Goed en kwaad in relatie tot waarheid en kiezen. Het maken van fouten en het leren daarvan.
Hoofdstuk 9:
Het laatste bezoek van Jezus aan Gadiah ging over een discussie over goed en kwaad. Deze jonge Filistijn werd zeer geplaagd door een gevoel van onrechtvaardigheid vanwege de aanwezigheid van kwaad in de wereld naast het goede. Hij zei: “Hoe kan God, als hij oneindig goed is, ons toestaan het leed van het kwaad te ondergaan? Want wie zou er nou kwaad willen scheppen?” Velen geloofden in die tijd namelijk nog dat God zowel het goede als het kwade had geschapen, maar Jezus heeft zo’n denkfout nooit onderwezen. Bij het beantwoorden van deze vraag zei Jezus: “Mijn broeder, God is liefde. Daarom moet hij goed zijn, en zijn goedheid is zo groot en werkelijk dat het de kleine en onwerkelijke dingen van het kwaad niet kan bevatten. God is zo positief goed dat er absoluut geen plaats in hem is voor negatief kwaad. Het kwaad is de onvolwassen keuze en de onnadenkende misstap van mensen die zich verzetten tegen het goede, die schoonheid verwerpen en die ontrouw zijn aan de waarheid. Het kwaad is slechts dat je je door onvolwassenheid op de verkeerde manie aanpast aan de wereld. Het kwaad komt door de verstorende en vervormende invloed van onwetendheid. Het kwaad is de onvermijdelijke duisternis die volgt op de onverstandige verwerping van het licht. Kwaad is dat wat duister en onwaar is, en wat, wanneer je het bewust omarmt en moedwillig onderschrijft, zonde wordt.”
“Je Vader in de hemel heeft, door jou te voorzien van de mogelijkheid en de kracht om te kiezen tussen waarheid en fouten, niet alleen de positieve weg van licht en leven geschapen, maar ook de mogelijkheid om te kiezen voor het negatieve. Maar zulke dwalingen, zulke denkfouten van het kwaad bestaan in werkelijkheid niet totdat een intelligent schepsel hun bestaan wil door de weg van het leven verkeerd te kiezen. En dan worden zulke kwaden later soms zelfs verheven tot zonde door de bewuste en weloverwogen keuze van zo’n eigenzinnig en opstandig schepsel. Dit is waarom onze Vader in de hemel toestaat dat het goede en het kwade samengaan tot het einde van het leven. Net zoals de natuur het tarwe en het onkruid naast elkaar laat groeien tot de oogst.”
Hoofdstuk 10:
Goed en kwaad
Mardus was de erkende leider van de cynici van Rome en werd een goede vriend van de ‘schriftgeleerde van Damascus’. Dag in dag uit sprak hij met Jezus en luisterde nacht na nacht naar zijn verheven leer. Een van de belangrijkste gesprekken met Mardus was het gesprek dat bedoeld was om de vraag van deze oprechte cynicus over goed en kwaad te beantwoorden. Inhoudelijk, en in twintigste-eeuwse bewoordingen, zei Jezus:
Mijn broeder, goed en kwaad zijn slechts woorden die de relatieve niveaus van menselijk begrip van het waarneembare universum symboliseren. Als je ethisch lui en sociaal onverschillig bent, kun je de gangbare maatschappelijke gebruiken als maatstaf voor goed nemen. Als je spiritueel lui en moreel niet vooruitstrevend bent, kun je de religieuze gebruiken en tradities van je tijdgenoten als je normen voor goed nemen. Maar de ziel die de tijd overleeft en de eeuwigheid ingaat, moet een levende en persoonlijke keuze maken tussen goed en kwaad, zoals deze worden bepaald door de ware waarden van de spirituele normen die zijn vastgesteld door de goddelijke Mentor-Spirit die de Vader in de hemel heeft gezonden om in het hart van de mens te wonen. Deze inwonende Mentor-Spirit is de maatstaf voor het overleven van de persoonlijkheid.
Goedheid, net als waarheid, is altijd relatief, en altijd in contrast met het kwaad. Het is de waarneming van deze kwaliteiten van goedheid en waarheid die de evoluerende zielen van mensen in staat stelt die persoonlijke keuzebeslissingen te maken die essentieel zijn voor het eeuwige voortbestaan.
Een spiritueel blind individu dat op een logische manier wetenschappelijke voorschriften, sociale gebruiken en religieuze dogma’s volgt, loopt het ernstige gevaar zijn morele vrijheid op te offeren en zijn spirituele vrijheid te verliezen. Zo’n ziel is voorbestemd om een intellectuele papegaai, een sociale automaat en een slaaf van religieus gezag te worden.
Goedheid groeit voortdurend naar nieuwe niveaus van toenemende vrijheid van morele zelfrealisatie en spirituele persoonlijkheidsverwerving – de ontdekking van, en identificatie met, de in jou wonende Mentor-Spirit. Een ervaring is goed wanneer deze de waardering voor schoonheid verhoogt, de morele wil vergroot, het onderscheidingsvermogen van de waarheid versterkt, het vermogen vergroot om de medemens lief te hebben en te dienen, de spirituele idealen verheft en de hoogste menselijke motieven van de tijd verenigt met de eeuwige plannen van de inwonende Mentor-Spirit. Dit alles leidt direct tot een toegenomen verlangen om de wil van de Vader te doen, waardoor de passie wordt aangewakkerd om God te vinden en meer op Hem te lijken.
Naarmate je opklimt op de universele schaal van schepselontwikkeling, zul je een toename van goedheid en een afname van kwaad ontdekken, in perfecte overeenstemming met je vermogen tot goedheidservaring en waarheidsonderscheiding. Maar het vermogen om dwaling te koesteren of kwaad te ervaren zal niet volledig verloren gaan totdat de opstijgende menselijke ziel het uiteindelijke spirituele niveau bereikt.
Goedheid is levend, relatief, altijd in ontwikkeling, onveranderlijk een persoonlijke ervaring en eeuwig verbonden met het onderscheiden van waarheid en schoonheid. Goedheid wordt gevonden in de herkenning van de positieve waarheid en waarden van het spirituele niveau, die in de menselijke ervaring moeten worden gecontrasteerd met de negatieve tegenhanger: de schaduwen van potentieel kwaad.
Totdat je de niveaus van het Paradijs bereikt, zal goedheid altijd meer een zoektocht dan een bezit zijn, meer een doel dan een ervaring van vervulling. Maar zelfs terwijl je hongert en dorst naar rechtvaardigheid, ervaar je toenemende voldoening in het gedeeltelijk bereiken van goedheid. De aanwezigheid van goedheid en kwaad in de wereld is op zichzelf een positief bewijs van het bestaan en de realiteit van de morele wil van de mens, de persoonlijkheid, die deze waarden aldus identificeert en ook in staat is ertussen te kiezen.
Tegen de tijd dat het Paradijs bereikt wordt, is het vermogen van de opklimmende sterveling om zichzelf te identificeren met ware spirituele waarden zo toegenomen dat dit resulteert in het bereiken van de perfectie van het bezit van het licht des levens. Zo’n vervolmaakte spirituele persoonlijkheid wordt zo volledig, goddelijk en spiritueel verenigd met de positieve en opperste kwaliteiten van goedheid, schoonheid en waarheid dat er geen mogelijkheid meer overblijft dat zo’n rechtvaardige spirit een negatieve schaduw van potentieel kwaad zou werpen wanneer hij wordt blootgesteld aan de onderzoekende helderheid van het goddelijke licht van de oneindige Heersers van het Paradijs. In al zulke spirituele persoonlijkheden is goedheid niet langer gedeeltelijk, contrasterend en vergelijkend; ze is goddelijk compleet en spiritueel vervuld geworden; ze nadert de zuiverheid en perfectie van de Allerhoogste.
De mogelijkheid van kwaad is noodzakelijk voor morele keuzes, maar niet de werkelijkheid van kwaad. Een schaduw is slechts relatief reëel (zonder object is er geen schaduw). Werkelijk kwaad is niet noodzakelijk als persoonlijke ervaring. Potentieel kwaad werkt even goed als een beslissings-stimulus in de domeinen van morele vooruitgang op de lagere niveaus van spirituele ontwikkeling. Kwaad wordt pas werkelijkheid van persoonlijke ervaring wanneer een moreel verstand het kwaad tot zijn keuze maakt.
Uiteindelijk is de beoordeling van “kwaad” niet in de handen van de menselijke rechtbanken, zie deze passage uit Hoofdstuk 11:
Tegen de veroordeelde misdadiger zei hij op het laatste uur: ‘Mijn broeder, je bent in slechte tijden terechtgekomen. Je bent de weg kwijtgeraakt; je bent verstrikt geraakt in de netten van de misdaad. Uit gesprekken met jou weet ik heel goed dat je niet van plan was om te doen wat je nu je leven zal kosten. Maar je hebt dit kwaad wel gedaan, en je medemensen hebben je schuldig bevonden. Zij hebben bepaald dat je zult sterven. Jij of ik mogen de staat dit recht op zelfverdediging niet ontzeggen op de manier die zij zelf kiest. Er lijkt geen menselijke manier te zijn om te ontsnappen aan de straf voor je wangedrag. Je medemensen moeten je beoordelen op wat je hebt gedaan, maar er is een Rechter tot wie je je om vergeving kunt wenden, en die je zal beoordelen op je ware motieven en betere bedoelingen. Je hoeft niet bang te zijn om Gods oordeel te ondergaan als je berouw oprecht is en je geloof oprecht. Het feit dat je fout de door mensen opgelegde doodstraf met zich meebrengt, doet geen afbreuk aan de kans dat je ziel gerechtigheid krijgt en genade geniet voor de hemelse rechtbanken.”
Maar hoofdstuk 20 vertelt ook:
Hoewel Jezus enkele uren sprak, was Thomas nog niet tevreden, want hij zei: “Maar, Meester, wij vinden niet dat de Vader in de hemel altijd vriendelijk en barmhartig met ons omgaat. Vaak lijden wij zwaar op aarde, en onze gebeden worden niet altijd verhoord. Waar begrijpen wij de betekenis van uw leer niet?”
Jezus antwoordde: “Thomas, Thomas, hoe lang duurt het nog voordat je het vermogen verwerft om te luisteren met het oor van de spirit? Hoe lang zal het duren voordat je inziet dat dit koninkrijk een spiritueel koninkrijk is, en dat mijn Vader ook een spiritueel wezen is? Begrijp je niet dat ik jullie onderwijs als spirituele kinderen in de spirituele familie van de hemel, waarvan de Vader een oneindige en eeuwige spirit is? Sta je me niet toe de aardse familie te gebruiken als illustratie van goddelijke relaties zonder mijn leer letterlijk toe te passen op materiële zaken? Kun je in je gedachten de spirituele realiteiten van het koninkrijk niet scheiden van de materiële, sociale, economische en politieke problemen van deze tijd? Als ik de taal van de spirit spreek, waarom blijf je dan mijn bedoeling vertalen in de taal van het lichaam, juist omdat ik alledaagse en letterlijke relaties gebruik ter illustratie? Mijn kinderen, ik smeek jullie om te stoppen met het toepassen van de leer van het koninkrijk van de spirit op de smerige zaken van slavernij, armoede, huizen en landerijen, en op de materiële problemen van menselijke (on)gelijkheid en (on)rechtvaardigheid. Deze tijdelijke zaken zijn de zorg van de mensen van deze wereld, en hoewel ze in zekere zin alle mensen aangaan, zijn jullie geroepen om mij in de wereld te vertegenwoordigen, zoals ik mijn Vader vertegenwoordig.
In hoofdstuk 26 lezen we:
Het was de gewoonte van Jezus om twee avonden per week speciale gesprekken te voeren met mensen die met hem wilden praten, in een afgelegen en beschutte hoek van de tuin van Zebedeüs. Tijdens een van deze privé-avondgesprekken stelde Thomas de Meester deze vraag: “Waarom is het noodzakelijk dat mensen uit de spirit geboren worden om het koninkrijk binnen te gaan? Is wedergeboorte noodzakelijk om aan de controle van de duivel te ontsnappen? Meester, wat is kwaad?” Toen Jezus deze vragen hoorde, zei hij tegen Thomas:
“Maak niet de fout kwaad te verwarren met de duivel, of beter gezegd de misdadige. Hij die jullie de duivel noemen, is de zoon van eigenliefde, de hoge bestuurder die willens en wetens in opstand kwam tegen de heerschappij van mijn Vader en zijn trouwe Zonen. Maar ik heb deze zondige rebellen al overwonnen. Maak in je mind een duidelijk onderscheid tussen deze verschillende houdingen ten opzichte van de Vader en zijn universum. Vergeet nooit deze wetten van relatie tot de wil van de Vader:
“KWAAD is de onbewuste of onbedoelde overtreding van de goddelijke wet, de wil van de Vader. Kwaad is eveneens de maatstaf voor de onvolmaaktheid van gehoorzaamheid aan de wil van de Vader.”
“ZONDE is de bewuste overtreding, willens en wetens, van de goddelijke wet, de wil van de Vader. Zonde is de maatstaf van onwil om goddelijk geleid en spiritueel gestuurd te worden.”
“(Spirituele) MISDAAD is de opzettelijke, vastberaden en aanhoudende overtreding van de goddelijke wet, de wil van de Vader. Misdaad is de maatstaf van de voortdurende verwerping van het liefdevolle plan van de Vader voor het overleven van de persoonlijkheid en van de barmhartige schenking van verlossing door de Zoon.”
“Van nature is de sterfelijke mens, vóór de wedergeboorte van de spirit, onderhevig aan inherente neigingen tot kwaad, maar zulke natuurlijke onvolmaaktheden in gedrag zijn nog geen zonde en zeker nog geen misdaad. De sterfelijke mens begint pas aan zijn lange opgang naar de volmaaktheid van de Vader in het Paradijs. Onvolmaakt of gedeeltelijk zijn in natuurlijke begaafdheid is niet zondig. De mens is inderdaad onderworpen aan het kwaad, maar hij is in geen enkel opzicht het kind van de duivel, behalve wanneer hij willens en wetens de paden van de zonde en het leven van spirituele misdaad heeft gekozen. Het kwaad is inherent aan de natuurlijke orde van deze wereld, maar zonde is een houding van bewuste rebellie die naar deze wereld is gebracht door hen die vanuit het spirituele licht in de diepe duisternis zijn gevallen.”
“Je bent in de war, Thomas, door de doctrines van de Grieken en de dwalingen van de Perzen. Je begrijpt de relaties tussen kwaad en zonde niet, omdat je de mensheid ziet als beginnend op aarde met een volmaakte Adam en snel degenererend, door zonde, tot de huidige betreurenswaardige staat van de mens. Maar waarom weigert je de betekenis te begrijpen van het verhaal dat onthult hoe Kaïn, de zoon van Adam, naar het land Nod ging en daar een vrouw vond? En waarom weiger je de betekenis te interpreteren van het verhaal dat de zonen van God afschildert die vrouwen voor zichzelf vinden onder de dochters van de mensen?”
“De mens is inderdaad van nature geneigd tot kwaad, maar niet noodzakelijkerwijs zondig. De nieuwe geboorte, de doop met de Spirit, is essentieel voor de bevrijding van dat kwaad en noodzakelijk voor de toegang tot het hemelse koninkrijk. Maar dit alles doet niets af aan het feit dat de mens de zoon van God is. Ook betekent de inherente aanwezigheid van potentieel kwaad niet dat de mens op mysterieuze wijze vervreemd is van de Vader in de hemel. Zodat hij een vreemdeling of stiefkind zou zijn geworden en hij dus op de een of andere manier [met doop of ‘wedergeboorte’] om wettelijke adoptie door de Vader moeten vragen. Al dergelijke opvattingen worden geboren, ten eerste, uit je misvatting over de Vader en, ten tweede, uit je onwetendheid over de oorsprong, aard en bestemming van de mens.”
“De Grieken en anderen hebben je geleerd dat de mens gestaag afdaalt van goddelijke volmaaktheid naar vergetelheid of vernietiging. Maar ik ben nu gekomen om te tonen dat de mens, door het hemelse koninkrijk binnen te gaan, met vaste zekerheid zal opklimmen naar God en goddelijke volmaaktheid. Elk wezen dat op enigerlei wijze tekortschiet in de goddelijke en spirituele idealen van de wil van de eeuwige Vader, is potentieel slecht, maar zulke wezens zijn in geen enkel opzicht zondig, laat staan spiritueel misdadig.”
En iets verderop in hoofdstuk 26:
Tijdens een ander privégesprek in de tuin vroeg Nathanaël aan Jezus: “Meester, hoewel ik begin te begrijpen waarom u weigert om zonder onderscheid genezing te beoefenen, begrijp ik nog steeds niet waarom de liefhebbende Vader in de hemel zoveel van zijn kinderen op aarde aan zoveel aandoeningen laat lijden.” De Meester antwoordde Nathanaël en zei:
“Nathanaël, jij en vele anderen zijn zo verbijsterd omdat je niet begrijpt hoe de natuurlijke orde van deze wereld zo vaak is verstoord door de zondige avonturen van bepaalde opstandige verraders van de wil van de Vader. En ik ben gekomen om een begin te maken met het in orde brengen van deze dingen. Maar er zullen vele eeuwen nodig zijn om dit deel van het universum te herstellen naar de oude paden en zo de mensenkinderen te bevrijden van de extra lasten van zonde en rebellie. De aanwezigheid van het kwaad alleen is al voldoende test voor de opklimming van de mens –zonde is niet essentieel voor overleving.”
“Maar, mijn zoon, je moet weten dat de Vader zijn kinderen niet opzettelijk kwelt. De mens roept onnodig lijden over zichzelf af als gevolg van zijn aanhoudende weigering om de betere wegen van de goddelijke wil te bewandelen. Kwelling is potentieel in het kwaad, maar veel ervan is veroorzaakt door zonde en spirituele misdaden. Veel ongewone gebeurtenissen hebben zich op deze wereld voorgedaan, en het is niet vreemd dat alle denkende mensen verbijsterd zijn door de taferelen van lijden en kwelling waarvan ze nu getuige zijn. Maar van één ding kun je zeker zijn: de Vader zendt geen kwelling als een willekeurige straf voor wangedrag. De onvolmaaktheden en handicaps van het kwaad zijn inherent; de straffen voor de zonde zijn onvermijdelijk; de vernietigende gevolgen van spirituele misdaden zijn onverbiddelijk. De mens zou God niet de schuld moeten geven van die beproevingen die het natuurlijke gevolg zijn van het leven dat hij kiest te leiden. Evenmin zou de mens moeten klagen over die ervaringen die deel uitmaken van het leven zoals dat op deze aarde wordt geleefd. Het is de wil van de Vader dat de sterfelijke mens volhardend en consequent werkt aan de verbetering van zijn staat op aarde. Intelligente toewijding zou de mens in staat stellen veel van zijn aardse ellende te overwinnen.”
“Nathanaël, het is onze missie om mensen te helpen hun spirituele problemen op te lossen en op deze manier hun mind te verscherpen, zodat ze beter voorbereid en geïnspireerd kunnen zijn om hun veelvuldige materiële problemen op te lossen. Ik weet van je verwarring terwijl je de Schrift leest. Maar al te vaak heeft de neiging geheerst om God de verantwoordelijkheid toe te schrijven voor alles wat de onwetende mens niet begrijpt. Maar de Vader is niet persoonlijk verantwoordelijk voor alles wat jij mogelijk niet begrijpt. Twijfel niet aan de liefde van de Vader, alleen maar omdat een rechtvaardige en wijze wet die Hij heeft voorgeschreven, jou treft omdat je onschuldig of opzettelijk zo’n goddelijke verordening hebt overtreden.”
Het boek Job
Een sleutel-passage over de vraag naar de betekenis van lijden en de vraag waarom God dit zou “toelaten” is te vinden in de bespreking van Jezus van het verhaal over Job. Voor een begrip van dit onderwerp is het bestuderen van die tekst essentieel.
Hoofdstuk 37
In de tekst van hoofdstuk 37 vinden we:
Leer alle gelovigen dat zij die het koninkrijk binnengaan daardoor niet immuun worden voor de toevalligheden van de tijd of voor de gewone natuurrampen. Geloven in het evangelie zal niet voorkomen dat je in de problemen komt, maar het zal ervoor zorgen dat je niet bang zult zijn wanneer de problemen je overvallen. Als je in mij durft te geloven en mij van ganser harte volgt, zul je zeer zeker door dat te doen het zekere pad naar problemen betreden. Ik beloof je niet te verlossen van de wateren van tegenspoed, maar ik beloof wel met je door al die wateren heen te gaan.
