een aantal van zijn metgezellen op zoek ging naar Jezus. Toen Andreas Jezus in gezelschap van de drie had gevonden, zei hij: “Meester, waarom laat U ons alleen met de menigte? Zie, allen zoeken U; nooit eerder hebben zovelen naar uw leer gezocht. Op dit moment is het huis omringd door hen die van heinde en verre zijn gekomen vanwege Uw machtige werken. Wilt U niet met ons terugkeren om hen te dienen?”

Toen Jezus dit hoorde, antwoordde hij: “Andreas, heb ik jou en deze anderen niet geleerd dat mijn missie op aarde de openbaring van de Vader is, en mijn boodschap de verkondiging van het hemelse koninkrijk? Hoe komt het dan dat je wilt dat ik me van mijn werk afwend voor het bevredigen van de nieuwsgierigen en voor het genoegen van hen die op zoek zijn naar tekenen en wonderen? Zijn we niet al die maanden onder deze mensen geweest, en zijn ze niet al in groten getale samengestroomd om het goede nieuws van het koninkrijk te horen? Waarom zijn ze nu gekomen om ons te belegeren? Is het niet vanwege de genezing van hun fysieke lichaam in plaats van als gevolg van het ontvangen van spirituele waarheid voor de redding van hun ziel? Wanneer mensen zich tot ons aangetrokken voelen vanwege buitengewone manifestaties, komen velen van hen niet op zoek naar waarheid en redding, maar eerder op zoek naar genezing voor hun lichamelijke kwalen en om bevrijding te verkrijgen van hun materiële moeilijkheden.”

“Al die tijd ben ik in Capernaum geweest, en zowel in de synagoge als aan de kust heb ik het goede nieuws van het koninkrijk verkondigd aan allen die oren hadden om te horen en harten om de waarheid te ontvangen. Het is niet de wil van mijn Vader dat ik met jullie terugga om deze nieuwsgierigen te bedienen en me bezig te houden met de dienstverlening aan lichamelijke zaken met uitsluiting van de spirituele. Ik heb jullie aangesteld om het evangelie te prediken en de zieken te verzorgen, maar ik mag me niet verliezen in genezing met uitsluiting van mijn onderwijs. Nee, Andreas, ik ga niet met je mee. Ga en vertel de mensen dat ze moeten geloven in wat we hun hebben geleerd en zich moeten verheugen in de vrijheid van de zonen van God, en maak je klaar voor ons vertrek naar de andere steden van Galilea, waar de weg al is bereid voor de prediking van het goede nieuws van het koninkrijk. Het was voor dit doel dat ik van de Vader ben uitgegaan. Ga dan en bereid je voor op ons onmiddellijke vertrek, terwijl ik hier op je terugkeer wacht.”

Nadat Jezus gesproken had, gingen Andreas en zijn mede-apostelen bedroefd terug naar het huis van Zebedeüs, stuurden de verzamelde menigte weg en maakten zich snel klaar voor de reis, zoals Jezus had opgedragen. En zo begonnen Jezus en de apostelen op de middag van zondag 18 januari, 28 n.Chr., aan hun eerste echt openbare en openlijke predikingstocht door de steden van Galilea. Op deze eerste tocht predikten ze het evangelie van het koninkrijk in vele steden, maar ze bezochten Nazareth niet.

Die zondagmiddag, kort nadat Jezus en zijn apostelen naar Rimmon waren vertrokken, kwamen zijn broers Jacobus en Judas hem bezoeken en meldden zich bij het huis van Zebedeüs. Rond het middaguur van die dag had Judas zijn broer Jacobus opgezocht en erop aangedrongen dat ze naar Jezus zouden gaan. Tegen de tijd dat Jacobus ermee instemde om met Judas mee te gaan, was Jezus al vertrokken.

De apostelen waren onwillig om de grote belangstelling die in Capernaum was gewekt, te verlaten. Petrus berekende dat er wel duizend gelovigen in het koninkrijk gedoopt konden worden. Jezus luisterde geduldig naar hen, maar hij wilde niet terugkeren. Het bleef een tijdje stil, en toen richtte Thomas zich tot zijn mede-apostelen en zei: “Laten we gaan! De Meester heeft gesproken. Het maakt niet uit of we de mysteries van het hemelse koninkrijk wel of niet volledig kunnen begrijpen, van één ding zijn we zeker: we volgen een leraar die geen eer voor zichzelf zoekt.” En met tegenzin gingen ze eropuit om het goede nieuws te verkondigen in de steden van Galilea.

Dit hoofdstuk is een nieuwe Nederlandse vertaling gebaseerd op Paper 145 van het Urantia Boek: https://www.urantia.org