Wat is scepticisme?
Scepticisme is oorspronkelijk een filosofische houding van twijfel, onderzoek en terughoudendheid. De scepticus wantrouwt stellige claims -of eigenlijk alle claims over wat als werkelijkheid wordt gepresenteerd- en vraagt zich af of mensen werkelijk in staat zijn om absolute zekerheid te verkrijgen over die werkelijkheid. In die oorspronkelijke betekenis hoeft scepticisme niet noodzakelijk vijandig te staan tegenover religie, spiritualiteit of geloof. Een zekere mate van kritische toetsing kan zelfs gezond zijn en beschermen tegen bijgeloof, misleiding, manipulatie en dogmatiek.
Ook Jezus moedigde mensen voortdurend aan om zelfstandig te denken en zich niet blind te onderwerpen aan religieuze autoriteiten, tradities of groepsdruk. Hij verzette zich regelmatig tegen verstarde systemen waarin uiterlijke religie, gevangen in vormen en tradities en vertoon, belangrijker was geworden dan innerlijke waarheid en levende spirituele ervaring. In die zin is een eerlijke zoektocht naar waarheid niet in strijd met zijn boodschap, maar kan zij er juist deel van uitmaken, zo lang er ook ruimte blijft voor geloof.
Het verhaal beschrijft bovendien hoe wetenschap, logica en rationeel onderzoek de mensheid geholpen hebben om veel angst, bijgeloof en onwetendheid achter zich te laten. Kennis van de natuur en van de werking van de materiële wereld heeft de samenleving op vele manieren vooruitgebracht. Wetenschap heeft daardoor een belangrijke en legitieme plaats binnen de menselijke ontwikkeling. Juist het opruimen van angst, bijgeloof en onwetendheid kan enorm bijdragen aan het openen van wegen tot hogere dimensies van logica, filosofie en religie.
Maar volgens het verhaal ontstaat er een probleem wanneer scepsis verandert in een wereldbeeld waarin alleen nog het materiële en zintuiglijk meetbare als werkelijk wordt beschouwd. Dan verschuift kritische toetsing langzaam naar reductionistisch materialisme: de overtuiging dat bewustzijn, liefde, goedheid, waarheid, schoonheid, religieuze ervaring en zelfs menselijke persoonlijkheid uiteindelijk niets meer zijn dan producten van chemische en biologische processen. Alles heeft dan zijn anker in het materiële en dat is een enorme verarming van de totale werkelijkheid die ook het niveau van mind en van spirit omvat.
Daarmee dreigt de mens niet alleen oude vormen van bijgeloof los te laten, maar ook het besef kwijt te raken dat er achter de -met de ogen van een lichaam- zichtbare werkelijkheid die diepere niveaus van betekenis, mind en spirit bestaan. Uiteindelijk is dat alles een kwestie van geloven en niet van bewijzen, omdat religie nu eenmaal nooit bewezen kan worden vanuit een strikt materieel bewijs-kader. Religieuze ervaring laat zich niet reduceren tot strikt materieel en zintuiglijk bewijs, omdat zij betrekking heeft op innerlijke ervaring, betekenis, bewustzijn en spirituele werkelijkheid.
Het verhaal beschrijft deze ontwikkeling naar reductionistisch materialisme niet als vooruitgang van inzicht, maar als een verenging en verarming van het menselijke wereldbeeld. Niet alleen wordt daardoor eigenlijk weer een nieuwe vorm van bijgeloof geïntroduceerd; het bijgeloof dat wat de zintuigen kunnen waarnemen en bewijzen ook de hele werkelijkheid is. Maar ook is het alsof men, bij het weggooien van het badwater van oude dwalingen, uiteindelijk ook het Kind, de wezenlijke dimensies van het menselijk bestaan, heeft weggegooid.
Scepticisme in de oudheid
Scepticisme ontstond in de Griekse filosofie van de oudheid als een stroming die twijfelde aan de mogelijkheid van absolute zekerheid. Filosofen binnen deze richting wezen erop dat menselijke zintuigen beperkt zijn en de werkelijkheid niet altijd betrouwbaar weergeven., en dat mensen daarom voorzichtig moeten zijn met stellige uitspraken over waarheid, kennis en werkelijkheid.
Binnen het klassieke scepticisme ontstonden verschillende varianten. Sommige sceptici beperkten zich tot intellectuele terughoudendheid en wilden vooral voorkomen dat mensen zichzelf gevangen zouden zetten in dogmatische overtuigingen. Andere vormen van scepticisme gingen verder en trokken uiteindelijk vrijwel alle claims over waarheid en zekerheid in twijfel.
In de Grieks-Romeinse wereld had scepticisme invloed op bredere culturele en religieuze ontwikkelingen. Traditionele religies en oude zekerheden verloren geleidelijk hun vanzelfsprekende gezag, terwijl filosofische scholen steeds meer de plaats innamen van oudere religieuze kaders. Tegelijk bood scepticisme zelf nauwelijks een duidelijke spirituele richting of een positief levensdoel. Het kon analyseren, relativeren en bekritiseren, maar had moeite om een samenhangende visie op waarheid, betekenis en menselijke bestemming op te bouwen.
Het verhaal beschrijft hoe dergelijke filosofische stromingen in de eeuwen voor Jezus sterk aanwezig waren in het Middellandse Zeegebied. In combinatie met cynisme, epicurisme en bepaalde vormen van stoïcisme droegen zij volgens het verhaal bij aan een klimaat waarin veel mensen het vertrouwen verloren in traditionele religieuze systemen, zonder dat daarvoor een diepere spirituele ervaring of innerlijke zekerheid in de plaats kwam.
Tegelijk vormde juist deze periode van intellectuele onrust ook een voorbereiding op een nieuwe benadering van religie. Oude vormen van autoriteit en traditie waren minder vanzelfsprekend geworden, waardoor ruimte ontstond voor een meer persoonlijke en innerlijke zoektocht naar waarheid, betekenis en spirituele ervaring.
Relevante Wikipedia pagina’s:
Scepticisme (NL)
Philosophical skepticism (EN)
Andere bronnen:
Internet Encyclopedia of Philosophy
Stanford Encyclopedia of Philosophy
Van rationalisme naar modern materialisme
Descartes
De overgang van een overwegend religieus wereldbeeld naar modern rationalisme en later materialisme vond niet plotseling plaats. Het was een geleidelijk cultureel en filosofisch proces dat zich over meerdere eeuwen ontwikkelde. Er was geen plotselinge “verlichting”. Een belangrijke overgangsfiguur binnen die ontwikkeling was de Franse filosoof René Descartes (1596–1650).
Descartes wordt vaak gezien als één van de grondleggers van het moderne rationalisme. Zijn beroemde uitspraak “Cogito ergo sum” — “Ik denk, dus ik ben” — werd een nieuw uitgangspunt voor het zoeken naar zekerheid. In plaats van waarheid primair te baseren op religieuze traditie, openbaring of kerkelijk gezag, probeerde Descartes een fundament te vinden dat zelfs onder de meest radicale twijfel overeind bleef.
Toch is het onjuist om Descartes voor te stellen als een zuivere atheïst of als iemand die religie volledig verwierp. Hij leefde en dacht nog sterk binnen een religieuze context. In de derde en vijfde Meditatie probeert hij argumenten te geven voor het bestaan van een welwillende God. Dit werk van Descartes draagt zelfs de ondertitel: (Meditaties…) waarin het bestaan van God en de onsterfelijkheid van de ziel worden aangetoond. Ook gebruikt hij het bestaan van een welwillende God als fundament voor het vertrouwen dat hij enige waarde kan hechten aan het beeld van de werkelijkheid dat zijn zintuigen hem verschaffen. Zonder zo’n fundament zou al zijn denken uiteindelijk nog steeds nergens op rusten — het zou immers slechts een illusie kunnen zijn dat je denkt dat je denkt; misschien een spel dat God met je speelt, of een poging zoals die van Baron Von Münchhausen om zichzelf — en het paard waarop hij zit — uit een moeras omhoog te trekken door aan zijn eigen haren te trekken.
Dat is een belangrijk historisch detail dat in moderne discussies vaak vergeten wordt. Descartes wantrouwde namelijk aanvankelijk juist de menselijke zintuigen. Hij stelde dat de zintuigen soms misleiden en dat men daarom zelfs aan de zichtbare werkelijkheid kan twijfelen. Maar uiteindelijk concludeerde hij dat een betrouwbare, welwillende God de mens wel degelijk een functionerende mind en een bruikbaar waarnemingsvermogen gegeven moest hebben. Zonder zo’n fundament -in de betrouwbaarheid en de welwillendheid van God- zou zelfs het denken uiteindelijk geen enkele vaste basis meer hebben.
Tegelijk vond bij Descartes wel een belangrijke verschuiving plaats. Het menselijke denken en de individuele rede kwamen steeds centraler te staan als methode om kennis te verkrijgen. Waar oudere religieuze wereldbeelden de mens vooral zagen als een spiritueel wezen dat ingebed is in een grotere werkelijkheid, begon het moderne rationalisme de nadruk steeds sterker te leggen op analyse, waarneming, logica en individuele deductie.
De Franse denker Blaise Pascal, een tijdgenoot van Descartes, zag scherp hoe het rationalisme langzaam begon te verschuiven van een religieus wereldbeeld naar een wereldbeeld waarin menselijke rede steeds meer op zichzelf kwam te staan. In zijn later gepubliceerde Pensées schreef hij:
“Ik kan Descartes niet vergeven. In heel zijn filosofie zou hij het liefst zonder God hebben gewerkt. Maar hij kon er niet omheen God een tikje te laten geven om de wereld in beweging te zetten; daarna had hij God niet meer nodig.”
Met deze uitspraak bekritiseerde Pascal niet zozeer het gebruik van rede of logica, maar eerder de geleidelijke neiging om God terug te brengen tot een verre eerste oorzaak, terwijl de mens vervolgens verder probeerde te bouwen op uitsluitend analyse, waarneming en denken. Daarmee werd een ontwikkeling zichtbaar die later grote invloed zou krijgen op de moderne Westerse cultuur: een geleidelijke verschuiving van een spiritueel georiënteerd wereldbeeld naar een wereldbeeld waarin menselijke rede en materiële waarneming steeds meer de hoogste autoriteit werden.
Bronnen:
Pascal’s Pensées – Project Gutenberg
Les Pensées de Pascal (Frans origineel)
Bredere reactie op misstanden en religieuze dogma’s
De latere verschuiving richting scepticisme, deïsme en rationalisme ontstond niet in een vacuüm. Veel ontwikkelde mensen reageerden niet op de levende religie van Jezus, maar op religieuze systemen die door de eeuwen heen zwaar belast waren geraakt met macht, dogma, kerkelijke belangen, religieuze oorlogen, wonderclaims, scholastieke speculatie en beroep op autoriteit. Het wantrouwen tegenover religie was daardoor niet alleen een kwestie van ongeloof, maar vaak ook een reactie op zichtbare ontsporingen van georganiseerde religie.
Het verhaal dat op deze website wordt gepresenteerd is hierin opvallend genuanceerd. De kerk wordt niet simpelweg afgewezen als iets dat nooit had mogen bestaan. Integendeel, een sociale organisatie rond de beweging van Jezus was waarschijnlijk onvermijdelijk en zelfs nuttig. Maar het probleem ontstond toen deze uiterlijke organisatie steeds meer de plaats innam van de innerlijke spirituele werkelijkheid waar Jezus over sprak:
De kerk, als sociale uitloper van het koninkrijk, zou volkomen natuurlijk en zelfs wenselijk zijn geweest. Het kwaad van de kerk was niet haar bestaan, maar eerder dat ze het door Jezus voorgestelde concept van het koninkrijk bijna volledig verdrong.
Bron: Hoofdstuk 46 – Het hemelse koninkrijk
Diezelfde gedachte komt later nog scherper terug. De tragedie was niet dat mensen vormen, gemeenschappen of instellingen nodig hadden, maar dat deze vormen de levende kern gingen vervangen:
De kerk was een onvermijdelijk en nuttig sociaal resultaat van het leven en de leringen van Jezus. De tragedie bestond uit het feit dat deze maatschappelijke reactie op de leringen van het koninkrijk het spirituele concept van het echte koninkrijk zoals Jezus dat onderwees en leefde, zo volledig verdrong.
Bron: Hoofdstuk 46 – Het hemelse koninkrijk
Vanuit die achtergrond wordt begrijpelijk waarom latere denkers zich begonnen af te keren van religieuze autoriteit. Wie religie vooral tegenkwam als macht, dogma, ritueel, dreiging, oorlogen of sociale controle, kon gemakkelijk gaan denken dat vrijheid van denken alleen mogelijk was door afstand te nemen van religie zelf. Het verhaal erkent dat de denkende mens altijd huiverig is geweest om door religie te worden vastgehouden:
De primitieve mens leefde een leven van bijgelovige slavernij aan religieuze angst. Moderne, beschaafde mensen vrezen de gedachte onder de heerschappij van sterke religieuze overtuigingen te vallen. De denkende mens is altijd bang geweest om door een religie te worden vastgehouden. Wanneer een sterke en invloedrijke religie hem dreigt te domineren, probeert hij deze steevast te rationaliseren, te traditionaliseren en te institutionaliseren, in de hoop er controle over te krijgen. Door een dergelijke procedure wordt zelfs een geopenbaarde religie door mensen gemaakt en door mensen gedomineerd. Moderne, intelligente mannen en vrouwen mijden de religie van Jezus uit angst voor wat deze hun zal aandoen en met hen zal doen. En al die angsten zijn terecht. De religie van Jezus domineert en transformeert inderdaad haar gelovigen, en eist dat mensen hun leven wijden aan het zoeken naar kennis van de wil van de Vader in de hemel en dat de energieën van het leven gewijd worden aan de onzelfzuchtige dienst aan de broederschap onder de mensen.
Bron: Hoofdstuk 71 – Na Pinksteren
Daarmee ontstaat een dubbele beweging. Aan de ene kant probeert de mens zich te bevrijden van bijgeloof, angst en kerkelijke overheersing. Aan de andere kant probeert hij ook de levende kracht van religie zelf beheersbaar te maken. Wat oorspronkelijk een persoonlijke, transformerende ervaring kon zijn, wordt dan opnieuw omgevormd tot systeem, traditie of instituut. Het verhaal ziet daarom ook waarom moderne, intelligente mensen vaak terugschrikken voor de religie van Jezus. Niet alleen omdat zij religie ouderwets vinden, maar omdat echte religie van Jezus niet vrijblijvend is. Zij raakt de hele mens en vraagt om innerlijke verandering.
Toch ligt het probleem niet alleen bij de moderne mens. Het verhaal is ook scherp over het historische christendom zelf, juist waar het de idealen van Jezus heeft verlaagd tot sociale respectabiliteit, macht, organisatie en aanpassing aan de wereld:
Het christendom heeft het gewaagd zijn idealen te verlagen onder de uitdagingen van menselijke hebzucht, oorlogswaanzin en machtswellust; maar de religie van Jezus staat er, als de onaangetaste en transcendente spirituele oproep, die het beste in de mens oproept om boven al deze erfenissen van de dierlijke evolutie uit te stijgen en, door genade, de morele hoogten van de ware menselijke bestemming te bereiken.
Het christendom wordt bedreigd door een langzame dood door formalisme, overorganisatie, intellectualisme en andere niet-spirituele tendensen. De moderne christelijke kerk is niet zo’n broederschap van dynamische gelovigen als Jezus ons voortdurend heeft opgedragen, om de spirituele transformatie van opeenvolgende generaties van de mensheid te bewerkstelligen.
Bron: Hoofdstuk 71 – Na Pinksteren
Daarom is de latere reactie tegen kerkelijke religie tot op zekere hoogte begrijpelijk. De fout zat niet in het verlangen naar helderheid, waarheid en vrijheid van denken. Jezus was zelf heel duidelijk in zijn eigen kritiek op de verstarring, tradities en ontsporingen van de Joodse religie. Rond de tijd van Descartes en de opkomst van het deïsme (zie hieronder) was eigenlijk een soortgelijke situatie ontstaan met het christendom. Afwijzen van vervormde religie was daarom een noodzakelijke correctie.
De fout ontstond pas toen men, bij het afwijzen van vervormde religie, ook het levende spirituele centrum van de boodschap van Jezus begon kwijt te raken. Zo werd het badwater van bijgeloof en dogma terecht weggegooid, maar dreigde ook het Kind verloren te gaan: de directe, innerlijke en transformerende religie van Jezus zelf.
Deïsme
Rond de tijd van Descartes en de opkomst van het rationalisme begon zich in Europa geleidelijk ook het deïsme te ontwikkelen. Het deïsme probeerde een middenweg te vinden tussen traditioneel religieus geloof en de groeiende nadruk op rede, natuurwetten en rationeel denken. God werd daarbij meestal niet volledig afgewezen, maar steeds meer gezien als een verre eerste oorzaak of scheppende intelligentie die het universum ooit in beweging had gezet, waarna de werkelijkheid grotendeels volgens vaste natuurwetten verder functioneerde.
Opmerkelijk genoeg ontstond deze tegenreactie op traditionele religie al relatief vroeg. Hoewel de daadwerkelijke invloed van kerken in grote delen van de Westerse samenleving pas vanaf de tweede helft van de twintigste eeuw sterk begon af te nemen, waren veel fundamentele ideeën van scepsis tegenover religieuze autoriteit al in de zeventiende en achttiende eeuw zichtbaar aanwezig. Kennelijk was er meer nodig dan alleen ideeën bij een intelligente voorhoede van de bevolking voordat echt massaal verzet en afkeer van de vervormde kerken plaatsvond. Misschien is dit zelfs het echte ‘bewijs’ hoe diepgeworteld de onnodige macht en tradities van de Christelijke kerken, of van bijgeloof in het algemeen, waren, en nog steeds zijn.
Deïstische denkers verwierpen meestal niet het bestaan van God zelf, maar wel het idee van voortdurende bovennatuurlijke tussenkomst, kerkelijke dogma’s, wonderverhalen en religieuze mysteriën die volgens hen niet rationeel konden worden verantwoord. Zij gingen ervan uit dat de menselijke rede voldoende was om tot een basisbegrip van God en moraal te komen.
De Engelse filosoof Thomas Hobbes, die invloed had op latere deïstische stromingen, beschreef God bijvoorbeeld vooral als de eerste oorzaak achter alle oorzaken:
“De gevolgen die wij in de natuur waarnemen, veronderstellen een kracht [in de brontekst: “power”] die deze gevolgen heeft voortgebracht; en die kracht veronderstelt weer iets bestaands dat over die kracht beschikt. En wanneer dat bestaande niet eeuwig zou zijn, moet het zelf weer voortgebracht zijn door iets dat eraan voorafging, en dat weer door iets anders daarvoor, totdat wij uitkomen bij iets eeuwigs: de eerste kracht van alle krachten en de eerste oorzaak van alle oorzaken; en dat is wat mensen begrijpen onder de naam God.”
Bron: Thomas Hobbes, Works, vol. 4, pp. 59–60, geciteerd in John Orr, English Deism.
God bleef dus nog wel bestaan, maar steeds meer als abstracte oorzaak, macht of kosmische ontwerper, en minder als een levende en direct te ervaren persoonlijkheid. Dat betekende een grote verschuiving ten opzichte van oudere religieuze wereldbeelden waarin God werd gezien als actief betrokken bij het dagelijkse leven van mensen. Ook tegenwoordig is er een sterke tendens om het goddelijke vooral te zien als “energie” (wat hetzelfde is als materie). Het wordt als een hele stap gezien om “God als daadwerkelijke persoon”, of in de woorden van Jezus als “Universele Vader” te beschouwen.
We zien die huivering in onze tijden terug in bijvoorbeeld het nummer van Joan Osborne “One of us” [Verse 2]
If God had a face, what would it look like?
And would you want to see it
If seeing meant that you would have to believe
In things like Heaven, and in Jesus and the saints
And all the prophets?
Veel deïsten beschouwden de religies van hun tijd als vervormingen van een oorspronkelijk eenvoudige en rationele religie. Zij meenden -terecht- dat priesters en religieuze instituties door de eeuwen heen allerlei dogma’s, rituelen, wonderverhalen en mysterieuze leerstellingen hadden toegevoegd om macht en controle over mensen te behouden. Binnen het deïsme ontstond daarom ook het sterk negatieve begrip “priestcraft”: het manipuleren van religie voor institutionele macht, sociale controle of persoonlijk voordeel.
De Britse schrijver Leslie Stephen beschreef in zijn History of English Thought in the Eighteenth Century hoe het Engelse deïsme zich keerde tegen openbaringsreligie, kerkelijke dogma’s en wonderclaims. Hij behandelt het deïsme daar als onderdeel van de bredere achttiende-eeuwse strijd rond rede, openbaring, kerkelijk gezag en natuurlijke religie.
Bron: Leslie Stephen, History of English Thought in the Eighteenth Century, Volume I.
Samengevat keerden veel deïstische stromingen zich vooral tegen:
- religies die claimen gebaseerd te zijn op rechtstreeks geopenbaarde heilige boeken;
- religieuze dogma’s en kerkelijke autoriteit;
- wonderen, profetieën en religieuze “mysteriën” die niet rationeel konden worden verantwoord.
Tegelijk behielden veel deïsten nog wel bepaalde religieuze uitgangspunten:
- God bestaat en heeft het universum voortgebracht;
- de mens beschikt over rede en verstand om de werkelijkheid te onderzoeken.
Het deïsme vormde daardoor een belangrijke overgangsfase tussen traditioneel religieus denken en het latere mechanistische en materialistische wereldbeeld. Het was nog geen volledig atheïsme, maar wel een stap in de richting van een visie waarin de mens steeds meer vertrouwde op waarneming, analyse en menselijke rede, terwijl het idee van een levende spirituele werkelijkheid langzaam verder naar de achtergrond verschoof.
Het mechanistische wereldbeeld
De opkomst van natuurwetenschappelijk denken betekende niet dat de grote vroege wetenschappers eenvoudigweg afscheid namen van God. Dat beeld is te eenvoudig. Isaac Newton is daarvan misschien het duidelijkste voorbeeld. Hij wordt vaak gezien als één van de grondleggers van het moderne natuurwetenschappelijke wereldbeeld, maar Newton zelf was geen materialist in de latere betekenis van dat woord. Hij hield zich intensief bezig met theologie, Bijbeluitleg en de verhouding tussen God en de natuurlijke orde.
In de General Scholium, toegevoegd aan latere edities van zijn Principia, spreekt Newton niet over een dood mechanisme zonder God, maar over een God die alle dingen bestuurt:
“Dit Wezen bestuurt alle dingen, niet als de ziel van de wereld, maar als Heer over alles.”
Bron: The Newton Project – General Scholium
Newton zag de mathematische ordening van de natuur dus niet als bewijs dat God overbodig was geworden. Integendeel, de orde van de natuur verwees voor hem naar een Goddelijke orde. De natuur was geen toevallig systeem, maar een werkelijkheid waarin wetmatigheid, structuur en een diepe orde zichtbaar werden.
Toch had de ontdekking van vaste natuurwetten een groot cultureel effect. Het universum werd steeds vaker voorgesteld als een enorme machine: een kosmisch klokwerk dat ooit door God was ontworpen en in beweging gezet, maar daarna volgens eigen vaste wetten verder liep. Dat beeld paste goed bij het deïsme. God bleef nog wel bestaan als ontwerper of eerste oorzaak, maar werd steeds minder ervaren als levende aanwezigheid of directe spirituele werkelijkheid.
Zo ontstond geleidelijk een mechanistisch wereldbeeld. Daarin werd de werkelijkheid vooral begrepen als een samenhang van materiële oorzaken en gevolgen. Alles wat gebeurde werd steeds meer gezien als het onvermijdelijke gevolg van voorafgaande oorzaken en vaste natuurwetten. De zichtbare wereld werd voorspelbaar, berekenbaar en technisch beheersbaar. Dat leverde enorme vooruitgang op in wetenschap, techniek en praktisch inzicht, maar het bracht ook een nieuwe beperking met zich mee.
Want wanneer dit mechanistische model niet alleen wordt toegepast op planeten, stenen, krachten en bewegingen, maar ook op de mens zelf, verandert het mensbeeld ingrijpend. De mens wordt dan steeds gemakkelijker gezien als een lichaam dat wordt aangestuurd door een brein, en het brein als een product van materiële processen. Liefde, waarheid, goedheid, schoonheid, religieuze ervaring en persoonlijkheid dreigen dan te worden herleid tot functies van biologie, chemie en causale processen.
De stap van Newton naar een gesloten materialistisch wereldbeeld was dus niet Newtons eigen stap, maar een latere versmalling van zijn erfenis. Newton zocht naar de orde van God in de natuur. Latere denkers namen de orde en de wetten over, maar hadden steeds minder behoefte aan de levende Bron van die orde. Zo werd het universum langzaam een soort merkloos product: een indrukwekkend klokwerk waarvan men de werking bewonderde, terwijl de Klokkenmaker steeds verder uit beeld verdween.
Daarmee was God nog niet verdwenen, maar wel op afstand geplaatst. En zodra God vooral nog een eerste oorzaak op afstand was, werd de volgende stap gemakkelijker: misschien was zelfs die eerste oorzaak niet meer nodig. Het mechanistische wereldbeeld vormde zo een belangrijke overgang van deïsme naar later materialisme. Niet doordat wetenschap zelf God weerlegde, niet omdat volgens de hoog geprezen wetenschappelijke standaarden van “bewijs” was aangetoond dat er helemaal geen Eerste Oorzaak was geweest, laat staan een Universele Vader. Maar doordat een bepaalde filosofische interpretatie van wetenschap de werkelijkheid steeds meer ging voorstellen alsof materiële oorzaak en gevolg de volledige verklaring van alles waren. En daarbij speelde natuurlijk een belangrijke rol dat je de effecten van de natuurwetten kunt zien en meten, terwijl het goddelijke onzichtbaar is voor de zintuigen en de daarop gebaseerde meetinstrumenten.
Het universum werd steeds beter voorstelbaar zonder voortdurende goddelijke betrokkenheid.
Reductionistisch materialisme
Het mechanistische wereldbeeld bleef aanvankelijk nog ruimte laten voor een scheppende intelligentie of een hogere orde achter de natuurwetten. Maar geleidelijk begon in delen van de Westerse cultuur een verdere verschuiving plaats te vinden. Niet alleen werd het universum gezien als een systeem van materiële oorzaak en gevolg; uiteindelijk begon men ook de mens zelf steeds meer uitsluitend vanuit materiële processen te verklaren.
Binnen deze benadering werd bewustzijn steeds vaker opgevat als een product van hersenactiviteit, persoonlijkheid als een gevolg van biologie en chemie, en menselijke gedachten en gevoelens als processen die uiteindelijk volledig verklaarbaar zouden zijn vanuit materiële oorzaken. Daarmee ontstond wat men reductionistisch materialisme kan noemen: de neiging om hogere dimensies van menselijk bestaan volledig terug te brengen tot lagere of puur materiële verklaringen.
Het verhaal bekritiseert niet de studie van materie of de werkelijkheid van natuurwetten, maar wel de gedachte dat materie daarmee automatisch de volledige verklaring van alles zou vormen:
“Wetenschappelijk materialisme is failliet wanneer het, tegenover ieder terugkerend verschijnsel in het universum, blijft proberen wat duidelijk hoger is te verklaren vanuit wat duidelijk lager is.”
Bron: Paper 102 – The Foundations of Religious Faith
Volgens het verhaal ontstaat hier een fundamenteel probleem rond het mensbeeld. Wanneer de mens volledig wordt gereduceerd tot een biologisch en mechanistisch systeem, wordt het steeds moeilijker om nog werkelijk ruimte te laten voor vrijheid, betekenis, morele verantwoordelijkheid, spirituele ervaring of innerlijke persoonlijkheid. Het universum kan dan wel mathematisch indrukwekkend en technisch beheersbaar lijken, maar tegelijk ook steeds onpersoonlijker en existentiëler leeg aanvoelen.
Juist in de twintigste eeuw werd deze spanning zichtbaar in stromingen zoals het existentialisme. Filosofen als Jean-Paul Sartre probeerden eerlijk onder ogen te zien wat het betekent wanneer er geen hogere betekenis, geen inherente orde en geen goddelijke grondslag meer wordt aangenomen. De mens blijft dan wel vrij, maar die vrijheid krijgt een zware en soms bijna beklemmende lading. In romans zoals La Nausée en in werken zoals L’Être et le Néant beschreef Sartre een werkelijkheid waarin de mens uiteindelijk alleen lijkt te staan in een zwijgend universum zonder vooraf gegeven betekenis.
Een zin uit La Nausée is bijvoorbeeld zijn stelling dat de mens is:
“Seul et libre. Mais cette liberté ressemble un peu à la mort.”
“Alleen en vrij. Maar deze vrijheid lijkt een beetje op de dood.”
Daarmee maakte hij de mens en onze werkelijkheid tot een bijna dood gegeven:
- vrijheid zonder fundament
- autonomie zonder hogere betekenis
- bestaan zonder vooraf gegeven betekenis en zonder hogere bedoeling
- bewustzijn dat op zichzelf wordt teruggeworpen
De mens is dan niet meer ingebed in God, kosmische betekenis, spirituele orde of objectieve bestemming. En onze vrijheid wordt daarmee absoluut maar ook leeg, ontworteld, steriel.
En Sartre was niet eens de zwartste denker. Hij probeerde eerlijk te blijven nadat hij had geconcludeerd dat er geen inherente betekenis bestond. En hij vertaalde zijn in zichzelf vrij hopeloze conclusies naar in elk geval een vorm van politiek engagement en strijd. Dat maakt hem filosofisch respectabeler dan oppervlakkig nihilisme.
Hij probeerde niet terug te vluchten in illusies, religie te veinzen of optimisme te faken. Maar hij deed een poging om menselijke vrijheid, verantwoordelijkheid en authenticiteit te redden binnen een universum zonder vooraf gegeven betekenis. Een poging die uiteindelijk moeilijk los kon komen van gevoelens van absurditeit, leegte en existentiële onzekerheid.
Voor veel moderne mensen had deze benadering ook iets aantrekkelijks. Zij bood een radicale vorm van autonomie: de mens moest niet langer leven vanuit traditie, religieuze autoriteit of vermeende kosmische bestemming, maar zelf betekenis creëren. Tegelijk bracht deze ontwikkeling ook gevoelens van leegte, vervreemding en existentiële onzekerheid met zich mee. Wanneer werkelijkheid uitsluitend wordt opgevat als materie en mechanisme, wordt het moeilijk uit te leggen waarom waarheid, schoonheid, liefde, goedheid of bewustzijn zelf meer zouden zijn dan tijdelijke bijproducten van biologische processen.
Het verhaal verwerpt daarom niet de waarde van wetenschap, analyse of rationeel onderzoek, maar wel de veronderstelling dat deze benaderingen automatisch het volledige bereik van menselijke ervaring en werkelijkheid zouden omvatten. Volgens het verhaal ontstaat juist vervorming wanneer één niveau van werkelijkheid — het materiële — zichzelf uitroept tot de volledige verklaring van het bestaan.
De grenzen van zintuiglijk bewijs
Een opvallende paradox binnen modern scepticisme is dat klassieke sceptici juist benadrukten hoe beperkt menselijke waarneming eigenlijk is, terwijl later materialistisch denken bijna het volledige bewijsmodel ging bouwen op precies diezelfde zintuiglijke waarneming en materiële meetbaarheid.
De klassieke scepticus wees erop dat menselijke zintuigen feilbaar zijn, dat interpretatie altijd meespeelt, en dat absolute zekerheid moeilijk bereikbaar is. Maar het moderne materialisme begon juist steeds meer te veronderstellen dat wat gemeten, gewogen of zintuiglijk waargenomen kan worden ook de meest betrouwbare — of zelfs de enige — vorm van werkelijkheid vertegenwoordigt.
Daarmee ontstond een diepere filosofische spanning. Religieuze ervaring, innerlijke ervaring en spirituele ervaring werden vaak afgewezen als “subjectief”, terwijl men tegelijk een groot vertrouwen bleef stellen in meetapparatuur, neurologische interpretatie en materiële observatie — alsof deze volledig neutraal en objectief zouden zijn. Maar ook waarneming via instrumenten blijft uiteindelijk afhankelijk van interpretatie door menselijke mind.
Juist de ontwikkeling van de moderne natuurkunde maakte deze vragen opnieuw ingewikkelder. Het negentiende-eeuwse mechanistische wereldbeeld suggereerde nog dat de werkelijkheid uiteindelijk volledig voorspelbaar en materieel verklaarbaar zou worden. Maar met de opkomst van quantummechanica in de twintigste eeuw begon dat beeld opnieuw te schuiven. De werkelijkheid bleek op fundamenteel niveau veel minder eenvoudig, tastbaar en deterministisch dan eerder werd aangenomen.
Veel belangrijke wetenschappers kwamen daardoor opnieuw terecht bij vragen over orde, bewustzijn, betekenis en de aard van werkelijkheid zelf. Albert Einstein bleef bijvoorbeeld benadrukken dat achter de kosmos een diepe rationele orde zichtbaar leek:
“The most incomprehensible thing about the universe is that it is comprehensible.”
“Het meest onbegrijpelijke aan het universum is dat het begrijpelijk is.”
Bron: Albert Einstein, geciteerd in Physics and Reality (1936).
Hoewel Einstein geen traditioneel religieus denker was, verzette hij zich ook tegen het idee dat de werkelijkheid uiteindelijk puur willekeurig of betekenisloos zou zijn. Zijn bekende uitspraak:
“God does not play dice with the universe.”
“God dobbelt niet met het universum.”
Bron: Briefwisseling van Einstein over quantummechanica, geciteerd in Max Born, The Born-Einstein Letters.
verwees niet zozeer naar een persoonlijke God in traditionele religieuze zin, maar wel naar zijn overtuiging dat achter de werkelijkheid een diepere orde aanwezig moest zijn.
Ook Erwin Schrödinger, één van de grondleggers van de quantummechanica, raakte steeds sterker geïnteresseerd in vragen rond bewustzijn, eenheid en de relatie tussen mind en werkelijkheid. Onder invloed van zowel natuurkunde als filosofie kwam hij tot uitspraken die ver uitstegen boven eenvoudig materialisme:
“Consciousness cannot be accounted for in physical terms. For consciousness is absolutely fundamental.”
“Bewustzijn kan niet verklaard worden in puur fysieke termen. Bewustzijn is absoluut fundamenteel.”
Bron: Erwin Schrödinger, Mind and Matter (1958).
Ook John von Neumann, één van de grootste wiskundigen en pioniers van de moderne computerwetenschap, concludeerde dat bewustzijn uiteindelijk niet eenvoudig buiten beschouwing kon blijven binnen de interpretatie van quantummechanica. Juist op de grens van materie, waarneming en bewustzijn bleek de werkelijkheid minder hard, mechanisch en objectief dan het oudere materialistische wereldbeeld had aangenomen.
Het verhaal dat op deze website wordt gepresenteerd sluit in zekere zin aan bij deze bredere ontwikkeling. Niet door wetenschap af te wijzen, maar door erop te wijzen dat materiële werkelijkheid slechts één niveau van werkelijkheid vormt. Wetenschap kan veel verklaren over mechanismen, processen en natuurwetten, maar zij kan niet automatisch alle dimensies van bewustzijn, persoonlijkheid, betekenis, waarheid, liefde of spirituele ervaring reduceren tot uitsluitend materiële oorzaken.
Volgens het verhaal ontstaat vervorming wanneer een methode die uitstekend werkt binnen het onderzoek van materie, zichzelf vervolgens uitroept tot de enige geldige manier om de volledige werkelijkheid te begrijpen.
Terugkijkend op de hele hierboven beschreven ontwikkeling, kunnen we misschien concluderen dat al deze stappen in zekere zin een noodzakelijke “huidige opstand tegen bijgeloof” zijn geweest. Iets te ver doorgeschoten wellicht, maar zeker niet hopeloos, hopelijk.
Een geïntegreerde kijk op werkelijkheid
Hoofdstuk 71 leert ons het volgende:
Negeer de waarde van je spirituele erfgoed niet, de rivier van waarheid die door de eeuwen heen stroomt, zelfs tot in de onvruchtbare tijden van een materialistisch en seculier tijdperk. Zorg ervoor dat je in al je waardige pogingen om je te ontdoen van de bijgelovige geloofsovertuigingen uit voorbije tijden, de eeuwige waarheid vasthoudt. Maar wees geduldig! Wanneer de huidige opstand tegen bijgeloof voorbij is, zullen de waarheden van het evangelie van Jezus glorieus blijven bestaan om een nieuwe en betere weg te verlichten.
Maar het heidense en gesocialiseerde christendom heeft behoefte aan nieuw contact met de compromisloze leringen van Jezus; het kwijnt weg bij gebrek aan een nieuwe visie op het leven van de Meester op aarde. Een nieuwe en vollediger openbaring van de religie van Jezus is voorbestemd om een wereld van materialistische secularisering te veroveren en een wereldwijde heerschappij van mechanistisch naturalisme omver te werpen. De aarde staat nu te trillen op de rand van een van haar meest verbazingwekkende en boeiende tijdperken van sociale heroriëntatie, morele vernieuwing en spirituele verlichting.
De leringen van Jezus, hoewel sterk gewijzigd, hebben de mysterieculten uit hun geboortetijd, de onwetendheid en het bijgeloof van de donkere middeleeuwen overleefd en zegevieren nu zelfs langzaam over het materialisme, het mechanisme en de secularisering van de twintigste eeuw. En zulke tijden van grote beproeving en dreigende nederlaag zijn altijd tijden van grote openbaring.
Religie heeft nieuwe leiders nodig, spirituele mannen en vrouwen die het aandurven om uitsluitend op Jezus en zijn onvergelijkelijke leringen te vertrouwen. Als het christendom zijn spirituele missie blijft verwaarlozen terwijl het zich blijft bezighouden met sociale en materiële problemen, moet de spirituele renaissance wachten op de komst van deze nieuwe leraren van de religie van Jezus, die zich uitsluitend zullen wijden aan de spirituele wedergeboorte van de mens. En dan zullen deze uit de spirit geboren zielen snel het leiderschap en de inspiratie leveren die nodig zijn voor de sociale, morele, economische en politieke reorganisatie van de wereld.
De moderne tijd zal weigeren een religie te accepteren die onverenigbaar is met de feiten en niet in harmonie is met haar hoogste opvattingen over waarheid, schoonheid en goedheid. Het uur is aangebroken voor een herontdekking van de ware en oorspronkelijke fundamenten van het hedendaagse vervormde en gecompromitteerde christendom – het ware leven en de leringen van Jezus.
