Hoofdstuk 9:
Dit was een gesprek dat tot diep in de nacht duurde, waarin de jongeman Jezus vroeg hem het verschil uit te leggen tussen de wil van God en die menselijke verstandelijke handeling van ‘kiezen’, die ook wel wil wordt genoemd. In essentie zei Jezus: “De wil van God is de weg van God, partnerschap met de keuze van God, ondanks alle mogelijke alternatieven. De wil van God doen is daarom de voortgaande ervaring van steeds meer op God gaan lijken, en God is de bron en bestemming van alles wat goed, mooi en waar is. De wil van de mens is de weg van de mens, de som en substantie van wat de sterveling kiest te zijn en te doen. Die menselijke wil is de weloverwogen keuze van een zelfbewust wezen die leidt tot besluitvorming gebaseerd op intelligente reflectie.”
Die middag hadden Jezus en Ganid beiden genoten van het spelen met een zeer intelligente herdershond, en Ganid wilde weten of de hond een ziel had, of hij een wil had, en in antwoord op zijn vragen zei Jezus: “De hond heeft een mind, een vorm van intellect, die de materiële mens, zijn meester, kan kennen, maar God, die spirit is, niet kan kennen. Daarom bezit de hond geen spirituele natuur en kan hij geen spirituele ervaring beleven. De hond kan een wil hebben die voortkomt uit de natuur en versterkt wordt door training, maar zo’n verstandelijk vermogen is geen spirituele kracht. En ook is het niet vergelijkbaar met de menselijke wil, omdat het niet reflectief is. De wil van de hond is niet het resultaat van het onderscheiden van hogere en morele betekenissen, of van het kiezen van spirituele en eeuwige waarden. Het is juist dit bezit van zulke vermogens tot spirituele onderscheiding en waarheidskeuze die de sterfelijke mens tot een moreel wezen maken. De mens is daardoor een schepsel begiftigd met de eigenschappen van spirituele verantwoordelijkheid en het potentieel tot eeuwig overleven.” Jezus legde vervolgens uit dat deze afwezigheid van zulke mentale vermogens in het dier het voor de dierenwereld voor altijd onmogelijk maakt om taal te ontwikkelen of iets te ervaren dat gelijkwaardig is aan persoonlijkheidsoverleving in de eeuwigheid. Als gevolg van de instructie van die dag geloofde Ganid nooit meer in de transmigratie (het overgaan) van de zielen van mensen in de lichamen van dieren.
De volgende dag besprak Ganid dit alles met zijn vader, en in antwoord op Gonod’s vraag legde Jezus uit dat de menselijke wil, als die volledig in beslag wordt genomen door het nemen van alleen tijdelijke beslissingen die te maken hebben met de materiële problemen van een bestaan op een dierlijke niveau, gedoemd is om in de tijd te onder te gaan. Maar degenen die oprechte morele beslissingen nemen en onvoorwaardelijke spirituele keuzes maken, worden aldus steeds meer geïdentificeerd, en gaan steeds meer samen, met de inwonende en goddelijke spirit. En daardoor worden ze steeds meer getransformeerd naar de waarden van eeuwig overleven: oneindige groei van goddelijke dienstverlening.
Het was op diezelfde dag dat we voor het eerst die gewichtige waarheid hoorden die, in moderne termen uitgedrukt, zou betekenen: ‘Wil is die manifestatie van het menselijke verstand die het subjectieve bewustzijn in staat stelt zich objectief uit te drukken en het fenomeen te ervaren van het streven om te zijn zoals God’ En het is op die zelfde manier dat ieder mens met zelf-reflectie en een spirituele instelling creatief kan worden, in de zin van “scheppend”.
