Inleiding
Van alle ervaringen van Jezus op aarde waren het veertiende en vijftiende jaar het meest cruciaal. Deze twee jaren, nadat hij zich bewust begon te worden van zijn goddelijkheid en bestemming, en voordat hij een grote mate van communicatie met zijn inwonende Mentor-Spirit bereikte, waren de meest beproevende van zijn veelbewogen leven op onze planeet. Het is deze periode van twee jaar die de grote test, de werkelijke verleiding, genoemd zou moeten worden. Geen enkele menselijke jongere heeft tijdens de vroege verwarring en aanpassingsproblemen van de adolescentie ooit een crucialere beproeving meegemaakt dan die welke Jezus doormaakte tijdens zijn overgang van kindertijd naar jongeman.
Deze belangrijke periode in de jeugdige ontwikkeling van Jezus begon met de afsluiting van het bezoek aan Jeruzalem en met zijn terugkeer naar Nazareth. Aanvankelijk was Maria gelukkig met de gedachte dat ze haar jongen weer terug had, dat Jezus naar huis was teruggekeerd om een plichtsgetrouwe zoon te zijn – niet dat hij ooit iets anders was – en dat hij voortaan ontvankelijker zou zijn voor haar plannen voor zijn toekomstige leven. Maar ze zou niet lang baden in deze zonneschijn van moederlijke waan en onopgemerkte familietrots; al snel zou ze nog meer gedesillusioneerd raken. De jongen was steeds meer in het gezelschap van zijn vader. Hij kwam steeds minder met zijn problemen naar haar toe, terwijl zijn ouders steeds minder begrip kregen voor zijn frequente afwisseling tussen de zaken van deze wereld en de overpeinzingen van zijn relatie tot ‘de zaken van zijn Vader’. Eerlijk gezegd begrepen ze hem niet, maar ze hielden wel echt van hem.
Naarmate hij ouder werd, verdiepten zijn medelijden en zijn liefde voor het Joodse volk zich, maar met het verstrijken van de jaren ontwikkelde zich in zijn mind een groeiend gevoel van verzet tegen de -in zijn ogen ongerechtvaardigde- aanwezigheid in de tempel van de Vader van de politiek aangestelde priesters. Jezus had groot respect voor de oprechte Farizeeën en de eerlijke schriftgeleerden, maar hij had grote minachting voor de hypocriete Farizeeën en de oneerlijke theologen. Hij keek met minachting naar al die religieuze leiders die niet oprecht waren. Toen hij de leiders van Israël onder de loep nam, kwam hij soms in de verleiding om de mogelijkheid dat hij de Messias van de Joodse verwachting zou worden, welwillend te bezien, maar hij gaf nooit toe aan die verleiding.
Het verhaal van zijn heldendaden onder de wijzen van de tempel in Jeruzalem was bevredigend voor heel Nazareth, vooral voor zijn voormalige leraren in de synagogeschool. Een tijdlang was lof voor Jezus op ieders lippen. Het hele dorp vertelde over zijn jeugdige wijsheid en prijzenswaardige gedrag en voorspelde dat hij voorbestemd was om een groot leider in Israël te worden ui. Eindelijk zou er een werkelijk groot leraar uit Nazareth in Galilea voortkomen. En ze keken allemaal uit naar de tijd dat hij vijftien jaar oud zou zijn, zodat hij regelmatig op sabbath in de synagoge uit de Geschriften mocht lezen.
Zijn veertiende jaar (8 n.Chr.)
Dit is het kalenderjaar van zijn veertiende verjaardag. Hij was een goede juk-maker geworden en kon goed werken met zowel canvas als leer. Hij ontwikkelde zich ook snel tot een bekwame timmerman en meubelmaker. Deze zomer maakte hij regelmatig uitstapjes naar de top van de heuvel ten noordwesten van Nazareth om te bidden en te mediteren. Hij werd zich geleidelijk steeds bewuster van de aard van zijn missie op aarde.
Deze heuvel was iets meer dan honderd jaar daarvoor de ’hoogte van Baäl’ geweest en nu was het de plaats van het graf van Simeon, een vermaard heilig man van Israël. Vanaf de top van deze heuvel van Simeon keek Jezus uit over Nazareth en het omliggende land. Hij staarde naar Megiddo en herinnerde zich het verhaal van het Egyptische leger dat zijn eerste grote overwinning in Azië behaalde. En hoe later een ander dergelijk leger koning Josiah van Judah versloeg. Niet ver daarvandaan kon hij Taanach zien, waar Deborah en Barak Sisera versloegen. In de verte kon hij de heuvels van Dothan zien, waar, zoals hij had geleerd, Jozefs broers hem als slaaf in Egypte verkochten. Vervolgens richtte hij zijn blik op Ebal en Gerizim en vertelde hij zichzelf de overleveringen van Abraham, Jacob en Abimelech. En zo herinnerde hij zich en overdacht hij de historische en traditionele gebeurtenissen van het volk van zijn vader Jozef.
Hij zette zijn gevorderde leeslessen voort onder leiding van de leraren in de synagoge, en hij zette ook het thuisonderwijs van zijn broers en zussen voort toen zij de geschikte leeftijd bereikten.
Begin dit jaar regelde Jozef dat hij de inkomsten uit zijn bezittingen in Nazareth en Capernaum opzij zou zetten om de lange studie van Jezus in Jeruzalem te betalen. Het was namelijk de bedoeling dat hij in augustus van het volgende jaar naar Jeruzalem zou gaan, wanneer hij vijftien jaar oud zou zijn.
Aan het begin van dit jaar twijfelden zowel Jozef als Maria vaak aan de bestemming van hun eerstgeboren zoon. Hij was zeer zeker een briljant en beminnelijk kind, maar hij was zo moeilijk te begrijpen, zo moeilijk te peilen, en steeds gebeurde er nooit iets buitengewoons of wonderbaarlijks. Tientallen keren had zijn trotse moeder in ademloze afwachting gestaan, in de verwachting dat haar zoon een bovenmenselijke of wonderbaarlijke prestatie zou leveren, maar steeds werd haar hoop in wrede teleurstelling de bodem ingeslagen. En dit alles was ontmoedigend, zelfs tot het punt dat ze het vertrouwen verloor. De vrome mensen van die tijd geloofden werkelijk dat profeten en mannen van belofte altijd hun roeping demonstreerden en hun goddelijke autoriteit bewezen door wonderen te verrichten. Maar Jezus deed niets van dit alles; daarom nam de verwarring van zijn ouders gestaag toe terwijl ze over zijn toekomst nadachten.
De verbeterde economische situatie van het gezin in Nazareth werd op veel manieren weerspiegeld in het huis en vooral in het toegenomen aantal gladde ‘schoolborden’ die werden gebruikt om op te schrijven, en wel met houtskool. Jezus mocht ook zijn muzieklessen hervatten; hij was dol op het bespelen van de harp. Gedurende dit jaar kan met recht worden gezegd dat Jezus ‘groeide in de gunst van de mensen en van God’. De vooruitzichten voor het gezin leken goed. De toekomst zag er rooskleurig uit.
De dood van Jozef
Alles ging goed tot die noodlottige dag van dinsdag 25 september, toen een koerier uit Sepphoris naar dit huis in Nazareth het tragische nieuws bracht dat Jozef ernstig gewond was geraakt door een val van een hef-kraan tijdens werkzaamheden aan de residentie van de gouverneur. De boodschapper uit Sepphoris was onderweg naar Jozefs huis bij de werkplaats gestopt om Jezus op de hoogte te stellen van het ongeluk van zijn vader, en ze gingen samen naar het huis om het droevige nieuws aan Maria te vertellen. Jezus wilde onmiddellijk naar zijn vader gaan, maar Maria wilde van niets anders horen dan dat zij zich naar haar man moest haasten. Ze gaf Jacobus, toen tien jaar oud, opdracht haar naar Sepphoris te vergezellen, terwijl Jezus thuisbleef bij de jongere kinderen totdat ze terug zou komen, omdat ze niet wist hoe ernstig Jozef gewond was. Maar Jozef stierf aan zijn verwondingen voordat Maria arriveerde. Ze brachten hem naar Nazareth, en de volgende dag werd hij bij zijn vader begraven.
Juist op het moment dat de vooruitzichten goed waren en de toekomst er rooskleurig uitzag, sloeg een ogenschijnlijk wrede hand het hoofd van dit huishouden in Nazareth neer, de zaken van dit huis werden verstoord en elk plan voor Jezus en zijn toekomstige opvoeding werd tenietgedaan. Deze timmermansjongen, nu net veertien jaar oud, ontwaakte tot het besef dat hij niet alleen de opdracht van zijn hemelse Vader moest vervullen om de goddelijke natuur op aarde en in een lichaam te openbaren, maar dat zijn jonge menselijke natuur ook de verantwoordelijkheid moest dragen om voor zijn weduwe-moeder en zeven broers en zussen te zorgen – en nog eentje die nog geboren moest worden. Deze jongen uit Nazareth werd nu de enige steun en toeverlaat van dit zo plotseling getroffen gezin. Aldus werd een serie gebeurtenissen toegestaan (door ‘hoge leiding’) die op aarde nu eenmaal kunnen gebeuren, en die deze jongeman-met-bestemming al vroeg zouden dwingen deze zware -maar zeer leerzame en tot discipline leidende- verantwoordelijkheden op zich te nemen. Verantwoordelijkheden voor aan het hoofd komen te staan van een menselijk gezin, voor een rol van vaderschap voor zijn eigen broers en zussen, voor het ondersteunen en beschermen van zijn moeder, voor het functioneren als beschermer van het huis van zijn vader; het enige thuis dat hij zou kennen terwijl hij op deze wereld was.
Jezus aanvaardde de verantwoordelijkheden die hem zo plotseling werden opgelegd opgewekt en droeg ze getrouw tot het einde. Ten minste één groot probleem en verwachte moeilijkheid in zijn leven was nu op tragische wijze opgelost: er werd nu niet meer van hem verwacht dat hij naar Jeruzalem zou gaan om bij de rabbijnen te studeren. Het bleef altijd de waarheid dat Jezus “zat aan niemands voeten”. Hij was altijd bereid om te leren van zelfs de nederigste kinderen, maar hij ontleende nooit zijn autoriteit om de waarheid te onderwijzen aan menselijke bronnen. [maar zijn autoriteit kwam uit Goddelijke bron]
Toch wist hij nog steeds niets van het bezoek van Gabriël aan zijn moeder vóór zijn geboorte. Hij hoorde hierover pas van Johannes (de doper) op de dag van zijn doop, aan het begin van zijn openbare missie.
Naarmate de jaren verstreken, ging deze jonge timmerman uit Nazareth elke instelling van de samenleving en elk religieus gebruik steeds vaker beoordelen aan de hand van dezelfde test:
Wat doet het voor de menselijke ziel? Brengt het God dichter bij de mens? Brengt het de mens dichter bij God?
Hoewel deze jongeman de recreatieve en sociale aspecten van het leven niet geheel verwaarloosde, wijdde hij zijn tijd en energie steeds meer aan slechts twee doelen: de zorg voor zijn gezin en de voorbereiding om de hemelse wil van zijn Vader op aarde te doen.
Dit jaar werd het de gewoonte dat de buren ’s winters ’s avonds langskwamen om Jezus op de harp te horen spelen, naar zijn verhalen te luisteren (want de jongen was een meester-verteller) en hem uit de Griekse geschriften te horen voorlezen.
De financiële zaken van het gezin bleven redelijk soepel verlopen, aangezien er ten tijde van Jozefs dood een behoorlijke som geld voorhanden was. Jezus toonde al vroeg aan dat hij over een scherp zakelijk inzicht en financiële scherpzinnigheid beschikte. Hij was gaf relatief veel vrijheid maar ook zuinig; hij spaarde maar was genereus. Hij bleek een wijs en efficiënt beheerder van de nalatenschap van zijn vader te zijn.
Maar ondanks alles wat Jezus en de buren van Nazareth konden doen om vrolijkheid in huis te brengen, waren Maria en zelfs de kinderen bedrukt van verdriet. Jozef was weg. Jozef was een ongewone echtgenoot en vader, en ze misten hem allemaal. En het leek des te tragischer om te bedenken dat hij stierf voordat ze met hem konden spreken of zijn afscheidszegen konden horen.
Het vijftiende jaar (9 n.Chr.)
Halverwege dit vijftiende jaar – en we rekenen de tijd volgens de twintigste-eeuwse kalender, niet volgens het Joodse jaar – had Jezus het beheer van zijn gezin stevig in handen. Nog voordat dit jaar voorbij was, waren hun spaargelden bijna verdwenen en stonden ze oog in oog met de noodzaak om een van de huizen in Nazareth, die Jozef en zijn buurman Jacob samen bezaten, van de hand te doen.
Op woensdagavond 17 april 9 n.Chr. werd Ruth, de baby van het gezin, geboren, en Jezus probeerde zo goed als hij kon de plaats van zijn vader in te nemen door zijn moeder te troosten en te verzorgen tijdens deze zware en bijzonder verdrietige beproeving. Bijna twintig jaar lang (totdat hij zijn openbare optreden begon) had geen vader zijn dochter meer liefdevol en trouw kunnen verzorgen als Jezus voor de kleine Ruth zorgde. En hij was een even goede vader voor alle andere leden van zijn gezin.
In dit jaar formuleerde Jezus voor het eerst het gebed dat hij vervolgens aan zijn apostelen leerde, en dat bij velen bekend is geworden als ‘Het Onze Vader’. In zekere zin was het een evolutie van bestaande gewoonten in het gezin; ze hadden al vele vormen van lofprijzing en verschillende formele gebeden. Na de dood van zijn vader probeerde Jezus de oudere kinderen te leren zich individueel in gebed uit te drukken, zoals hij dat zelf zo graag deed. Maar ze konden zijn gedachtengoed niet bevatten en vielen steeds terug op hun uit het hoofd geleerde gebedsvormen. Het was in deze poging om zijn oudere broers en zussen te stimuleren om individueel te bidden dat Jezus hen probeerde te leiden met voorbeelden van zinnen, en al snel, zonder dat hij dat bedoelde, bleek dat ze allemaal een gebedsvorm gebruikten die grotendeels was opgebouwd uit deze suggesties van zinnen die Jezus hun had geleerd.
Uiteindelijk gaf Jezus het idee op om elk gezinslid spontaan gebeden te laten formuleren, en op een avond in oktober ging hij zitten bij het kleine lampje op de lage stenen tafel, en schreef op een glad cederhouten plankje van ongeveer 45 centimeter in het vierkant, met een stukje houtskool, het gebed uit dat vanaf dat moment de standaard gezinsbede werd.
Dit jaar had Jezus veel last van verward denken. De verantwoordelijkheid voor zijn familie had helemaal elke gedachte verdreven aan het onmiddellijk uitvoeren van een plan om te reageren op het bezoek (van de boodschapper van Immanuel) in Jeruzalem. Daar was hem immers opgedragen zich met de zaken van zijn (hemelse) Vader bezig te houden. Jezus redeneerde terecht dat de zorg voor de familie van zijn aardse vader voorrang moest hebben boven alle plichten; dat het onderhouden van zijn familie zijn eerste verplichting moest worden.
In de loop van dit jaar vond Jezus een passage in het zogenaamde Boek van Enoch die hem beïnvloedde bij de latere aanname van de term ‘MensenZoon’ als een aanduiding voor zijn missie op Aarde. Hij had het idee van de Joodse Messias grondig overwogen en was er vast van overtuigd dat hij die Messias niet zou zijn. Hij verlangde ernaar het volk van zijn vader te helpen, maar hij had nooit verwacht Joodse legers te leiden bij het omverwerpen van de buitenlandse overheersing van Palestina. Hij wist dat hij nooit op de troon van David in Jeruzalem zou zitten. Evenmin geloofde hij dat zijn missie die van een spirituele bevrijder of morele leraar uitsluitend voor het Joodse volk was. In geen enkel opzicht kon zijn levensmissie daarom de vervulling zijn van de intense verlangens en vermeende Messiaanse profetieën uit de Hebreeuwse geschriften; tenminste niet zoals de Joden deze voorspellingen van de profeten begrepen. Evenzo was hij er zeker van dat hij nooit zou verschijnen als de Mensenzoon zoals beschreven door de profeet Daniël.
Maar wanneer de tijd voor hem aanbrak om als wereldleraar op te treden, hoe zou hij zichzelf dan noemen? Wat zou hij pretenderen te zijn met betrekking tot zijn missie? Welke naam zouden de mensen die in zijn lessen gaan geloven hem geven?
Terwijl hij al deze problemen overdacht, vond hij in de bibliotheek van de synagoge in Nazareth, tussen de apocalyptische boeken die hij bestudeerd had, dit manuscript genaamd ‘Het Boek van Enoch’; en hoewel hij er zeker van was dat het niet door de oude Enoch geschreven was, vond hij het zeer intrigerend, en hij las en herlas het vele malen. Er was één passage die op hem een bijzondere indruk maakte, een passage waarin deze term ‘Mensenzoon’ voorkwam. De schrijver van dit zogenaamde Boek van Enoch vertelde vervolgens over deze Mensenzoon, en beschreef het werk dat hij op aarde zou doen en legde uit dat deze Mensenzoon, voordat hij naar deze aarde kwam om de mensheid redding te brengen, door de hoven van hemelse glorie had gewandeld met zijn Vader, de Vader van allen. En dat hij al deze pracht en glorie de rug had toegekeerd om naar de aarde te komen om redding te verkondigen aan behoeftige stervelingen. Toen Jezus deze passages las (terwijl hij goed begreep dat veel van de oosterse mystiek die met deze leringen was vermengd, onjuist was), reageerde hij in zijn hart en herkende hij met zijn verstand dat van alle Messiaanse voorspellingen in de Hebreeuwse geschriften en van alle theorieën over de Joodse bevrijder, geen enkele zo dicht bij de waarheid was als dit verhaal, verscholen in dit slechts gedeeltelijk erkende Boek van Enoch. Hij besloot toen en daar om als zijn eerste titel ‘de MensenZoon’ aan te nemen. En dit deed hij toen hij vervolgens aan zijn openbare werk begon. Jezus had een onfeilbaar vermogen om de waarheid te herkennen, en hij aarzelde nooit om de waarheid te omarmen, ongeacht uit welke bron die leek voort te komen.
Tegen die tijd had hij veel zaken over zijn toekomstige werk voor de wereld al grondig geregeld, maar hij zei er niets over tegen zijn moeder, die nog steeds vastberaden vasthield aan het idee dat hij de Joodse Messias was. De grote verwarring van de jeugdjaren van Jezus begon nu. Nadat hij iets had vastgesteld over de aard van zijn missie op aarde – dat hij zich bezig moest houden met de zaken van zijn Vader – om de liefdevolle aard van zijn Vader aan de hele mensheid te tonen – begon hij opnieuw na te denken over de vele uitspraken in de Geschriften die betrekking hadden op de komst van een nationale bevrijder, een Joodse leraar of koning. Naar welke gebeurtenis verwezen deze profetieën? Was hij geen Jood? Of toch wel? Kwam hij wel of niet uit het huis van David? Zijn moeder beweerde van wel; zijn vader had geoordeeld dat hij dat niet was. Hij besloot dat hij dat niet was. Maar hadden de profeten de aard en de missie van de Messias met elkaar verward? Zou het immers mogelijk kunnen zijn dat zijn moeder gelijk had? In de meeste gevallen had zij, wanneer er in het verleden meningsverschillen waren ontstaan, gelijk gehad. Als hij een nieuwe leraar was en NIET de Messias, hoe zou hij dan de Joodse Messias herkennen als zo iemand in Jeruzalem zou verschijnen tijdens zijn aardse missie? En, verder, wat zou zijn relatie tot deze Joodse Messias moeten zijn? En wat zou zijn relatie, na het beginnen van zijn levensmissie, tot zijn familie moeten zijn? En tot het Joodse wereld-gemeenschap en tot de Joodse religie? Tot het Romeinse Rijk? Tot de niet-Joden en hun religies? Elk van deze gewichtige problemen overdacht deze jonge Galileër en overwoog hij ernstig terwijl hij bleef werken aan de timmermanswerkbank, hard werkend om de kost te verdienen voor zichzelf, zijn moeder en acht andere hongerige monden.
Vóór het einde van dit jaar zag Maria de familiefondsen slinken. Ze droeg de verkoop van duiven over aan Jakobus. Kort daarop kochten ze een tweede koe en met de hulp van Mirjam begonnen ze melk te verkopen aan hun buren in Nazareth. Ze was hevig verontrust over de diepe meditatieperiodes van Jezus, zijn frequente reizen naar de heuveltop om te bidden en de vele vreemde ideeën die Jezus van tijd tot tijd naar voren bracht. Soms dacht ze dat de jongen buiten zinnen was, en dan kalmeerde ze haar angsten, zich herinnerend dat hij per slot van rekening een kind van belofte was en dus op de een of andere manier anders dan andere jongeren.
Maar Jezus leerde om niet al zijn gedachten te bespreken, niet al zijn ideeën aan de wereld te presenteren, zelfs niet aan zijn eigen moeder. Vanaf dat jaar nam bij Jezus de openheid over wat er in zijn hoofd omging gestaag af; dat wil zeggen, hij sprak minder over dingen die een gemiddeld persoon niet kon begrijpen en die ertoe zouden leiden dat hij als vreemd of anders dan gewone mensen werd beschouwd. Naar buiten toe leek hij alledaags en conventioneel, hoewel hij wel verlangde naar iemand die zijn problemen kon begrijpen. Hij verlangde naar een betrouwbare en vertrouwelijke vriend, maar zijn problemen waren te complex voor zijn menselijke kennissen om te begrijpen. De uniekheid van de ongewone situatie dwong hem zijn lasten alleen te dragen.
Eerste preek in de synagoge
Met de komst van zijn vijftiende verjaardag kon Jezus officieel de preekstoel van de synagoge bezetten op de sabbathdag. Vele malen eerder was Jezus, bij gebrek aan sprekers, gevraagd de Schriften te lezen, maar nu was de dag aangebroken waarop hij, volgens de wet, de dienst kon leiden. Daarom regelde de chazan op de eerste sabbath na zijn vijftiende verjaardag dat Jezus de ochtenddienst van de synagoge zou leiden. En toen alle gelovigen in Nazareth bijeen waren gekomen, stond de jongeman op, nadat hij zijn keuze uit de Geschriften had gemaakt, en begon te lezen:
“De Spirit van de Heer God is op mij, want de Heer heeft mij gezalfd; Hij heeft mij gezonden om goed nieuws te brengen aan de zachtmoedigen, om te verbinden de gebrokenen van hart, om vrijheid te verkondigen aan de gevangenen en om de spiritueel gebondenen te bevrijden; om het jaar van Gods gunst en de dag van onze God’s afrekening uit te roepen; om alle rouwenden te troosten, om hun schoonheid te geven in plaats van as, vreugdeolie in de plaats van rouw, een lofzang in plaats van de geest van verdriet, opdat zij bomen van gerechtigheid genoemd mogen worden, een planting van de Heer, waarmee Hij verheerlijkt mag worden.”
“Zoek het goede en niet het kwade, opdat u mag leven, en zo zal de Heer, de God van de hemelse machten, met u zijn. Heb een hekel aan het kwaad en heb het goede lief, en laat rechtvaardigheid heersen in de rechtbank. Misschien zal de HEER, de God van de hemelse legers, genadig zijn voor de overlevenden van Jozef.”
“Was u, reinig u; doe het kwaad van uw daden uit mijn ogen weg; houd op kwaad te doen en leer goed te doen; zoek gerechtigheid, help de verdrukten. Verdedig de wees en pleit voor de weduwe.”
“Waarmee zal ik voor het aangezicht van de Heer komen, om mij te buigen voor de Heer van de hele aarde? Zal ik voor Hem verschijnen met brandoffers, met eenjarige kalveren? Zal de Heer welgevallen hebben aan duizenden rammen, tienduizenden schapen, of aan rivieren vol olie? Zal ik mijn eerstgeborene geven voor mijn overtreding, de vrucht van mijn schoot voor de zonde van mijn ziel? Nee! Want de Heer heeft ons, o mensen, laten zien wat goed is. En wat vraagt de Heer van u anders dan rechtvaardig te handelen, barmhartigheid lief te hebben en nederig te wandelen met uw God?”
“Met wie dan zult u God vergelijken die zetelt boven de rondgang van de aarde? Hef uw ogen op en zie wie al deze werelden heeft geschapen, die hun menigten in getal kent en ze alle bij hun namen roept. Hij doet dit alles door de grootheid van zijn macht, en omdat hij sterk is in kracht, ontbreekt er niet één. Hij geeft kracht aan de zwakken, en aan de vermoeiden geeft hij sterkte. Vrees niet, want Ik ben met u; wees niet ontsteld, want Ik ben uw God. Ik zal u sterken en Ik zal u helpen; ja, Ik zal u ondersteunen met de rechterhand van Mijn gerechtigheid, want Ik ben de Heer, uw God. En Ik zal uw rechterhand vasthouden en tot u zeggen: vrees niet, want Ik zal u helpen.”
“En u bent mijn getuige, zegt de Heer, en mijn dienaar die Ik heb verkozen, opdat allen Mij mogen kennen en geloven en begrijpen dat Ik de Eeuwige ben. Ik, ja Ik, ben de Heer, en buiten Mij is er geen redder.”
En toen hij aldus had gelezen, ging hij zitten, en de mensen gingen naar huis, nadenkend over de woorden die hij hun zo vriendelijk en aangenaam had voorgelezen. Nooit hadden zijn stadsbewoners hem zo prachtig en plechtig gezien; nooit hadden ze zijn stem zo ernstig en oprecht gehoord; nooit hadden ze hem zo mannelijk en vastberaden, zo gezaghebbend gezien.
Die sabbathmiddag beklom Jezus met Jacobus de heuvel van Nazareth en toen ze thuiskwamen, schreef hij de Tien Geboden in het Grieks op twee gladde plankjes met houtskool. Vervolgens kleurde en versierde Martha deze plankjes, en ze hingen lange tijd aan de muur boven kleine werkbank van Jacobus.
De financiële strijd
Geleidelijk keerden Jezus en zijn familie terug naar het eenvoudige leven van hun vroegere jaren. Hun kleding en zelfs hun voedsel werden eenvoudiger. Ze hadden volop melk, boter en kaas. In het seizoen genoten ze van de opbrengsten van hun tuin, maar elke maand die voorbijging, maakte het noodzakelijk om zuiniger te zijn. Hun ontbijt was erg eenvoudig; ze bewaarden hun beste eten voor de avondmaaltijd. Onder deze Joden betekende gebrek aan rijkdom echter geen sociale minderwaardigheid.
Deze jongeman had al bijna volledig begrepen hoe de mensen in zijn tijd leefden. En hoe goed hij het leven thuis, op het veld en in de werkplaats begreep, blijkt uit zijn latere leringen, die zo volledig zijn diepe contact met alle fasen van de menselijke ervaring onthullen.
De chazan van Nazareth bleef vasthouden aan de overtuiging dat Jezus een groot leraar zou worden, waarschijnlijk de opvolger van de beroemde Gamaliël in Jeruzalem. Blijkbaar werden alle carrièreplannen van Jezus geblokkeerd. De toekomst zag er niet rooskleurig uit zoals de zaken zich nu ontwikkelden. Maar hij wankelde niet; hij raakte niet ontmoedigd. Hij leefde voort, dag in dag uit, deed zijn dagelijkse plicht goed en vervulde getrouw de directe verantwoordelijkheden die bij zijn positie in het leven hoorden. Het leven van Jezus is de eeuwige troost van alle teleurgestelde idealisten.
Het loon van een gewone timmerman die per dag betaald werd, liep langzaam terug. Tegen het einde van dat jaar kon Jezus, door vroeg en laat te werken, slechts het equivalent van ongeveer vijfentwintig cent per dag verdienen. Het jaar daarop vonden ze het moeilijk om de burgerlijke belastingen te betalen, om nog maar te zwijgen van de synagogeheffingen en de tempelbelasting van een halve sjekel. Gedurende dit jaar probeerde de tollenaar (belasting-ontvanger) extra inkomsten uit Jezus te persen, en dreigde zelfs zijn harp af te pakken.
Uit angst dat het exemplaar van de Griekse geschriften door de tollenaars ontdekt en in beslag genomen zou worden, schonk Jezus het op zijn vijftiende verjaardag aan de bibliotheek van de synagoge in Nazareth als zijn offer voor de Heer bij zijn volwassenheid.
De grote schok van zijn vijftiende jaar kwam toen Jezus naar Sepphoris ging om de beslissing van Herodes te horen over het beroep dat bij hem was ingediend in het geschil over het bedrag dat nog aan Jozef verschuldigd was ten tijde van zijn ongelukkige dood. Jezus en Maria hadden gehoopt een aanzienlijk geldbedrag te ontvangen, maar de schatbewaarder in Sepphoris bood hun een schamele som geld aan. Jozefs broers hadden een beroep gedaan op Herodes zelf, en nu stond Jezus in het paleis en hoorde Herodes beslissen dat aan zijn vader niets meer verschuldigd was ten tijde van zijn dood. En vanwege zo’n onrechtvaardige beslissing vertrouwde Jezus Herodes Antipas nooit meer. Het is niet verwonderlijk dat hij Herodes ooit ‘die vos‘ noemde.
Het zo gebonden zijn aan de timmermanswerkbank gedurende dit jaar en de daaropvolgende jaren ontnam Jezus de gelegenheid om zich onder de karavaanpassagiers te mengen. De bevoorradingswinkel van de familie was al overgenomen door zijn oom, en Jezus werkte volledig in de werkplaats thuis, waar hij bij Maria in de buurt was om haar te helpen met het gezin. Rond deze tijd begon hij Jacobus naar het kamelenperceel te sturen om informatie te verzamelen over wereldgebeurtenissen, en zo probeerde hij op de hoogte te blijven van het nieuws van de dag.
Naarmate hij volwassen werd, maakte hij al die conflicten en verwarringen door die de gemiddelde jonge mens van voorgaande en volgende tijdperken heeft meegemaakt. En de intensieve ervaring van het onderhouden van zijn gezin beschermde hem in zekere zin tegen het hebben van te veel tijd voor nutteloze meditatie of het toegeven aan mystieke neigingen.
Dit was het jaar dat Jezus een aanzienlijk stuk land huurde net ten noorden van hun huis, dat werd verdeeld als een familietuin. Elk van de oudere kinderen had een eigen tuin en ze gingen een felle competitie aan in hun landbouwwerkzaamheden. Hun oudste broer bracht elke dag enige tijd met hen door in de tuin tijdens het seizoen van de groenteteelt. Terwijl Jezus met zijn jongere broers en zussen in de tuin werkte, koesterde hij vaak de wens dat ze allemaal samen op een boerderij op het platteland zouden wonen, waar ze konden genieten van de vrijheid en onafhankelijkheid van een onbelemmerd leven. Maar ze groeiden niet op het platteland op. En Jezus, die zowel een door en door praktische jongeman als een idealist was, pakte zijn probleem intelligent en krachtig aan zoals hij het aantrof. Hij deed er alles aan om zichzelf en zijn gezin aan te passen aan de realiteit van hun situatie en hun omstandigheden aan te passen aan de hoogst mogelijke bevrediging van hun individuele en collectieve verlangens.
Op een gegeven moment hoopte Jezus vaag dat hij, mits ze de aanzienlijke som geld konden innen die aan zijn vader verschuldigd was voor werk aan het paleis van Herodes, voldoende middelen zou kunnen verzamelen om de aankoop van een kleine boerderij te rechtvaardigen. Hij had dit plan om met zijn gezin naar het platteland te verhuizen, echt serieus overwogen. Maar toen Herodes weigerde hen ook maar iets van het geld te betalen dat aan Jozef verschuldigd was, gaven ze de ambitie op om een huis op het platteland te bezitten. Zoals het er nu voor stond, slaagden ze erin om toch veel van de ervaring van het boerenleven te genieten, aangezien ze nu drie koeien, vier schapen, een groep kippen, een ezel en een hond hadden, naast de duiven. Zelfs de kleintjes hadden hun vaste taken te vervullen in het goed gereguleerde beheerschema dat het huiselijk leven van dit gezin in Nazareth kenmerkte.
Aan het einde van dit vijftiende jaar voltooide Jezus de doortocht door die gevaarlijke en moeilijke periode in het menselijk bestaan, die overgangstijd tussen de meer zelfgenoegzame jaren van de kindertijd en het besef van de naderende volwassenheid met zijn toegenomen verantwoordelijkheden en mogelijkheden voor het verwerven van gevorderde ervaring in de ontwikkeling van een nobel karakter. De groeiperiode van mind en lichaam was voorbij en nu begon de echte carrière van deze jongeman uit Nazareth.
Dit hoofdstuk is een nieuwe Nederlandse vertaling gebaseerd op Paper 126 van het Urantia Boek: https://www.urantia.org
