Inleiding

Geen enkele gebeurtenis in het bewogen aardse leven van Jezus was voor hem als mens boeiender en spannender dan dit, het eerste bezoek aan Jeruzalem dat hij zich later kon herinneren. Hij werd vooral gestimuleerd door de ervaring van het zelfstandig bijwonen van de tempelgesprekken. Dat stond hem nog lang bij als de grote gebeurtenis uit zijn latere kindertijd en vroege jeugd. Dit was zijn eerste gelegenheid om te genieten van een paar dagen zelfstandig leven, de opwinding van het gaan en komen zonder beperkingen. Deze korte periode van leven zonder direct toezicht, in de week na het Pascha, was de eerste volledige vrijheid van verantwoordelijkheid die hij ooit had genoten. En het duurde nog vele jaren voordat hij opnieuw een soortgelijke periode van vrijheid van elk verantwoordelijkheidsgevoel had, zelfs voor een korte tijd.

Vrouwen gingen zelden naar het Paschafeest in Jeruzalem; ze waren niet verplicht aanwezig te zijn. Jezus weigerde echter vrijwel om te gaan, tenzij zijn moeder hen vergezelde. En toen zijn moeder besloot te gaan, voelden vele andere vrouwen uit Nazareth zich aangespoord om de reis te maken, zodat het Paschagezelschap het grootste aantal vrouwen telde, in verhouding tot de mannen, dat ooit vanuit Nazareth naar het Pascha was gegaan. Af en toe zongen ze op weg naar Jeruzalem de honderddertigste Psalm.

Vanaf het moment dat ze Nazareth verlieten tot aan de top van de Olijfberg, ervoer Jezus een lange verwachtingsvolle spanning. Zijn hele vreugdevolle jeugd had hij eerbiedig over Jeruzalem en zijn tempel gehoord; nu zou hij dit spoedig in werkelijkheid aanschouwen. Vanaf de Olijfberg en van buitenaf was de tempel, bij nadere inspectie, alles en meer geweest dan Jezus had verwacht. Maar toen hij eenmaal de heilige poorten binnenging, begon de grote desillusie.

Samen met zijn ouders liep Jezus door het tempelterrein op weg om zich aan te sluiten bij de groep nieuwe ‘zonen der wet‘ die op het punt stonden tot burgers van Israël gewijd te worden. Hij was enigszins teleurgesteld door de algemene houding van de tempelmenigte, maar de eerste grote schok van de dag kwam toen zijn moeder afscheid van hen nam op weg naar de vrouwengalerij. Het was nooit bij Jezus opgekomen dat zijn moeder hem niet zou vergezellen naar de wijdingsceremonies, en hij was diep verontwaardigd dat zij onder zo’n onrechtvaardige discriminatie moest lijden. Hoewel hij hier sterk aanstoot aan nam, zei hij, afgezien van een paar protesterende opmerkingen aan zijn vader, niets. Maar hij dacht na, en hij dacht diep na, zoals bleek uit zijn vragen aan de schriftgeleerden en leraren een week later.

Hij doorliep de wijdingsrituelen, maar was teleurgesteld door hun oppervlakkige en routinematige karakter. Hij miste de persoonlijke belangstelling die kenmerkend waren voor de ceremonies van de synagoge in Nazareth. Hij keerde toen terug om zijn moeder te begroeten en bereidde zich voor om zijn vader te vergezellen op zijn eerste tocht door de tempel en de verschillende voorhoven, galerijen en gangen. Het tempelterrein bood plaats aan meer dan tweehonderdduizend aanbidders tegelijk, en hoewel de uitgestrektheid van deze gebouwen – in vergelijking met alles wat hij ooit had gezien – grote indruk op hem maakte, was hij meer geïntrigeerd door de overpeinzing van de spirituele betekenis van de tempelceremonies en de daarmee gepaard gaande eredienst.

Hoewel veel van de tempelrituelen een ontroerende indruk maakten op zijn gevoel voor schoonheid en symboliek, was hij altijd teleurgesteld door de uitleg van de werkelijke betekenis van deze ceremonies die zijn ouders hem gaven als antwoord op zijn vele onderzoekende vragen. Jezus accepteerde eenvoudigweg geen verklaringen van aanbidding en religieuze devotie die geloof in de toorn (boosheid grenzend aan wraak) van God of de boosheid van de Almachtige inhielden. Bij de verdere bespreking van deze vragen, na afloop van het tempelbezoek, toen zijn vader er mild op aandrong dat hij de orthodox-joodse geloofsovertuigingen aanvaardde, wendde Jezus zich plotseling tot zijn ouders en, terwijl hij zijn vader smekend in de ogen keek, zei hij: “Mijn vader, dit kan niet waar zijn! De Vader in de hemel kan zijn dwalende kinderen op aarde zo niet bekijken en behandelen. De hemelse Vader kan zijn kinderen niet minder liefhebben dan u mij liefhebt. En ik weet heel goed dat, wat voor onverstandigs ik ook zou doen, u nooit uw woede over mij zou uitstorten of uw woede tegen mij zou uiten. Als u, mijn aardse vader, al zulke menselijke weerspiegelingen van het Goddelijke bezit, hoeveel te meer moet de hemelse Vader dan vervuld zijn van goedheid en overvloedig zijn in genade. Ik weiger te geloven dat mijn Vader in de hemel mij minder liefheeft dan mijn vader op aarde.”

Toen Jozef en Maria deze woorden van hun eerstgeboren zoon hoorden, zwegen ze. En nooit meer probeerden ze hem van gedachten te doen veranderen over de liefde van God en de barmhartigheid van de Vader in de hemel.

Jezus bekijkt de tempel

Overal waar Jezus in de tempelhoven kwam, was hij geschokt en walgde hij van de geest van oneerbiedigheid die hij waarnam. Hij vond het gedrag van de tempelmenigte onverenigbaar met hun aanwezigheid in het huis van zijn Vader. Maar hij kreeg de schok van zijn jonge leven toen zijn vader hem naar het voorhof van de niet-Joden [gentiles] begeleidde, met zijn luidruchtige taalgebruik, luid gepraat en gevloek, bijna niet te onderscheiden van het geblaat van schapen en het gebabbel van geluiden dat de aanwezigheid verraadde van de geldwisselaars en de verkopers van offerdieren en diverse andere handelswaar.

Maar bovenal werd zijn gevoel voor fatsoen gekrenkt door de aanblik van de frivole courtisanes die rond paradeerden op dit tempelterrein, precies zulke beschilderde vrouwen als hij onlangs had gezien tijdens een bezoek aan Sepphoris. Deze ontheiliging van de tempel wekte al zijn jeugdige verontwaardiging op, en hij aarzelde niet om zich openlijk tegenover Jozef uit te spreken.

Jezus bewonderde de gevoelens en de diensten van de tempel, maar hij was geschokt door de spirituele lelijkheid die hij aantrof op de gezichten van zovele onnadenkende aanbidders.

Ze gingen nu naar de priesterhof onder de rotsrichel aan de voorkant van de tempel, waar het altaar stond, om getuige te zijn van het doden van de kuddes dieren en het afwassen van het bloed van de handen van de dienstdoende slachtpriesters bij de bronzen fontein. Het met bloed bevlekte plaveisel, de bloedige handen van de priesters en de geluiden van de stervende dieren waren meer dan deze natuurminnende jongen kon verdragen. De vreselijke aanblik maakte deze jongen uit Nazareth misselijk; hij greep de arm van zijn vader vast en smeekte om weggevoerd te worden. Ze liepen terug door het voorhof van de niet-Joden, en zelfs het grove gelach en de profane grappen die hij daar hoorde, waren een opluchting na wat hij zojuist had gezien.

Jozef zag hoe zijn zoon misselijk was geworden bij de aanblik van de tempelrituelen en leidde hem wijselijk rond om de ‘Mooie Poort‘ te bekijken, de kunstzinnige poort van Korinthisch brons. Maar Jezus had genoeg van zijn eerste bezoek aan de tempel. Ze keerden terug naar het bovenhof voor Maria en liepen een uur lang in de open lucht, weg van de menigte, terwijl ze het Asmoneese paleis, het statige huis van Herodes en de toren van de Romeinse wacht bekeken. Tijdens deze wandeling legde Jozef aan Jezus uit dat alleen de inwoners van Jeruzalem de dagelijkse offers in de tempel mochten bijwonen, en dat de inwoners van Galilea slechts drie keer per jaar naar de tempel kwamen om deel te nemen aan de eredienst: tijdens het Pascha, tijdens het Pinksterfeest (zeven weken na Pascha) en tijdens het Loofhuttenfeest in oktober. Deze feesten werden door Mozes ingesteld. Vervolgens bespraken ze de twee later ingestelde feesten van de inwijding en van Poerim. Daarna gingen ze naar hun verblijf en maakten ze zich klaar voor de viering van het Pascha.

Jezus en het Pascha

Vijf families uit Nazareth waren gasten van, of partners van, de familie van Simon uit Bethanië tijdens de viering van het Pascha. Simon had het paaslam voor het gezelschap gekocht. Het was de slachting van deze lammeren in zulke enorme aantallen die Jezus zo had aangegrepen tijdens zijn tempelbezoek. Het was de bedoeling geweest om het Pascha te eten met Maria’s familieleden, maar Jezus haalde zijn ouders over om de uitnodiging aan te nemen om naar Bethanië te gaan.

Die avond kwamen ze bijeen voor de Pascha-rituelen, waarbij ze het geroosterde vlees aten met niet-gerezen brood en bittere kruiden. Jezus, een nieuwe zoon van het verbond, werd gevraagd de oorsprong van het Pascha te vertellen, en dat deed hij goed, maar hij bracht zijn ouders enigszins van hun stuk door zijn talrijke opmerkingen die op milde wijze de indrukken weerspiegelden die de dingen die hij zo kort geleden had gezien en gehoord, op zijn jeugdige maar bedachtzame verstand hadden gemaakt. Dit was het begin van de zevendaagse ceremonies van het Paschafeest.

Zelfs in deze vroege periode, hoewel hij niets over dergelijke zaken tegen zijn ouders zei, begon Jezus bij zichzelf na te denken over de gepastheid van het vieren van het Pascha zonder het geslachte lam. Hij was ervan overtuigd dat de Vader in de hemel niet blij was met dit schouwspel van offers, en naarmate de jaren verstreken, raakte hij steeds meer vastbesloten om ooit een bloedloos Pascha te vieren.

Jezus sliep die nacht heel weinig. Zijn rust werd ernstig verstoord door weerzinwekkende dromen over slachting en lijden. Zijn verstand was radeloos en zijn hart verscheurd door de inconsistenties en absurditeiten van de theologie van het hele Joodse ceremoniële systeem. Zijn ouders sliepen eveneens weinig. Ze waren zeer verontrust door de gebeurtenissen van de zojuist afgelopen dag. Ze waren diep van streek door de voor hen vreemde en vastberaden houding van de jongen. Maria raakte in de loop van de nacht nerveus geagiteerd, maar Jozef bleef kalm, hoewel hij evenzeer in verwarring was. Beiden durfden ze niet openhartig met de jongen over deze problemen te praten, hoewel Jezus graag met zijn ouders had willen praten als ze hem hadden durven aanmoedigen.

De tempeldiensten van de volgende dag waren voor Jezus acceptabeler en droegen veel bij aan het verlichten van de onaangename herinneringen aan de vorige dag. De volgende ochtend nam de jonge Lazarus Jezus aan de hand en begonnen ze aan een systematische verkenning van Jeruzalem en omgeving. Voordat de dag voorbij was, ontdekte Jezus de verschillende plaatsen in de tempel waar onderwijs- en vraaggesprekken plaatsvonden; en afgezien van een paar bezoeken aan het heilige der heiligen om zich te verwonderen over wat er werkelijk achter de sluier van scheiding zat, bracht hij het grootste deel van zijn tijd in de tempel door bij deze onderwijsgesprekken.

Gedurende de Pesachweek behield Jezus zijn plaats onder de nieuwe ‘zonen van het gebod’, wat betekende dat hij buiten de afscheiding moest gaan zitten die alle personen afzonderde die geen volwaardige burgers van Israël waren. Door zich zo bewust te worden van zijn jeugdigheid, onthield hij zich van het stellen van de vele vragen die in zijn gedachten opdoemden. Hij onthield zich er in ieder geval van totdat de Pesachviering was afgelopen en deze beperkingen voor de pas gewijde jongeren waren opgeheven.

Op woensdag in de Pesachweek mocht Jezus met Lazarus naar huis om de nacht in Bethanië door te brengen. Die avond hoorden Lazarus, Martha en Maria Jezus praten over tijdelijke en eeuwige, menselijke en goddelijke zaken, en vanaf die avond hielden ze alle drie van hem alsof hij hun eigen broer was.

Tegen het einde van de week zag Jezus Lazarus minder, omdat hij -Lazarus- niet eens in aanmerking kwam voor toelating tot de buitenste kring van de tempelgesprekken, hoewel hij wel enkele openbare toespraken in de voorhoven bijwoonde. Lazarus was even oud als Jezus, maar in Jeruzalem werden jongeren zelden toegelaten tot de wijding tot ‘zonen der wet’ totdat ze dertien jaar oud waren.

Keer op keer, gedurende de Pesachweek, troffen zijn ouders Jezus alleen zittend aan, met zijn jeugdige hoofd in zijn handen, diep nadenkend. Ze hadden hem nog nooit zo zien handelen, en omdat ze niet wisten hoe verward en verontrust hij was door de ervaring die hij meemaakte, waren ze diep in verwarring. Ze wisten niet wat ze moesten doen. Ze verwelkomden het verstrijken van de dagen van de Pesachweek en verlangden ernaar hun vreemd optredende zoon veilig terug te hebben in Nazareth.

Dag in dag uit dacht Jezus na over zijn problemen. Tegen het einde van de week had hij veel veranderingen aangebracht. Maar toen de tijd aanbrak om terug te keren naar Nazareth, was zijn jeugdige verstand nog steeds vol van verwarring en werd hij geplaagd door een groot aantal onbeantwoorde vragen en onopgeloste problemen.

Voordat Jozef en Maria Jeruzalem verlieten, maakten ze samen met de leraar van Jezus uit Nazareth concrete afspraken dat Jezus op vijftienjarige leeftijd zou terugkeren -naar Jeruzalem- om aan zijn lange studie te beginnen aan een van de bekendste rabbijnenacademies. Jezus vergezelde zijn ouders en leraar op hun schoolbezoeken, maar ze waren allemaal ontdaan toen ze zagen hoe onverschillig hij leek voor alles wat ze zeiden en deden. Maria was diep gekwetst door zijn reacties op het bezoek aan Jeruzalem, en Jozef was diep verbijsterd door de vreemde opmerkingen en het ongewone gedrag van de jongen.

De Pesachweek was toch een belangrijke gebeurtenis in het leven van Jezus geweest. Hij had genoten van de gelegenheid om tientallen jongens van zijn eigen leeftijd te ontmoeten, medekandidaten voor de wijding, en hij gebruikte dergelijke contacten om te leren hoe de mensen leefden in Mesopotamië, Turkestan en Parthië, evenals in de provincies van Rome in het Verre Oosten. Hij was al redelijk bekend met de manier waarop de jeugd van Egypte en andere streken nabij Palestina opgroeide. Er waren duizenden jonge mensen in Jeruzalem in die tijd, en de jongen uit Nazareth ontmoette persoonlijk meer dan honderdvijftig jongeren en interviewde hen min of meer uitgebreid. Hij was vooral geïnteresseerd in degenen die afkomstig waren uit het Verre Oosten en de afgelegen westerse landen. Als gevolg van deze contacten begon de jongen de wens te koesteren om de wereld rond te reizen om te leren hoe de verschillende groepen van zijn medemensen voor hun levensonderhoud werkten.

Vertrek van Jozef en Maria

Er was afgesproken dat het gezelschap uit Nazareth halverwege de ochtend op de eerste dag van de week na afloop van het Pesachfeest bijeen zou komen in het tempelgebied. Dit deden ze en ze begonnen aan de terugreis naar Nazareth. Jezus was de tempel binnengegaan om naar de gesprekken te luisteren, terwijl zijn ouders wachtten op de bijeenkomst van hun medereizigers. Al snel maakte het gezelschap zich gereed om te vertrekken, de mannen in één groep en de vrouwen in een andere, zoals gebruikelijk was bij het reizen van en naar de feesten in Jeruzalem. Jezus was samen met zijn moeder en de vrouwen naar Jeruzalem gegaan. Omdat hij nu een jongeman van de wijding was, werd van hem verwacht dat hij samen met zijn vader en de mannen terug zou reizen naar Nazareth. Maar terwijl het gezelschap uit Nazareth verder trok richting Bethanië, was Jezus in de tempel volledig verdiept in de discussie over engelen, zonder zich te realiseren dat de tijd voor het vertrek van zijn ouders al verstreken was. En hij realiseerde zich pas dat hij was achtergelaten toen de tempelbesprekingen rond het middaguur eindigden.

De reizigers uit Nazareth misten Jezus niet, omdat Maria vermoedde dat hij met de mannen reisde, terwijl Jozef dacht dat hij met de vrouwen reisde, aangezien hij met de vrouwen naar Jeruzalem was gegaan, met Maria’s ezel aan het hoofd. Ze ontdekten zijn afwezigheid pas toen ze Jericho bereikten en zich voorbereidden om er te overnachten. Nadat ze navraag hadden gedaan bij de laatsten van het gezelschap die Jericho bereikten, en vernomen hadden dat niemand van hen hun zoon had gezien, brachten ze een slapeloze nacht door. Ze dachten na over wat er met hem gebeurd zou kunnen zijn, herhaalden tegen elkaar veel van zijn ongewone reacties op de gebeurtenissen van de Pesachweek en maakten elkaar mild verwijten omdat ze er niet voor gezorgd hadden dat hij bij de groep was voordat ze Jeruzalem verlieten.

Eerste en tweede dag in de tempel

Intussen was Jezus de hele middag in de tempel gebleven, luisterend naar de gesprekken en genietend van de meer rustige en fatsoenlijke sfeer, nu de grote menigten van de Pesachweek zo goed als verdwenen waren. Aan het einde van de middaggesprekken, waaraan Jezus niet deelnam, begaf hij zich naar Bethanië en arriveerde daar net toen Simons familie zich gereedmaakte voor de avondmaaltijd. De drie jongeren waren dolblij Jezus te begroeten, en hij bleef de nacht in Simons huis doorbrengen. Hij zocht ’s avonds weinig contact en bracht veel tijd alleen in de tuin door met mediteren.

De volgende dag was Jezus al vroeg op en op weg naar de tempel. Op de top van de Olijfberg bleef hij staan en weende over wat hij zag: een spiritueel verarmd volk, gevangen in tradities en levend onder toezicht van de Romeinse legioenen. Vroeg in de ochtend konden we hem in de tempel aantreffen, vastbesloten om deel te nemen aan de gesprekken. Ondertussen waren Jozef en Maria ook bij het aanbreken van de dag opgestaan met de bedoeling op hun schreden terug te keren naar Jeruzalem. Eerst haastten ze zich naar het huis van hun verwanten, waar ze tijdens de Pesachweek als gezin hadden gelogeerd, maar navraag bracht aan het licht dat niemand Jezus had gezien. Nadat ze de hele dag hadden gezocht en geen spoor van hem hadden gevonden, keerden ze voor de nacht terug naar hun verwanten.

Tijdens de tweede bijeenkomst had Jezus de moed gehad om vragen te stellen, en op een zeer verbazingwekkende manier nam hij deel aan de tempeldiscussies, maar altijd op een manier die paste bij zijn jeugd. Soms waren zijn scherpe vragen enigszins gênant voor de geleerde leraren van de Joodse wet, maar hij toonde zo’n geest van openhartige eerlijkheid, gekoppeld aan een duidelijke honger naar kennis, dat de meeste tempelleraren geneigd waren hem met alle consideratie te behandelen. Maar toen hij het waagde de rechtvaardigheid in twijfel te trekken van het ter dood brengen van een dronken niet-Jood die buiten het voorhof van de niet-Joden had rondgezworven en onbewust de verboden en zogenaamd heilige terreinen van de tempel was binnengegaan, werd een van de meer intolerante leraren ongeduldig door de impliciete kritiek van de jongen en, terwijl hij boos op hem neerkeek, vroeg hij hoe oud hij was. Jezus antwoordde: ‘een kleinigheid meer dan vier maanden verwijderd van dertien jaar’. Toen antwoordde de nu woedende leraar: ‘Waarom ben je hier, aangezien je nog niet meerderjarig bent als een zoon van de wet?’ En toen Jezus uitlegde dat hij tijdens het Pascha de wijding had ontvangen en dat hij een voltooide leerling van de scholen van Nazareth was, antwoordden de leraren eensgezind spottend: ‘We hadden het kunnen weten; hij komt uit Nazareth.’ Maar de leider hield vol dat Jezus niet de schuld diende te krijgen als de leiders van de synagoge in Nazareth hem officieel hadden laten afstuderen toen hij twaalf was in plaats van dertien; en hoewel verschillende van zijn tegenstanders opstonden en vertrokken, werd bepaald dat de jongen ongestoord mocht doorgaan als leerling van de tempeldiscussies.

Toen deze, zijn tweede dag in de tempel, voorbij was, ging hij opnieuw naar Bethanië voor de nacht. En opnieuw ging hij de tuin in om te mediteren en te bidden. Het was duidelijk dat zijn verstand bezig was met het overdenken van gewichtige problemen.

De derde dag in de tempel

Op de derde dag dat Jezus met de schriftgeleerden en leraren in de tempel was, verzamelden zich vele toeschouwers. Zij hadden van deze jongeman uit Galilea gehoord en waren gekomen om te zien hoe een jongen de wijzen van de wet in verwarring bracht. Simon kwam ook uit Bethanië om te zien wat de jongen aan het doen was. De hele dag door zetten Jozef en Maria hun gespannen zoektocht naar Jezus voort. Ze gingen zelfs meerdere keren de tempel in, maar dachten er niet aan om de verschillende discussiegroepen te bestuderen, hoewel ze een keer bijna binnen gehoorsafstand van zijn fascinerende stem kwamen.

Voordat de dag voorbij was, was de volledige aandacht van de belangrijkste discussiegroep in de tempel gericht op de vragen die Jezus stelde. Onder zijn vele vragen waren:

  1. Wat bevindt zich werkelijk in het heilige der heiligen, achter het voorhangsel?
  2. Waarom zouden moeders in Israël gescheiden moeten worden van de mannelijke tempeldienaren?
  3. Als God een vader is die van zijn kinderen houdt, waarom wordt dan al dit slachten van dieren om goddelijke gunst te verwerven verkeerd begrepen?
  4. Aangezien de tempel gewijd is aan de aanbidding van de Vader in de hemel, is het dan logisch om de aanwezigheid toe te staan van hen die zich bezighouden met wereldlijke ruilhandel?
  5. Zal de verwachte Messias een wereldlijke vorst worden die op de troon van David zal zitten, of zal hij functioneren als het ‘licht van leven’ bij de vestiging van een spiritueel koninkrijk?

En de hele dag door verwonderden de toehoorders zich over deze vragen, en niemand was meer verbaasd dan Simon. Meer dan vier uur lang bestookte deze jongeman uit Nazareth deze Joodse leraren met tot nadenken stemmende en hartverscheurende vragen. Hij gaf weinig commentaar op de opmerkingen van zijn ouderen. Hij bracht zijn leer over door de vragen die hij stelde. Door de behendige en subtiele formulering van een vraag daagde hij tegelijkertijd hun leer uit en suggereerde hij zijn eigen leer. In de manier waarop hij een vraag stelde, was er een aantrekkelijke combinatie van scherpzinnigheid en humor die hem zelfs geliefd maakte bij degenen die zijn jeugdigheid min of meer verafschuwden. Hij was altijd buitengewoon eerlijk en attent in het stellen van deze indringende vragen. Op deze veelbewogen middag in de tempel toonde hij dezelfde terughoudendheid om oneerlijk voordeel te halen uit een tegenstander die zijn hele verdere openbare optreden zou kenmerken. Als jongeman, en later als man, leek hij volkomen vrij te zijn van alle egoïstische verlangens om een discussie te winnen, louter en alleen om een logische overwinning over zijn medemensen te ervaren. Hij was bovenal geïnteresseerd in maar één ding: de eeuwige waarheid verkondigen en zo een vollediger openbaring van de eeuwige God bewerkstelligen.

Toen de dag voorbij was, keerden Simon en Jezus terug naar Bethanië. Het grootste deel van de weg zwegen zowel de man als de jongen. Opnieuw bleef Jezus staan op de top van de Olijfberg, maar terwijl hij de stad en haar tempel overzag, weende hij niet; hij boog slechts zijn hoofd in stille devotie.

Na de avondmaaltijd in Bethanië weigerde hij opnieuw zich bij de vrolijke groep aan te sluiten, maar ging in plaats daarvan naar de tuin, waar hij tot diep in de nacht bleef hangen, tevergeefs proberend een concreet plan van aanpak te bedenken voor het probleem van zijn levenswerk. En hij probeerde te beslissen hoe hij het beste kon werken om zijn spiritueel verblinde landgenoten een mooier concept van de hemelse Vader te onthullen en hen zo te bevrijden van hun vreselijke slavernij aan wet, rituelen, ceremonieel gedoe en muffe tradities. Maar het heldere licht kwam niet tot de waarheidzoekende jongen.

De vierde dag in de tempel

Jezus was dacht vreemd genoeg niet echt aan zijn aardse ouders. Zelfs tijdens het ontbijt, toen de moeder van Lazarus opmerkte dat zijn ouders tegen die tijd thuis moesten zijn, leek Jezus niet te begrijpen dat ze zich zorgen zouden maken over zijn achterblijven. Hij reisde opnieuw naar de tempel, maar hij bleef niet stilstaan om te mediteren op de top van de Olijfberg. Tijdens de ochtendgesprekken werd er veel tijd besteed aan de wet en de profeten, en de leraren waren verbaasd dat Jezus zo vertrouwd was met de geschriften, zowel in het Hebreeuws als in het Grieks. Maar ze waren niet zozeer verbaasd over zijn kennis van de waarheid als wel over zijn jeugd.

Tijdens de middagbespreking waren ze nog maar net begonnen zijn vraag over het doel van het gebed te beantwoorden, toen de leider de jongen uitnodigde naar voren te komen en, naast hem zittend, hem verzocht zijn eigen opvattingen over gebed en aanbidding te geven.

De avond ervoor hadden de ouders van Jezus gehoord over deze vreemde jongeman die zo behendig met de uitleggers van de wet had gevochten, maar het was niet bij hen opgekomen dat deze jongen hun zoon was. Ze hadden bijna besloten naar het huis van Zacharias te gaan, omdat ze dachten dat Jezus daar misschien naar toe was gegaan om Elisabeth en Johannes te bezoeken. In de veronderstelling dat Zacharias misschien in de tempel was, stopten ze daar op weg naar de stad Judah. Stel je hun verrassing en verbazing voor toen ze, terwijl ze door de voorhoven van de tempel slenterden, de stem van de vermiste jongen herkenden en hem tussen de tempelleraren zagen zitten. Jozef was sprakeloos, maar Maria gaf uiting aan haar lang opgekropte angst en bezorgdheid toen ze naar de jongen toe rende, die nu stond om zijn verbaasde ouders te begroeten, en zei: “Mijn kind, waarom heb je ons zo behandeld? Het is nu al meer dan drie dagen dat je vader en ik je vol verdriet zoeken. Wat bezielde je om ons te verlaten?” Het was een spannend moment. Alle ogen waren op Jezus gericht om te horen wat hij zou zeggen. Zijn vader keek hem verwijtend aan, maar zei niets.

We moeten niet vergeten dat Jezus nu een jongeman was. Hij had de reguliere schoolopleiding van een kind afgerond, was erkend als een zoon van de wet en had de wijding als burger van Israël ontvangen. En toch berispte zijn moeder hem meer dan mild voor alle aanwezigen, midden in de meest serieuze en verheven inspanning van zijn jonge leven, en bracht zo een oneervol einde aan een van de grootste kansen die hem ooit werden geboden om te functioneren als een leraar van de waarheid, een prediker van rechtvaardigheid, een openbaarder van het liefdevolle karakter van zijn Vader in de hemel.

Maar de jongen was opgewassen tegen de situatie. Wanneer je alle factoren die samen deze situatie vormden, in ogenschouw neemt, zul je beter voorbereid zijn om de wijsheid van het antwoord van de jongen op de onbedoelde berisping van zijn moeder te doorgronden. Na even nagedacht te hebben, antwoordde Jezus zijn moeder: “Waarom heb je me zo lang gezocht? Zou je niet verwachten me in het huis van mijn Vader te vinden, aangezien de tijd gekomen is dat ik bezig moet zijn met de dingen van mijn Vader?”

Iedereen was verbaasd over de manier waarop de jongen sprak. Zwijgend trokken ze zich allemaal terug en lieten hem alleen achter met zijn ouders. Even later nam de jongeman de verlegenheid van alle drie weg door zachtjes te zeggen: “Kom, mijn ouders, iedereen heeft gedaan wat hij het beste vond. Onze Vader in de hemel heeft deze dingen verordend; laten we naar huis gaan.”

In stilte vertrokken ze en kwamen in Jericho aan voor de nacht. Slechts één keer bleven ze staan, en wel op de top van de Olijfberg, toen de jongen zijn staf omhoog hief en, trillend van top tot teen onder de golf van intense emotie, zei: “O Jeruzalem, Jeruzalem en haar inwoners, wat zijn jullie slaven! Ondergeschikt aan het Romeinse juk en slachtoffers van jullie eigen tradities! Maar ik zal terugkeren om die tempel daar te reinigen en mijn volk uit deze slavernij te bevrijden!”

Tijdens de driedaagse reis naar Nazareth zei Jezus weinig; zijn ouders zeiden ook niet veel in zijn aanwezigheid. Ze konden het gedrag van hun eerstgeboren zoon werkelijk niet begrijpen, maar ze bewaarden zijn woorden wel in hun hart, ook al konden ze de betekenis ervan niet volledig begrijpen.

Thuisgekomen deed Jezus een korte uitspraak tegen zijn ouders, waarin hij hen verzekerde van zijn genegenheid en impliceerde dat ze niet bang hoefden te zijn dat hij hen opnieuw aanleiding zou geven tot lijden en bezorgdheid vanwege zijn gedrag. Hij besloot deze gewichtige uitspraak met de woorden: “Hoewel ik de wil van mijn Vader in de hemel moet doen, zal ik ook gehoorzaam zijn aan mijn vader op aarde. Ik zal mijn uur afwachten.”

Hoewel Jezus in zijn gedachten vaak weigerde in te stemmen met de goedbedoelde maar misplaatste pogingen van zijn ouders om zijn denkwijze te dicteren of het plan voor zijn werk op aarde te bepalen, paste hij zich toch, op alle manieren die overeenkwamen met zijn toewijding aan het doen van de wil van zijn Paradijsvader, zeer gracieus aan, aan de verlangens van zijn aardse vader en de gebruiken van zijn aardse familie. Zelfs wanneer hij niet kon instemmen, deed hij er alles aan om zich aan te passen. Hij was een kunstenaar in het afstemmen van zijn toewijding aan zijn plicht op zijn verplichtingen van familieloyaliteit en sociale dienstbaarheid.

Jozef was in verwarring, maar Maria, terwijl ze over deze ervaringen nadacht, vond troost en beschouwde uiteindelijk zijn uitspraak op de Olijfberg als profetisch voor de Messiaanse missie van haar zoon als Israëls bevrijder. Ze ging met hernieuwde energie aan de slag om zijn gedachten in patriottische en nationalistische banen te leiden en riep de hulp in van haar broer, de lievelingsoom van Jezus. En op alle andere manieren wijdde de moeder van Jezus zich aan de taak om haar eerstgeboren zoon voor te bereiden op het leiderschap van degenen die de troon van David zouden herstellen en voorgoed het heidense (Romeinse) juk van politieke slavernij zouden afwerpen.

Dit hoofdstuk is een nieuwe Nederlandse vertaling gebaseerd op Paper 125 van het Urantia Boek: https://www.urantia.org