Waarom ontstonden magie en bijgeloof? Dit artikel laat zien dat zij geen zinloze vergissingen waren, maar tijdelijke steigers in de ontwikkeling van de menselijke mind. We volgen hun geschiedenis, bekijken wat Jezus ervoor in de plaats zette en verkennen hoe dit vandaag kan uitmonden in een moderne magische benadering van het leven: een levenshouding waarin wetenschap en verstand samengaan met vertrouwen, intuïtie, creativiteit en een levende spirituele ervaring.
Inleiding
Wanneer je de geschiedenis en betekenis van magie en bijgeloof bestudeert, doe je er goed aan niet neerbuigend te kijken naar wat mensen in vroegere tijden geloofden en deden. Elke generatie glimlacht om de dwalingen en vreemde gebruiken van haar voorgangers, terwijl zij zelf overtuigingen en gewoonten in stand houdt waarover latere generaties zich waarschijnlijk opnieuw zullen verbazen. Magie en bijgeloof behoren daarom niet uitsluitend tot een ver verleden. De vormen veranderen, maar veel van de achterliggende neigingen zijn nog altijd herkenbaar. Daarom is het zo belangrijk om beter te kijken naar die achterliggende neigingen.
Mensen werden van oudsher geconfronteerd met gebeurtenissen waarvan zij de oorzaken niet begrepen: ziekte en herstel, voorspoed en mislukking, natuurrampen, ongelukken, vruchtbaarheid, misoogsten en de onverwachte dood. Het woord geluk (of ongeluk) werd een verzamelnaam voor zulke onverklaarbare gebeurtenissen. Waar betrouwbare kennis ontbrak, werden oorzaken gezocht in een onzichtbare wereld van ‘geesten’ en andere verborgen machten. Wat de moderne mens bijgeloof noemt, was in eerste instantie vaak een logische redenering die uitging van onjuiste of onvolledige uitgangspunten; een soort poging om in een bijna donkere kamer toch de weg te vinden. De wetenschap die zich sinds de Verlichting sterk ontwikkelde, liet zien dat meer licht in een donkere kamer meer inzicht geeft dan proberen de duisternis gunstig te stemmen. Op haar eigen terrein zette zij daarmee dezelfde ontwikkeling voort: niet angst bezweren, maar de werkelijkheid beter leren begrijpen.
Maar het toeschrijven van moeilijk te begrijpen gebeurtenissen aan verborgen krachten was, en is, ook een gemakkelijke en een beetje luie manier om verder onderzoek en het noodzakelijke denkwerk te vermijden. Het ontstaan van magie laat daardoor twee kanten van de menselijke mind zien: de oprechte behoefte om betekenis te vinden, maar ook de neiging om te snel genoegen te nemen met een verklaring die angst vermindert of een gevoel van controle geeft.
Magie en bijgeloof ontstonden uit twee belangrijke elementen. Het eerste was een verkeerd begrip van toeval. Mensen zagen dat dezelfde handelingen niet altijd hetzelfde resultaat opleverden en probeerden deze onzekerheid te verklaren door geluk en ongeluk toe te schrijven aan goedgezinde of vijandige ‘geesten’. Het tweede element was de aangeboren impuls tot aanbidding. Naarmate de menselijke mind zich boven het dierlijke niveau verheft, ontstaat een toenemend vermogen om ‘in te tunen’ op mind-niveaus die ons tot aanbidding en wijsheid leiden. Je herkent dit gevoel waarschijnlijk zelf als je naar de sterrenhemel kijkt en ‘voelt’: er is meer dan ik kan begrijpen, en ik wil het ontdekken. Het is een natuurlijke vorm van mind-evolutie dat we het vermogen ontwikkelen om ons bewust te richten op een werkelijkheid die boven het direct waarneembare uitstijgt.
Dieren kennen bijvoorbeeld angst en reageren op gevaar, maar zij ontwikkelen geen rituelen om onzichtbare machten gunstig te stemmen en bouwen geen wereldbeeld rond geluk, ongeluk, dood en voortbestaan. Magie en bijgeloof konden pas ontstaan toen de menselijke mind verbanden begon te leggen, betekenis ging zoeken en een ontwakende behoefte aan aanbidding en wijsheid ging richten op de natuur, voorwerpen, voorouders en veronderstelde ‘geesten’. Daarmee verhief de mens zich boven het dierlijke bestaan, maar kwamen we tegelijkertijd terecht in een lange periode van vergissingen, angst en kostbare rituelen. Het schip van de menselijke evolutie verliet als het ware de haven van puur dierlijke zelf-gerichtheid en zal op die onzekere zee van angst, zoeken en bezweringen blijven totdat het een veilig anker van vertrouwen in ware religie en een werkelijk Gods-begrip vindt.
De vroege mens gebruikte magie vooral als een vorm van verzekering tegen de gevaren van het dagelijkse bestaan. Offers, amuletten, bezweringen en diensten van priesters vormden als het ware de premie die moest worden betaald om ongeluk, ziekte en dood af te wenden. Toen we geleidelijk steeds meer natuurlijke oorzaken wetenschappelijk konden verklaren en materiële verzekeringen de praktische risico’s van het leven -in elk geval financieel- gingen afdekken, verschoof de religieuze verzekeringsbehoefte steeds sterker naar de onzekere toekomst en naar het mogelijke leven na de dood. Ook in huidige ontwikkelde religieuze tradities is geloof daardoor wellicht nog grotendeels gemotiveerd door de hoop op bescherming, redding of een gunstige bestemming na dit leven. Pas wanneer geloof niet langer in de eerste plaats wordt gedreven door angst voor de toekomst, voor verlies of de dood, kan het zijn glorieuze, positieve functie innemen van bron van vertrouwen, innerlijke leiding en optimistische vreugde.
Hetzelfde verschijnsel van oude neigingen die nog steeds zichtbaar zijn en doorwerken, is herkenbaar in de menselijke aandacht voor het negatieve. Vroege volken hielden zich veel intensiever bezig met vijandige ‘geesten’ dan met welwillende spirituele machten. De kwade ‘geest’ moest worden afgeweerd, terwijl een goede ‘geest’ weinig aandacht nodig leek te hebben. Dreiging, verlies en rampspoed trekken ook nu nog meer aandacht dan het goede dat voortdurend aanwezig is. Veel mensen zoeken pas nadrukkelijk naar religie of spirituele zekerheid wanneer het leven tegenzit.
Magie kan daarom in algemene zin worden omschreven als de poging om gebeurtenissen te voorspellen, af te wenden of af te dwingen door gebruik te maken van veronderstelde onzichtbare machten, rituelen, woorden, voorwerpen of symbolische handelingen. Bijgeloof is het geheel van overtuigingen waarop zulke praktijken berusten: het toekennen van een oorzakelijke kracht aan dingen of handelingen die deze kracht uit zichzelf niet bezitten.
Magie en bijgeloof zijn niet alleen nutteloze vergissingen. Ze voorkwamen dat mensen zich volledig machteloos aan het noodlot overgaven. Deze oude religieuze ideeën behoedden mensen ervoor fatalistisch en hopeloos pessimistisch te worden; ze geloofden dat ze op zijn minst iets konden doen om het lot te beïnvloeden. De religie van de angst voor ‘geesten’ prentte de mensen in dat ze hun gedrag moesten reguleren. Uit deze primitieve pogingen om angst en onzekerheid te beheersen, ontstonden uiteindelijk begrippen van goed en kwaad, regels voor menselijk gedrag en de eerste vormen van religie. Magie en bijgeloof vormden daarmee tijdelijk noodzakelijke steigers in de normale en natuurlijke evolutie van de menselijke mind. De verdere geschiedenis laat zien waarom deze steigers ooit nodig waren, waarom veel ervan nog steeds overeind staan en hoe Jezus ons leerde dat zij nu eindelijk geleidelijk kunnen worden afgebroken om plaats te maken voor het volwassen spirituele huis dat in aanbouw was.
Het ontstaan van magie en bijgeloof: een noodzakelijke stap in menselijke ontwikkeling
Toeval: Geluk en Pech
We moeten als eerste niet vergeten dat religie niet alleen ontstaat als een gevorderde vorm van magie en bijgeloof. Hiervoor beschreven we al even dat het een natuurlijk onderdeel is van het mens-zijn, in tegenstelling tot de dieren. Mensen hebben van nature een primitieve aanbiddingsdrang die zelfs voorafgaat aan het ontstaan van magie en bijgeloof. De dieren kennen ook angst en een gevoel voor gevaar, maar reageren daarop op een puur lichamelijke manier. De mens ervaart in de primitieve fase eigenlijk ongeveer dezelfde angsten en gevaren, maar gaat erover nadenken. Daarmee beweegt de ervaring van angst als het ware van puur lichamelijk niveau naar mind-niveau. Het normale functioneren van de menselijke mind onder de sturende invloed van het hele circuit van mind is volkomen voldoende om een ontwikkeling in de richting van religie te verzekeren. De vroegste, pre-religieuze angst van de mens voor de krachten van de natuur werd geleidelijk religieus naarmate de natuur in het menselijk bewustzijn gepersonaliseerd, bezield en uiteindelijk vergoddelijkt werd. Religie van een primitief type was daarom een natuurlijk biologisch gevolg van de psychologische inertie van evoluerende dierlijke niveaus nadat de mind concepten van het bovennatuurlijke begon te overwegen.
Naast deze natuurlijke aanbiddingsdrang vond de vroege evolutionaire religie haar oorsprong in de menselijke ervaringen met toeval – zogenaamd geluk, alledaagse gebeurtenissen. De primitieve mens was een jager. De resultaten van de jacht variëren altijd. Dit geeft een zekere oorsprong aan de ervaringen die de mens interpreteert als geluk en pech. Ongeluk was een belangrijke factor in het leven van mannen en vrouwen die voortdurend op de rand van een precair en geteisterd bestaan leefden.
De beperkte intellectuele horizon van de vroege mens concentreert de aandacht zozeer op toeval dat geluk een constante factor in het leven wordt. De primitieve aardbewoners streden om te overleven, niet om een levensstandaard. Ze leefden een leven vol gevaar waarin toeval een belangrijke rol speelde. De constante angst voor onbekende en onzichtbare rampspoed hing als een wolk van wanhoop boven deze vroege mensen, die elk plezier effectief overschaduwde. Ze leefden in voortdurende angst om iets te doen dat ongeluk zou brengen. Vanuit dit bijgeloof vreesden zij zelfs een periode van geluk. Ze beschouwden dergelijk geluk namelijk als een zekere voorbode van rampspoed.
Deze altijd aanwezige angst voor ongeluk was verlammend. Waarom hard werken en pech oogsten – niets voor iets – als je ook geluk kunt hebben – iets voor niets? Onnadenkende mensen vergeten geluk – nemen het voor lief – maar ze herinneren zich ongeluk pijnlijk.
De vroege mens leefde in onzekerheid en in voortdurende angst voor toeval – voor ongeluk. Het leven was een spannend kansspel; het bestaan was een gok. Het is geen wonder dat gedeeltelijk beschaafde mensen nog steeds in toeval geloven en een aanhoudende neiging tot gokken vertonen. De primitieve mens wisselde af tussen twee sterke interesses: de passie om iets voor niets te krijgen en de angst om niets voor iets te krijgen. En dit risico op een bestaanszekerheid was de voornaamste interesse en de grootste fascinatie van de vroege, primitieve mind.
De latere herders deelden dezelfde opvattingen over toeval en geluk, terwijl de nog latere landbouwers zich steeds meer bewust werden van het feit dat gewassen direct beïnvloed werden door vele factoren waarover de mens weinig of geen controle had. De boer werd het slachtoffer van droogte, overstromingen, hagel, stormen, plagen en plantenziekten, evenals hitte en kou. En aangezien al deze natuurlijke invloeden de individuele welvaart beïnvloedden, werden ze beschouwd als geluk of ongeluk.
Dit idee van toeval en geluk was sterk aanwezig in de filosofie van alle oude volkeren. Zelfs in recentere tijden staat er in de Wijsheid van Salomo: “Ik keerde terug en zag dat de snelste niet wint, de sterkste niet de strijd, de wijze niet het brood, de verstandigen niet de rijkdom, en de bekwamen niet de gunst; maar het lot en het toeval treffen hen allen. Want de mens kent zijn lot niet, zoals vissen in een valstrik worden gevangen en vogels in een strik, zo worden de mensen in een kwade tijd gevangen wanneer die hen plotseling overvalt.”
De vroege mensen stonden voor een volkomen onbegrijpelijke wereld en vanuit onbegrip onstond angst.
- angst voor natuur;
- angst voor de dood;
- angst voor de effecten van toeval;
De personificatie van het toeval
De primitieve mens vroeg zich voortdurend af: “Wie kwelt mij zo?” Omdat hij geen materiële oorzaak voor zijn ellende kon vinden, koos hij voor een spirituele verklaring. Zo ontstond religie uit de angst voor het mysterieuze, uit ontzag voor het onzichtbare en de vrees voor het onbekende. Angst voor de natuur werd zo een factor in de strijd om het bestaan, eerst vanwege het toeval en vervolgens vanwege het mysterie.
De primitieve mind was logisch, maar bevatte weinig ideeën voor intelligente associatie. De vroege mens was ongeschoold, volkomen onverfijnd. Als de ene gebeurtenis de andere opvolgde, beschouwde de vroege mens ze als oorzaak en gevolg. Wat de beschaafde mens als bijgeloof beschouwt, was voor de vroege mensen gewoon pure onwetendheid. De mensheid heeft er lang over gedaan om te leren dat er niet per se een verband bestaat tussen doelen en resultaten. Mensen beginnen zich nu pas net te realiseren dat de reacties van het bestaan zich voordoen tussen handelingen en hun gevolgen. De vroege mens streeft ernaar alles wat ongrijpbaar en abstract is te personaliseren, en zo worden zowel de natuur als het toeval gepersonaliseerd als ‘geesten’ – spoken – en later als goden.
De mens neigt er van nature toe te geloven wat hij het beste voor zichzelf acht, wat in zijn directe of verre belang is; eigenbelang vertroebelt grotendeels de logica. Het verschil tussen de mind van primitieve en van beschaafde mensen is eerder een verschil in inhoud dan in aard, eerder een verschil in gradatie dan in kwaliteit.
Maar het blijven toeschrijven van moeilijk te begrijpen zaken aan bovennatuurlijke oorzaken is niets minder dan een luie en gemakkelijke manier om elke vorm van intellectueel hard werken te vermijden. Geluk is slechts een term die is bedacht om het onverklaarbare in elk tijdperk van het menselijk bestaan te beschrijven; het duidt op die verschijnselen die mensen niet kunnen of willen doorgronden. Toeval is een woord dat aangeeft dat de mens te onwetend of te lui is om oorzaken te bepalen. Mensen beschouwen een natuurlijke gebeurtenis pas als een ongeluk of als pech wanneer ze een gebrek hebben aan nieuwsgierigheid en verbeeldingskracht, wanneer de mensheid geen initiatief en avontuurlijkheid kent. Het onderzoeken van de verschijnselen van het leven vernietigt vroeg of laat het geloof van de mens in toeval, geluk en zogenaamde ongelukken, en vervangt dit door een universum van wet en orde waarin alle effecten voorafgaan aan bepaalde oorzaken. Zo wordt de angst voor het bestaan vervangen door de vreugde van het leven.
De vroege mens beschouwde de hele natuur als levend, als bezeten door iets. De beschaafde mens schopt en vervloekt nog steeds die levenloze objecten die hem in de weg staan en hem aanstoten. De primitieve mens beschouwde niets als toeval; alles was altijd opzettelijk. Voor de primitieve mens was het domein van het lot, de functie van geluk, de ‘geesten’-wereld, net zo ongeorganiseerd en willekeurig als de primitieve samenleving. Geluk werd beschouwd als de grillige en wispelturige reactie van de ‘geesten’-wereld; later als de stemming van de goden.
Angst voor de dood – het onverklaarbare
De dood was de grootste schok voor de zich ontwikkelende mens, de meest raadselachtige combinatie van toeval en mysterie. Niet de heiligheid van het leven, maar de schok van de dood wekte angst op en bevorderde zo effectief de religie. Bij primitieve volkeren was de dood gewoonlijk het gevolg van geweld, waardoor een geweldloze dood steeds mysterieuzer werd. De dood als een natuurlijk en verwacht einde van het leven was niet duidelijk voor het bewustzijn van primitieve volkeren, en het heeft eeuwen geduurd voordat de mens de onvermijdelijkheid ervan besefte.
De vroege mens accepteerde het leven als een feit, terwijl hij de dood beschouwde als een soort vervelende beproeving; alsof je de dood op bezoek kreeg als een niet-uitgenodigde gast. Alle volkeren hebben hun legendes over mannen die niet stierven, overblijfselen van de vroege houding ten opzichte van de dood. In de menselijke mind bestond al het vage concept van een onduidelijke en ongeorganiseerde ‘geesten’-wereld, een domein waaruit alles voortkwam wat onverklaarbaar is in het menselijk leven, en de dood werd aan deze lange lijst van onverklaarbare verschijnselen toegevoegd.
Aanvankelijk werd aangenomen dat alle menselijke ziekten en natuurlijke dood het gevolg waren van de invloed van ‘geesten’. Zelfs nu nog beschouwen sommige beschaafde volkeren ziekten als veroorzaakt door ‘de vijand’ en vertrouwen ze op religieuze ceremonies om genezing te bewerkstelligen. Latere en complexere theologische systemen schrijven de dood nog steeds toe aan de werking van de ‘geesten’-wereld, wat allemaal heeft bijgedragen aan doctrines zoals de erfzonde en de val van de mens.
Het besef van machteloosheid tegenover de machtige krachten van de natuur, samen met de erkenning van de menselijke zwakte tegenover ziekte en dood, dreef de vroege mens ertoe hulp te zoeken in de bovenmateriële wereld, die hij vaag zag als de bron van deze mysterieuze wisselvalligheden van het leven.
Het concept van dood en overleving
Het concept van een bovenmateriële fase van de sterfelijke persoonlijkheid ontstond uit de onbewuste en puur toevallige associatie van gebeurtenissen uit het dagelijks leven plus de dromen. Het gelijktijdig dromen over een overleden stamhoofd door verschillende leden van zijn stam leek overtuigend bewijs te vormen dat het oude stamhoofd werkelijk in een of andere vorm was teruggekeerd. Het was allemaal heel reëel voor de vroege mens die uit zulke dromen ontwaakte, doordrenkt van zweet, trillend en schreeuwend.
De droomoorsprong van het geloof in een toekomstig bestaan verklaart de neiging om onzichtbare dingen altijd voor te stellen in termen van zichtbare dingen. En al snel begon dit nieuwe concept van droom, ‘geest’ en toekomstig leven effectief de doodsangst te neutraliseren die gepaard ging met het biologische instinct tot zelfbehoud.
De vroege mens maakte zich ook grote zorgen over zijn adem, vooral in koude klimaten, waar deze bij het uitademen als een wolk verscheen. De levensadem werd beschouwd als het enige fenomeen dat de levenden van de doden onderscheidde. Hij wist dat de adem het lichaam kon verlaten, en zijn dromen waarin hij allerlei vreemde dingen deed tijdens zijn slaap, overtuigden hem ervan dat er iets immaterieels was aan een mens. Het meest primitieve idee van de menselijke ziel was afgeleid van het adem-droom-ideeënsysteem.
Uiteindelijk beschouwde de vroege mens zichzelf als een soort dubbelganger: lichaam en adem. De adem min het lichaam was gelijk aan een geest, een spook. Hoewel ze een zeer duidelijke menselijke oorsprong hadden, werden geesten, of spoken, als bovenmenselijk beschouwd. En dit geloof in het bestaan van onstoffelijke geesten leek het voorkomen van het ongewone, het buitengewone, het zeldzame en het onverklaarbare te verklaren.
De primitieve leer van het voortbestaan na de dood was niet per se een geloof in onsterfelijkheid. Wezens die niet verder dan twintig konden tellen, konden zich nauwelijks een voorstelling maken van begrippen zoals oneindigheid en eeuwigheid; ze dachten eerder aan terugkerende incarnaties.
De vroege mensen koesterde geen ideeën over de hel of toekomstige straf. Zij beschouwden het hiernamaals als precies hetzelfde als dit leven, maar dan zonder alle tegenspoed. Later werd een aparte bestemming voor goede en slechte geesten bedacht: de hemel en de hel.
Bijna elke groep had een ander idee over de bestemming van de geestenziel. De Grieken geloofden dat zwakke mensen zwakke zielen moesten hebben; daarom bedachten ze Hades als een geschikte plaats voor de ontvangst van zulke anemische zielen; van deze zwakke exemplaren werd ook verondersteld dat ze kortere schaduwen hadden. De vroege Andieten dachten dat hun geesten terugkeerden naar hun voorouderlijke thuislanden. De Chinezen en Egyptenaren geloofden ooit dat ziel en lichaam samen bleven. Bij de Egyptenaren leidde dit tot zorgvuldige grafbouw en pogingen tot het conserveren van lichamen. Zelfs moderne volkeren proberen het verval van de doden te vertragen. De Hebreeën waren van mening dat een spookachtige replica van het individu afdaalde naar het dodenrijk (Sheol); deze kon niet terugkeren naar het land der levenden. Zij maakten daarmee een belangrijke stap voorwaarts in de leer van de evolutie van de ziel.
Het concept van de geest of ziel
Het niet-materiële deel van de mens is op verschillende manieren aangeduid: als geest, ziel, schim, fantoom, spook en later ziel. De ziel was de droomdubbelganger van de vroege mens; ze was in alle opzichten precies zoals de sterveling zelf, behalve dat ze niet reageerde op aanraking. Het geloof in droomdubbelgangers leidde rechtstreeks tot het idee dat alle levende en levenloze dingen, net als de mens, een ziel hadden. Dit concept droeg lange tijd bij aan het voortbestaan van het geloof in de natuur-ziel; de Eskimo’s geloven nog steeds dat alles in de natuur een ziel heeft.
De geest of ziel kon gehoord en gezien worden, maar niet aangeraakt. Geleidelijk ontwikkelde en breidde het droomleven van het menselijk ras de activiteiten van deze evoluerende ‘geesten’-wereld zo uit dat de dood uiteindelijk werd beschouwd als ‘de geest opgeven’; vergelijk uitdrukkingen zoals: den geest geven, ontslapen. Alle primitieve stammen, behalve die welke weinig boven de dieren staan, hebben een of ander concept van de ziel ontwikkeld. Naarmate de beschaving zich ontwikkelt, wordt dit bijgelovige concept van de ziel vernietigd, en vervangen door openbaring en persoonlijke religieuze ervaring.
Vroege stervelingen slaagden er meestal niet in om onderscheid te maken tussen de concepten van een inwonende ‘geest’ en een ziel van evolutionaire aard. De vroege mens was zeer in de war over de vraag of de geesten-ziel inheems was aan het lichaam of een externe kracht was die bezit nam van het lichaam. Het ontbreken van rationeel denken in aanwezigheid van verwarring verklaart de grove inconsistenties in de opvatting van de vroege mensen over zielen, geesten en spoken.
De ziel werd beschouwd als verwant aan het lichaam zoals de geur aan de bloem. De vroege mensen geloofden dat de ziel het lichaam op verschillende manieren kon verlaten, zoals:
- Gewoon en tijdelijk flauwvallen.
- Slapen, natuurlijk dromen.
- Coma en bewusteloosheid als gevolg van ziekte en ongelukken.
- Dood, definitief vertrek.
De vroege mensen beschouwden niezen als een mislukte poging van de ziel om uit het lichaam te ontsnappen. Omdat het lichaam wakker en alert was, kon het de ontsnappingspoging van de ziel dwarsbomen. Later werd niezen altijd vergezeld van een religieuze uiting, zoals “God zegene u!”
In de vroege evolutie werd slaap beschouwd als bewijs dat de geest-ziel afwezig kon zijn in het lichaam, en men geloofde dat deze teruggeroepen kon worden door de naam van de slaper uit te spreken of te roepen. In andere vormen van bewusteloosheid werd de ziel geacht verder weg te zijn, wellicht op zoek naar een definitieve ontsnapping – de naderende dood. Dromen werden gezien als de ervaringen van de ziel tijdens de slaap, terwijl deze tijdelijk afwezig was in het lichaam. De primitieve mens gelooft dat zijn dromen net zo reëel zijn als elk deel van zijn wakende ervaring. De vroege mensen maakten er een gewoonte van om slapers geleidelijk wakker te maken, zodat de ziel de tijd had om terug te keren naar het lichaam.
Door de eeuwen heen hebben mensen ontzag gehad voor de verschijningen van de nacht, en de Hebreeën vormden daarop geen uitzondering. Zij geloofden oprecht dat God tot hen sprak in dromen, ondanks de verboden van Mozes tegen dit idee. En Mozes had gelijk, want gewone dromen zijn niet de methoden die de persoonlijkheden van de spirituele wereld gebruiken wanneer zij proberen te communiceren met materiële wezens.
De vroege mens geloofde dat zielen dieren of zelfs levenloze objecten konden binnengaan. Dit culmineerde in de weerwolfideeën over identificatie met dieren. Iemand kon overdag een wetsgetrouwe burger zijn, maar wanneer hij in slaap viel, kon zijn ziel een wolf of een ander dier binnengaan om ’s nachts op rooftocht te gaan.
Primitieve mensen dachten dat de ziel verbonden was met de adem, en dat haar eigenschappen door de adem konden worden overgedragen. De dappere leider blies op het pasgeboren kind en schonk het zo moed. Bij de vroege christenen ging de ceremonie van het schenken van de ‘heilige geest’ gepaard met het blazen op de kandidaten. De psalmist zei: “Door het woord van de HEER zijn de hemelen gemaakt en al hun legermachten door de adem van zijn mond.” Het was lange tijd de gewoonte dat de oudste zoon probeerde de laatste adem van zijn stervende vader op te vangen.
Later werd de schaduw evenzeer gevreesd als de adem. De weerspiegeling van zichzelf in het water werd soms ook gezien als bewijs van het dubbele zelf, en spiegels werden met bijgelovig ontzag beschouwd. Zelfs nu nog keren veel beschaafde mensen de spiegel naar de muur wanneer ze sterven. Sommige achtergebleven stammen geloven nog steeds dat het maken van afbeeldingen, tekeningen, modellen of beelden de ziel geheel of gedeeltelijk uit het lichaam verwijdert; daarom zijn dergelijke dingen verboden.
De ziel werd over het algemeen gelijkgesteld aan de adem, maar verschillende volkeren lokaliseerden haar ook in het hoofd, het haar, het hart, de lever, het bloed en het vet. Het “uitroepen van Abels bloed uit de grond” is een uitdrukking van het vroegere geloof in de aanwezigheid van de geest in het bloed. De Semieten leerden dat de ziel in het lichaamsvet huisde, en voor velen was het eten van dierlijk vet taboe. Koppensnellen was een methode om de ziel van een vijand te bemachtigen, evenals scalperen. In recentere tijden worden de ogen beschouwd als de vensters van de ziel.
Zij die de leer van de drie of vier zielen aanhingen, geloofden dat het verlies van één ziel ongemak betekende, twee ziekte, drie de dood. Eén ziel leefde in de adem, één in het hoofd, één in het haar, één in het hart. Zieken werd aangeraden om in de buitenlucht rond te lopen in de hoop hun verdwaalde ziel terug te vinden. De grootste medicijnmannen zouden de zieke ziel van een zieke verruilen voor een nieuwe, de ‘wedergeboorte’.
Sommige volken ontwikkelden een geloof in twee zielen, de adem en de schaduw. De vroege Noditische volken beschouwden de mens als bestaande uit twee personen, ziel en lichaam. Deze filosofie van het menselijk bestaan werd later weerspiegeld in het Griekse standpunt. De Grieken zelf geloofden in drie zielen; de vegetatieve ziel huisde in de maag, de dierlijke in het hart en de intellectuele in het hoofd. De Eskimo’s geloven dat de mens drie delen heeft: lichaam, ziel en naam.
Samenvatting van de factoren
Als we alle elementen van de bovenstaande, lange, historische ontwikkeling samenvatten, dan zien we steeds terug:
- een onbegrijpelijke en onbegrepen wereld;
- het geleidelijk herkennen van bepaalde patronen, zonder ze werkelijk te begrijpen;
- een enorme behoefte aan verklaring van wat men denkt dat er gebeurt;
- onzekerheid en angst;
- projectie als afweermechanisme, waarbij je onbewust je eigen ongewenste gedachten en angsten gaat toeschrijven aan iets of iemand anders.
- behoefte aan controle: ik wil er grip op krijgen.
In moderne termen zien we dit samenstel van factoren ook bij bijvoorbeeld complottheorieën; volg in gedachten de 6 bullet-points hierboven.
Drie categorieën van magie en bijgeloof
We gaan in dit artikel niet veel verder in op de details van elk van de vormen van magie en bijgeloof. We rangschikken ze in drie categorieën, die elk teruggaan op de historie die hierboven beschreven is.
De illusie van controle
De overeenkomst tussen al deze vormen is dat zij een poging zijn om de veronderstelde onzichtbare ‘hogere machten’ (gunstig) te beïnvloeden of juist af te weren.
Toen mensen alleen nog in ‘geesten’ geloofden, waren religieuze rituelen persoonlijker en minder georganiseerd. Maar de erkenning van hogere geesten in twee soorten (goede en kwade geesten) maakte het noodzakelijk om ‘hogere spirituele methoden’ te gebruiken om met hen om te gaan. Deze poging om de techniek van geestenverzoening te verbeteren en uit te werken, leidde rechtstreeks tot het creëren van verdedigingsmechanismen tegen de geesten. De mens voelde zich inderdaad hulpeloos tegenover de oncontroleerbare krachten die in het aardse leven werkzaam waren, en zijn gevoel van minderwaardigheid dreef hem ertoe een compenserende aanpassing te zoeken, een techniek om de kansen gelijk te trekken in de eenzijdige strijd van de mens tegen de kosmos.
Eerst beperkten de pogingen van de mens om de werking van geesten te beïnvloeden zich nog tot verzoening, pogingen door middel van omkoping om ongeluk af te wenden, door offers bijvoorbeeld. Naarmate de geestencultus zich ontwikkelde tot het concept van goede én slechte geesten, verschoven deze ceremonies naar pogingen van een meer positieve aard, pogingen om geluk te winnen. De religie van de mens was niet langer volledig negativistisch, noch beperkte hij zich tot de poging om geluk te verkrijgen; al snel begon de mens plannen te smeden waarmee hij de medewerking van geesten kon afdwingen. De gelovige staat dan niet langer weerloos tegenover de onophoudelijke eisen van de geestenfantasieën die hij zelf heeft bedacht; de primitieve mens begint wapens uit te vinden waarmee hij geesten tot actie kan dwingen en hun hulp kan afdwingen.
Veel methoden waren gericht op afschrikking van geesten. Geesten zouden verstoord en afgeschrikt worden door lawaai; geschreeuw, bellen en trommels verdreven hen bij de levenden vandaan; en deze oude methoden zijn nog steeds in zwang bij dodenwakes. Stinkende brouwsels werden gebruikt om ongewenste geesten te verdrijven. Er werden afschuwelijke afbeeldingen van de geesten gemaakt, zodat ze in allerijl zouden vluchten als ze zichzelf zagen. Men geloofde dat honden de nadering van geesten konden detecteren en dat ze waarschuwden door te huilen; dat hanen zouden kraaien als ze in de buurt waren. Het gebruik van een haan als windwijzer is een voortzetting van dit bijgeloof.
Water werd beschouwd als de beste bescherming tegen geesten. Heilig water was superieur aan alle andere vormen, water waarin de priesters hun voeten hadden gewassen. Zowel vuur als water werden beschouwd als ondoordringbare barrières voor geesten. De Romeinen droegen water driemaal rond het lijk; in de (een-en-)twintigste eeuw wordt het lichaam besprenkeld met heilig water, en handen wassen op de begraafplaats is nog steeds een Joods ritueel. De doop was een onderdeel van het latere waterritueel; primitief baden was een religieuze ceremonie. Pas in recentere tijden is baden een hygiënische gewoonte geworden.
Maar de mens bleef niet bij het dwingen van geesten; door middel van religieuze rituelen en andere praktijken probeerde hij al snel geesten tot handelen te dwingen. Exorcisme was het inzetten van de ene geest om de andere te beheersen of te verdrijven, en deze tactieken werden ook gebruikt om geesten en spoken af te schrikken. Het dualistische concept van goede en kwade krachten bood de mens ruime gelegenheid om te proberen de ene kracht tegen de andere op te zetten, want als een machtig mens een zwakkere kon overwinnen, dan kon een sterke geest zeker een mindere geest domineren. Primitief vloeken was een dwangpraktijk bedoeld om mindere geesten te intimideren. Later breidde deze gewoonte zich uit tot het uitspreken van vloeken over vijanden.
Men geloofde lange tijd dat door terug te grijpen naar de gebruiken van de oudere zeden de geesten en halfgoden tot gewenst handelen konden worden gedwongen. De moderne mens maakt zich schuldig aan dezelfde procedure. We spreken elkaar aan in gewone, alledaagse taal, maar wanneer we bidden, grijpen we vaak terug naar de oudere stijl van een andere generatie, de zogenaamde plechtige stijl.
Vervolgens kwam de praktijk van rituele geloften, al snel gevolgd door religieuze beloften en heilige eden. De meeste van deze eden gingen gepaard met zelfkastijding en zelfverminking; later ook met vasten en gebed. Zelfverloochening werd vervolgens beschouwd als een zeker dwangmiddel; dit gold met name voor de onderdrukking van de seksualiteit. Zo ontwikkelde de primitieve mens al vroeg een uitgesproken ascetische houding in zijn religieuze praktijken, een geloof in de effectiviteit van zelfkastijding en zelfverloochening als rituelen die de onwillige geesten ertoe konden dwingen gunstig te reageren op al dat lijden en die ontbering. Uitlopers daarvan zijn in huidige tijden nog steeds ons gevoel van heiligheid bij het zien van zelfverloochening, en zelfs van celibataire priesters.
De moderne mens probeert niet langer openlijk de geesten te dwingen, hoewel hij nog steeds een neiging vertoont om met God te onderhandelen, onder andere in het vragen om dingen in gebed. En de mens vloekt nog steeds, klopt op hout, kruist zijn vingers en laat na het niesen een of andere afgezaagde zin volgen; het zijn allemaal magische formules. Volledig onnodig. De tragedie van dit alles schuilt in het feit dat, toen deze ideeën wortel schoten in het primitieve menselijke denken, er in werkelijkheid helemaal geen kwade of disharmonische geesten in de wereld bestonden. Er is daarna wel van alles misgegaan en sinds Pinksteren weer hersteld. Maar het concept van goed en kwaad als kosmische coördinaten is, zelfs in de twintigste eeuw, nog steeds springlevend in de menselijke filosofie; de meeste wereldreligies dragen nog steeds dit culturele kenmerk van de lang vervlogen tijd van de opkomende geestenculten.
De toekomst proberen te kennen
We spreken hier over een zeer uitgebreid scala van vormen van magie in de categorie waarzeggerij, wat letterlijk uiteraard betekent: inzicht krijgen in wat waar is, vooral gericht op de toekomst. Voorbeelden zijn:
- astrologie
- numerologie
- loten: het werpen van stenen, stokjes of munten
- kaarten
- dromen en droom-uitleg
- voortekenen
- lezen van ingewanden, theeblaadjes, glazen bollen etc.
- en talloze andere vormen en sub-vormen
De bedoeling van dit alles is eigenlijk tweevoudig: enerzijds natuurlijk om inzicht te krijgen in toekomstige gebeurtenissen of omstandigheden, anderzijds ook om huidig gedrag of huidige beslissingen aan te passen zodat bepaalde toekomstige gebeurtenissen vermeden worden, als zij als ongunstig worden gezien. De vraag is vervolgens hoe vermeden gebeurtenissen in eerste instantie gezien konden worden als toekomstige gebeurtenissen; maar hiermee betreden we het terrein van wetenschap en niet van magie.
Magie in een wereld vol geesten en afgoden
We kijken bij deze categorie naar magie als methode om in contact te komen of te blijven met, of juist verering uit te spreken aan:
- voorouders
- natuurgeesten
- geesten/spoken
- afgoden
- bezielde voorwerpen
- bezeten voorwerpen
- doden
Deze vormen van magie zijn niet zozeer gericht op controle over de ‘hogere machten’ maar op een vorm van magische representatie van het hogere in aardse vormen: een fetisj.
Fetisjisme
Alles wat buitengewoon was
Het concept dat een ‘geest’ bezit neemt van een levenloos object, een dier of een mens, is een zeer oud en eerbiedwaardig geloof dat al sinds het begin van de evolutie van religie bestaat. Deze leer van bezetenheid door ‘geesten’ is niets meer of minder dan fetisjisme. De vroege mens aanbidt niet per se de fetisj; hij aanbidt en vereert heel logischerwijs de ‘geest’ die erin huist.
Aanvankelijk werd de geest van een fetisj beschouwd als de geest van een dode; later werd aangenomen dat de hogere geesten in fetisjen huisden. Zo nam de fetisjcultus uiteindelijk alle primitieve ideeën over geesten, zielen en bezetenheid door demonen over.
De primitieve mens wilde altijd al van alles wat buitengewoon was een fetisj maken. Toeval gaf daarom aanleiding tot vele fetisjen. Iemand is ziek, er gebeurt iets en hij wordt beter. De toevallige gebeurtenis wordt dan snel een fetisj. Hetzelfde geldt voor de reputatie van veel medicijnen en de toevallige methoden om ziekten te behandelen. Voorwerpen die met dromen in verband werden gebracht, werden vaak tot fetisjen gemaakt. Vulkanen, maar geen bergen, werden fetisjen; kometen, maar geen sterren. De vroege mens beschouwde vallende sterren en meteoren als een teken van de komst van bijzondere bezoekende geesten op aarde.
De eerste fetisjen waren kiezelstenen met bijzondere markeringen, en sindsdien is de mens altijd op zoek geweest naar ‘heilige stenen‘; een kralenketting was ooit een verzameling heilige stenen, een amulet. Veel stammen hadden fetisj-stenen.
Vuur en water behoorden ook tot de vroege fetisjen, en vuurverering, samen met het geloof in heilig water, bestaat nog steeds.
Boomfetisjen waren een latere ontwikkeling, maar bij sommige stammen leidde de aanhoudende natuuraanbidding tot het geloof in amuletten waarin een soort natuurgeest woonde. Toen planten en vruchten fetisjen werden, waren ze taboe als voedsel. De appel was een van de eerste die in deze categorie viel; de Levantijnse volkeren aten hem nooit.
Als een dier mensenvlees at, werd het een fetisj. Zo werd de hond het heilige dier van de Parsi’s. In veel opzichten benijdden de vroege mensen de dieren; ze voelden zich niet superieur aan hen en werden vaak naar hun favoriete dieren genoemd. Toen dieren fetisjen werden, ontstonden er taboes op het eten van het vlees van het fetisjdier. Apen en makaken werden, vanwege hun gelijkenis met de mens, al vroeg als fetisjdieren beschouwd; later werden slangen, vogels en varkens op soortgelijke wijze vereerd. De koe kan een fetisj zijn, de melk taboe, en soms de uitwerpselen hoog in aanzien. De slang werd vereerd in Palestina, vooral door de Feniciërs, die, net als de Joden, de slang beschouwden als de spreekbuis van boze geesten. Zelfs veel moderne mensen geloven in de betoverende krachten van reptielen.
Bepaalde dagen van de week waren fetisjen. Vrijdag wordt al eeuwenlang beschouwd als een ongelukkige dag en het getal dertien als een onheilspellend getal. De geluksgetallen drie en zeven zijn afkomstig uit latere openbaringen; vier was het geluksgetal van de primitieve mens en is afgeleid van de vroege herkenning van de vier windrichtingen. Het werd als ongelukkig beschouwd om vee of andere bezittingen te tellen.
De primitieve mens maakte geen buitensporige fetisj van seks; de voortplantingsfunctie kreeg slechts beperkte aandacht. De primitieve mens was natuurgericht, niet obsceen of wellustig.
Speeksel was een krachtige fetisj; duivels konden worden uitgedreven door op iemand te spugen. Voor een oudere of meerdere was het een groot compliment om op iemand te spugen. Delen van het menselijk lichaam werden beschouwd als potentiële fetisjen, met name het haar en de nagels. De lange vingernagels van de stamhoofden werden zeer gewaardeerd, en de afgeknipte nagels waren een krachtige fetisj. Het geloof in schedelfetisjen verklaart veel van het latere koppensnellen. De navelstreng was een zeer gewaardeerde fetisj. Het eerste speelgoed van de mensheid was een geconserveerde navelstreng. Versierd met parels, zoals vaak gebeurde, was het de eerste halsketting van de mens.
Kinderen met een bochel of een kreupelheid werden als fetisjen beschouwd; men geloofde dat krankzinnigen door de maan waren bezeten. De primitieve mens kon geen onderscheid maken tussen genialiteit en waanzin; idioten werden ofwel doodgeslagen of vereerd als fetisjfiguren. Hysterie bevestigde steeds meer het populaire geloof in hekserij; epileptici waren vaak priesters en medicijnmannen. Dronkenschap werd gezien als een vorm van bezetenheid door een geest; wanneer een primitieve mens zich te buiten ging aan drank, stak hij een blad in zijn haar om de verantwoordelijkheid voor zijn daden te ontkennen. Gif en bedwelmende middelen werden fetisjen; men beschouwde ze als bezeten.
Veel mensen beschouwden genieën als fetisjfiguren die bezeten waren door een wijze geest. En deze getalenteerde mensen leerden al snel hun toevlucht te nemen tot bedrog en list om hun eigenbelang te dienen. Een fetisjman werd als meer dan menselijk beschouwd; hij was goddelijk, zelfs onfeilbaar. Zo verwierven stamhoofden, koningen, priesters, profeten en kerkleiders uiteindelijk grote macht en onbeperkte autoriteit.
Een verbod door Mozes
Mozes voegde het tweede gebod toe aan de oude Dalmatische morele code en probeerde zo de fetisjverering onder de Hebreeën te beteugelen. Hij gaf zorgvuldig de instructie dat ze geen enkel beeld mochten maken dat als fetisj zou kunnen worden gewijd. Hij maakte het duidelijk: “Gij zult geen gesneden beeld maken, noch enige gelijkenis van iets dat in de hemel boven, op de aarde beneden of in het water van de aarde is.” Hoewel dit gebod de kunst onder de Joden sterk afremde, verminderde het wel de fetisjverering. Maar Mozes was te wijs om de oude fetisjen plotseling te willen vervangen en stemde daarom in met het plaatsen van bepaalde relikwieën naast de wet in het gecombineerde oorlogsaltaar en religieuze heiligdom, de ark.
Heilige boeken
Woorden werden uiteindelijk fetisjen, vooral die woorden die als Gods woorden werden beschouwd. Op deze manier zijn de heilige boeken van vele religies fetisjistische gevangenissen geworden die de spirituele verbeelding van de mens gevangenhouden. De strijd van Mozes tegen fetisjen werd zelf een opperste fetisj; “Mozes heeft gezegd…” werd later gebruikt om kunst te beknotten en het genieten van en de verering van schoonheid te belemmeren.
In vroeger tijden was het fetisjistische gezag een angstaanjagende doctrine, de meest verschrikkelijke van alle tirannen die de mens tot slaaf maken. Een doctrinaire fetisj zal de sterveling ertoe brengen zichzelf te verraden in de klauwen van onverdraagzaamheid, fanatisme, bijgeloof, intolerantie en de meest gruwelijke barbaarse wreedheden. Modern respect voor wijsheid en waarheid is slechts de recente ontsnapping aan de fetisjistische neiging tot het ontwikkelen van hogere denk- en redeneerniveaus. Wat betreft de verzamelde fetisjistische geschriften die verschillende religieuzen als heilige boeken beschouwen, wordt niet alleen geloofd dat wat in het boek staat waar is, maar ook dat elke waarheid in het boek te vinden is. Als een van deze heilige boeken toevallig spreekt over een platte aarde, dan zullen anderszins verstandige mannen en vrouwen generaties lang weigeren positief bewijs te accepteren dat de planeet rond is.
De gewoonte om een van deze heilige boeken open te slaan en het oog te laten vallen op een passage waarvan het volgen belangrijke levensbeslissingen of projecten kan bepalen, is niets meer of minder dan puur fetisjisme. Een eed afleggen op een ‘heilig boek’ of zweren bij een voorwerp van opperste verering is een vorm van verfijnd fetisjisme.
Koningen en meerderheden
De insignes van priesterlijke en koninklijke ambten werden uiteindelijk als fetisjen beschouwd, en de fetisj van ‘de staat is het hoogste’ heeft vele ontwikkelingsstadia doorlopen, van clans tot stammen, van opperheerschap tot soevereiniteit, van totems tot vlaggen. Fetisjkoningen hebben geregeerd op basis van ‘goddelijk recht’, en vele andere regeringsvormen hebben bestaan. De mens heeft ook een fetisj gemaakt van democratie, de verheerlijking en aanbidding van de ideeën van de gewone mens, wanneer deze collectief ‘publieke opinie’ worden genoemd. De mening van één persoon, op zichzelf beschouwd, wordt niet als veel waard beschouwd, maar wanneer veel mensen gezamenlijk functioneren als een democratie, wordt ditzelfde, ogenschijnlijk onbeduidende oordeel beschouwd als de maatstaf voor rechtvaardigheid en de norm van rechtschapenheid.
Maar toch
Maar het is wel degelijk een echte evolutionaire vooruitgang om van de fetisjistische angst voor de nagelknipsels van een primitieve leider over te gaan naar de verering van een voortreffelijke verzameling brieven, wetten, legendes, allegorieën, mythen, gedichten en kronieken die immers de gefilterde morele wijsheid van vele eeuwen weerspiegelen, tenminste tot het moment en de gebeurtenis waarop ze als een ‘heilig boek’ werden samengesteld en zelf weer tot fetisj werden.
Om fetisjen te worden, moesten woorden als geïnspireerd worden beschouwd, maar het aanroepen van vermeende goddelijk geïnspireerde geschriften leidde rechtstreeks tot de vestiging van het gezag van de kerk, met alle gevolgen van dien.
Jezus arriveert in deze chaotische wereld
Het is onder deze omstandigheden van een mengsel van onwetendheid, verwarring en waanzin, dat Jezus op onze wereld zijn nieuwe waarheden verkondigt.
In hoofdstuk 28 lezen we:
Laat die avond gaf Jezus de verenigde groep een gedenkwaardige lezing over ‘Magie en Bijgeloof’. In die tijd werd de verschijning van een heldere en zogenaamd nieuwe ster beschouwd als een teken dat er een groot man op aarde geboren was. Nadat zo’n ster onlangs was waargenomen, vroeg Andreas aan Jezus of deze overtuigingen gegrond waren. In het lange antwoord op de vraag van Andreas begon de Meester een diepgaande discussie over het hele onderwerp van menselijk bijgeloof. De uitspraken die Jezus destijds deed, kunnen in moderne bewoordingen als volgt worden samengevat:
1. De banen van de sterren aan de hemel hebben absoluut niets te maken met de gebeurtenissen in het menselijk leven op aarde. Astronomie is een gepaste vorm van wetenschap, maar astrologie is een massa bijgelovige dwalingen die geen plaats hebben in het evangelie van het koninkrijk.
2. Het onderzoek van de inwendige organen van een onlangs gedood dier kan niets onthullen over het weer, toekomstige gebeurtenissen of de uitkomst van menselijke aangelegenheden.
3. De ‘geesten’ van de doden keren niet terug om te communiceren met hun familie of hun voormalige vrienden onder de levenden.
4. Amuletten en relikwieën zijn niet in staat ziekten te genezen, onheil af te wenden of boze ‘geesten’ te beïnvloeden; het geloof in al dergelijke materiële middelen om de spirituele wereld te beïnvloeden is niets anders dan grof bijgeloof.
5. Hoewel het werpen van loten een gemakkelijke manier kan zijn om veel kleine moeilijkheden op te lossen, is het geen methode die bedoeld is om de goddelijke wil te onthullen. Zulke uitkomsten zijn puur een kwestie van materiële toevalligheid. Het enige middel tot communicatie met de spirituele wereld is vervat in de spirituele gift aan de mensheid, de inwonende Mentor-Spirit van de Vader, samen met de geschonken Spirit [van Waarheid] van de Zoon en de alomtegenwoordige invloed van de Oneindige Spirit [de derde persoon van ‘God als drie-eenheid’].
6. Waarzeggerij, tovenarij en hekserij zijn bijgeloof van een onwetend verstand, evenals de waanideeën van magie. Het geloof in magische getallen, voortekenen van geluk en voorboden van ongeluk, is puur en ongegrond bijgeloof.
7. De interpretatie van dromen is grotendeels een bijgelovig en ongegrond systeem van onwetende en fantastische speculatie. Het evangelie van het koninkrijk moet niets gemeen hebben met de waarzeggende priesters van primitieve religie.
8. De ‘geesten’ van goed of kwaad kunnen niet verblijven in materiële symbolen van klei, hout of metaal; afgoden zijn niets méér dan het materiaal waarvan ze gemaakt zijn.
9. De praktijken van de tovenaars, de magiërs en de heksen waren afgeleid van het bijgeloof van de Egyptenaren, de Assyriërs, de Babyloniërs en de oude Kanaänieten. Amuletten en allerlei bezweringen zijn nutteloos, noch om de bescherming van goede ‘geesten’ te winnen, noch om vermeende kwade ‘geesten’ af te weren.
10. Hij ontmaskerde en veroordeelde hun geloof in spreuken, beproevingen, betovering, vervloekingen, tekenen, alruinen, geknoopte koorden en alle andere vormen van onwetend en verslavend bijgeloof.
Waarom Jezus zo radicaal brak met magie
Jezus komt deze wereld binnen. Eigenlijk zegt hij in Hoofdstuk 28 niet: “Dit is allemaal slecht.” Hij zegt eerder: “De mensheid is hier inmiddels voorbij gegroeid en ik wijs jullie het volgende deel van de weg”. De “steigers” hebben hun werk gedaan. Nu kunnen en moeten ze verdwijnen.
De moderne mens lacht misschien om:
- zwarte katten;
- hoefijzers;
- alruinen;
- ingewanden lezen.
En denkt vervolgens: “Gelukkig zijn we daar voorbij.”
Maar vervolgens:
- wordt een kristal “opgeladen” onder volle maan; of een kamer gereinigd met de rook van salie;
- wordt een algoritme gevraagd of vandaag een goede dag is; en de meubels gerangschikt volgens Feng Shui;
- wordt ‘artificial intelligence’ gebouwd en worden daar allerlei (magische) krachten aan toegekend;
- wordt een horoscoop geraadpleegd;
- wordt een tarotlegging of de I Tjing gebruikt als besluitvormingsinstrument;
- wordt een “manifestatie-ritueel” uitgevoerd alsof het een natuurwet is;
- of het tegenovergestelde: men gelooft dat puur toeval of een willekeurig getal in een AI-uitvoer een verborgen boodschap bevat.
Moderne beschaafde rassen komen net tevoorschijn uit angst voor geesten/goden als verklaring voor geluk en de alledaagse ongelijkheid van het bestaan. De mensheid is bezig zich te bevrijden van de slavernij van de spook-geest-verklaring van ongeluk. Maar terwijl mensen de onjuiste leerstelling van een spook-oorzaak van de wisselvalligheden van het leven opgeven, geven zij blijk van een verrassende bereidheid om een bijna even bedrieglijke leerstelling te aanvaarden, die hen opdraagt alle menselijke ongelijkheden toe te schrijven aan politieke misaanpassing, sociale onrechtvaardigheid en industriële concurrentie. Maar nieuwe wetgeving, toenemende filantropie en meer industriële reorganisatie, hoe goed op zichzelf ook, zullen de feiten van geboorte en de ongelukken van het leven niet verhelpen. Alleen het begrijpen van feiten en verstandige manipulatie binnen de natuurwetten zullen de mens in staat stellen te krijgen wat hij wil en te vermijden wat hij niet wil. Wetenschappelijke kennis, die tot wetenschappelijk handelen leidt, is het enige tegengif voor zogenaamde accidentele kwalen.
Jezus is geen tegenstander van de wetenschap. Hij ziet het eerder als een hulpmiddel om meer licht te brengen in de tot dan toe vrij donkere kamer van de mensheid. Maar ‘verlichting’ door feiten is maar één hulpmiddel naar hoger inzicht. Wetenschap legt als het ware een materiële bodem onder ons bestaan, zodat we minder hoeven te zweven. Het feit dat de aarde rond is en niet plat, en dat je er niet vanaf kunt vallen vanwege de zwaartekracht, geeft bijvoorbeeld een vorm van geruststelling. De wetenschappelijke bodem haalt een hoop onzekerheid weg, die tot dan toe met magie en bijgeloof beheersbaar gemaakt moest worden. De wetenschap heeft datzelfde effect gehad op allerlei uitwassen van de kerken: nieuwe feiten maakten oude rituelen of leerstellingen onnodig, niet nuttig, of zelfs licht ridicuul.
Wat zette Jezus in de plaats van het oude bijgeloof?
Maar alleen wetenschap is onvoldoende. Vanaf de andere kant, niet vanaf de wetenschappelijke bodem maar vanuit het hogere, komt ook een hulpmiddel naar hoger inzicht: openbaring. Jezus kwam hier om aan ons een hogere ‘frequentie van waarheid’ te openbaren. En de nieuwe kern daarvan was, ook in tien punten samengevat:
- er is één Bron en Centrum van al het materiële, alle mind en alle spirit;
- die Bron en Centrum kunnen wij kennen als persoon: de Universele Vader;
- de Universele Vader is aanwezig in de mind van elk van ons in de vorm van een oneindig fragment van Hemzelf: de Mentor-Spirit;
- leiding en bescherming is aanwezig en beschikbaar, niet alleen door de Mentor-Spirit, maar door diverse andere circuits zoals de Spirit van Waarheid en circuits van de moeder-spirit van dit lokale universum;
- de dood van het lichaam is reëel, maar jij leeft voort; Jezus zegt: kijk! Ik laat je zien dat ik leef, zelfs nadat men geprobeerd heeft mij te kruisigen;
- je bent veilig ingebed in een welwillend universum; er zijn geen kwade ‘geesten’ of kwade krachten; je grootste vijand is wellicht je eigen ego, maar dat kun je overwinnen;
- volg mij, ik wijs je de weg!
- maar om me te volgen, moet je een eenvoudig, simpel, bijna kinderlijk vertrouwen hebben; het vertrouwen van een kind-van-God, dat wandelt aan de hand van een liefhebbende Vader;
- dat neemt niet weg dat je zelf je leven moet leiden: je bent uitgerust met een unieke persoonlijkheid, die unieke keuzes mag en kan maken en zich daardoor kan uitdrukken in een materiële wereld, op een manier die in lijn zou moeten zijn met het grotere goddelijke plan: het hemelse koninkrijk;
- want daar ligt niet alleen de uitdaging, maar ook de beloning: de mogelijkheid tot direct en intensief contact met het goddelijke, zonder tussenkomst van kerken, priesters of rituelen; directe toegang tot het goddelijke “hemelse koninkrijk” van schoonheid, waarheid, goedheid, vergeving en Liefde.
Er bestaat wel degelijk communicatie met de spirituele werkelijkheid. Alleen verloopt die niet via magische objecten, maar via deze wegen die Jezus ons leerde.
Dat is een enorm verschil. We gaan van angst voor het onbekende naar vertrouwen in het goddelijke. De overgang is niet primair intellectueel, maar het is een andere vorm van bestaan en leven. Hieronder noemen we dit de nieuwe magische benadering.
De primitieve mens probeerde voortdurend:
- ongeluk af te wenden;
- ‘geesten’ gunstig te stemmen;
- de toekomst veilig te stellen.
Jezus nodigt uit tot iets heel anders:
- vertrouwen;
- waarheid;
- een levende relatie met God.
De steigers van primitieve religie, van magie en bijgeloof waren noodzakelijk, maar niemand blijft wonen in de steigers nadat het huis voltooid is.
Sommigen willen de steigers koste wat kost behouden. Anderen slopen de steigers en denken vervolgens dat er helemaal geen huis bestaat. Jezus doet geen van beide. Hij nodigt de mens uit het huis binnen te gaan: het hemelse koninkrijk.
Een waardevolle chaos
Er kan niet genoeg nadruk worden gelegd op twee hele belangrijke principes:
- deze hele evolutie van de menselijke mind, waarbij we uitstijgen boven de dieren en leren ‘in te tunen’ op steeds hogere frequenties van het mind-circuit, is voorzien en bedoeld in de ‘blauwdruk van menselijk leven’. Om een huis van niveau te bouwen, heb je steigers nodig. De steigers zijn vaak roestig en lelijk en zijn niet het doel van het bouwproject. Magie en bijgeloof zijn noodzakelijke hulpmiddelen voor de mensheid om ons blijvende huis te bouwen, verankerd in licht en leven. Als iemand helemaal niet nieuwsgierig wordt naar vragen zoals: wat is toeval eigenlijk? Is er leven na de dood? Kan ik invloed uitoefenen op het goddelijke? Dan is die persoon feitelijk blijven hangen op bijna-dierlijk niveau. Zelfs wanneer je zoektocht zich nu nog richt op astrologie, tarot of kristallen, ligt daarachter vaak een oprechte behoefte aan betekenis, samenhang en contact met een grotere werkelijkheid. Zulke steigers zijn dan een teken van groei en ontwikkeling, maar zijn meestal niet het eindpunt. Op een dag zijn ze niet meer nodig: droom van die dag!
- maar nogmaals: toen we het dierlijke niveau verlieten, kwamen we onvermijdelijk tegelijkertijd terecht in een lange periode van vergissingen, angst en kostbare rituelen. Het schip van de menselijke evolutie verliet als het ware de haven van puur dierlijke zelf-gerichtheid en zal blijven op die onzekere zee van angst, zoeken en bezweringen, totdat het een veilig anker van vertrouwen in ware religie en een werkelijk Gods-begrip vindt.
Door zich te richten op magie en bijgeloof ging de mind van de primitieve mens zich eindelijk bezighouden met gedachten die al zijn inherente biologische driften overstegen. Eindelijk ging de mens een levenswijze ontwikkelen die gebaseerd was op iets meer dan puur een reactie op materiële prikkels. De beginselen van een primitieve filosofische levenswijze dienden zich aan. Een bovennatuurlijke levensstandaard verscheen, want als de mind of de ‘spirit-wereld’ in woede ongeluk brengt en in vreugde geluk, dan moet het menselijk gedrag zich dienovereenkomstig aanpassen. Het concept van goed en kwaad was eindelijk geëvolueerd en vertaalde zich naar bepaald gedrag en bepaalde keuzes; en dit alles lang vóór de tijd van enige openbaring op aarde.
Met het ontstaan van deze concepten begon de lange en zinloze strijd om de altijd ontevreden ‘geesten’ te sussen, begon een slaafse gebondenheid aan evolutionaire religieuze angst, die lange verspilling van menselijke inspanning aan graven, tempels, offers en priesterschappen. Het was een verschrikkelijke en angstaanjagende prijs om te betalen, maar het was het allemaal waard, want de mens verwierf daardoor een natuurlijk besef van relatief goed en kwaad; de menselijke ethiek was geboren!
Behoud van magie in ons leven
Inleiding
Jezus wees magie en bijgeloof resoluut af. De tien punten “tegen magie” die we hierboven uit hoofdstuk 28 hebben geciteerd, laten door het gebruik van woorden zoals “absoluut niets” en “nutteloos” aan duidelijkheid niets te wensen over. We moeten niet vergeten dat hij in een wereld zonder echt wetenschappelijk onderzoek leefde, waarin mensen onnadenkend gevoelig waren voor tradities en overlevering. Om een keerpunt richting het hemelse koninkrijk te bewerkstelligen, moest Jezus krachtig positie innemen tegen het oude en nutteloze.
Het mooie van wat hij deed was dat het niet uitsluitend afwijzing en negatieve kritiek was. Hij zette er daadwerkelijk een nieuw en levend geloof voor in de plaats en gaf aan welke nieuwe bronnen van vertrouwen, richting en hoop ervoor in de plaats kwamen. Hij wees en was de weg naar het goddelijke en maakte het bereikbaar zonder nutteloze rituelen, gewaden of priesters.
Ook is het een misverstand dat Jezus alleen naar God wees, als antwoord op magie en bijgeloof. Door de oude nutteloze vormen af te wijzen, wees hij zeker niet de rijkdom van intuïtie, creativiteit, verwondering en innerlijke leiding af. Ook bepleitte hij geen levenshouding waarin alleen nog plaats is voor rationele analyse en wetenschappelijk bewijs. Wanneer de oude magische steigers worden afgebroken, hoeft het leven niet volledig rationeel, mechanisch of volledig voorspelbaar te worden. We zijn nu eenmaal geen machines of voorgeprogrammeerde computermodellen. Door de oude magie en vormen van bijgeloof af te leren, kan ruimte ontstaan voor een volwassen spirituele levenshouding waarin verstandelijk denken en wetenschap samengaan met vertrouwen, ontvankelijkheid en een levende relatie met de diepere werkelijkheid.
De rationele benadering is niet het hele leven
De moderne samenleving ontleent grote voordelen aan wetenschap, rationaliteit, planning, specialisatie en meetbaarheid. Die benadering werkt bijzonder goed bij techniek, productie, onderzoek en allerlei praktische problemen. Het is de seriële vorm van denken die heeft geleid tot de lopende banden en geautomatiseerde productielijnen van de moderne industrie. Maar wetenschap en rationaliteit zijn in onze moderne samenleving steeds meer behandeld alsof dit ook een volledige levensfilosofie kan bieden. Het leidt gemakkelijk tot een benauwd soort materialisme, waarop een ander artikel op deze website dieper ingaat. Als rationalisme je volledige levensfilosofie is geworden, dan ga je andere zeer reële menselijke ervaringen en vermogens, zoals subjectieve ervaring, intuïtie, creativiteit, dromen, inspiratie en innerlijk weten gemakkelijk in de categorie van het onbetrouwbare, onbewijsbare of zelfs irrationele duwen.
Een moderne magische benadering keert zich niet tegen het verstand of tegen wetenschap. Zij wijst erop dat rationeel denken slechts één manier is waarop de mens informatie verwerkt en richting vindt. Een levenshouding die uitsluitend daarop steunt, raakt gemakkelijk afgesneden van andere natuurlijke vermogens en probeert problemen met een instrument op te lossen dat daar niet altijd voor geschikt is.
De magische benadering als natuurlijke levenshouding
Het woord magisch wordt hier gebruikt in een heel andere betekenis dan bij de oude magie die gebeurtenissen probeerde te beheersen met rituelen, spreuken, amuletten of verborgen krachten. De magische benadering is geen techniek om de werkelijkheid naar onze hand te zetten. Zij is een natuurlijke manier van leven waarin we erop vertrouwen dat bewustzijn, lichaam, intuïtie, creativiteit en omgeving deel uitmaken van een groter samenhangend proces.
Deze benadering gaat ervan uit dat het leven niet alleen van buitenaf op ons inwerkt, maar ook van binnenuit vorm krijgt. Verlangens, intenties, overtuigingen en verwachtingen zetten processen in beweging die het rationele verstand niet volledig hoeft te kennen of persoonlijk te besturen. Dat vraagt geen goedgelovigheid, maar een open houding tegenover de bredere samenhang waarin ons denken en handelen zijn ingebed.
Het intellect hoeft het niet alleen te doen
Het intellect is een waardevol en noodzakelijk onderdeel van onze mind. Het intellect kan analyseren, vergelijken, beoordelen, doelen formuleren en bewuste keuzes maken. Maar het begrip “mind” omvat veel meer dan dat. Het bevat ook elementen als gevoel voor aanbidding en voor het wonderlijke; of elementen van wijsheid die input uit diverse bronnen kunnen coördineren en verbinden met spirituele niveaus van goedheid, schoonheid en waarheid. Het intellect is dus maar een deel van al onze mind-vermogens en bevat niet onze hele identiteit. Intellect heeft ook niet zelfstandig toegang tot alle informatie en vermogens waarover wij beschikken: mind werkt ook via zielsniveau en de ziel kan voelen, heeft intuïtie, is verbonden met en op niveaus die het intellect niet kan kennen, en kan tappen uit onmetelijke bronnen van creativiteit en bedoeling.
Wanneer het intellect denkt dat het ieder probleem alleen moet oplossen, kan het eindeloos blijven redeneren, risico’s verzamelen en denkbeeldige rampscenario’s uitwerken. Het raakt dan afgesneden van gevoelens, intuïtie, lichamelijke signalen, dromen, inspiratie en de andere delen van de persoonlijkheid die aanvullende informatie kunnen geven. Een moderne magische benadering plaatst het intellect niet buitenspel en ontkent niet zijn waarde voor bepaalde doelen of activiteiten, maar geeft het opnieuw zijn natuurlijke plaats binnen het grotere geheel van de mind.
Het intellect kan een richting kiezen en een helder doel formuleren omdat de persoonlijkheid is uitgerust met vrije wil. Vervolgens mag het intellect erop vertrouwen dat andere niveaus van de mind en het lichaam eveneens aan het werk gaan. Het hoeft niet iedere stap, samenhang of mogelijkheid vooraf te overzien of te begrijpen om toch doelgericht te kunnen handelen. Het intellect en rationeel redeneren zijn ook niet de basis van alle mind-functies. Het intellect kan beter worden gezien als een soort top-laag, bovenop een breed en verbonden fundament van verankering in het goddelijke plan en in alle elementen zoals de ziel en de mind en de Mentor-Spirit, die samenvloeien in onze persoonlijkheid. Onze persoonlijkheid is, met andere woorden, veilig ingebed in een goed georganiseerd en zorgvuldig gepland kader dat we het hemelse koninkrijk of het goddelijke plan kunnen noemen.
Vertrouwen als vorm van natuurlijk leven
Vertrouwen wordt vaak gezien als het tegenovergestelde van verstandelijk denken, maar het zijn allebei eigenschappen van de natuurlijke mens en het natuurlijke leven. Zorgen en angsten en een grote behoefte aan controle duiden vaak op een onnatuurlijke levenshouding waarbij piekeren en doemscenario’s en complottheorieën geen zinvolle functie meer hebben. Er is dan geen contact meer met het basis-vertrouwen dat als natuurlijk ontstaat uit een goed georganiseerd en zorgvuldig gepland goddelijk kader. Vergelijk het met het vertrouwen van een kind dat aan de hand van een goed organiserende en zorgvuldig plannende vader loopt.
Elk levend organisme beschikt vanaf zijn ontstaan over een enorme hoeveelheid praktische kennis die nooit bewust is aangeleerd. We plakken er vaak het woord “instinctief” op, maar dat doet geen recht aan het hoge niveau van dat soort beschikbare kennis. Cellen organiseren zich, organen werken samen, wonden genezen en het lichaam past zich voortdurend aan veranderende omstandigheden aan. En dit alles zonder dat je erover na hoeft te denken met rationeel intellect. Het rationele verstand kan deze processen bestuderen, maar hoeft ze niet zelf uit te voeren. Het rationele verstand staat regelmatig zelfs in de weg aan de natuurlijke ondersteuning van deze processen. Bijvoorbeeld door met piekeren en doemscenario’s het lichaam of bepaalde keuzes aan te vallen.
De magische benadering erkent deze natuurlijke ondersteuning. Wij zijn niet als geïsoleerde wezens in een vijandig en zinloos universum terechtgekomen, maar we worden gedragen door een veel grotere samenhang, organisatie en planning waaruit ook ons leven, onze mind en onze ontwikkelingsmogelijkheden voortkomen. Ons bestaan is veilig is ingebed in een welwillend ingericht en functionerend universum en een goddelijk ontwikkelingsplan waarin spirituele elementen zoals goedheid, schoonheid, waarheid, vergeving en liefde de realiteit vormen.
Dit basis-vertrouwen is geen garantie dat alles onmiddellijk verloopt zoals wij wensen. Het betekent ook niet dat we praktische problemen kunnen negeren. Maar het is het onderliggende vertrouwen dat ons leven betekenis heeft, dat groei mogelijk blijft en dat wij beschikken over meer innerlijke ondersteuning dan ons bewuste denken meestal beseft. Het moderne rationele denken is zelfs uitsluitend mogelijk binnen dat veel bredere kader; zonder dat kader is het vaak een angstige piekeraar.
Ontspanning, creativiteit en natuurlijke tijd
De moderne geïndustrialiseerde samenleving is sterk ingericht rond kloktijd, deadlines, productie en voortdurende meetbare activiteit. Die organisatie heeft veel mogelijk gemaakt, maar kan botsen met de natuurlijke ritmes waarin creativiteit, herstel en innerlijke groei plaatsvinden.
Creatieve oplossingen ontstaan vaak niet wanneer we onszelf dwingen nog harder na te denken, maar wanneer we een vraag tijdelijk loslaten, ontspannen, wandelen, slapen of met iets anders bezig zijn. Daarmee wordt het probleem niet ontkend. Er ontstaat ruimte waarin andere delen en lagen van de mind hun bijdrage kunnen leveren en waarin antwoorden zich kunnen vormen die het rationele denken niet rechtstreeks kon produceren. De kunstschilder die veel te veel gaat nadenken over het werk komt los van de gevoels- en ziels-lagen van de creatieve bronnen, en raakt wat we noemen “uit de flow”. Die “flow” is magisch in de betekenis die we er nu aan toekennen: een vloeiend, speels en moeiteloos contact met alle lagen van mind en ziel, op zoek naar groeiende uitdrukking van schoonheid, waarheid en andere spirituele waarden.
Die ontspanning en moeiteloosheid betekenen niet dat inspanning overbodig is. Zij betekenen wel dat inspanning niet voortdurend geforceerd hoeft te zijn en ook niet steeds verstandelijk begrepen hoeft te worden. Ware creativiteit groeit vaak uit aandacht, plezier, ontvankelijkheid en het vertrouwen dat niet ieder resultaat met mentale druk hoeft te worden afgedwongen en mentaal te beredeneren moet zijn.
De magische en rationele benadering horen samen
De magische benadering mag niet worden gebruikt als een nieuwe vorm van bijgeloof. Alleen maar wensen, visualiseren of vertrouwen zonder praktisch te (durven) handelen, levert geen volwassen spiritualiteit op. Wie financiële zekerheid zoekt, kan niet uitsluitend vertrouwen dat geld vanzelf verschijnt en tegelijk alle redelijke mogelijkheden tot werk of handelen negeren. Dat zou opnieuw een poging zijn om met een formule de werkelijkheid te manipuleren.
De rationele en magische benadering werken het beste als ze vloeiend samengaan. Het intellect formuleert intenties, maakt keuzes, onderzoekt feiten en zet concrete stappen. Tegelijk blijft de mens creatief, vanuit andere toegankelijke (hogere) bronnen, en ontvankelijk voor intuïtie, inspiratie, onverwachte mogelijkheden, innerlijke leiding en de bredere samenhang waarin die stappen worden gezet.
Het gaat dus niet om een keuze tussen wetenschap of magie, verstand of intuïtie, handelen of vertrouwen. Het gaat om het herstellen van een natuurlijke, moeiteloze flow van samenwerking tussen al onze menselijke vermogens en goddelijke circuits die elkaar aanvullen en versterken.
Een volwassen spirituele levenshouding
Het afbreken van de oude magische steigers hoeft dus niet te eindigen in een volledig onttoverde wereld. We hoeven niet terug naar astrologie, amuletten, waarzeggerij of rituelen waarmee verborgen machten zouden worden beïnvloed. Maar we hoeven ook niet te leven alsof alleen meetbare materiële oorzaken werkelijk zijn en alsof het intellect ieder probleem zelfstandig moet oplossen.
Een volwassen spirituele levenshouding behoudt het kritische denken en de kennis van de wetenschap, maar herontdekt tegelijk vertrouwen, intuïtie, creativiteit, ontspanning, verwondering en innerlijke leiding. Zij probeert het wonderbaarlijke en grotendeels onbegrepen plan van leven niet voortdurend te beheersen, maar werkt er bewust en verantwoordelijk mee samen.
De oude magie probeerde zekerheid te verkrijgen door uiterlijke machten en formules te gebruiken. Maar de magische benadering in deze nieuwe betekenis begint wanneer we zulke pogingen tot controle loslaten en opnieuw durven vertrouwen op de bredere werkelijkheid waarin wij leven. Jezus zei: om het Hemelse Koninkrijk binnen te gaan, moet je worden zoals een kind. We kunnen veel overbodig en vervuild badwater weggooien, maar Het Kind dient bij het weggooien van het badwater behouden te blijven. Het kind-van-God baseert het geloof niet op spreuken of verborgen krachten, maar op het natuurlijke besef dat wij deel uitmaken van een levend, betekenisvol, goed georganiseerd en welwillend geheel.
Verwijder de blokkades
Als de oude magie en het bijgeloof wegvallen als onnodig steigermateriaal, hoe leef ik dan?
Dit artikel geeft daarop geen uitgebreid antwoord, maar we hebben al enkele belangrijke ‘pointers’ vermeld:
- leef als een kind-van-God in vertrouwen aan de hand van een liefhebbende Vader;
- maak bewuste keuzes met de vrije wil die je hebt gekregen, maar stem ze af op het goddelijke plan;
- blijf creatief leven en respecteer verwondering met een magische benadering; intuïtie; synchroniciteit; de invloed van mind op ervaring; persoonlijke spirituele leiding; betekenisvolle gebeurtenissen hun juiste plaats geven;
Daarbij voegen we als afsluiter nog een vierde: onderzoek je ‘belief systems’. Onderzoek welke ‘vaste overtuigingen’ je hebt en of die (nog) kloppen en misschien de verkeerde effecten opleveren: verwijder de steigers, maar ook de andere blokkades die in de weg staan aan bewustzijn van de aanwezigheid van het Huis van Liefde, dat jouw natuurlijke erfenis is.
Bronnen en aanvullende inspiratie
De historische en evolutionaire beschrijving van magie, bijgeloof, geestenverering en fetisjisme in dit artikel is hoofdzakelijk gebaseerd op Papers 86, 87 en 88 van Het Urantia Boek. Enkele aanvullende elementen zijn ontleend aan Papers 89 en 90.
De samenvatting van Jezus’ uitspraken over magie en bijgeloof is afkomstig uit Hoofdstuk 28 van deze website, gebaseerd op Paper 143 van Het Urantia Boek.
Een deel van de ideeën in de sectie Behoud van magie in ons leven, met name over vertrouwen, intuïtie, natuurlijke tijd, creativiteit en de verhouding tussen de rationele en magische benadering, is geïnspireerd door The Magical Approach: Seth Speaks About the Art of Creative Living van Jane Roberts. De tekst is geheel in eigen woorden geformuleerd en binnen het kader van dit artikel verwerkt.
