Inleiding
Op vrijdagmiddag 10 juni arriveerden Jezus en zijn metgezellen in de omgeving van Sidon, waar ze logeerden bij het huis van een welgestelde vrouw die patiënt was geweest in het ziekenhuis van Bethsaida in de tijd dat Jezus op het hoogtepunt van zijn populariteit was. De evangelisten en de apostelen logeerden bij haar vrienden in de directe omgeving en rustten gedurende de sabbath in deze verfrissende omgeving. Ze brachten bijna tweeënhalve week door in Sidon en omgeving voordat ze zich voorbereidden om de kuststeden in het noorden te bezoeken.
Deze sabbath in juni was er een van grote rust. De evangelisten en apostelen waren geheel verdiept in hun overpeinzingen over de toespraken van de Meester over religie, waarnaar ze onderweg naar Sidon hadden geluisterd. Ze konden allemaal wel iets waarderen van wat hij hun had verteld, maar niemand begreep de strekking van zijn leer volledig.
De Syrische vrouw
Vlakbij het huis van Karuska, waar de Meester logeerde, woonde een Syrische vrouw die veel over Jezus had gehoord als een groot genezer en leraar. Op deze sabbath-middag kwam ze langs met haar dochtertje. Het kind, ongeveer twaalf jaar oud, leed aan een ernstige zenuwaandoening, gekenmerkt door stuiptrekkingen en andere verontrustende verschijnselen.
Jezus had zijn metgezellen opgedragen niemand te vertellen over zijn aanwezigheid in het huis van Karuska, en legde uit dat hij rust wilde. Terwijl ze de instructies van hun Meester hadden opgevolgd, was de dienaar van Karuska naar het huis van deze Syrische vrouw, Norana, gegaan om haar te vertellen dat Jezus logeerde bij haar meesteres. En hij had deze bezorgde moeder aangespoord haar zieke dochter voor genezing te brengen. Deze moeder geloofde natuurlijk dat haar kind bezeten was door een demon, een onreine ‘geest’.
Toen Norana met haar dochter aankwam, legden de tweelingbroers Alpheus via een tolk uit dat de Meester rustte en niet gestoord kon worden. Waarop Norana antwoordde dat zij en het kind daar zouden blijven totdat de Meester zijn rust had beëindigd. Petrus probeerde ook met haar te redeneren en haar over te halen naar huis te gaan. Hij legde uit dat Jezus moe was van het vele onderricht en de genezingen, en dat hij naar Phenicia was gekomen voor een periode van rust en stilte. Maar het was zinloos; Norana wilde niet weggaan. Op de smeekbeden van Petrus antwoordde ze alleen: “Ik ga niet weg voordat ik uw Meester heb gezien. Ik weet dat hij de demon uit mijn kind kan verdrijven, en ik ga niet weg voordat de genezer mijn dochter heeft gezien.”
Toen probeerde Thomas de vrouw weg te sturen, maar dat mislukte. Tegen hem zei ze: “Ik geloof dat uw Meester deze demon die mijn kind kwelt, kan uitdrijven. Ik heb gehoord van zijn machtige daden in Galilea en ik geloof in hem. Wat is er met u, zijn discipelen, gebeurd dat u degenen die de hulp van uw Meester komen zoeken, wegstuurt?” En toen ze dit gezegd had, trok Thomas zich terug.
Toen kwam Simon Zelotes naar voren om Norana te berispen. Simon zei: “Vrouw, u bent een Griekssprekende heiden. Het is niet juist dat u van de Meester verwacht dat hij het brood dat bestemd is voor de kinderen van het bevoorrechte gezin, afpakt en aan de honden geeft.” Maar Norana weigerde aanstoot te nemen aan Simons aanval. Ze antwoordde alleen: “Ja, meester, ik begrijp uw woorden. Ik ben slechts een hond in de ogen van de Joden, maar wat uw Meester betreft, ik ben een gelovige hond. Ik ben vastbesloten dat hij mijn dochter zal zien, want ik ben ervan overtuigd dat hij haar zal genezen als hij haar maar aankijkt. En zelfs u, mijn beste man, zou het niet wagen de honden het voorrecht te ontnemen om de kruimels te krijgen die toevallig van de tafel van de kinderen vallen.”
Juist op dat moment werd het kleine meisje voor hun ogen door een hevige stuiptrekking overvallen, en de moeder riep uit: “Ziet u wel dat mijn kind bezeten is door een boze geest? Als onze nood u niet aanspreekt, zou die uw Meester wel aanspreken, van wie ik heb gehoord dat hij alle mensen liefheeft en zelfs de heidenen durft te genezen wanneer zij geloven. U bent het niet waard zijn discipelen te zijn. Ik ga niet weg voordat mijn kind genezen is.”
Jezus, die dit hele gesprek door een open raam had gehoord, kwam nu tot hun grote verbazing naar buiten en zei: “O vrouw, groot is uw geloof, zo groot dat ik u niet kan onthouden wat u verlangt; ga heen in vrede. Uw dochter is al genezen.” En het kleine meisje was vanaf dat moment gezond. Toen Norana en het kind afscheid namen, verzocht Jezus hen dringend om niemand over deze gebeurtenis te vertellen. En hoewel zijn metgezellen aan dit verzoek voldeden, bleven de moeder en het kind de genezing van het meisje in de hele streek en zelfs in Sidon verkondigen, zozeer zelfs dat Jezus het raadzaam achtte om binnen een paar dagen van verblijf te veranderen.
De volgende dag, toen Jezus zijn apostelen onderwees en commentaar gaf op de genezing van de dochter van de Syrische vrouw, zei hij: “En zo is het altijd geweest; je ziet zelf hoe de niet-Joden in staat zijn reddend geloof te beoefenen in de leringen van het evangelie van het hemelse koninkrijk. Voorwaar, voorwaar, ik zeg u dat het koninkrijk van de Vader door de niet-Joden zal worden ingenomen als de kinderen van Abraham niet van plan zijn voldoende geloof te tonen om daar binnen te gaan.”
Onderricht in Sidon
Bij het binnengaan van Sidon passeerden Jezus en zijn metgezellen een brug, de eerste die velen van hen ooit hadden gezien. Terwijl ze over deze brug liepen, zei Jezus onder andere: “Deze wereld is slechts een brug; je kunt eroverheen gaan, maar je moet er niet aan denken er een woonplaats op te bouwen.”
Toen de vierentwintig hun werk in Sidon begonnen, ging Jezus logeren in een huis net ten noorden van de stad, het huis van Justa en haar moeder, Bernice. Jezus onderwees de vierentwintig elke ochtend in het huis van Justa, en zij gingen ’s middags en ’s avonds naar Sidon om te onderwijzen en te prediken.
De apostelen en de evangelisten waren zeer verheugd over de manier waarop de niet-Joden van Sidon hun boodschap ontvingen. Tijdens hun korte verblijf werden velen aan het koninkrijk toegevoegd. Deze periode van ongeveer zes weken in Phenicia was een zeer vruchtbare tijd in het werk om zielen te winnen, maar de latere Joodse schrijvers van de evangeliën waren geneigd om het verslag van deze warme ontvangst van de leringen van Jezus door deze niet-Joden, juist in die tijd dat zo’n groot aantal van zijn eigen volk zich vijandig tegen hem opstelde, gemakkelijk te negeren.
In veel opzichten waardeerden deze niet-Joodse gelovigen de leringen van Jezus meer dan de Joden. Veel van deze Griekssprekende Syro-Pheniciers kwamen er niet alleen achter dat Jezus op God leek, maar ook dat God op Jezus leek. Deze zogenaamde heidenen kregen een goed begrip van de leringen van de Meester over de uniformiteit van de wetten van deze wereld en het hele universum. Ze begrepen de leer dat God geen aanzien des persoons, rassen of naties kent; dat er geen favoritisme bestaat bij de Universele Vader; dat het universum volledig en altijd wet-getrouw en onfeilbaar betrouwbaar is. Deze niet-Joden waren niet bang voor Jezus; ze durfden zijn boodschap te aanvaarden. Door de eeuwen heen zijn mensen er niet in geslaagd Jezus te begrijpen; ze waren er bang voor.
Jezus maakte de vierentwintig duidelijk dat hij niet uit Galilea was gevlucht omdat hij de moed miste om zijn vijanden te confronteren. Ze begrepen dat hij nog niet klaar was voor een openlijke confrontatie met de gevestigde religie en dat hij er niet naar streefde een martelaar te worden. Het was tijdens een van deze bijeenkomsten ten huize van Justa dat de Meester zijn discipelen voor het eerst vertelde: “Ook al zullen hemel en aarde voorbijgaan, mijn woorden van waarheid zullen dat niet doen.”
Het thema van de instructies door Jezus tijdens zijn verblijf in Sidon was spirituele vooruitgang. Hij vertelde hen dat ze niet stil konden blijven staan; ze moesten of vooruitgaan in rechtvaardigheid of terugvallen in kwaad en zonde. Hij spoorde hen krachtig aan om “de dingen die tot het verleden behoren te vergeten, terwijl jullie vooruitgaan om de grotere realiteiten van het koninkrijk te omarmen.” Hij verzocht hen dringend om niet tevreden te zijn met hun jeugd in het evangelie, maar te streven naar het bereiken van de volwassenheid van kind-van-God-zijn in de gemeenschap van de spirit en in de gemeenschap van de gelovigen.
Jezus zei: “Mijn discipelen moeten niet alleen ophouden kwaad te doen, maar ook leren goed te doen; jullie moeten niet alleen gereinigd worden van alle bewuste zonde, maar jullie moeten ook weigeren schuldgevoelens te koesteren. Als jullie je zonden belijden, zijn ze vergeven; daarom moeten jullie een geweten zonder overtredingen behouden.”
Jezus genoot enorm van het scherpe gevoel voor humor dat deze niet-Joden aan de dag legden. Het was het gevoel voor humor van Norana, de Syrische vrouw, en haar grote en aanhoudende geloof, dat het hart van de Meester zo raakte en een beroep deed op zijn genade. Jezus betreurde het ten zeerste dat zijn volk – de Joden – zo weinig humor had. Hij zei eens tegen Thomas: “Mijn volk neemt zichzelf te serieus; ze hebben nauwelijks gevoel voor humor. De lastige religie van de Farizeeën had nooit kunnen ontstaan bij een volk met gevoel voor humor. Ze missen ook consistentie; ze zeven muggen uit en slikken kamelen door.”
De reis langs de kust
Op dinsdag 28 juni vertrokken de Meester en zijn metgezellen uit Sidon en gingen langs de kust naar Porphyreon en Heldua [ zie ook hier ]. Ze werden goed ontvangen door de niet-Joden en velen werden tijdens deze week van onderricht en prediking aan het koninkrijk toegevoegd. De apostelen predikten in Porphyreon en de evangelisten gaven onderricht in Heldua. Terwijl de vierentwintig zo met hun werk bezig waren, verliet Jezus hen voor een periode van drie of vier dagen om de kuststad Beiroet te bezoeken. Hij bezocht daar een Syriër, Malach genaamd, die een gelovige was en het jaar daarvoor in Bethsaida was geweest.
Op woensdag 6 juli keerden ze allemaal terug naar Sidon en bleven in het huis van Justa tot zondagmorgen, toen ze naar Tyrus vertrokken, zuidwaarts langs de kust via Sarepta, en op maandag 11 juli in Tyrus aankwamen. Tegen die tijd raakten de apostelen en de evangelisten gewend aan het werken onder deze zogenaamde heidenen, die in werkelijkheid voornamelijk afstamden van de vroegere Kanaänitische stammen van nog vroegere Semitische oorsprong. Al deze volken spraken Grieks. Het was een grote verrassing voor de apostelen en evangelisten om te zien hoe gretig deze mensen waren om het evangelie te horen en hoe bereidwillig velen van hen geloofden.
In Tyrus
Van 11 tot 24 juli onderwezen ze in Tyrus. Elk van de apostelen nam een van de evangelisten mee, en zo onderwezen en predikten ze met z’n tweeën in alle delen van Tyrus en omstreken. De meertalige bevolking van deze drukke zeehaven luisterde graag naar hen en velen werden door de doop in de uiterlijke gemeenschap van het koninkrijk opgenomen. Jezus had zijn hoofdkwartier in het huis van een Jood genaamd Jozef, een gelovige, die drie of vier mijl ten zuiden van Tyrus woonde, niet ver van het graf van Hiram, die koning was geweest van de stadstaat Tyrus ten tijde van David en Salomo.
Gedurende deze periode van twee weken kwamen de apostelen en evangelisten dagelijks Tyrus binnen via de dam van Alexander om kleine bijeenkomsten te houden, en elke avond keerden de meesten van hen terug naar het kampement bij Jozefs huis ten zuiden van de stad. Elke dag kwamen gelovigen uit de stad om met Jezus te praten op zijn rustplaats. De Meester sprak slechts één keer in Tyrus, op de middag van 20 juli, toen hij de gelovigen onderwees over de liefde van de Vader voor de hele mensheid en over de missie van de Zoon om de Vader aan alle mensenrassen te openbaren. Er was zo’n grote belangstelling voor het evangelie van het koninkrijk onder deze niet-Joden dat bij deze gelegenheid de deuren van de Melkarthtempel voor hem werden geopend, en het is interessant om op te merken dat in de daaropvolgende jaren op de plek van deze oude tempel een christelijke kerk werd gebouwd.
Veel van de leiders in de productie van Tyrisch purper, de kleurstof die Tyrus en Sidon wereldberoemd maakte en zoveel bijdroeg aan hun wereldwijde handel en de daaruit voortvloeiende verrijking, geloofden in het koninkrijk. Toen kort daarna de aanvoer van de zeedieren die de bron van deze kleurstof waren, begon af te nemen, gingen deze verfmakers op zoek naar nieuwe leefgebieden voor deze schelpdieren. En zo migrerend naar de uiteinden van de aarde, droegen ze de boodschap van het vaderschap van God en de broederschap van de mens – het evangelie van het koninkrijk – met zich mee.
Het onderricht van Jezus in Tyrus
Op deze woensdagmiddag, tijdens zijn toespraak, vertelde Jezus zijn volgelingen voor het eerst het verhaal van de witte lelie die haar zuivere en sneeuwwitte kop hoog in de zon steekt, terwijl haar wortels geworteld zijn in het slijk en de modder van de donkere grond eronder. “Evenzo,” zei hij, “kan de sterfelijke mens, hoewel hij zijn wortels van oorsprong en bestaan in de dierlijke bodem van de menselijke natuur heeft, door geloof zijn spirituele natuur verheffen tot het zonlicht van de hemelse waarheid en werkelijk de edele vruchten van de spirit voortbrengen.”
Het was tijdens deze zelfde preek dat Jezus gebruik maakte van zijn eerste en enige gelijkenis die betrekking had op zijn eigen vak: timmerwerk. In zijn krachtige aansporing om “de fundamenten goed te leggen voor de groei van een nobel karakter met spirituele gaven”, zei hij: “Om de vruchten van de spirit voort te brengen, moet je uit de spirit geboren worden. Je moet door de spirit onderwezen en geleid worden als je het door spirit vervulde leven onder je medemensen wilt leiden. Maar maak niet dezelfde fout als de dwaze timmerman die kostbare tijd verspilt aan het haaks maken, meten en gladmaken van zijn hout dat vol houtworm zit en innerlijk rot is. Want vervolgens, wanneer hij al zijn arbeid aan de ondeugdelijke balk heeft besteed, moet hij deze toch afwijzen als ongeschikt voor de fundering van het gebouw dat hij zou willen optrekken om de aanvallen van de tijd en de storm te weerstaan. Laat ieder mens ervoor zorgen dat de intellectuele en morele fundamenten van het karakter zodanig zijn dat ze de bovenbouw van de zich uitbreidende en veredelende spirituele natuur adequaat ondersteunen, die zo de sterfelijke mind zal transformeren en vervolgens, in samenwerking met die her-schapen mind, de ziel van de onsterfelijke bestemming zal ontwikkelen. Jouw spirituele natuur – de gezamenlijk geschapen ziel – is een levende groei, maar de mind en de moraal van het individu vormen de bodem waaruit deze hogere manifestaties van menselijke ontwikkeling en goddelijke bestemming moeten ontspringen. De bodem van de evoluerende ziel is menselijk en materieel, maar de bestemming van dit gecombineerde schepsel van mind en spirit is spiritueel en goddelijk.”
Op de avond van diezelfde dag vroeg Nathanaël aan Jezus: “Meester, waarom bidden wij dat God ons niet in verzoeking zal leiden, terwijl wij uit uw openbaring van de Vader wel weten dat Hij zulke dingen nooit doet?” Jezus antwoordde Nathanaël:
“Het is niet vreemd dat je zulke vragen stelt, aangezien je de Vader begint te kennen zoals ik Hem ken, en niet zoals de vroege Hebreeuwse profeten Hem zo vaag zagen. Je weet heel goed hoe onze voorouders geneigd waren God te zien in bijna alles wat er gebeurde. Ze zochten de hand van God in alle natuurlijke gebeurtenissen en in elke ongewone episode in de menselijke ervaring. Ze verbonden God met zowel goed als kwaad. Ze dachten dat Hij het hart van Mozes verzachtte en het hart van Farao verhardde. Wanneer de mens een sterke drang voelde om iets te doen, goed of kwaad, had hij de gewoonte deze ongewone emoties te verklaren door te zeggen: ‘De Heer sprak tot mij en zei: doe dit en dat, of ga hier en daar.’ Omdat mensen zo vaak en zo hevig in verleiding kwamen, werd het daarom de gewoonte van onze voorouders om te geloven dat God hen daarheen leidde om beproefd, gestraft of gesterkt te worden. Maar je weet nu wel beter. Je weet dat mensen maar al te vaak in verleiding worden gebracht door de drang van hun eigen egoïsme en door de impulsen van hun dierlijke natuur. Wanneer je op deze manier in verleiding wordt gebracht, spoor ik je aan om verleiding eerlijk en oprecht te herkennen voor wat het is, en daardoor de energieën van lichaam, mind en spirit, die naar expressie zoeken, intelligent te her-oriënteren naar hogere kanalen en naar meer idealistische doelen. Op deze manier kun je je verleidingen omvormen tot de hoogste vormen van verheffende sterfelijke dienstverlening, terwijl je deze verspillende en verzwakkende conflicten tussen de dierlijke en spirituele natuur vrijwel volledig vermijdt.
“Maar laat mij je waarschuwen voor de dwaasheid om verleiding te proberen te overwinnen door te proberen het ene verlangen te vervangen door een ander, zogenaamd superieur verlangen, en alleen met de kracht van de menselijke wil. Als je werkelijk wil zegevieren over de verleidingen van de mindere en lagere natuur, moet je die plaats van spiritueel voordeel bereiken waar je werkelijk en waarlijk een echte interesse en liefde hebt ontwikkeld voor die hogere en meer idealistische gedragsvormen die je spirit in de plaats wil stellen voor deze lagere en minder idealistische gedragsgewoonten die je als verleiding herkent. Je zult op deze manier worden bevrijd door spirituele transformatie in plaats van steeds meer overbelast te raken met de bedrieglijke onderdrukking van sterfelijke verlangens. Het oude en het inferieure zullen worden vergeten in de liefde voor het nieuwe en het superieure. Schoonheid zegeviert altijd over lelijkheid in de harten van allen die verlicht zijn door de liefde voor de waarheid. Er schuilt een machtige kracht in de verdrijvende energie van een nieuwe en oprechte spirituele genegenheid. En nogmaals zeg ik je: wees niet overwonnen door het kwaad, maar overwin het kwaad liever met het goede.”
Tot diep in de nacht bleven de apostelen en evangelisten vragen stellen, en uit de vele antwoorden zouden we de volgende gedachten willen presenteren, herhaald in moderne bewoordingen:
Krachtige ambitie, intelligent oordeel en geoefende wijsheid zijn de essentiële elementen van materieel succes. Leiderschap is afhankelijk van natuurlijk vermogen, discretie, wilskracht en vastberadenheid. De spirituele bestemming is afhankelijk van geloof, liefde en toewijding aan de waarheid – honger en dorst naar gerechtigheid – het oprechte verlangen om God te vinden en zoals Hij te zijn.
Raak niet ontmoedigd door de ontdekking dat je menselijk bent. De menselijke natuur kan neigen naar het kwaad, maar is niet inherent zondig. Wees niet terneergeslagen door je onvermogen om sommige van je betreurenswaardige ervaringen volledig te vergeten. De fouten die je in de loop van de tijd niet vergeet, zullen in de eeuwigheid vergeten zijn. Verlicht de lasten van je ziel door snel een verreikende blik op je bestemming te verkrijgen, een universum-uitbreiding van je carrière.
Maak niet de fout de waarde van de ziel te beoordelen op basis van de onvolkomenheden van de mind of de verlangens van het lichaam. Beoordeel de ziel niet en beoordeel haar bestemming niet naar de maatstaf van een enkele ongelukkige menselijke episode. Je spirituele bestemming wordt alleen bepaald door je spirituele verlangens en doelen.
Religie is de exclusief spirituele ervaring van de zich ontwikkelende onsterfelijke ziel van de Godkennende mens, maar morele kracht en spirituele energie zijn machtige krachten die kunnen worden aangewend bij het omgaan met moeilijke sociale situaties en bij het oplossen van ingewikkelde economische problemen. Deze morele en spirituele gaven maken alle niveaus van het menselijk leven rijker en zinvoller.
Je bent voorbestemd om een bekrompen en armzalig leven te leiden als je alleen leert liefhebben wie jou liefhebben. Menselijke liefde kan inderdaad wederkerig zijn, maar goddelijke liefde is naar buiten gericht in al haar zoeken naar voldoening. Hoe minder liefde er in de aard van een schepsel aanwezig is, hoe groter de behoefte aan liefde, en hoe meer goddelijke liefde ernaar streeft die behoefte te bevredigen. Liefde is nooit zelfzuchtig en kan niet aan zichzelf worden geschonken. Goddelijke liefde kan niet op zichzelf staan; ze moet onzelfzuchtig worden geschonken.
Wie in het Koninkrijk gelooft, dient een onvoorwaardelijk geloof te hebben, een oprecht geloof in de zekere triomf van rechtvaardigheid. Bouwers van het Koninkrijk moeten niet twijfelen aan de waarheid van het evangelie van eeuwige verlossing. Gelovigen moeten steeds meer leren hoe ze afstand kunnen nemen van de drukte van het leven – ontsnappen aan de kwellingen van het materiële bestaan – terwijl ze de ziel verfrissen, het verstand inspireren en de spirit vernieuwen door eerbiedige gemeenschap.
God-kennende mensen raken niet ontmoedigd door tegenslag of terneergeslagen door teleurstelling. Gelovigen zijn immuun voor de depressie die voortvloeit uit puur materiële verwikkelingen. Zielen worden niet verstoord door de gebeurtenissen in de materiële wereld. Kandidaten voor het eeuwige leven zijn beoefenaars van een verkwikkende en constructieve techniek om alle wisselvalligheden en kwellingen van het sterfelijke leven het hoofd te bieden. Elke dag dat een ware gelovige leeft, vindt hij het gemakkelijker om het juiste te doen.
Spiritueel leven vergroot het ware zelfrespect enorm. Maar zelfrespect is geen zelfbewondering. Zelfrespect gaat altijd samen met de liefde en dienstbaarheid voor je medemens. Het is niet mogelijk jezelf meer te respecteren dan je naaste lief te hebben; het ene is de maatstaf voor het vermogen tot het andere.
Naarmate de dagen verstrijken, wordt elke ware gelovige bekwamer in het verleiden van zijn medemens tot de liefde voor de eeuwige waarheid. Ben je vandaag vindingrijker in het openbaren van goedheid aan de mensheid dan gisteren? Ben je dit jaar een betere presentator van rechtvaardigheid dan vorig jaar? Word je steeds artistieker in je techniek om hongerige zielen naar het spirituele koninkrijk te leiden?
Zijn je idealen hoog genoeg om je eeuwige redding te verzekeren, terwijl je ideeën zo praktisch zijn dat ze je tot een nuttige burger maken om op aarde te functioneren in samenwerking met je sterfelijke medemens? In de spirit is je burgerschap in de hemel; in het sterfelijke lichaam ben je nog steeds burgers van de aardse koninkrijken. Geef aan de keizers de materiële dingen en aan God de spirituele.
De maatstaf voor het spirituele vermogen van de evoluerende ziel is je geloof in de waarheid en je liefde voor de mens, maar de maatstaf voor je menselijke karaktersterkte is je vermogen om wraakgevoelens te weerstaan en je vermogen om niet te tobben in het aangezicht van diep verdriet. Nederlaag is de ware spiegel waarin je eerlijk je ware zelf kunt zien.
Word je, naarmate je ouder wordt en meer ervaring opdoet in de aangelegenheden van het koninkrijk, tactvoller in de omgang met lastige stervelingen en toleranter in de omgang met koppige metgezellen? Tact is het steunpunt voor het uitoefenen van sociale invloed, en tolerantie is het kenmerk van een gevorderde ziel. Als je over deze zeldzame en charmante gaven beschikt, zul je met het verstrijken van de tijd alerter en bedrevener worden in je waardige inspanningen om alle onnodige sociale misverstanden te vermijden. Zulke wijze zielen kunnen veel van de problemen vermijden die zeker het lot zullen zijn van allen die lijden aan een gebrek aan emotionele aanpassing, degenen die weigeren volwassen te worden en degenen die weigeren om vol barmhartigheid oud te worden.
Vermijd oneerlijkheid en onrechtvaardigheid in al je pogingen om de waarheid te prediken en het evangelie te verkondigen. Zoek geen onverdiende erkenning en hunker niet naar onverdiende sympathie. Ontvang liefde vrijelijk uit zowel goddelijke als menselijke bronnen, ongeacht je verdiensten, en geef liefde vrijelijk terug. Maar zoek in alle andere zaken die verband houden met eer en vleierij alleen datgene wat jou eerlijk toebehoort.
De Godbewuste sterveling is zeker van verlossing. Hij is niet bang voor het leven. Hij is eerlijk en consequent. Hij weet hoe hij onvermijdelijk lijden moedig moet verdragen. Hij klaagt niet wanneer hij geconfronteerd wordt met onontkoombare tegenslagen.
De ware gelovige wordt niet moe van het goede doen, alleen maar omdat hij gedwarsboomd wordt. Moeilijkheden wakkeren de vurigheid van de waarheidslievende aan, terwijl obstakels de inspanningen van de onverschrokken koninkrijksbouwer slechts op de proef stellen.
En nog veel meer dingen leerde Jezus hun voordat ze zich gereedmaakten om uit Tyrus te vertrekken.
De dag voordat Jezus Tyrus verliet om terug te keren naar de streek van het Meer van Galilea, riep hij zijn metgezellen bijeen en gaf hij de twaalf evangelisten opdracht terug te gaan via een andere route dan die welke hij en de twaalf apostelen zouden nemen. En nadat de evangelisten Jezus hier hadden verlaten, waren ze nooit meer zo nauw met hem verbonden.
De terugkeer uit Phenicia
Rond het middaguur op zondag 24 juli verlieten Jezus en de twaalf het huis van Jozef, ten zuiden van Tyrus, en gingen langs de kust naar Ptolemaïs. Hier bleven ze een dag en spraken troostende woorden tot de groep gelovigen die daar woonde. Petrus preekte tot hen op de avond van 25 juli.
Op dinsdag vertrokken ze uit Ptolemaïs en trokken oostwaarts, landinwaarts, tot bij Jotapata, via de weg naar Tiberias. Woensdag stopten ze in Jotapata en onderwezen ze de gelovigen verder in de zaken van het koninkrijk. Donderdag vertrokken ze uit Jotapata en trokken noordwaarts over de route van Nazareth naar de Libanon, naar het dorp Zebulon, via Ramah. Op vrijdag hielden ze bijeenkomsten in Ramah en bleven daar gedurende de sabbath. Ze bereikten Zebulon op zondag 31 december, hielden die avond een bijeenkomst en vertrokken de volgende ochtend.
Ze verlieten Zebulon en reisden naar de kruising met de weg van Magdala naar Sidon, nabij Gischala, en vandaar begaven ze zich naar Gennesaret, aan de westelijke oever van het Meer van Galilea, ten zuiden van Capernaum. Daar hadden ze afgesproken David Zebedeüs te ontmoeten en met het plan om te overleggen over de volgende stap in de verkondiging van het evangelie van het koninkrijk.
Tijdens een kort gesprek met David vernamen ze dat er veel leiders bijeen waren aan de overkant van het meer, nabij Kheresa, en dienovereenkomstig bracht een boot hen diezelfde avond over. Eén dag rustten ze rustig uit in de heuvels en de volgende dag gingen ze verder naar het nabijgelegen park, waar de Meester eens de vijfduizend mensen te eten gaf. Hier rustten ze drie dagen uit en hielden dagelijks bijeenkomsten, die werden bijgewoond door ongeveer vijftig mannen en vrouwen, de overblijfselen van de eens zo talrijke groep gelovigen die in Capernaum en omgeving woonde.
Terwijl Jezus afwezig was uit Capernaum en Galilea, ten tijde van het verblijf in Phenicia, gingen zijn vijanden ervan uit dat de hele beweging uiteen was gevallen en concludeerden dat de haast van Jezus om zich terug te trekken erop duidde dat hij zo vreselijk bang was dat hij waarschijnlijk nooit meer zou terugkeren om hen lastig te vallen. Alle actieve tegenstand tegen zijn leringen was zo goed als verdwenen. De gelovigen begonnen weer openbare bijeenkomsten te houden en er vond een geleidelijke maar effectieve consolidatie plaats van de beproefde en ware overlevenden van de grote schifting die de evangelie-gelovigen zojuist hadden doorgemaakt.
Filippus, de broer van Herodes, was een halfslachtige gelovige in Jezus geworden en liet weten dat de Meester vrij was om op zijn grondgebied te wonen en te werken.
Het bevel om de synagogen van het hele Jodendom te sluiten voor de leringen van Jezus en al zijn volgelingen had een averechtse uitwerking gehad op de schriftgeleerden en Farizeeën. Onmiddellijk nadat Jezus zich als voorwerp van controverse had teruggetrokken, ontstond er een reactie onder het gehele Joodse volk. Er was algemene wrok tegen de Farizeeën en de leiders van het Sanhedrin in Jeruzalem. Veel synagoge-oversten begonnen hun synagogen heimelijk open te stellen voor Abner en zijn metgezellen, bewerend dat deze leraren volgelingen van Johannes waren en geen discipelen van Jezus.
Zelfs Herodes Antipas onderging een verandering van hart en, toen hij vernam dat Jezus aan de overkant van het meer verbleef, in het gebied van zijn broer Filippus, liet hij hem weten dat hij weliswaar arrestatiebevelen in Galilea had getekend, maar dat hij zijn arrestatie in Perea niet had geautoriseerd. Daarmee gaf hij aan dat Jezus niet lastiggevallen zou worden als hij buiten Galilea bleef; en hij deelde deze zelfde uitspraak mee aan de Joden in Jeruzalem.
En dat was de situatie rond 1 augustus 29 n.Chr., toen de Meester terugkeerde van de Phenicische missie en begon met de reorganisatie van zijn verspreide, beproefde en uitgeputte strijdkrachten voor dit laatste en veelbewogen jaar van zijn missie op aarde.
De hoofdzaken van de strijd zijn daarmee duidelijk geschetst nu de Meester en zijn metgezellen zich voorbereiden om te beginnen met de verkondiging van een nieuwe religie, de religie van de spirit van de levende God die in de mind van de mens woont.
Dit hoofdstuk is een nieuwe Nederlandse vertaling gebaseerd op Paper 156 van het Urantia Boek: https://www.urantia.org

