Inleiding

Op vrijdagavond, de dag van hun aankomst in Bethsaida, en op sabbath-morgen, merkten de apostelen dat Jezus ernstig in beslag werd genomen door een belangrijk probleem; ze wisten dat de Meester ongewoon veel aandacht besteedde aan een belangrijke kwestie. Hij ontbeet niet en at maar weinig rond het middaguur. De hele sabbath-morgen en de avond ervoor waren de twaalf en hun metgezellen in kleine groepjes bijeen rond het huis, in de tuin en langs de kust. Er hing een spanning van onzekerheid en angst over hen allen. Jezus had weinig tegen hen gezegd sinds ze Jeruzalem hadden verlaten.

In geen maanden hadden ze de Meester zo afwezig en niet-communicatief gezien. Zelfs Simon Petrus was depressief, zo niet terneergeslagen. Andreas wist niet wat hij voor zijn neerslachtige metgezellen moest doen. Nathanaël zei dat ze zich midden in de “stilte voor de storm” bevonden. Thomas was van mening dat er “iets ongewoons stond te gebeuren”. Filippus adviseerde David Zebedeüs om “plannen voor het voeden en huisvesten van de menigte te vergeten totdat we weten wat de Meester van plan is.” Mattheus deed hernieuwde pogingen om de schatkist aan te vullen. Jacobus en Johannes bespraken de aanstaande preek in de synagoge en speculeerden veel over de waarschijnlijke aard en reikwijdte ervan. Simon Zelotes uitte de overtuiging, in werkelijkheid een hoop, dat “de Vader in de hemel op het punt stond op een onverwachte manier in te grijpen ter rechtvaardiging en ondersteuning van zijn Zoon”, terwijl Judas Iscariot de gedachte durfde te koesteren dat Jezus mogelijk werd gekweld door spijt omdat “hij niet de moed en durf had gehad om zich door de vijfduizend tot koning van de Joden te laten uitroepen.”

Vanuit zo’n groep terneergeslagen en ontroostbare volgelingen trok Jezus er op deze prachtige sabbath-middag op uit om zijn baanbrekende preek te houden in de synagoge van Capernaum. Het enige woord van vrolijke groet of goede wensen van een van zijn directe volgelingen kwam van een van de nietsvermoedende tweelingbroers Alpheus, die, toen Jezus het huis verliet op weg naar de synagoge, hem opgewekt groette en zei: “Wij bidden dat de Vader u zal helpen en dat we grotere menigten mogen hebben dan ooit.”

De voorbereidingen

Een gedistingeerde gemeente begroette Jezus om drie uur op deze prachtige sabbath-middag in de nieuwe synagoge van Capernaum. Jairus leidde de bijeenkomst en overhandigde Jezus de Schriften om te lezen. De dag ervoor waren er drieënvijftig Farizeeën en Sadduceeën uit Jeruzalem aangekomen. Meer dan dertig leiders en bestuurders van de naburige synagogen waren ook aanwezig. Deze Joodse religieuze leiders handelden rechtstreeks in opdracht van het Sanhedrin in Jeruzalem en vormden de orthodoxe voorhoede die was gekomen om een openlijke oorlog tegen Jezus en zijn discipelen te beginnen. Naast deze Joodse leiders, op de ereplaatsen van de synagoge, zaten de officiële waarnemers van Herodes Antipas, die de opdracht had gekregen de waarheid te achterhalen over de verontrustende berichten dat het volk een poging had gedaan om Jezus tot koning van de Joden uit te roepen, in het gebied van zijn broer Filippus.

Jezus begreep dat hij geconfronteerd werd met een directe verklaring van openlijke oorlogsvoering door zijn toenemende vijanden, en hij koos er moedig voor om de aanval in te zetten. Bij het voeden van de vijfduizend had hij hun ideeën over de materiële Messias uitgedaagd; nu koos hij er opnieuw voor om hun concept van de Joodse bevrijder openlijk aan te vallen. Deze crisis, die begon met het voeden van de vijfduizend en eindigde met deze preek op sabbath-middag, was de ommekeer in het tij van populaire roem en lof. Vanaf dat moment zou het werk van het koninkrijk zich steeds meer richten op de belangrijkere taak om blijvende spirituele bekeerlingen te winnen voor de waarlijk religieuze broederschap van de mensheid. Deze preek markeert de crisis in de overgang van de periode van discussie, controverse en besluitvorming naar die van openlijke strijd en uiteindelijke aanvaarding of definitieve verwerping.

De Meester wist heel goed dat veel van zijn volgelingen zich langzaam maar zeker voorbereidden om hem uiteindelijk te verwerpen. Hij wist eveneens dat veel van zijn discipelen langzaam maar zeker die spirituele training en die zielsdiscipline doormaakten die hen in staat zouden stellen twijfel te overwinnen en moedig hun volwaardige geloof in het evangelie van het koninkrijk te bevestigen. Jezus begreep ten volle hoe mensen zich voorbereiden op beslissingen in de tijd van een crisis en op het verrichten van plotselinge daden van moedige keuzes door het langzame proces van de herhaalde keuze tussen de steeds terugkerende situaties van goed en kwaad. Hij onderwierp zijn uitverkoren boodschappers aan herhaaldelijke repetities van teleurstelling en gaf hun regelmatig de kans om te kiezen tussen de juiste en de verkeerde manier om met spirituele beproevingen om te gaan. Hij wist dat hij erop kon vertrouwen dat zijn volgelingen, wanneer zij de laatste test zouden doorstaan, hun cruciale beslissingen zouden nemen in overeenstemming met hun eerdere en gebruikelijke mentale houdingen en spirituele reacties.

Deze crisis in het aardse leven van Jezus begon met het voeden van de vijfduizend en eindigde met deze preek in de synagoge. De crisis in het leven van de apostelen begon met deze preek in de synagoge en duurde een heel jaar, en eindigde pas met het proces en de kruisiging van de Meester.

Terwijl zij die middag in de synagoge zaten voordat Jezus begon te spreken, was er slechts één groot mysterie, slechts één allerbelangrijkste vraag, in de gedachten van allen. Zowel zijn vrienden als zijn vijanden dachten slechts aan één ding, en dat was: “Waarom heeft hij zelf zo doelbewust en effectief het tij van het volksenthousiasme gekeerd?” En het was vlak voor en vlak na deze preek dat de twijfels en teleurstellingen van zijn ontevreden aanhangers uitgroeiden tot onbewuste tegenstand en uiteindelijk omsloegen in daadwerkelijke haat. Na deze preek in de synagoge koesterde Judas Iscariot zijn eerste bewuste gedachte aan desertie. Maar hij beheerste voorlopig al dergelijke neigingen effectief.

Iedereen was in een staat van verwarring. Jezus had hen verbijsterd en in verwarring achtergelaten. Hij had onlangs de grootste demonstratie van bovennatuurlijke kracht gegeven die zijn hele loopbaan kenmerkte. Het voeden van de vijfduizend was de gebeurtenis in zijn aardse leven die het meest appelleerde aan het Joodse concept van de verwachte Messias. Maar dit buitengewone voordeel werd onmiddellijk en onverklaarbaar tenietgedaan door zijn prompte en ondubbelzinnige weigering om tot koning te worden benoemd.

Op vrijdagavond, en opnieuw op sabbath-morgen, hadden de leiders van Jeruzalem zich lang en ijverig bij Jairus ingespannen om te voorkomen dat Jezus in de synagoge zou spreken, maar het had geen zin. Het enige antwoord van Jairus op al dit gesmeek was: “Ik heb dit verzoek ingewilligd en ik zal mijn woord niet breken.”

De baanbrekende preek

Jezus leidde deze preek in door te lezen uit de wet zoals die in Deuteronomium staat:

‘Maar het zal gebeuren, als dit volk niet luistert naar de stem van God, dat de vloeken van overtreding hen zeker zullen treffen. De Heer zal u door uw vijanden laten slaan; u zult weggevoerd worden naar alle koninkrijken van de aarde. En de Heer zal u en de koning die u over u hebt aangesteld, overleveren aan een vreemd volk. U zult een bron van verbazing, een spreekwoord en een spot zijn onder alle volken. Uw zonen en uw dochters zullen in gevangenschap gaan. De vreemdelingen onder u zullen hoog in aanzien stijgen, terwijl u zeer vernederd zult worden. En deze dingen zullen voor altijd over u en uw nakomelingen komen, omdat u niet hebt geluisterd naar het woord van de Heer. Daarom zult u uw vijanden dienen die tegen u zullen optrekken. U zult honger lijden en dorst en dit vreemde ijzeren juk dragen. De Heer zal een volk van ver over u brengen, van het einde der aarde, een volk waarvan u de taal niet zult verstaan, een volk met een hard gelaat, een volk dat weinig respect voor u zal hebben. En zij zullen u belegeren in al uw steden, totdat de hoge, versterkte muren waarop u vertrouwde, neergehaald zijn; en heel het land zal in hun handen vallen. En het zal geschieden dat u gedwongen zult worden om de vrucht van uw eigen lichaam te eten, het vlees van uw zonen en dochters, gedurende deze tijd van belegering, vanwege de benauwdheid waarmee uw vijanden u zullen beklemmen.’ 📖 Deuteronomium 28:15–68
(met name 28:25, 28:36–37, 28:41, 28:43–48, 28:49–57)

En toen Jezus deze lezing had beëindigd, wendde hij zich tot de Profeten en las uit Jeremia:

‘Als u niet luistert naar de woorden van mijn dienaren, de profeten die Ik u gezonden heb, dan zal Ik dit huis maken als Silo, en Ik zal deze stad tot een vloek maken voor alle volken der aarde.’ 📖 Jeremia 26:4–6

En de priesters en de leraren hoorden Jeremia deze woorden spreken in het huis van de Heer. En het gebeurde, toen Jeremia geëindigd had met spreken alles wat de Heer hem geboden had te spreken tot heel het volk, dat de priesters en leraren hem grepen en zeiden:

‘Je zult zeker sterven.’ 📖 Jeremia 26:8

En heel het volk verzamelde zich rond Jeremia in het huis van de Heer. En toen de vorsten van Judah deze dingen hoorden, zetten zij een oordeel over Jeremia. Toen spraken de priesters en de leraren tot de vorsten en tot heel het volk, zeggende:

‘Deze man is de doodstraf waardig, want hij heeft tegen onze stad geprofeteerd, en jullie hebben hem met jullie eigen oren gehoord.’  📖 Jeremia 26:11

Toen sprak Jeremia tot alle vorsten en tot heel het volk:

‘De Heer heeft mij gezonden om tegen dit huis en tegen deze stad te profeteren, al de woorden die jullie gehoord hebben. Nu dan, verbeter je wegen en hervorm je daden en gehoorzaam de stem van de Heer, je God, opdat jullie mogen ontkomen aan het kwaad dat over jullie is uitgesproken. Wat mij betreft, zie, ik ben in uw handen. Doe met mij wat goed en recht is in uw ogen. Maar weet zeker dat als u mij ter dood brengt, u onschuldig bloed over uzelf en over dit volk brengt, want de Heer heeft mij inderdaad gezonden om al deze woorden in uw oren te spreken.’ 📖 Jeremia 26:12–15

“De priesters en leraren van die tijd probeerden Jeremia te doden, maar de rechters wilden niet, hoewel ze hem, vanwege zijn waarschuwende woorden, aan touwen in een smerige kerker lieten zakken totdat hij tot aan zijn oksels in het slijk wegzonk. [📖 Jeremia 38:6, (de kuil van Malkia, waarin Jeremia tot zijn oksels in het slijk wegzakte)]

Dat is wat dit volk de profeet Jeremia aandeed toen hij gehoorzaamde aan het bevel van de Heer om zijn broeders te waarschuwen voor hun dreigende politieke ondergang. Vandaag wil ik u vragen: Wat zullen de hogepriesters en religieuze leiders van dit volk doen met de man die het waagt hen te waarschuwen voor de dag van hun spirituele ondergang? Zult u ook proberen de leraar ter dood te brengen die het waagt het woord van de Heer te verkondigen en die niet bang is aan te wijzen waarop u weigert te wandelen, te wijzen op de weg van het licht die leidt naar de ingang tot het hemelse koninkrijk?”

“Wat zoekt u als bewijs van mijn missie op aarde? Wij hebben u ongemoeid gelaten in uw invloedrijke en machtige posities, terwijl wij blijde boodschap predikten aan de armen en de verstotenen. Wij hebben geen vijandige aanval gedaan op datgene wat u eerbiedigt, maar hebben in plaats daarvan een nieuwe vrijheid verkondigd voor de door angst geteisterde ziel van de mens. Ik ben in de wereld gekomen om mijn Vader te openbaren en op aarde de spirituele broederschap van de kinderen van God te vestigen, het hemelse koninkrijk. En hoewel ik u er zo vaak aan heb herinnerd dat mijn koninkrijk niet van deze wereld is, heeft mijn Vader u toch vele manifestaties van materiële wonderen geschonken, naast meer bewijskrachtige spirituele transformaties en wedergeboortes.”

“Welk nieuw teken zoekt u in mijn handen? Ik verklaar dat u al voldoende bewijs hebt om uw beslissing te kunnen nemen. Voorwaar, voorwaar, ik zeg tot velen die vandaag voor mij zitten: u wordt geconfronteerd met de noodzaak te kiezen welke weg u zult gaan; en ik zeg u, zoals Jozua tot uw voorvaderen zei:

‘Kies vandaag wie u zult dienen.’ 📖 Jozua 24:15

Vandaag staan velen van u aan het kruispunt van wegen.”

“Toen sommigen van u mij na het feestmaal van de menigte aan de overkant niet konden vinden, huurden zij de vissersvloot van Tiberias, die een week eerder tijdens een storm in de buurt beschutting had gezocht, om mij te achtervolgen, en waarvoor? Niet voor waarheid en rechtvaardigheid, of om beter te weten hoe u uw medemensen kunt dienen en bijstaan! Nee, maar eerder om meer brood te hebben waarvoor u niet had gewerkt. Het was niet om jullie zielen te vullen met het woord van leven, maar alleen om de buik te vullen met het brood van gemak. En jullie is al lang geleerd dat de Messias, wanneer hij zou komen, die wonderen zou verrichten die het leven aangenaam en gemakkelijk zouden maken voor alle uitverkorenen. Het is dan ook niet vreemd dat jullie, die zo onderwezen zijn, verlangen naar de broden en de vissen. Maar ik zeg jullie dat dit niet de missie is van de MensenZoon. Ik ben gekomen om spirituele vrijheid te verkondigen, eeuwige waarheid te onderwijzen en levend geloof te bevorderen.”

“Mijn broeders, hunker niet naar het voedsel dat vergaat, maar zoek veeleer naar het spirituele voedsel dat voedt tot het eeuwige leven; en dit is het brood van leven dat de Zoon geeft aan allen die het willen nemen en eten, want de Vader heeft de Zoon dit leven zonder mate [zonder beperking, in overvloed, “without measure”] gegeven. En toen jullie mij vroegen: ‘Wat moeten wij doen om de werken van God te doen?’ heb ik u duidelijk gezegd:

‘Dit is het werk van God: dat u hem gelooft die Hij gezonden heeft.'”

En toen zei Jezus, wijzend naar het symbool van een pot manna dat de bovendorpel van deze nieuwe synagoge sierde en die versierd was met druiventrossen:

“U dacht dat uw voorouders in de woestijn manna aten – het brood van de hemel – maar ik zeg u dat dit het brood van de aarde was. Terwijl Mozes uw vaderen geen brood uit de hemel gaf, staat mijn Vader nu klaar om u het ware brood van leven te geven. Het brood van de hemel is dat wat van God neerdaalt en eeuwig leven geeft aan de mensen van de wereld. En wanneer u tot mij zegt: Geef ons dit levende brood, zal ik antwoorden: Ik ben dit brood van leven. Wie tot mij komt, zal geen honger meer hebben, terwijl wie mij gelooft, nooit meer zal dorsten. U hebt mij gezien, met mij geleefd en mijn werken aanschouwd, en toch gelooft u niet dat ik ben voortgekomen uit de Vader. Maar voor hen die wel geloven: vrees niet. Allen die door de Vader geleid worden, zullen tot mij komen, en wie tot mij komt, zal nooit worden weggestuurd.”

“En nu, laat mij u eens en voor altijd verkondigen, dat ik op de aarde ben neergedaald, niet om mijn eigen wil te doen, maar de wil van Hem die mij gezonden heeft. En dit is de uiteindelijke wil van Hem die mij gezonden heeft: dat ik van allen die Hij mij gegeven heeft, er niet één verlies. En dit is de wil van de Vader: dat ieder die de Zoon aanschouwt en in hem gelooft, eeuwig leven zal hebben. Gisteren nog heb ik jullie gevoed met brood voor jullie lichaam. Vandaag bied ik jullie het brood van leven aan voor jullie hongerige zielen. Willen jullie nu het brood van de spirit nemen, zoals jullie gisteren zo gewillig het brood van deze wereld aten?”

Toen Jezus even stilstond om de gemeente te overzien, stond een van de leraren uit Jeruzalem (een lid van het Sanhedrin) op en vroeg: “Begrijp ik u goed als u zegt dat u het brood bent dat uit de hemel neerdaalt, en dat het manna dat Mozes aan onze vaderen in de woestijn gaf, dat niet is?”

En Jezus antwoordde de Farizeeër: “U hebt het goed begrepen.” Toen zei de Farizeeër: “Maar bent u niet Jezus van Nazareth, de zoon van Jozef, de timmerman? Zijn uw vader en moeder, evenals uw broers en zussen, niet bij velen van ons bekend? Hoe komt het dan dat u hier in Gods huis verschijnt en verklaart dat u uit de hemel bent neergedaald?”

Intussen was er veel gemompel in de synagoge, en er dreigde zo’n tumult dat Jezus opstond en zei: “Laten we geduldig zijn; de waarheid lijdt niet onder een eerlijk onderzoek. Ik ben alles wat u zegt, maar meer. De Vader en ik zijn één; de zoon doet alleen wat de Vader hem leert, terwijl allen die door de Vader aan de zoon worden gegeven, door de zoon tot zich worden genomen. U hebt gelezen waar geschreven staat in de Profeten: ‘Jullie zullen allen door God worden geleerd’, [📖 Jesaja 54:13] en: ‘Wie door de Vader wordt onderwezen, zal ook naar Zijn zoon luisteren.’ [📖 Jesaja 54:13] Iedereen die zich overgeeft aan de leer van de inwonende Mentor-Spirit van de Vader, zal uiteindelijk tot mij komen. Niet dat iemand de Vader heeft gezien, maar de spirit van de Vader woont in de mens. En de zoon die uit de hemel is neergedaald, die heeft zeker de Vader gezien. En zij die werkelijk in deze zoon geloven, hebben reeds eeuwig leven.”

Ik ben dit brood van leven. Uw vaderen hebben manna gegeten in de woestijn en zijn gestorven. Maar dit brood dat van God neerdaalt, indien iemand daarvan eet, zal hij in de spirit nooit sterven. Ik herhaal: ik ben dit levende brood, en iedere ziel die de realisatie van deze verenigde natuur van God en mens bereikt, zal eeuwig leven. En dit brood van leven dat ik geef aan allen die willen ontvangen, is mijn eigen levende en verenigde natuur. De Vader in de Zoon en de Zoon één met de Vader, dat is mijn leven-gevende openbaring aan de wereld en mijn reddende gift aan alle volken.”

Toen Jezus uitgesproken was, liet de overste van de synagoge de gemeente weggaan, maar ze wilden niet vertrekken. Ze verdrongen zich rond Jezus om meer vragen te stellen, terwijl anderen onder elkaar mompelden en redetwistten. En deze toestand duurde meer dan drie uur. Het was al ruim na zeven uur voordat het publiek eindelijk uiteenging.

De na-bijeenkomst

Jezus kreeg tijdens deze na-bijeenkomst vele vragen. Sommige werden gesteld door zijn verbijsterde discipelen, maar meer door kritische ongelovigen die hem alleen maar in verlegenheid wilden brengen en in de val wilden lokken.

Een van de bezoekende Farizeeën, die op een kandelaar klom, riep deze vraag: “U zegt ons dat U het brood van leven bent. Hoe kunt u ons uw lichaam te eten geven of uw bloed te drinken geven? Wat heeft uw leer voor zin als die niet kan worden uitgevoerd?”

En Jezus beantwoordde deze vraag door te zeggen: “Ik heb jullie niet geleerd dat mijn lichaam het brood van leven is, en ook niet dat mijn bloed het water daarvan is. Maar ik heb wel gezegd dat mijn leven in dit lichaam een schenking is van het brood van de hemel. Het feit van het Woord van God, geschonken in een sterfelijk lichaam, en het fenomeen van de MensenZoon, onderworpen aan de wil van God, vormen een ervarings-realiteit die gelijkwaardig is aan het goddelijke voedsel. Jullie kunnen mijn lichaam niet eten, en mijn bloed niet drinken, maar jullie kunnen één in spirit worden met mij, zoals ik één in spirit ben met de Vader. Jullie kunnen gevoed worden door het eeuwige woord van God, dat inderdaad het brood van leven is, en dat geschonken is in de gelijkenis van een sterfelijk lichaam. En jullie kunnen in je ziel gedrenkt worden door de goddelijke spirit, die waarlijk het water van leven is. De Vader heeft mij in de wereld gezonden om te laten zien hoe hij in alle mensen wil wonen en hen wil leiden. En ik heb dit leven in dit lichaam zo geleefd dat ik alle mensen inspireer om er eveneens steeds naar te streven de wil van de inwonende hemelse Vader te kennen en te doen.”

Toen zei een van de spionnen uit Jeruzalem, die Jezus en zijn apostelen had geobserveerd: “We merken dat noch jij, noch je apostelen je handen goed wassen voordat je brood eet. Je moet heel goed weten dat zo’n gewoonte als eten met onreine en ongewassen handen een overtreding is van de wet van de oudsten. Ook was je je drinkbekers en eetgerei niet goed. Waarom toon je zo’n gebrek aan respect voor de tradities van de vaderen en de wetten van onze oudsten?”

En toen Jezus hem hoorde spreken, antwoordde hij: “Waarom overtreedt u de geboden van God door de wetten van uw overlevering? Het gebod zegt: ‘Eer uw vader en uw moeder’, en gebiedt dat u uw bezittingen met hen deelt indien nodig. Maar u voert een wet van traditie uit, die kinderen zonder plichtsgevoel toestaat te zeggen dat het geld waarmee de ouders hadden kunnen worden geholpen, ‘aan God is gegeven’. De wet van de oudsten ontheft zulke sluwe kinderen dus van hun verantwoordelijkheid, ook al gebruiken de kinderen al dat geld later voor hun eigen gemak. Waarom maakt u op deze manier het gebod ongeldig door uw eigen overlevering? Terecht heeft Jesaja over u, huichelaars, geprofeteerd, zeggende:

‘Dit volk eert mij met hun lippen, maar hun hart is ver van mij. Tevergeefs aanbidden zij mij, omdat zij hun leringen onderwijzen die voorschriften van mensen zijn.’ ” 📖 Jesaja 29:13

“Jullie zien wel hoe het komt dat jullie het gebod verlaten terwijl jullie vasthouden aan de tradities van mensen. Jullie zijn allemaal bereid om het woord van God te verwerpen, terwijl jullie je eigen overleveringen in stand houden. En op vele andere manieren durven jullie je eigen leringen boven de wet en de profeten te stellen.”

Jezus richtte zijn woorden vervolgens tot alle aanwezigen.

Hij zei: “Maar luister allemaal naar mij. Niet wat de mond binnengaat, verontreinigt de mens spiritueel, maar wat uit de mond en het hart komt.

Maar zelfs de apostelen begrepen de betekenis van zijn woorden niet helemaal, want Simon Petrus vroeg hem ook: “Wilt u ons de betekenis van deze woorden uitleggen, opdat sommigen van uw toehoorders zich niet onnodig ergeren?”

En toen zei Jezus tegen Petrus: “Ben jij ook zo slecht van begrip? Weet je niet dat elke plant die mijn hemelse Vader niet geplant heeft, uitgeroeid zal worden? Richt nu je aandacht op hen die de waarheid willen kennen. Je kunt mensen niet dwingen de waarheid lief te hebben. Veel van deze leraren zijn blinde gidsen. En je weet dat, als de blinde de blinde leidt, beiden in de kuil zullen vallen. Maar luister terwijl ik je de waarheid vertel over die dingen die de mens moreel verontreinigen en spiritueel besmetten. Ik verklaar dat het niet datgene is wat het lichaam via de mond binnenkomt of via de ogen en oren toegang krijgt tot de spirit, dat de mens verontreinigt. De mens wordt alleen verontreinigd door het kwaad dat in het hart kan ontstaan en dat tot uiting komt in de woorden en daden van zulke onheilige personen. Weet je niet dat het uit het hart komt dat er kwade gedachten, slechte plannen van moord, diefstal en overspel voortkomen, samen met jaloezie, trots, woede, wraak, scheldpartijen en valse getuigenissen? En het zijn juist zulke dingen die de mensen verontreinigen, en niet dat zij brood eten met ceremonieel onreine handen.”

De Farizeïsche commissarissen van het Sanhedrin in Jeruzalem waren er nu bijna van overtuigd dat Jezus gearresteerd moest worden op beschuldiging van godslastering of op beschuldiging van het overtreden van de heilige wet van de Joden. Vandaar hun pogingen om hem te betrekken bij de discussie over, en mogelijke aanvallen op, enkele tradities van de oudsten, of zogenaamde mondelinge wetten van het volk. Hoe schaars water ook mocht zijn, deze tot slaaf van tradities gemaakte Joden zouden nooit nalaten de vereiste ceremoniële handwassing voor elke maaltijd te verrichten. Zij waren ervan overtuigd dat “het beter is te sterven dan de geboden van de oudsten te overtreden.” De spionnen stelden deze vraag omdat naar verluidt Jezus had gezegd: “Redding is een kwestie van reine harten in plaats van reine handen.” Maar zulke overtuigingen, wanneer ze eenmaal deel uitmaken van iemands religie, zijn moeilijk te verlaten. Zelfs velen jaren na deze dag werd de apostel Petrus nog steeds gevangen gehouden in de slavernij van angst voor veel van deze tradities over reinheid en onreinheid, en werd hij pas uiteindelijk bevrijd door een buitengewone en levendige droom. Dit alles kan beter worden begrepen wanneer men bedenkt dat deze Joden het eten met ongewassen handen in hetzelfde licht zagen als omgang met een hoer, en beide werden in dezelfde mate bestraft met excommunicatie.

Zo koos de Meester ervoor om de dwaasheid van het hele rabbijnse systeem van regels en voorschriften te bespreken en aan de kaak te stellen. Een systeem dat werd vertegenwoordigd door de mondelinge wet –de tradities van de oudsten, die allemaal als heiliger en bindender voor de Joden werden beschouwd dan zelfs de leringen van de Schrift. En Jezus sprak zich uit met minder terughoudendheid, omdat hij wist dat het uur was gekomen waarop hij niets meer kon doen om een openlijke breuk in de betrekkingen met deze religieuze leiders te voorkomen.

Laatste woorden in de synagoge

Te midden van de discussies hierover na de bijeenkomst, bracht een van de Farizeeën uit Jeruzalem een radeloze jongeman naar Jezus, die bezeten was door een onhandelbare en opstandige ‘geest’. Hij leidde deze demente jongen naar Jezus en zei: “Wat kunt u doen aan zo’n ellende? Kunt u duivels uitdrijven?” En toen de Meester de jongeman aankeek, werd hij met medelijden bewogen, wenkte de jongen om bij hem te komen, nam hem bij de hand en zei: “U weet wie ik ben; ga uit hem!; en ik beveel een van uw loyale kameraden om ervoor te zorgen dat u niet terugkeert.” En onmiddellijk was de jongen normaal en bij zijn volle verstand. En dit is het eerste geval waarin Jezus werkelijk een ‘boze geest’ uit een mens verdreef. In alle voorgaande gevallen ging het slechts om vermeende bezetenheid door de duivel. Maar dit was een echt geval van demonische bezetenheid, zoals die soms in die tijd voorkwam, tot aan de dag van Pinksteren, toen de Spirit van Waarheid van de Meester werd uitgestort over alle lichamen, waardoor het voor deze paar hemelse rebellen voor altijd onmogelijk werd om op zo’n manier misbruik te maken van bepaalde onstabiele typen mensen.

Toen het volk zich verbaasde, stond een van de Farizeeën op en beschuldigde Jezus ervan dat hij deze dingen kon doen omdat hij in een verbond stond met duivels; dat hij in de taal die hij gebruikte bij het uitdrijven van deze duivel toegaf dat ze elkaar kenden; en hij verklaarde vervolgens dat de religieuze leraren en leiders in Jeruzalem hadden besloten dat Jezus al zijn zogenaamde wonderen verrichtte door de kracht van Beëlzebub, de prins van de duivels. De Farizeeër zei: “Heb niets met deze man te maken; hij is een bondgenoot van Satan.”

Toen zei Jezus: “Hoe kan Satan Satan uitdrijven? Een koninkrijk dat tegen zichzelf verdeeld is, kan niet standhouden; als een huis tegen zichzelf verdeeld is, wordt het spoedig verwoest. Kan een stad een belegering doorstaan als ze niet verenigd is? Als Satan Satan uitdrijft, is hij tegen zichzelf verdeeld; hoe zal zijn koninkrijk dan standhouden? Maar u moet weten dat niemand het huis van een sterke man kan binnengaan en zijn bezittingen kan roven, tenzij hij eerst die sterke man overmeestert en bindt. En dus, als ik door de macht van Beëlzebub duivels uitdrijf, door wie drijven uw zonen ze dan uit? Daarom zullen zij uw rechters zijn. Maar als ik, door de spirit van God, duivels uitdrijf, dan is het koninkrijk van God waarlijk tot u gekomen. Als u niet verblind was door vooroordelen en misleid door angst en trots, zou u gemakkelijk kunnen waarnemen dat iemand die groter is dan duivels in uw midden staat. U dwingt mij te verklaren dat hij die niet met mij is, tegen mij is, terwijl hij die niet met mij verzamelt, verstrooit. Laat mij een plechtige waarschuwing uitspreken aan u die met open ogen en met voorbedachte kwaadaardigheid de werken van God willens en wetens zou willen toeschrijven aan de daden van duivels! Voorwaar, voorwaar, ik zeg u, al uw zonden zullen vergeven worden, zelfs al uw godslasteringen, maar wie met opzet en kwade bedoelingen tegen God lastert, zal nooit vergeving verkrijgen. Aangezien zulke volhardende werkers aan spirituele misdaden nooit vergeving zullen zoeken of ontvangen, zijn zij schuldig aan de zonde van het eeuwig afwijzen van goddelijke vergeving.”

“Velen van u zijn vandaag tot het scheiden van de wegen gekomen. U bent gekomen tot een begin van het maken van de onvermijdelijke keuze tussen de wil van de Vader en de zelfgekozen wegen van de duisternis. En zoals u nu kiest, zo zult u uiteindelijk zijn. U moet of de boom goed maken en zijn vrucht goed, of anders zal de boom verdorven worden en zijn vrucht verdorven. Ik verklaar dat in het eeuwige koninkrijk van mijn Vader de boom aan zijn vruchten gekend wordt. Maar hoe kunnen sommigen van u, die als adders zijn, goede vruchten voortbrengen, terwijl u het kwaad al gekozen hebt? Immers, uit de overvloed van het kwaad in uw harten spreekt uw mond.”

Toen stond een andere Farizeeër op, die zei: “Meester, wij willen graag dat u ons een vooraf bepaald teken geeft, dat wij zullen overeenkomen als bevestiging van uw gezag en recht om te onderwijzen. Zult u met zo’n regeling instemmen?” En toen Jezus dit hoorde, zei hij: “Dit ongelovige en tekenen-zoekende geslacht verlangt naar een teken, maar u zal geen ander teken worden gegeven dan wat u al hebt en wat u zult zien wanneer de MensenZoon van u heengaat.”

En toen hij uitgesproken was, omringden zijn apostelen hem en leidden hem de synagoge uit. In stilte reisden ze met hem naar huis, naar Bethsaida. Ze waren allemaal verbaasd en enigszins bevangen door de plotselinge verandering in de onderwijstactieken van de Meester. Ze waren er totaal niet aan gewend hem op zo’n militante manier te zien optreden.

De zaterdagavond

Jezus had herhaaldelijk de hoop van zijn apostelen de bodem ingeslagen, herhaaldelijk hun dierbaarste verwachtingen verbrijzeld, maar geen moment van teleurstelling of verdriet had ooit kunnen tippen aan wat hen nu overkwam. Bovendien was er nu, vermengd met hun depressie, een reële angst voor hun veiligheid. Ze waren allen verrassend geschokt door de plotselinge en volledige desertie van het volk. Ze waren ook enigszins bang en ontsteld door de onverwachte dapperheid en assertieve vastberadenheid van de Farizeeën die uit Jeruzalem waren gekomen. Maar bovenal waren ze verbijsterd door de plotselinge verandering van tactiek door Jezus. Onder normale omstandigheden zouden ze deze meer militante houding hebben verwelkomd, maar nu het gebeurde, samen met zoveel onverwachte dingen, schrokken zij ervan.

En nu, bovenop al deze zorgen, weigerde Jezus, toen ze thuiskwamen, te eten. Urenlang zonderde hij zich af in een van de bovenkamers. Het was bijna middernacht toen Joab, de leider van de evangelisten, terugkeerde en meldde dat ongeveer een derde van zijn metgezellen de zaak had verlaten. De hele avond door waren er trouwe discipelen gekomen en gegaan, die meldden dat de afkeer jegens de Meester algemeen was in Capernaum. De leiders uit Jeruzalem aarzelden niet om dit gevoel van ontevredenheid te voeden en probeerden op alle mogelijke manieren de beweging weg van Jezus en zijn leringen te bevorderen. Tijdens deze moeilijke uren waren de twaalf vrouwen bijeen in het huis van Petrus. Ze waren enorm van streek, maar niemand van hen verliet de zaak.

Het was iets na middernacht toen Jezus uit de bovenkamer afdaalde en te midden van de twaalf en hun metgezellen stond, in totaal ongeveer dertig in getal. Hij zei: “Ik erken dat deze zifting van het koninkrijk jullie benauwt, maar het is onvermijdelijk. Was er echter, na al de training die jullie hebben gehad, een goede reden waarom jullie over mijn woorden zouden struikelen? Waarom zijn jullie vervuld van angst en ontsteltenis wanneer jullie zien dat het koninkrijk wordt ontdaan van deze lauwe menigten en deze halfslachtige discipelen? Waarom treuren jullie wanneer de nieuwe dag aanbreekt voor het in nieuwe glorie laten schitteren van de spirituele leringen van het hemelse koninkrijk? Als jullie het moeilijk vinden om deze beproeving te doorstaan, wat zullen jullie dan doen wanneer de MensenZoon naar de Vader moet terugkeren? Wanneer en hoe zullen jullie je voorbereiden op de tijd dat ik opstijg naar de plaats vanwaar ik naar deze wereld kwam?”

“Mijn geliefden, jullie moeten bedenken dat het de spirit is die levend maakt; het lichaam en alles wat daarbij hoort, is van weinig nut. De woorden die ik tot jullie heb gesproken, zijn spirit en leven. Wees van goede moed! Ik heb jullie niet verlaten. Velen zullen aanstoot nemen aan de duidelijke taal van deze dagen. Jullie hebben al gehoord dat velen van mijn discipelen zich hebben teruggetrokken. Ze wandelen niet meer met mij mee. Vanaf het begin wist ik dat deze halfslachtige gelovigen onderweg zouden afvallen. Heb ik niet jullie twaalf mannen uitgekozen en geselecteerd als gezanten van het koninkrijk? En nu, in zo’n tijd als deze, zouden jullie dan ook in de steek gelaten worden? Laat ieder van jullie letten op zijn eigen geloof, want een van jullie verkeert in groot gevaar.” En toen Jezus uitgesproken was, zei Simon Petrus: “Ja, Heer, we zijn bedroefd en in verwarring, maar we zullen u nooit verlaten. U hebt ons de woorden van eeuwig leven geleerd. We hebben in u geloofd en u al die tijd gevolgd. We zullen niet terugkeren, want we weten dat u door God gezonden bent.” En toen Petrus ophield met spreken, knikten ze allemaal, eensgezind instemmend met zijn belofte van trouw.

Toen zei Jezus: “Ga dan nu rusten, want er staan ons drukke tijden te wachten; dagen van grote activiteit staan voor de deur.”

Dit hoofdstuk is een nieuwe Nederlandse vertaling gebaseerd op Paper 153 van het Urantia Boek: https://www.urantia.org