Inleiding

De tweede openbare prediktocht door Galilea begon op zondag 3 oktober, 28 n.Chr., en duurde bijna drie maanden, tot en met 30 december. Aan deze inspanning namen Jezus en zijn twaalf apostelen deel, bijgestaan door het nieuw gerekruteerde korps van 117 evangelisten en door talloze andere geïnteresseerden. Tijdens deze tocht bezochten ze Gadara, Ptolemais, Japhia, Dabaritta, Megiddo, Jezreel, Scythopolis, Tarichea, Hippos, Gamala, Bethsaida-Julias en vele andere steden en dorpen.

Kaartje ontleend aan: www.urantia.org/in-his-steps/25

Vóór het vertrek op deze zondagmorgen vroegen Andreas en Petrus aan Jezus om de laatste opdracht aan de nieuwe evangelisten te geven, maar de Meester weigerde, en zei dat het niet zijn bevoegdheid was om die dingen te doen die anderen aanvaardbaar konden uitvoeren. Na rijp beraad werd besloten dat Jacobus Zebedeüs de opdracht zou geven. Aan het einde van de toespraak van Jacobus zei Jezus tot de evangelisten: “Ga er nu op uit om het werk te doen zoals u is opgedragen, en later, wanneer u zich bekwaam en trouw hebt getoond, zal ik u aanstellen om het evangelie van het koninkrijk te prediken.”

Op deze reis reisden alleen Jacobus en Johannes met Jezus mee. Petrus en de andere apostelen namen elk ongeveer twaalf evangelisten mee en onderhielden nauw contact met hen terwijl zij hun werk van prediking en onderricht voortzetten. Zodra gelovigen klaar waren om het koninkrijk binnen te gaan, dienden de apostelen de doop toe. Jezus en zijn twee metgezellen reisden gedurende deze drie maanden uitgebreid en bezochten vaak twee steden op één dag om het werk van de evangelisten te observeren en hen aan te moedigen in hun inspanningen om het koninkrijk te vestigen. Deze hele tweede prediktocht was voornamelijk een poging om praktische ervaring op te doen voor dit korps van 117 pas opgeleide evangelisten.

Gedurende deze periode en daarna, tot aan het definitieve vertrek van Jezus en de twaalf naar Jeruzalem, onderhield David Zebedeüs een permanent hoofdkwartier voor het werk van het koninkrijk in het huis van zijn vader in Bethsaida. Dit was het coördinatiecentrum voor het werk van Jezus op aarde en het relais-station [een soort plaats waar de ‘lijnen bij elkaar komen en geschakeld wordt’, dus waar je berichten aan elkaar overdraagt] voor de koeriersdienst die David uitvoerde tussen de werkers in verschillende delen van Palestina en aangrenzende regio’s. Hij deed dit alles op eigen initiatief, maar met de goedkeuring van Andreas. David had veertig tot vijftig koeriers in dienst in deze inlichtingenafdeling van het snel groeiende en uitbreidende werk van het koninkrijk. Terwijl hij hiermee bezig was, voorzag hij gedeeltelijk in zijn onderhoud door een deel van zijn tijd door te brengen met zijn oude werk, de visserij.

De wijdverbreide roem van Jezus

Tegen de tijd dat het kamp in Bethsaida was opgebroken, had de roem van Jezus, met name als genezer, zich verspreid naar alle delen van Palestina en door heel Syrië en de omliggende landen. Weken nadat ze Bethsaida hadden verlaten, bleven de zieken arriveren, en toen ze de Meester niet vonden, gingen ze, nadat ze van David hadden vernomen waar hij was, op zoek naar hem. Tijdens deze reis verrichtte Jezus niet opzettelijk zogenaamde wonderen van genezing. Niettemin vonden tientallen zieken herstel van gezondheid en geluk als gevolg van de heropbouwende kracht van het intense geloof dat hen aanzette tot het zoeken naar genezing.

Er begonnen rond de tijd van deze missie te verschijnen –en dit bleef zo gedurende de rest van het leven van Jezus- een merkwaardige en onverklaarbare reeks genezingsverschijnselen. Tijdens deze drie maanden durende reis profiteerden meer dan honderd mannen, vrouwen en kinderen uit Judea, Idumea, Galilea, Syrië, Tyrus en Sidon, en van over de Jordaan, van deze onbewuste genezing door Jezus. Terugkerend naar hun huizen droegen zij bij aan de verbreding van de roem van Jezus. En zij deden dit ondanks het feit dat Jezus, telkens wanneer hij een van deze gevallen van spontane genezing opmerkte, de begunstigde rechtstreeks opdroeg het aan niemand te vertellen.

Wat er precies gebeurde in deze gevallen van spontane of onbewuste genezing, is ons nooit onthuld. De Meester heeft zijn apostelen nooit uitgelegd hoe deze genezingen tot stand kwamen, behalve dat hij bij verschillende gelegenheden slechts zei: “Ik merk dat er kracht van mij is uitgegaan.” Op een keer merkte hij op, toen hij werd aangeraakt door een ziek kind: “Ik merk dat er leven uit mij is voortgekomen.“Bij gebrek aan een direct woord van de Meester over de aard van deze gevallen van spontane genezing, zou het aanmatigend van onze kant zijn om uit te leggen hoe ze tot stand kwamen, maar het is toegestaan om onze mening over al dergelijke genezingsverschijnselen vast te leggen. Wij geloven dat veel van deze schijnbare wonderen van genezing, zoals ze plaatsvonden tijdens de aardse dienstverlening door Jezus, het resultaat waren van het gelijktijdig bestaan van de volgende drie krachtige, machtige en daarmee samenhangende invloeden:

  1. De aanwezigheid van een sterk, dominant en levend geloof in het hart van de mens die volhardend genezing zocht, samen met het feit dat die genezing werd verlangd om de spirituele voordelen ervan en niet om puur fysiek herstel.
  2. Het bestaan, samengaand met dat menselijke geloof, van de grote sympathie en compassie van de geïncarneerde en door genade gedomineerde Schepperzoon van God, die in zijn persoon feitelijk bijna onbeperkte en tijdloze scheppende genezende krachten en voorrechten bezat.
  3. Naast het geloof van het schepsel en het leven van de Schepper moet ook worden opgemerkt dat deze God-mens de gepersonifieerde uitdrukking was van de wil van de Vader. Als de Vader, in het contact tussen de menselijke behoefte en de goddelijke macht om daaraan te voldoen, niet anders wilde, werden de twee één, en vond de genezing plaats, onbewust voor de mens Jezus, maar onmiddellijk herkend door zijn goddelijke natuur. De verklaring voor veel van deze genezingsgevallen moet dan ook gevonden worden in een belangrijke wet die ons al lang bekend is, namelijk: Wat de Schepper-Zoon verlangt en de eeuwige Vader wil, IS.

Wij zijn dan ook van mening dat, in de persoonlijke aanwezigheid van Jezus, bepaalde vormen van diep menselijk geloof letterlijk en waarlijk dwingend waren in de manifestatie van genezing door bepaalde scheppende krachten en persoonlijkheden van het universum die in die tijd zo nauw verbonden waren met de MensenZoon. Het is daarom een vaststaand feit dat Jezus vaak toeliet dat mensen zichzelf in zijn aanwezigheid genezing gaven door hun krachtige, persoonlijke geloof.

Vele anderen zochten genezing voor volkomen egoïstische doeleinden. Een rijke weduwe van Tyrus kwam met haar gevolg om genezing te zoeken van haar vele kwalen. En terwijl ze Jezus door Galilea volgde, bleef ze steeds meer geld aanbieden, alsof de kracht van God iets was dat door de hoogste bieder gekocht kon worden. Maar ze zou nooit geïnteresseerd raken in het evangelie van het koninkrijk. Het was alleen de genezing van haar lichamelijke kwalen die ze zocht.

Houding van de mensen

Jezus begreep de mind van de mensen. Hij wist wat er in het hart van de mens leefde, en als zijn leringen waren gebleven zoals hij ze presenteerde, met als enige commentaar de geïnspireerde interpretatie die zijn aardse leven bood, zouden alle volken en alle religies van de wereld snel het evangelie van het koninkrijk hebben omarmd. De goedbedoelde pogingen van de vroege volgelingen van Jezus om zijn leringen opnieuw te formuleren, om ze acceptabeler te maken voor bepaalde volken, rassen en religies, resulteerden er alleen maar in dat dergelijke leringen minder acceptabel werden voor alle andere volken, rassen en religies.

De apostel Paulus schreef, in zijn pogingen om de leringen van Jezus onder de gunstige aandacht van bepaalde groepen in zijn tijd te brengen, vele brieven met lessen en aansporingen/waarschuwingen. Andere leraren van het evangelie van Jezus deden hetzelfde, maar geen van hen besefte dat sommige van deze geschriften later bijeengebracht zouden worden door degenen die ze zouden presenteren als de belichaming van de leringen van Jezus. En dus, hoewel het zogenaamde christendom méér van het evangelie van de Meester bevat dan welke andere religie dan ook, bevat het ook veel dat Jezus niet aan ons geleerd heeft. Afgezien van de opname van vele leringen uit de Perzische mysteriën en een groot deel van de Griekse filosofie in het vroege christendom, werden er twee grote fouten gemaakt:

  1. De poging om de leer van het evangelie van Jezus rechtstreeks te verbinden met de Joodse theologie. Een illustratie daarvan is de christelijke leer van de verzoening –de leer dat Jezus de geofferde Zoon was die de strenge gerechtigheid van de Vader zou bevredigen en de goddelijke toorn zou stillen. Deze leringen kwamen voort uit een op zich prijzenswaardige poging om het evangelie van het koninkrijk aanvaardbaarder te maken voor Joden die niet in het evangelie geloofden. Hoewel deze pogingen faalden wat betreft het winnen van de Joden, faalden ze niet in het verwarren en vervreemden van veel oprechte zielen in alle volgende generaties.
  2. 2. De tweede grote blunder van de eerste volgelingen van de Meester, en een die alle volgende generaties volhardend in stand hebben gehouden, was het zo volledig ordenen van de christelijke leer rond de persoon van Jezus. Deze overmatige nadruk op de persoonlijkheid van Jezus in de theologie van het christendom heeft ertoe bijgedragen zijn leringen te vertroebelen, en dit alles heeft het voor Joden, Mohammedanen, Hindoes en andere oosterse religieuzen steeds moeilijker gemaakt om de leringen van Jezus te accepteren. We willen natuurlijk de plaats van de persoon van Jezus niet kleineren in een religie die zijn naam zou dragen, maar we zouden niet moeten toestaan dat een dergelijke erkenning van zijn rechtmatige plaats zijn geïnspireerde leven overschaduwt of zijn reddende boodschap vervangt: het vaderschap van God en de broederschap van de mens.

De leraren van de religie van Jezus zouden andere religies moeten benaderen met de erkenning van de waarheden die gemeenschappelijk zijn (waarvan vele direct of indirect voortkomen uit de boodschap van Jezus), terwijl ze zich zouden moeten onthouden van het leggen van te veel nadruk op de verschillen.

Hoewel de faam van Jezus in die tijd voornamelijk berustte op zijn reputatie als genezer, volgt daaruit niet dat dit ook zo bleef. Naarmate de tijd verstreek, werd hij steeds vaker gezocht voor spirituele hulp. Maar het waren de lichamelijke genezingen die het meest direct en onmiddellijk aantrekkelijk waren voor het gewone volk. Jezus werd steeds vaker gezocht door de slachtoffers van morele slavernij en mentale kwellingen, en hij leerde hen steevast de weg naar bevrijding. Vaders zochten zijn advies over de verzorging van hun zonen, en moeders kwamen om hulp bij het begeleiden van hun dochters. Degenen die in duisternis zaten, kwamen naar hem toe, en hij openbaarde hun het licht des levens. Zijn oor stond altijd open voor het verdriet van de mensheid en hij hielp altijd degenen die zijn dienstverlening zochten.

Toen de Schepper zelf op aarde was, geïncarneerd in een sterfelijk lichaam, was het onvermijdelijk dat er buitengewone dingen zouden gebeuren. Maar je moet Jezus nooit benaderen via deze zogenaamde wonderbaarlijke gebeurtenissen. Leer het wonder via Jezus te benaderen, maar maak niet de fout Jezus via het wonder te benaderen. En deze waarschuwing is gerechtvaardigd, ondanks het feit dat Jezus van Nazareth de enige stichter van een religie is die boven-materiële daden op aarde verrichtte.

Het meest verbazingwekkende en meest revolutionaire kenmerk van Michaël’s missie op aarde was zijn houding ten opzichte van vrouwen. In een tijd en generatie waarin een man zelfs zijn eigen vrouw niet mocht groeten op een openbare plaats, durfde Jezus vrouwen mee te nemen als leraren van het evangelie in verband met zijn derde reis door Galilea. En hij had de volmaakte moed om dit te doen, ondanks de rabbijnse leer die verklaarde dat het ‘beter was dat de woorden van de wet verbrand werden dan aan vrouwen verteld’.

[Er bestond ook in die tijd al discussie over de waarde van het onderwijzen van de Tora aan vrouwen. Rabbi Elizer zegt daarom (in de minder gezaghebbende Jeruzalemse Talmoed, Sotah 3:4, 19a) het betreffende citaat. Het moet worden opgemerkt dat er zelfs toen al onenigheid bestond. In de Misjna, in hetzelfde gedeelte (Babylonische Talmoed, Sotah 3:4), zegt Rabbi ben Azzai: “Een man moet zijn dochter de Tora onderwijzen”, terwijl Elizer zegt dat dergelijk onderwijs haar “losbandigheid” zou bijbrengen. Zijn hardere woorden zijn in de meer gezaghebbende versie weggelaten. Deze discussie tussen Rabbi Eliezer ben Hyrcanus en Rabbi ben Azzai dateert uit de late 1e eeuw en vroege 2e eeuw n.Chr., grofweg: ca. 70–120 n.Chr.
Rabbi Eliezer ben Hyrcanus behoorde tot de eerste generatie tannaim, Actief vóór en na de verwoesting van de Tempel (70 n.Chr.), Leerling van Rabbi Johanan ben Zakkai, staat bekend als conservatief en sterk traditie-gericht;

Rabbi ben Azzai behoorde tot de tweede generatie tannaim, Tijdgenoot van Rabbi Akiva, bekend om ethische en spirituele verdieping, vertegenwoordigt een ruimere, meer inclusieve benadering ]

In één generatie heeft Jezus vrouwen uit de respectloze vergetelheid en de slaafse sleur van alle tijden gehaald. En het is een schandelijke zaak binnen de religie die zich de naam van Jezus aanmatigde, dat het aan de morele moed ontbrak om dit nobele voorbeeld te volgen in de latere houding van die religie ten opzichte van vrouwen.

Toen Jezus zich onder de mensen begaf, ontdekten ze dat hij volledig vrij was van het bijgeloof van die tijd. Hij was vrij van religieuze vooroordelen; hij was nooit intolerant. Hij had niets in zijn hart dat leek op sociale vijandigheid. Hoewel hij zich hield aan het goede in de religie van zijn voorouders, aarzelde hij niet om door de mens gecreëerde tradities van bijgeloof en slavernij te negeren. Hij durfde te onderwijzen dat natuurrampen, toevalligheden van de tijd en andere rampzalige gebeurtenissen geen uitingen zijn van goddelijke oordelen of mysterieuze beslissingen van de Voorzienigheid. Hij veroordeelde slaafse devotie aan zinloze ceremoniën en legde de misvatting van materialistische aanbidding bloot. Hij verkondigde heel dapper de spirituele vrijheid van de mens en durfde te onderwijzen dat stervelingen met hun kwetsbare lichamen inderdaad en in waarheid kinderen van de levende God zijn.

Jezus oversteeg alle leringen van zijn voorouders toen hij dapper reine handen verving door reine harten, een rein hart als kenmerk van ware religie, in plaats van ‘schone handen’. Hij stelde de realiteit in de plaats van traditie en veegde alle pretenties van ijdelheid en hypocrisie van tafel. En toch gaf deze onverschrokken man van God geen uiting aan destructieve kritiek of toonde hij geen volstrekte minachting voor de religieuze, sociale, economische en politieke gebruiken van zijn tijd. Hij was geen militante revolutionair. Hij was een progressieve evolutionist. Hij ging alleen over tot de vernietiging van wat was wanneer hij tegelijkertijd zijn medemensen het superieure aanbood dat hoorde te zijn.

Jezus ontving de gehoorzaamheid van zijn volgelingen zonder die te eisen. Slechts drie mannen die zijn persoonlijke roeping ontvingen, weigerden de uitnodiging te aanvaarden om discipel te worden. Hij oefende een bijzondere aantrekkingskracht uit op mensen, maar hij was niet dictatoriaal. Hij dwong vertrouwen af, en niemand nam er ooit aanstoot aan als hij een bevel gaf. Hij nam absolute autoriteit over zijn discipelen aan, maar niemand maakte ooit bezwaar. Hij stond zijn volgelingen toe hem Meester te noemen.

De Meester werd bewonderd door allen die hem ontmoetten, behalve door hen die diepgewortelde religieuze vooroordelen koesterden of die dachten politieke gevaren in zijn leringen te zien. Mensen stonden versteld van de originaliteit en het gezag van zijn leer. Ze verwonderden zich over zijn geduld in de omgang met achterlijke en lastige vragenstellers. Hij wekte hoop en vertrouwen in de harten van allen die ontvanger van zijn dienstverlening werden. Alleen zij die hem niet hadden ontmoet, vreesden hem, en hij werd alleen gehaat door hen die hem beschouwden als de voorvechter van die waarheid die bestemd was om het kwaad en de dwaling te vernietigen, die zij koste wat het kost in hun hart hadden vastgehouden.

Op zowel vrienden als vijanden oefende hij een sterke en bijzonder fascinerende invloed uit. Wekenlang volgden menigten hem, alleen al om zijn genadige woorden te horen en zijn eenvoudige leven te aanschouwen. Toegewijde mannen en vrouwen hielden van Jezus met een welhaast bovenmenselijke genegenheid. En hoe beter ze hem kenden, hoe meer ze van hem hielden. En dit alles is nog steeds waar; zelfs vandaag de dag en in alle toekomstige tijden, hoe beter de mens deze God-mens leert kennen, hoe meer hij/zij hem zal liefhebben en volgen.

Vijandigheid van de religieuze leiders

Ondanks de gunstige ontvangst van Jezus en zijn leringen door het gewone volk, raakten de religieuze leiders in Jeruzalem steeds meer verontrust en vijandig. De Farizeeën hadden een systematische en dogmatische theologie geformuleerd. Jezus was een leraar die onderwees naarmate de gelegenheid zich voordeed; hij was geen systematische leraar. Jezus onderwees niet zozeer vanuit de wet als wel vanuit het leven, door middel van gelijkenissen. (En als hij een gelijkenis gebruikte om zijn boodschap te illustreren, was het zijn bedoeling om slechts één aspect van het verhaal voor dat doel te gebruiken. Veel verkeerde ideeën over de leringen van Jezus kunnen worden verkregen door te proberen allegorieën te maken van zijn gelijkenissen.) [ Parabels of gelijkenissen zijn korte verhalen die bedoeld zijn om morele lessen te leren. Allegorieën zijn uitgebreide verhalen met metaforen waarbij bijna elk personage een bepaald idee of een persoon of gebeurtenis uit de echte wereld vertegenwoordigt. Het verhaal van de barmhartige Samaritaan is een parabel. Jezus vertelt het verhaal en de moraal is dat je je naaste moet liefhebben, ongeacht wie die naaste is. Het boek Animal Farm van George Orwell is een allegorie omdat het een uitgebreide metafoor is voor de Russische communistische revolutie. Elk dier vertegenwoordigt een andere communistische leider en de gebeurtenissen op de boerderij lopen parallel met die van de revolutie. Het verhaal is kritisch over het communisme, maar het is eerder een allegorie dan een parabel, omdat elk personage een specifiek idee en/of persoon vertegenwoordigt en er niet slechts één simpele morele les is. ]

De religieuze leiders in Jeruzalem raakten bijna in paniek als gevolg van de recente bekering van de jonge Abraham en door de desertie van de drie spionnen die door Petrus waren gedoopt en die nu met de evangelisten op deze tweede predikingstocht door Galilea waren. De Joodse leiders werden steeds meer verblind door angst en vooroordeel, terwijl hun harten werden verhard door de voortdurende verwerping van de aantrekkelijke waarheden van het evangelie van het koninkrijk. Wanneer mensen het beroep op de Mentor-Spirit die in hen woont, uitschakelen, is er weinig dat kan worden gedaan om hun houding te veranderen.

Toen Jezus voor het eerst de evangelisten ontmoette in het kamp van Bethsaida, zei hij ter afsluiting van zijn toespraak: “Jullie moeten niet vergeten dat mensen in lichaam en mind emotioneel individueel reageren. Het enige uniforme aan mensen is de inwonende Mentor-Spirit. Hoewel deze goddelijke spirits enigszins kunnen verschillen in de aard en omvang van hun ervaring, reageren ze uniform op alle spirituele oproepen. Alleen door deze inwonende Mentor-Spirit, en door er daadwerkelijk een beroep op te doen, kan de mensheid ooit eenheid en broederschap bereiken.

Maar veel Joodse leiders hadden de deuren van hun hart gesloten voor de spirituele oproep van het evangelie. Vanaf die dag hielden ze niet op met het plannen en smeden van plannen voor de vernietiging van de Meester. Ze waren ervan overtuigd dat Jezus moest worden gearresteerd, veroordeeld en geëxecuteerd als een religieuze overtreder, een overtreder van de belangrijkste leringen van de Joodse heilige wet.

Voortgang van de predikingstocht

Jezus deed tijdens deze predikingstocht weinig openbaar werk, maar hij leidde wel veel avond-klassen met de gelovigen in de meeste steden en dorpen waar hij toevallig met Jacobus en Johannes verbleef. Tijdens een van deze avondsessies stelde een van de jongere evangelisten Jezus een vraag over woede, en de Meester antwoordde onder andere:

“Woede is een materiële manifestatie die in het algemeen de mate weergeeft van het onvermogen van de spirituele natuur om de controle te krijgen over de gecombineerde intellectuele (mind) en fysieke (lichamelijke) natuur. Woede duidt op je gebrek aan tolerante broederliefde plus je gebrek aan zelfrespect en zelfbeheersing. Woede put de gezondheid uit, verlaagt de mind en is een belemmering voor de spirituele leraar (de inwonende Mentor-Spirit) van de ziel van de mens.

Heb je niet in de Schrift gelezen dat:

  • ‘woede de dwaas doodt’ en dat de mens zichzelf in zijn woede verscheurt. (📖 Job 5:2)
  • Dat ‘wie langzaam is in woede, groot inzicht heeft’ (📖 Spreuken 14:29)  terwijl
  • ‘wie haastig van aard is, dwaasheid verheft’. (📖 Spreuken 14:29 (tweede helft van hetzelfde vers))
  • U weet allemaal dat ‘een zacht antwoord de woede afwendt’  (  📖 Spreuken 15:1a ) en hoe
  • ‘kwellende woorden woede opwekken’. ( 📖 Spreuken 15:1b )
  • ‘Discretie stelt woede uit’ ( 📖 Spreuken 19:11) terwijl
  • ‘wie geen controle heeft over zichzelf, is als een weerloze stad zonder muren’. ( 📖 Spreuken 25:28 )
  • ‘woede is wreed en woede is buitensporig.’ ( 📖 Spreuken 27:4 )
  • ‘Boze mannen wakkeren twist aan, terwijl woedende mensen hun overtredingen vermenigvuldigen.’ ( 📖 Spreuken 29:22 )
  • ‘Wees niet haastig van geest, want woede rust in de boezem van dwazen.’ ” ( 📖 Prediker 7:9 )

Voordat Jezus ophield met spreken, zei hij verder: “Laat jullie harten zo beheerst worden door liefde dat je Mentor-Spirit -jullie spirituele gids- jullie zonder moeite zal kunnen bevrijden van de neiging om uiting te geven aan die uitbarstingen van dierlijke woede die onverenigbaar zijn met de status van een Kind van God.’

Bij diezelfde gelegenheid sprak de Meester met de groep over de wenselijkheid van het bezitten van evenwichtige karakters. Hij erkende dat het voor de meeste mensen noodzakelijk was zich te wijden aan de beheersing van een of ander beroep, maar hij betreurde elke neiging tot overspecialisatie, tot bekrompenheid en beperktheid in de activiteiten van het leven. Hij vestigde de aandacht op het feit dat elke deugd, indien tot het uiterste doorgevoerd, een ondeugd kan worden. Jezus predikte altijd matigheid en onderwees consistentie –evenredige aanpassing van levensproblemen. Hij wees erop dat te veel sympathie en medelijden kan ontaarden in ernstige emotionele instabiliteit; dat enthousiasme kan omslaan in fanatisme. Hij besprak een van hun voormalige collega’s wiens verbeelding hem had verleid tot visionaire en onpraktische ondernemingen. Tegelijkertijd waarschuwde hij hen voor de gevaren van de saaiheid van over-conservatieve middelmatigheid.

En vervolgens sprak Jezus over de gevaren van moed en geloof, hoe ze soms onnadenkende zielen tot roekeloosheid en arrogantie leiden. Hij liet ook zien hoe voorzichtigheid en discretie, wanneer ze te ver doorgevoerd worden, tot lafheid en mislukking leiden. Hij spoorde zijn toehoorders aan om te streven naar originaliteit en elke neiging tot excentriciteit te vermijden. Hij pleitte voor sympathie zonder sentimentaliteit, vroomheid zonder schijnheiligheid. Hij leerde verering vrij van angst en bijgeloof.

Het was niet zozeer wat Jezus leerde over het evenwichtige karakter dat indruk maakte op zijn collega’s, maar het feit dat zijn eigen leven zo’n welsprekende illustratie was van zijn leer. Hij leefde te midden van stress en stormen, maar hij wankelde nooit. Zijn vijanden legden voortdurend strikken voor hem, maar ze sloten hem nooit in. De wijzen en geleerden probeerden hem te laten struikelen, maar hij struikelde niet. Ze probeerden hem in een debat te betrekken, maar zijn antwoorden waren altijd verhelderend, waardig en definitief. Wanneer hij in zijn gesprekken werd onderbroken door talloze vragen, waren zijn antwoorden altijd betekenisvol en afdoende. Nooit nam hij zijn toevlucht tot onedele tactieken om de voortdurende druk van zijn vijanden het hoofd te bieden, die niet aarzelden om allerlei valse, oneerlijke en onrechtvaardige aanvallen op hem uit te voeren.

Hoewel het waar is dat veel mannen en vrouwen zich ijverig moeten toeleggen op een bepaalde bezigheid om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien, is het toch ook zeer wenselijk dat mensen een brede culturele vertrouwdheid ontwikkelen met het leven zoals dat op aarde wordt geleefd. Echt ontwikkelde mensen zijn niet tevreden met onwetendheid over het leven en de daden van hun medemensen.

Les over tevredenheid

Toen Jezus de groep evangelisten bezocht die onder supervisie van Simon Zelotes werkten, vroeg Simon tijdens hun avondconferentie aan de Meester: “Waarom zijn sommige mensen zoveel gelukkiger en tevredener dan anderen? Is tevredenheid een kwestie van religieuze ervaring?” Jezus zei onder andere in antwoord op Simons vraag:

“Simon, sommige mensen zijn van nature gelukkiger dan anderen. Veel, heel veel, hangt af van de bereidheid van de mens om geleid en gestuurd te worden door de Mentor-Spirit van de Vader die in hem leeft. Heb je niet in de Schrift de woorden van de wijze man gelezen: (opnieuw zijn tussen haakjes de bronnen toegevoegd waaraan Jezus deze wijsheden ontleende)

  • ‘De spirit van de mens is de kaars van de Heer, die alle innerlijke delen doorzoekt.’ (📖 Spreuken 20:27)
  • En ook dat zulke door de spirit geleide stervelingen zeggen: ‘De regels zijn mij op aangename plaatsen toegevallen; ja, ik heb een rijke erfenis.’ ( 📖 Psalm 16:6 )
  • ‘Het weinige dat een rechtvaardige heeft, is beter dan de rijkdom van vele goddelozen’, ( 📖 Psalm 37:16 )
  • want ‘een goed mens zal van binnenuit verzadigd worden.’ ( 📖 Spreuken 14:14 )
  • ‘Een vrolijk hart zorgt voor een vrolijk gelaat en is een voortdurend feestmaal. Beter is een weinig met de eerbied van de Heer dan een grote schat en de moeite die daarbij hoort. Beter is een maaltijd met kruiden waar liefde is, dan een gemeste os en haat die daarbij hoort. Beter is een weinig met rechtvaardigheid dan grote inkomsten zonder oprechtheid.’ ( 📖 Spreuken 15:13, 15, 📖 Spreuken 15:16, 📖 Spreuken 15:17, 📖 Spreuken 16:8)
  • ‘Een vrolijk hart doet goed als medicijn.’ ( 📖 Spreuken 17:22 )
  • ‘Beter is een handvol kalmte dan overvloed met verdriet en kwelling van het hart.’ ( 📖 Prediker 4:6 )

“Veel van het verdriet van de mens wordt geboren uit de teleurstelling van zijn ambities en de kwetsing van zijn trots. Hoewel mensen de plicht hebben om het beste van hun leven op aarde te maken, zouden ze, na zich zo oprecht te hebben ingespannen, hun lot blijmoedig moeten aanvaarden en vindingrijkheid moeten aanwenden om het beste te maken van wat hun in handen is gevallen. Maar al te veel problemen van de mens vinden hun oorsprong in een basis van angst in zijn eigen natuurlijke hart.”

  • ‘De goddelozen vluchten wanneer niemand hen achtervolgt.’ ( 📖 Spreuken 28:1 )
  • ‘De goddelozen zijn als de woelige zee, want die kan niet rusten, maar haar wateren werpen slijk en modder op; er is geen vrede, zegt God, voor de goddelozen.’  (  📖 Jesaja 57:20–21 )

“Zoek dan niet naar valse vrede en voorbijgaande vreugde, maar eerder naar de zekerheid van het geloof en de zekerheden van het zijn van een Kind van God, die kalmte, tevredenheid en opperste vreugde in de spirit opleveren.”

Jezus beschouwde deze wereld nauwelijks als een “tranendal.” Hij beschouwde het veeleer als de geboortesfeer van de mens als eeuwige en onsterfelijke spirit in opklimming naar het Paradijs, het “dal van zielsvorming.”

De “Vrees des Heren”

Het was in Gamala, tijdens de avondconferentie, dat Filippus tegen Jezus zei: “Meester, waarom onderwijzen de Schriften ons om de Heer te vrezen, terwijl u wilt dat we zonder vrees naar de Vader in de hemel opzien? Hoe moeten we deze leringen met elkaar in overeenstemming brengen?”

En Jezus antwoordde Filippus en zei:

“Mijn kinderen, het verbaast me niet dat jullie zulke vragen stellen. In het begin kon de mens alleen door vrees eerbied leren, maar ik ben gekomen om de liefde van de Vader te openbaren, zodat jullie aangetrokken zullen worden tot de aanbidding van de Eeuwige door de aantrekkingskracht van de liefdevolle erkenning van een kind en de wederkerigheid van de diepe en volmaakte liefde van de Vader. Ik zou jullie willen bevrijden van de slavernij van het jezelf door slaafse angst drijven tot de vervelende dienst aan een jaloerse en toornige Koning-God. Ik zou jullie willen onderwijzen in de Vader-kind-relatie tussen God en mens, zodat jullie met vreugde geleid kunnen worden naar die verheven en hemelse vrije aanbidding van een liefdevolle, rechtvaardige en barmhartige Vader-God.”

“De ‘vrees voor de Heer’ heeft in de opeenvolgende eeuwen verschillende betekenissen gehad, van angst, via vrees en op-je-hoede-zijn, naar ontzag en eerbied. En nu wil ik jullie vanuit eerbied, via herkenning, realisatie en waardering, naar LIEFDE leiden. Wanneer de mens alleen de werken van God herkent, wordt hij ertoe gebracht de Allerhoogste te vrezen. Maar wanneer de mens de persoonlijkheid en het karakter van de levende God begint te begrijpen en te ervaren, wordt hij ertoe gebracht steeds meer zo’n goede en volmaakte, universele en eeuwige Vader lief te hebben. En het is juist deze verandering in de relatie van de mens tot God die de missie van de Mensenzoon op aarde vormt.”

“Intelligente kinderen vrezen hun vader niet, opdat zij goede gaven uit zijn hand mogen ontvangen. Maar nadat zij al de overvloed aan goede dingen hebben ontvangen, geschonken door de dictaten van de genegenheid van de vader voor zijn zonen en dochters, worden deze zeer geliefde kinderen ertoe gebracht hun vader lief te hebben als een beantwoording, in erkenning en waardering van zulke vrijgevige weldadigheid. De goedheid van God leidt tot berouw; de weldadigheid van God leidt tot dienstbaarheid; de barmhartigheid van God leidt tot verlossing; terwijl de liefde van God leidt tot intelligente en vrijgevige aanbidding.”

“Uw voorouders vreesden God omdat Hij machtig en mysterieus was. Je zult Hem nu aanbidden omdat Hij prachtig is in liefde, rijk aan genade en glorieus in waarheid. De kracht van God wekt angst in het hart van de mens, maar de adelijke grootsheid en rechtvaardigheid van Zijn persoonlijkheid wekken eerbied, liefde en gewillige aanbidding op. Een plichtsgetrouw en aanhankelijk kind heeft geen angst of vrees voor zelfs een machtige en nobele vader. Ik ben in de wereld gekomen om liefde in de plaats van angst te zetten, vreugde in de plaats van verdriet, vertrouwen in de plaats van vrees, liefdevolle dienstbaarheid en waarderende aanbidding in de plaats van slaafse gebondenheid en zinloze ceremonies. Maar het geldt nog steeds voor hen die in duisternis zitten: ‘de vrees voor de Heer is het begin van wijsheid.’ Maar wanneer het licht vollediger is gekomen, worden de kinderen van God ertoe gebracht de Oneindige te prijzen voor wat Hij IS in plaats van Hem te vrezen voor wat Hij doet.”

“Wanneer kinderen jong en onnadenkend zijn, is het noodzakelijk dat zij worden aangespoord hun ouders te eren. Maar wanneer ze ouder worden en de voordelen van de ouderlijke dienstverlening en bescherming wat meer waarderen, worden ze, door begrip van respect en toenemende genegenheid, naar dat niveau van ervaring geleid waar ze hun ouders daadwerkelijk meer liefhebben om wie ze zijn dan om wat ze hebben gedaan. De vader houdt van nature van zijn kind, maar het kind moet zijn liefde voor de vader ontwikkelen van de angst voor wat de vader kan doen, via ontzag, vrees, afhankelijkheid en eerbied, naar de waarderende en affectieve aandacht van liefde.”

“Jullie is geleerd dat jullie God moeten vrezen en zijn geboden moeten opvolgen, want dat zou de gehele plicht van de mens zijn. Maar ik ben gekomen om jullie een nieuw en hoger gebod te geven. Ik wil jullie leren God lief te hebben en Zijn wil te doen, want dat is het hoogste voorrecht van de bevrijde kinderen van God. Jullie vaders werd geleerd God te vrezen, de Almachtige Koning. Ik leer jullie: ‘Heb God lief, -de albarmhartige Vader.’ ”

“In het hemelse koninkrijk, dat ik ben komen verkondigen, is er geen hoge en machtige koning. Dit koninkrijk is een goddelijke familie. Het universeel erkende en onvoorwaardelijk aanbeden centrum en hoofd van deze wijdverspreide broederschap [fellowship] van intelligente wezens is mijn Vader en jullie Vader. Ik ben zijn Zoon, en jullie zijn ook zijn kinderen. Daarom is het eeuwig waar dat jullie en ik broeders zijn in het hemelse land, en des te meer omdat we broeders zijn geworden in het sterfelijke lichaam van het aardse leven. Houd er dan mee op God te vrezen als een koning of Hem te dienen als een meester; leer Hem te vereren als de Schepper; eer Hem als de Vader van jullie spirituele jeugd; heb Hem lief als een barmhartige verdediger; en aanbid Hem uiteindelijk als de liefdevolle en alwijze Vader van je meer volwassen spirituele realisatie en waardering.”

“Uit jullie verkeerde concepten van de Vader in de hemel groeien je valse ideeën van nederigheid en ontstaat veel van je huichelarij. De mens mag dan van nature en oorsprong een worm van het stof zijn, maar wanneer hij bewoond wordt door de spirit van mijn Vader, wordt die mens goddelijk in zijn bestemming. De door mijn Vader geschonken inwonende Mentor-Spirit zal zeker terugkeren naar de goddelijke bron en het universum-niveau van oorsprong, en de [overlevende] menselijke ziel van de sterfelijke mens, die het wedergeboren kind van deze inwonende spirit zal zijn geworden, zal zeker met de goddelijke spirit opstijgen naar de tegenwoordigheid van de eeuwige Vader.”

“Nederigheid past inderdaad bij de sterfelijke mens die al deze gaven van de Vader in de hemel ontvangt, hoewel er een goddelijke waardigheid verbonden is aan al dergelijke geloofskandidaten voor de eeuwige opklimming naar het hemelse koninkrijk. De zinloze en ondergeschikte praktijken van een opzichtige en valse nederigheid zijn onverenigbaar met de waardering van de Bron van je redding en de erkenning van de bestemming van je uit de spirit geboren ziel. Nederigheid voor God is volkomen gepast in de diepten van je hart; zachtmoedigheid voor mensen is prijzenswaardig; maar de hypocrisie van zelfbewuste en aandachtsbeluste nederigheid is kinderachtig en onwaardig voor de verlichte kinderen van het koninkrijk.”

“U doet er goed aan zachtmoedig te zijn voor God en zelfbeheerst voor de mensen, maar laat uw zachtmoedigheid van spirituele oorsprong zijn en niet de zelf-bedriegende vertoning van een zelfbewust gevoel van zelfingenomen superioriteit. De profeet sprak weloverwogen toen hij zei: ‘Wandel nederig met God‘. ( 📖 Micha 6:8 ) Want hoewel de Vader in de hemel de Oneindige en de Eeuwige is, woont hij ook ‘bij hem die een berouwvolle mind en een nederige spirit heeft.’ ( 📖 Jesaja 57:15 ) Mijn Vader veracht trots, verafschuwt huichelarij en verafschuwt ongerechtigheid. En het was om de waarde van oprechtheid en volmaakt vertrouwen in de liefdevolle steun en trouwe leiding van de hemelse Vader te benadrukken dat ik zo vaak naar het kleine kind heb verwezen als illustratie van de gewenste basis-houding van je mind en de reactie van de spirit die zo essentieel zijn voor de intrede van de sterfelijke mens in de spirituele werkelijkheden van het hemelse koninkrijk.”

“De profeet Jeremia beschreef veel stervelingen goed toen hij zei: ‘Met de mond bent u dicht bij God, maar met het hart bent u ver van Hem.’ ( ook in 📖 Jesaja 29:13 ) En hebt u ook niet die vreselijke waarschuwing van de profeet gelezen die zei: ‘De priesters daarvan onderwijzen voor loon, en de profeten daarvan waarzeggen voor geld. Tegelijkertijd belijden ze vroomheid en verkondigen ze dat de Heer met hen is.’ ( 📖 Micha 3:11 ) Bent u niet gewaarschuwd voor hen die ‘vrede spreken met hun buren, terwijl er kwaad in hun hart is’? ( 📖 Psalm 28:3 ) Zij die vleien met de lippen, terwijl het hart neigt tot bedrog? ( 📖 Psalm 12:3, soms 12:2) Van alle zorgen van een goedgelovig mens is er geen zo verschrikkelijk als ‘gewond te worden in het huis van een vertrouwde vriend.’  ( 📖 Zacharia 13:6 )

Terugkeer naar Bethsaida

Andreas had, in overleg met Simon Petrus en met de goedkeuring van Jezus, David in Bethsaida opdracht gegeven om boodschappers naar de verschillende predikingsgroepen te sturen met de opdracht de reis te beëindigen en ergens op donderdag 30 december naar Bethsaida terug te keren. Tegen etenstijd op die regenachtige dag waren de hele apostolische groep en de evangelisten die onderwijs gaven, aangekomen bij het huis van Zebedeüs.

De groep bleef gedurende de sabbathdag bijeen en werd ondergebracht in de huizen van Bethsaida en het nabijgelegen Capernaum. Daarna kreeg het hele gezelschap twee weken pauze om naar huis te gaan naar hun familie, hun vrienden te bezoeken of te gaan vissen. De twee of drie dagen dat ze samen in Bethsaida waren, waren inderdaad stimulerend en inspirerend; zelfs de oudere leraren werden onderwezen door de jonge predikers toen ze hun ervaringen vertelden.

Van de 117 evangelisten die deelnamen aan deze tweede predikingstocht door Galilea, kwamen er slechts ongeveer vijfenzeventig met goed gevolg door de test van daadwerkelijke ervaring en waren ze beschikbaar om aan het einde van de twee weken pauze aan de missie toegewezen te worden.

Jezus bleef met Andreas, Petrus, Jacobus en Johannes in het huis van Zebedeüs en bracht veel tijd door in overleg over het welzijn en de uitbreiding van het koninkrijk.

Dit hoofdstuk is een nieuwe Nederlandse vertaling gebaseerd op Paper 149 van het Urantia Boek: https://www.urantia.org