Inleiding
De anderhalve dag dat het sterfelijke lichaam van Jezus in het graf van Jozef [van Arimathea] lag, de periode tussen zijn dood aan het kruis en zijn opstanding, is een hoofdstuk in de aardse loopbaan van Michaël dat ons weinig bekend is. We kunnen de begrafenis van de MensenZoon beschrijven en in dit verslag de gebeurtenissen vermelden die verband houden met zijn opstanding, maar we kunnen niet veel authentieke informatie verschaffen over wat er werkelijk gebeurde in deze periode van ongeveer zesendertig uur, van drie uur vrijdagmiddag tot drie uur zondagochtend. Deze periode in de loopbaan van de Meester begon kort voordat hij door de Romeinse soldaten van het kruis werd gehaald. Hij hing ongeveer een uur na zijn dood aan het kruis. Hij zou eerder van het kruis zijn gehaald als het niet zo lang had geduurd voordat de twee rovers waren uitgeschakeld.
De Joodse oversten hadden gepland om het lichaam van Jezus in de open grafkuilen van Gehenna, ten zuiden van de stad, te laten werpen. Het was de gewoonte om de slachtoffers van een kruisiging op deze manier te doden. Als dit plan was gevolgd, zou het lichaam van de Meester aan de wilde dieren zijn blootgesteld.
Intussen was Jozef van Arimathea, vergezeld door Nicodemus, naar Pilatus gegaan en had gevraagd of het lichaam van Jezus aan hen kon worden overgedragen voor een fatsoenlijke begrafenis. Het was niet ongebruikelijk dat vrienden van gekruisigden steekpenningen aanboden aan de Romeinse autoriteiten om het voorrecht te kopen dergelijke lichamen in bezit te krijgen. Jozef ging naar Pilatus met een grote som geld, voor het geval het nodig zou zijn om te betalen voor toestemming om het lichaam van Jezus naar een privégraf te brengen. Maar Pilatus wilde hiervoor geen geld aannemen. Toen hij het verzoek hoorde, ondertekende hij snel het bevel dat Jozef machtigde naar Golgotha te gaan en het lichaam van de Meester onmiddellijk en volledig in bezit te nemen. Intussen, toen de zandstorm aanzienlijk was geluwd, was een groep Joden die het Sanhedrin vertegenwoordigden naar Golgotha gegaan om ervoor te zorgen dat het lichaam van Jezus samen met dat van de rovers naar de openbare grafkuilen werd gebracht.
De begrafenis van Jezus
Toen Jozef en Nicodemus op Golgotha aankwamen, troffen ze de soldaten aan die Jezus van het kruis afhaalden en de vertegenwoordigers van het Sanhedrin die erbij stonden om ervoor te zorgen dat niemand van de volgelingen van Jezus zou verhinderen dat zijn lichaam naar de grafkuilen voor misdadigers zou gaan. Toen Jozef het bevel van Pilatus voor het lichaam van de Meester aan de centurion overhandigde, ontstond er een tumult onder de Joden en eisten ze het lichaam in bezit. In hun razernij probeerden ze zich met geweld meester te maken van het lichaam, en toen ze dit deden, beval de centurion vier van zijn soldaten om zich bij hem te voegen en met getrokken zwaarden boven het lichaam van de Meester te gaan staan, terwijl het daar op de grond lag. De centurion beval de andere soldaten de twee dieven te verlaten terwijl ze deze woedende menigte boze Joden terugdreven. Toen de orde was hersteld, las de centurion de vergunning van Pilatus aan de Joden voor, stapte opzij en zei tegen Jozef: “Dit lichaam is van u, doe ermee wat u wilt. Ik en mijn soldaten zullen erbij staan om ervoor te zorgen dat niemand zich ermee bemoeit.”
Een gekruisigde mocht niet op een Joodse begraafplaats worden begraven. Er bestond een strenge wet die een dergelijke procedure verbood. Jozef en Nicodemus kenden deze wet, en op weg naar Golgotha hadden ze besloten Jezus te begraven in Jozefs nieuwe familiegraf, uitgehouwen in een massieve rots, gelegen op korte afstand ten noorden van Golgotha en aan de overkant van de weg die naar Samaria leidde. Niemand had ooit in dit graf gelegen, en ze vonden het gepast dat de Meester daar zou rusten. Jozef geloofde echt dat Jezus uit de dood zou opstaan, maar Nicodemus twijfelde er sterk aan. Deze voormalige leden van het Sanhedrin hadden hun geloof in Jezus min of meer geheim gehouden, hoewel hun mede-Sanhedrinisten hen al lang verdacht hadden, zelfs voordat ze zich uit de raad terugtrokken. Vanaf dat moment waren ze de meest uitgesproken discipelen van Jezus in heel Jeruzalem.
Rond half vijf vertrok de begrafenisstoet van Jezus van Nazareth van Golgotha naar Jozefs graf aan de overkant. Het lichaam werd in een linnen laken gewikkeld terwijl de vier mannen het droegen, gevolgd door de trouwe vrouwen uit Galilea die toekeken. De stervelingen die het stoffelijke lichaam van Jezus naar het graf droegen, waren: Jozef, Nicodemus, Johannes en de Romeinse centurion.
Ze droegen het lichaam het graf in, een ruimte van ongeveer drie meter in het vierkant, waar ze het haastig gereedmaakten voor de begrafenis. De Joden begroeven hun doden niet echt; ze balsemden hen. Jozef en Nicodemus hadden grote hoeveelheden mirre en aloë meegebracht en wikkelden het lichaam nu in windsels die met deze oplossingen waren doordrenkt. Toen de balseming voltooid was, bonden ze een servet om het gezicht, wikkelden het lichaam in een linnen laken en legden het eerbiedig op een plank in het graf.
Nadat het lichaam in het graf was gelegd, gaf de centurion zijn soldaten een teken om te helpen de deursteen op te rollen tot voor de ingang van het graf. De soldaten vertrokken vervolgens met de lichamen van de dieven naar Gehenna, terwijl de anderen bedroefd naar Jeruzalem terugkeerden om het Pesachfeest te vieren volgens de wetten van Mozes.
Er was aanzienlijke haast bij de begrafenis van Jezus, omdat dit de voorbereidingsdag was en de sabbath snel naderde. De mannen haastten zich terug naar de stad, maar de vrouwen bleven bij het graf tot het pikdonker was.
Terwijl dit alles gebeurde, verborgen de vrouwen zich in de buurt, zodat ze alles konden zien, ook waar de Meester was neergelegd. Ze verborgen zich, omdat het vrouwen op zo’n moment niet was toegestaan om met mannen om te gaan. Deze vrouwen vonden dat Jezus niet goed was voorbereid op de begrafenis, en ze kwamen met elkaar overeen om terug te gaan naar het huis van Jozef, te rusten tijdens de sabbath, specerijen en zalven klaar te maken en op zondagmorgen terug te keren om het lichaam van de Meester op gepaste wijze voor te bereiden op de doodsrust. De vrouwen die op deze vrijdagavond bij het graf bleven, waren: Maria Magdalena, Maria de vrouw van Clopas, Martha een andere zuster van de moeder van Jezus, en Rebecca van Sepphoris.
Afgezien van David Zebedeüs en Jozef van Arimathea geloofden of begrepen maar heel weinig van de discipelen van Jezus echt dat hij op de derde dag uit het graf zou opstaan.
Het graf beschermen
Als de volgelingen van Jezus zijn belofte om op de derde dag uit het graf op te staan niet in acht namen, zijn vijanden deden dat wel. De hogepriesters, Farizeeën en Sadduceeën herinnerden zich dat ze berichten hadden ontvangen dat hij uit de dood zou opstaan.
Deze vrijdagavond, na het Pesachmaal, rond middernacht, verzamelde een groep Joodse leiders zich in het huis van Caiaphas, waar ze hun angsten bespraken over de beweringen van de Meester dat Hij op de derde dag uit de dood zou opstaan. Deze bijeenkomst eindigde met de benoeming van een commissie van Sanhedrin-leden die Pilatus de volgende dag vroeg zou bezoeken met het officiële verzoek van het Sanhedrin om een Romeinse wacht voor het graf van Jezus te plaatsen om te voorkomen dat zijn vrienden ermee zouden knoeien. De woordvoerder van deze commissie zei tegen Pilatus: “Heer, we herinneren ons dat deze bedrieger, Jezus van Nazareth, tijdens zijn leven zei: ‘Na drie dagen zal ik opstaan.’ Wij zijn daarom bij u gekomen om u te verzoeken bevelen uit te vaardigen die het graf tegen zijn volgelingen beveiligen, ten minste tot na de derde dag. Wij vrezen ten zeerste dat zijn discipelen hem ’s nachts komen stelen en vervolgens aan het volk verkondigen dat hij uit de dood is opgestaan. Als we dit zouden laten gebeuren, zou deze fout veel erger zijn dan hem in leven te laten.”
Toen Pilatus dit verzoek van de Sanhedrin-leden hoorde, zei hij: “Ik zal u een wacht van tien soldaten sturen. Ga heen en beveilig het graf.” Ze gingen terug naar de tempel, stelden tien van hun eigen wachters aan en marcheerden vervolgens met deze tien Joodse wachters en de tien Romeinse soldaten naar het graf van Jozef, zelfs op deze sabbathmorgen, om hen als wachters voor het graf op te stellen. Deze mannen rolden nog een steen voor het graf en plaatsten het zegel van Pilatus op en rond deze stenen, zodat ze niet zonder hun medeweten zouden worden verstoord. En deze twintig mannen bleven waakzaam tot het uur van de opstanding, terwijl de Joden hun eten en drinken brachten.
Tijdens de sabbath
Gedurende deze sabbath bleven de discipelen en de apostelen verscholen, terwijl heel Jeruzalem de dood van Jezus aan het kruis besprak. Er waren op dat moment bijna anderhalf miljoen Joden in Jeruzalem aanwezig, afkomstig uit alle delen van het Romeinse Rijk en uit Mesopotamië. Dit was het begin van de Pesachweek, en al deze pelgrims zouden in de stad zijn en horen over de opstanding van Jezus en zouden het verslag naar huis brengen.
Laat op zaterdagavond riep Johannes Marcus in het geheim de elf apostelen bijeen om naar het huis van zijn vader te komen, waar ze vlak voor middernacht allemaal bijeenkwamen in dezelfde bovenzaal waar ze twee nachten eerder met hun Meester aan het Laatste Avondmaal hadden deelgenomen.
Maria, de moeder van Jezus, keerde samen met Ruth en Judas deze zaterdagavond vlak voor zonsondergang terug naar Bethanië om zich bij hun familie te voegen. David Zebedeüs bleef in het huis van Nicodemus, waar hij met zijn boodschappers had afgesproken om vroeg op zondagochtend bijeen te komen. De vrouwen uit Galilea, die specerijen bereidden voor de verdere balseming van het lichaam van Jezus, bleven in het huis van Jozef van Arimathea.
We kunnen niet volledig verklaren wat er precies met Jezus van Nazareth gebeurde gedurende deze periode van anderhalve dag, toen hij geacht werd te rusten in Jozefs nieuwe graf. Blijkbaar stierf hij dezelfde natuurlijke dood aan het kruis als iedere andere sterveling in dezelfde omstandigheden. We hoorden hem zeggen: “Vader, in uw handen beveel ik mijn spirit.” We begrijpen de betekenis van een dergelijke uitspraak niet volledig, aangezien zijn Mentor-Spirit allang gepersonaliseerd was en zo een bestaan leidde los van het sterfelijke wezen Jezus. De Gepersonaliseerde Mentor-Spirit van de Meester kon in geen enkel opzicht beïnvloed worden door zijn fysieke dood aan het kruis. Wat Jezus voorlopig in de handen van de Vader legde, moet de spirituele tegenhanger zijn geweest van het vroege werk van de Mentor-Spirit om het sterfelijke verstand te spiritualiseren en zo de overdracht van de transcriptie van de menselijke ervaring naar de woningwerelden in den hoge mogelijk te maken. Er moet een spirituele realiteit in de ervaring van Jezus zijn geweest die analoog was aan de spirituele natuur, of ziel, van de geloofs-groeiende stervelingen van de werelden. Maar dit is slechts onze mening – we weten niet echt wat Jezus zijn Vader aanbeval.
We weten dat de lichamelijke vorm van de Meester daar in Jozefs graf rustte tot ongeveer drie uur zondagochtend, maar we zijn volkomen onzeker over de status van de persoonlijkheid van Jezus gedurende die periode van zesendertig uur. We hebben het soms gewaagd deze zaken als volgt aan onszelf uit te leggen:
- Het Schepper-bewustzijn van Michaël moet vrij en volledig vrij zijn geweest van het bijbehorende sterfelijke bewustzijn van de lichamelijke incarnatie.
- Van de voormalige Mentor-Spirit van Jezus weten we dat Hij gedurende deze periode op aarde aanwezig was en persoonlijk het bevel voerde over de verzamelde hemelse scharen.
- De verworven spirituele identiteit van de man van Nazareth, die tijdens zijn leven in het lichaam werd opgebouwd, eerst door de directe inspanningen van zijn Mentor-Spirit, en later door zijn eigen volmaakte afstemming tussen de fysieke behoeften en de spirituele vereisten van het ideale sterfelijke bestaan, zoals bewerkstelligd door zijn onophoudelijke keuze voor de wil van de Vader, moet zijn toevertrouwd aan de hoede van de Paradijs-Vader. Of deze spirituele realiteit terugkeerde om deel uit te maken van de herrezen persoonlijkheid, weten we niet, maar we geloven van wel.
- Wij denken dat het menselijke of sterfelijke bewustzijn van Jezus gedurende deze zesendertig uur sliep. We hebben reden om aan te nemen dat de mens Jezus niets wist van wat er zich gedurende deze periode in het universum afspeelde. Voor het sterfelijke bewustzijn leek er geen tijdsverloop; de opstanding van het leven volgde op de slaap van de dood als op hetzelfde moment.
En dit is zo’n beetje alles wat we kunnen vastleggen over de status van Jezus gedurende deze periode van het graf. [passage deleted in verband met te hoge complexiteit]
Betekenis van de kruisdood
Jezus stierf deze kruisdood niet om te boeten voor de schuld van het hele ras van de sterfelijke mens, en ook niet om een effectieve manier van toenadering te bieden aan een tot dan toe beledigde en niet-vergevende God. De MensenZoon bood zichzelf niet aan als offer om de boosheid van God te stillen en de weg te openen voor de zondige mens om verlossing te verkrijgen. Deze ideeën over verzoening en boete-doening zijn onjuist, maar er zijn toch betekenissen verbonden aan deze dood van Jezus aan het kruis die niet over het hoofd mogen worden gezien. Het is een feit dat de planeet aarde onder andere naburige bewoonde planeten bekend is geworden als de “Wereld van het Kruis”.
Jezus verlangde ernaar een volledig sterfelijk leven in een sterfelijk lichaam op aarde te leiden. De dood is gewoonlijk een onderdeel van het leven. De dood is de laatste akte in het sterfelijke drama. In jullie goedbedoelde pogingen om te ontsnappen aan de bijgelovige dwalingen van de verkeerde interpretatie van de betekenis van de kruisdood, dien je ervoor te zorgen dat je niet de grote fout maakt de ware betekenis en het werkelijke belang van de dood van de Meester niet te zien.
De sterfelijke mens is nooit het eigendom geweest van de kwade krachten in het universum van Michael. Jezus stierf niet om de mens los te kopen uit de greep van afvallige heersers en gevallen vorsten in zijn universum [die wij wel “duivels” noemden]. De Vader in de hemel heeft nooit zo’n grove onrechtvaardigheid bedacht als het verdoemen van een sterfelijke ziel vanwege het kwaad-doen van zijn voorouders. Ook was de dood van de Meester aan het kruis geen offer dat bestond uit een poging om God een schuld af te lossen die de mensheid Hem verschuldigd was.
Voordat Jezus op aarde leefde, was de mens mogelijk gerechtvaardigd in het geloven in zo’n soort God, maar niet meer sinds de Meester onder uw medemensen leefde en stierf. Mozes onderwees de waardigheid en rechtvaardigheid van een Schepper-God; maar Jezus beeldde de liefde en genade van een hemelse Vader uit.
De dierlijke natuur [van de mens] – de neiging tot kwaad doen – is weliswaar erfelijk, maar zonde wordt niet van ouder op kind overgedragen. Zonde is de daad van bewuste en opzettelijke rebellie tegen de wil van de Vader en de wetten van de Zonen door een individueel wils-schepsel.
Jezus leefde en stierf voor een heel (lokaal) universum, niet alleen voor de rassen van deze ene wereld. Hoewel de stervelingen van de werelden al verlossing hadden voordat Jezus op aarde leefde en stierf, is het niettemin een feit dat zijn missie op deze aardse wereld de weg naar verlossing sterk verlichtte. Zijn dood droeg er veel aan bij om de zekerheid van de overleving van de sterveling na de dood van het lichaam voor altijd duidelijk te maken.
Hoewel het nauwelijks gepast is om over Jezus te spreken als een offeraar, een loskoper of een verlosser, is het volkomen correct om naar hem te verwijzen als een redder. Hij maakte de weg naar verlossing (overleving) voor altijd duidelijker en zekerder. Hij toonde de weg naar verlossing beter en zekerder aan alle stervelingen van alle werelden van het lokale universum Nebadon.
Wanneer je eenmaal het idee begrijpt van God als een ware en liefdevolle Vader, het enige concept dat Jezus ooit onderwees, moet je onmiddellijk, in alle consistentie, al die primitieve ideeën volledig loslaten over God als een beledigde koning, een strenge en almachtige heerser wiens grootste genoegen het is zijn onderdanen op wangedrag te betrappen en ervoor te zorgen dat ze adequaat worden gestraft, tenzij iemand die bijna gelijk is aan hem zich vrijwillig aanbiedt om voor hen te lijden, om als plaatsvervanger en in hun plaats te sterven. Dit hele idee van losprijs en verzoening is onverenigbaar met het concept van God zoals dat werd onderwezen en geïllustreerd door Jezus van Nazareth. De oneindige liefde van God is niet ondergeschikt aan iets in de goddelijke natuur.
Dit hele concept van verzoening en opofferende redding is geworteld en gegrond in egoïsme. Jezus leerde dat dienstbaarheid aan de medemens het hoogste concept is van de broederschap van gelovigen in de spirit. Verlossing moet als vanzelfsprekend worden beschouwd door hen die geloven in het vaderschap van God. De voornaamste zorg van de gelovige moet niet het zelfzuchtige verlangen naar persoonlijke verlossing zijn, maar veeleer de onzelfzuchtige drang om de medemens lief te hebben en daarom te dienen, zoals Jezus sterfelijke mensen liefhad en diende.
Oprechte gelovigen maken zich ook niet zoveel zorgen over de toekomstige straf voor zonde. De ware gelovige maakt zich alleen zorgen over NU gescheiden zijn van God. [ ‘The real believer is only concerned about present separation from God.’] Toegegeven, wijze vaders kunnen hun zonen straffen, maar ze doen dit alles uit liefde en met corrigerende bedoelingen. Ze straffen niet uit woede, en ook niet uit vergelding.
Zelfs als God de strenge en wettige heerser was van een universum waarin rechtvaardigheid oppermachtig heerste, zou hij zeker niet tevreden zijn met het kinderachtige plan om een onschuldig lijdende in de plaats te stellen van een schuldige overtreder.
Het geweldige aan de dood van Jezus, in relatie tot de verrijking van de menselijke ervaring en de verbreding van de weg naar verlossing, is niet het feit van zijn dood, maar veeleer de sublieme manier en de weergaloze spirit waarin hij de dood tegemoet trad.
Dit hele idee van de losprijs van de verzoening plaatst verlossing op een niveau van onwerkelijkheid; zo’n concept is puur filosofisch. Menselijke redding is reeel; ze is gebaseerd op twee realiteiten die door het geloof van het schepsel kunnen worden begrepen en daardoor opgenomen in de individuele menselijke ervaring: het feit van Gods vaderschap en de daarmee samenhangende waarheid, de broederschap van de mens. Het is immers waar dat aan jou “je schulden vergeven zullen worden, zoals je ook jouw schuldenaren vergeeft.”
Lessen van het kruis
Het kruis van Jezus verbeeldt de volle omvang van de opperste toewijding van de ware herder, zelfs voor de onwaardige leden van zijn kudde. Het plaatst alle relaties tussen God en de mens voor altijd op de familiebasis. God is de Vader; de mens is zijn kind. Liefde, de liefde van een vader voor zijn kind, wordt de centrale waarheid in de universele relaties tussen Schepper en schepsel – niet de rechtvaardigheid van een koning die genoegdoening zoekt in het lijden en de straf van de kwaad-doende onderdaan.
Het kruis laat voor altijd zien dat de houding van Jezus ten opzichte van zondaars geen veroordeling was, en ook geen vergoelijking, maar veeleer eeuwige en liefdevolle redding. Jezus is waarlijk een redder in de zin dat zijn leven en dood mensen winnen voor goedheid en rechtvaardige overleving. Jezus heeft mensen zo lief dat zijn liefde een reactie van liefde in het menselijk hart wekt. Liefde is waarlijk besmettelijk en eeuwig creatief. De dood van Jezus aan het kruis is een voorbeeld van een liefde die sterk en goddelijk genoeg is om zonde te vergeven en alle kwaad te verslinden. Jezus onthulde aan deze wereld een hogere kwaliteit van rechtschapenheid dan gerechtigheid — het zuiver technische goed en kwaad. Goddelijke liefde vergeeft niet alleen onrecht; ze absorbeert en vernietigt het daadwerkelijk. De vergeving uit liefde overstijgt de vergeving uit barmhartigheid volkomen. Barmhartigheid zet de schuld van kwaad-doen opzij; maar liefde vernietigt voor altijd de zonde en alle zwakheid die daaruit voortvloeit. Jezus bracht een nieuwe manier van leven naar aarde. Hij leerde ons het kwaad niet te weerstaan, maar door Hem een goedheid te vinden die het kwaad effectief vernietigt. De vergeving van Jezus is geen vergiffenis; het is redding van veroordeling. Redding verwaarloost onrecht niet; het maakt het goed. Ware liefde sluit geen compromis met haat en evenmin vergoelijkt ze deze, maar ware liefde vernietigt haat. De liefde van Jezus is nooit tevreden met alleen maar vergeving. De liefde van de Meester houdt rehabilitatie in, eeuwig overleven. Het is volkomen terecht om over redding te spreken als verlossing als je deze eeuwige rehabilitatie bedoelt.
Jezus kon, door de kracht van zijn persoonlijke liefde voor mensen, de greep van zonde en kwaad verbreken. Hij bevrijdde mensen daardoor om betere levenswijzen te kiezen. Jezus beeldde een verlossing uit het verleden uit die op zichzelf een triomf voor de toekomst beloofde. Vergeving verschafte zo redding. De schoonheid van goddelijke liefde, eenmaal volledig toegelaten tot het menselijk hart, vernietigt voor altijd de charme van zonde en de macht van het kwaad.
Het lijden van Jezus beperkte zich niet tot de kruisiging. In werkelijkheid bracht Jezus van Nazareth meer dan vijfentwintig jaar door aan het kruis, een echt en intens sterfelijk bestaan. De werkelijke waarde van het kruis ligt in het feit dat het de hoogste en laatste uiting van zijn liefde was, de voltooide openbaring van zijn barmhartigheid.
Op miljoenen bewoonde werelden hebben tientallen biljoenen evoluerende wezens, die misschien in de verleiding waren gekomen de morele strijd op te geven en de goede strijd van het geloof te verlaten, nog één blik op Jezus aan het kruis geworpen en zijn vervolgens doorgegaan, geïnspireerd door de aanblik van God die zijn leven in een lichaam aflegde in toewijding aan de onzelfzuchtige dienst aan de mens.
De triomf van de dood aan het kruis wordt volledig samengevat in de spirit van de houding van Jezus tegenover degenen die hem aanvielen. Hij maakte het kruis tot een eeuwig symbool van de triomf van liefde over haat en de overwinning van de waarheid over het kwaad toen hij bad: “Vader, vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen.” Die toewijding aan liefde was besmettelijk in een enorm universum; de discipelen kregen het van hun Meester. De allereerste leraar van zijn evangelie die geroepen werd zijn leven te geven in deze dienst, zei, terwijl ze hem stenigden: “Reken hun deze zonde niet toe.”
Het kruis doet een enorm beroep op het beste in de mens, omdat het iemand onthult die bereid was zijn leven te geven ten dienste van zijn medemens. Niemand kan een grotere liefde hebben dan deze: dat hij bereid is zijn leven te geven voor zijn vrienden – en Jezus had zo’n liefde dat hij bereid was zijn leven te geven voor zijn vijanden, een liefde die groter was dan alles wat tot dan toe op aarde was gekend.
Op andere werelden, evenals op aarde, heeft dit sublieme schouwspel van de dood van de mens Jezus aan het kruis van Golgotha de emoties van stervelingen aangewakkerd, terwijl het de hoogste devotie van de engelen heeft opgewekt.
Het kruis is dat verheven symbool van heilige dienstbaarheid, de toewijding van iemands leven aan het welzijn en de redding van zijn medemens. Het kruis is niet het symbool van het offer van de onschuldige Zoon van God in de plaats van schuldige zondaars en om de boosheid van een beledigde God te stillen, maar het staat voor eeuwig, op aarde en in een uitgestrekt universum, als een heilig symbool van de goeden die zich aan de kwaden geven en hen daardoor juist door deze toewijding van liefde redden. Het kruis staat als het teken van de hoogste vorm van onbaatzuchtige dienstbaarheid, de opperste toewijding van de volledige schenking van een rechtvaardig leven in dienst van een oprechte dienstverlening, zelfs in de dood, de dood van het kruis. En alleen al de aanblik van dit grote symbool van de missie en het leven van Jezus inspireert ons allen werkelijk om hetzelfde te willen doen.
Wanneer nadenkende mannen en vrouwen naar Jezus kijken terwijl hij zijn leven aan het kruis offert, zullen ze het zich nauwelijks nog veroorloven om te klagen, zelfs niet over de zwaarste ontberingen van het leven, laat staan over kleine kwellingen en hun vele puur fictieve grieven. Zijn leven was zo glorieus en zijn dood zo triomfantelijk dat we allemaal verleid worden tot een bereidheid om die glorie en die triomf te delen. Er schuilt een ware aantrekkingskracht in de gehele schenking en missie van Michaël, vanaf zijn jeugd tot aan dit overweldigende schouwspel van zijn dood aan het kruis.
Zorg er dus voor dat, wanneer je het kruis als een openbaring van God beschouwt, je niet kijkt met de ogen van de primitieve mens, en ook niet met het standpunt van de latere barbaar, die beiden God beschouwden als een meedogenloze Heerser van strenge gerechtigheid en strikte wetshandhaving. Zorg er in plaats daarvan voor dat je in het kruis de uiteindelijke manifestatie ziet van de liefde en toewijding van Jezus aan zijn levensmissie van schenking aan de sterfelijke rassen van zijn uitgestrekte universum. Zie in de dood van de MensenZoon het hoogtepunt van de ontvouwing van de goddelijke liefde van de Vader voor zijn kinderen van de sterfelijke werelden. Het kruis beeldt aldus de toewijding van gewillige genegenheid uit en het schenken van vrijwillige redding aan hen die bereid zijn dergelijke gaven en toewijding te ontvangen. Er was niets in het kruis dat de Vader verlangde – alleen datgene wat Jezus zo bereidwillig gaf en weigerde te vermijden.
Als de mens Jezus niet op een andere manier kan waarderen en de betekenis van zijn missie op aarde niet kan begrijpen, kan hij in elk geval toch de verbondenheid met zijn sterfelijk lijden begrijpen. Niemand kan ooit vrezen dat de Schepper de aard of omvang van zijn tijdelijke kwellingen niet kent.
We weten dat de dood aan het kruis niet bedoeld was om de verzoening van de mens met God te bewerkstelligen, maar om de mens te stimuleren tot realisatie en bewustwording van de eeuwige liefde van de Vader en de oneindige genade van zijn Zoon, en om deze universele waarheden aan een heel universum te verkondigen.
Dit hoofdstuk is een nieuwe Nederlandse vertaling gebaseerd op Paper 188 van het Urantia Boek: https://www.urantia.org
