Artikel over de positie van het stoïcisme in de eerste eeuw en de positieve en de beperkende invloed daarvan op de ontwikkeling van het latere christendom.
Inleiding
We geven hieronder geen uitgebreide en algemene beschrijving van het stoïcisme. Er is een goede wikipedia-pagina te vinden met een breder overzicht van het stoïcisme. In dit onderwerp-artikel focussen we op de situatie in de eerste eeuw en op de invloeden van het stoïcisme op de latere ontwikkeling van het Christendom.
Stoïcisme in de bredere filosofische context van de eerste eeuw
Paper 121 — De tijd waarin het leven van Jezus zich afspeelde (121:4.3) zegt over de Stoïsche school het volgende.
Het Stoïcisme was de superieure filosofie van de betere klassen. De Stoïcijnen geloofden dat de hele natuur geregeerd wordt door een rede; dat we onderdeel zijn van een orde, die je natuur of rede of goddelijk kunt noemen. Stoïcijnen zeiden dat de ziel van de mens goddelijk is: dat de ziel gevangen zit in het ‘evil’ lichaam van de materiele natuur. En dat de ziel van de mens vrijheid kan bereiken door in harmonie te leven met de natuur, met God.
Het concept van deugen, van deugdelijke dingen doen (‘virtue’) was belangrijk. De stoïcijnen geloofden dat het beoefenen van deugdzaamheid voldoende is om eudaimonia te bereiken: een goed geleefd leven.
Je dagelijks leven dient volgens hen gewijd te zijn aan het beoefenen van vier hoofddeugden:
- voorzichtigheid
- standvastigheid
- matigheid
- rechtvaardigheid
– en aan een leven in overeenstemming met de natuur. Als je zo leeft, krijg je daar ook de beloning voor: een goed leven.
Het Stoïcisme leidde tot een hoge standaard van normen en waarden, het waren idealen die sindsdien nooit meer zijn overtroffen door een ander puur menselijk filosofisch stelsel.
Hoewel de Stoïcijnen verklaarden dat ze ‘de nakomelingen van God’ waren, slaagden zij er niet in Hem te kennen en dus slaagden zij er niet in Hem te vinden. Het Stoïcisme bleef een filosofie: het werd nooit een religie. Het essentiële verschil tussen filosofie en religie is hier: Stoïcijnen probeerden hun mind af te stemmen op de harmonie van de Universele Mind, maar het lukte ze niet om zichzelf te beschouwen als de kinderen van een liefhebbende Vader.
Paulus neigde sterk naar het Stoïcisme toen hij schreef: ‘Ik heb geleerd tevreden te zijn in elke situatie, ongeacht de omstandigheden’. Maar hij voegde wel toe: “Ik kan dit alles doen door Hem die mij kracht geeft.”
Invloed van stoïcisme op jodendom en de voedingsbodem voor latere ontwikkelingen
Paper 121 — De tijd waarin het leven van Jezus zich afspeelde (121:6.3) beschrijft ook hoe het Stoïcisme invloed had op het Joodse geloof. De hellenistische geloofsopvattingen van de Joden waren maar heel beperkt beïnvloed door de leer van de Epicuristen. Maar de invloed van de filosofie van Plato en de leer van zelfverloochening van de Stoïcijnen was wel heel groot. Die grote invloed van de leer van de Stoïcijnen zien we bijvoorbeeld in het Vierde Boek van de Maccabeeën. De invloed van de filosofie van Plato en ook van de leer der Stoïcijnen komt ook tot uiting in het boek “Wijsheid van Solomon”. De hellenistische Joden gaven een allegorische interpretatie aan de Hebreeuwse geschriften, wat betekent dat je verder kijkt dan puur de personen, dingen en gebeurtenissen, maar er een diepere mening of bedoeling achter zoekt. Daardoor konden zij zonder moeite de Hebreeuwse theologie in overeenstemming brengen met de door hen vereerde filosofie van Aristoteles (die ook vaak sprak in verhalen met een diepere bedoeling, een allegorie).
Maar dit alles leidde tot een rampzalige verwarring, totdat deze problemen ter hand werden genomen door Philo van Alexandrië. Philo ging ertoe over om de Griekse filosofie en de Hebreeuwse theologie beter op elkaar af te stemmen en ze allebei in te passen in een tamelijk goed samenhangend stelsel van religieus geloof en religieuze praktijk. En het was deze latere leer, die bestond uit een combinatie van Griekse filosofie en Hebreeuwse theologie, die in Palestina de overhand had toen Jezus leefde en zijn lessen verkondigde. En Paulus gebruikte deze leer als grondslag waarop hij zijn verdergaande en meer verlichtende cultus van het Christendom bouwde.
De latere aantrekkingskracht van stoïcische ethiek
Het stoïcisme had voor de latere verkondigers van het christendom een duidelijke aantrekkingskracht, vooral omdat het al een sterk ontwikkeld moreel kader bood. Het sprak over zelfbeheersing, plicht, deugdzaamheid, innerlijke standvastigheid en leven in overeenstemming met natuur en rede. Zulke begrippen sloten goed aan bij een Grieks-Romeinse wereld die gevoelig was voor orde, discipline en morele waardigheid.
Vooral in Rome vond deze manier van denken een vruchtbare bodem. Het verhaal beschrijft de Romeinen als een volk dat zichzelf kon besturen omdat het zichzelf had leren beheersen. In die context had het stoïcisme de Romeinse wereld al ontvankelijk gemaakt voor een boodschap die niet alleen over geloof sprak, maar ook over een hogere manier van leven.
De stoïcijnse nadruk op natuur en geweten hielp mensen om religie niet alleen te zien als ritueel of traditie, maar ook als iets dat gevolgen moest hebben voor je karakter, gedrag en innerlijke houding. Daardoor kon de latere christelijke boodschap over het Vaderschap van God en de broederschap onder de mensen gemakkelijker aansluiting vinden bij de Grieks-Romeinse wereld. Voor mensen die vertrouwd waren met de taal van deugd, wet, rede en zelfbeheersing kon het christendom daarom verschijnen als een nieuwe religieuze dimensie van een morele filosofie. De uitbreiding naar het domein van geloof en religie bevestigde en verdiepte hun al eerder geformuleerde hoogste idealen.
Daarin lag tegelijk de kracht én het risico. De stoïcische ethiek kon helpen om de boodschap van Jezus verstaanbaar te maken voor de Grieks-Romeinse wereld, maar zij kon die boodschap ook versmallen tot een systeem van morele vorming. Het risico was, met andere woorden, dat het bestaande systeem en denken van het stoïcisme de religieuze dimensie van geloof zou vernauwen en zou terugbrengen tot puur het niveau van denken en filosoferen. Waar Jezus een levende persoonlijke religie bracht, gegrond in liefde, geloof, vertrouwen en kind-schap met de Vader, lag bij het stoïcisme de nadruk vooral op karakter, plicht en beheersing.
Het verhaal maakt duidelijk dat dit verschil wezenlijk is. Moraliteit kan hoogstaand en zuiver menselijk zijn, maar zij is nog niet hetzelfde als spirituele religie. Religie versterkt en verheft de morele waarden, maar gaat daarbovenuit doordat zij de mens verbindt met God zelf. Juist daarom kon stoïcisme de weg voorbereiden, maar niet de plaats innemen van het levende geloof dat Jezus openbaarde.
De grens van stoïcische zelfbeheersing
De kracht van het stoïcisme lag in de nadruk op zelfbeheersing, innerlijke standvastigheid en trouw aan plicht. Maar precies daar lag ook de grens. Zelfbeheersing kan de mens helpen om minder slaaf te zijn van angst, begeerte en uiterlijke omstandigheden, maar zelfbeheersing is nog geen spirituele verbondenheid met God.
Hetzelfde onderscheid zien we ook terug in andere spirituele tradities die sterk gericht zijn op zelfdiscipline, onthechting of innerlijke beheersing. We zien het in de moderne belangstelling voor bijvoorbeeld yoga of mindfulness of zen. Zulke technieken kunnen leiden tot grote persoonlijke rust, concentratie en morele discipline, maar volgens het verhaal is dat op zichzelf nog niet hetzelfde als een levende verbondenheid met God. In die zin maakt het verhaal onderscheid tussen beheersing van het zelf op mind-niveau en een persoonlijke religieuze ervaring van het Vaderschap van God en het kind-schap van de mens. Bij dat laatste verlaten we het niveau van body en mind, van oefeningen en beheersing van het denken, en betreden we het spirit-domein van geloof, van religie.
Ook plicht is niet hetzelfde als liefde. Plicht kan de mens tot betrouwbaar en waardig gedrag brengen, maar liefde gaat verder. Liefde is niet alleen beheersing van het zelf, maar actieve verbondenheid met de ander en actieve verbondenheid met de Bron van alle Liefde. In de boodschap van Jezus ligt het zwaartepunt daarom niet bij het ontwikkelen van een onaantastbaar innerlijk karakter, maar bij het leren leven als kind van de Vader, in vertrouwen, dienstbaarheid en broederschap. Jezus leert ons dat wij ons leven niet uitsluitend dienen te baseren op wat verstandelijk betrouwbaar, waardig en plichtsgetrouw is, maar dat wij aansluiting kunnen zoeken en vinden bij de liefde van de Vader; Liefde als een belangrijk aspect van wat God is en van wat wij in die zin in ons leven kunnen tonen aan anderen.
Hetzelfde geldt voor het stoïcische ideaal van harmonie met natuur en rede. Dat ideaal kon een hoog moreel leven ondersteunen, maar het bleef voornamelijk een filosofische houding tegenover de werkelijkheid. Het bracht de mens niet vanzelf tot het levende besef van kind-schap met God. Harmonie is nog geen kind-schap; innerlijke orde is nog geen persoonlijke relatie met de Vader. Jezus leerde ons dat er in onze mind een Mentor-Spirit woont die ons -onder andere- voortdurend probeert te helpen met het vinden van de “Spirit van Waarheid“. Het begrip “harmonie” krijgt daardoor een andere inhoud dan een puur verstandelijk streven om niet tegen de natuurwetten of de logica van de rede in te gaan. In plaats van een voorschrift wordt het een religieus ideaal: Jezus daagt ons uit om in contact te komen en te blijven met de Bron van goddelijke harmonie, met de Bron van Waarheid, Schoonheid en Goedheid.
Door die verwarring kon de invloed van het stoïcisme op het latere christendom dubbel uitwerken. Aan de ene kant hielp het om de boodschap van Jezus begrijpelijk te maken voor de Grieks-Romeinse wereld. Aan de andere kant droeg het eraan bij dat het christendom institutioneler, moralistischer en filosofischer werd. Het geloof werd gemakkelijker geordend tot leer, plicht en karaktervorming, maar verloor daardoor delen van zijn directe spirituele ervaring, van zijn dimensie van geloof en vertrouwen en van zijn levende verbondenheid met God.
Het verhaal maakt duidelijk dat Jezus geen systeem van lichamelijke of verstandelijke zelfbeheersing bracht, maar een levende religie van vertrouwen, liefde en innerlijke verbinding met de Vader. Stoïcische zelfbeheersing kon een mens voorbereiden op het spirituele niveau, maar de bron van spirit is uitsluitend te vinden in het Goddelijke.
