Het platonisme heeft het latere christendom niet eenvoudig vervangen of overgenomen, maar het gaf wel een krachtig begrippenapparaat waarmee christelijke denkers konden spreken over onzichtbare werkelijkheid, ziel, eeuwigheid, God, waarheid en verlossing. Door de verbinding met het platonisme kreeg het christendom een vocabulaire om over zeer abstracte concepten te spreken. Niet in de zin dat uniek platonische concepten klakkeloos als christelijke leer werden overgenomen, maar wel om zulke abstracte spirituele concepten in ons denken te kunnen weerspiegelen, zij het gedeeltelijk en onvolmaakt.
Dat was waardevol. Zonder deze filosofische taal was het christendom waarschijnlijk moeilijker verstaanbaar geworden voor de Grieks-Romeinse wereld. Het platonisme hielp om de werkelijkheid achter de zichtbare wereld denkbaar te maken en bood woorden voor de overtuiging dat het materiële niet het laatste en hoogste is.
Maar dezelfde ontwikkeling had ook een prijs. De boodschap van Jezus werd steeds vaker uitgelegd in termen van systemen, begrippen, tegenstellingen en leerstellingen. De levende ervaring van vertrouwen, liefde, kind-schap met God en dienstbaarheid kon daardoor gemakkelijk worden overschaduwd door abstracte discussies over natuur, substantie, ziel, lichaam, eeuwigheid en verlossing.
Inleiding
Het platonisme was in de tijd van Jezus een van de meest invloedrijke filosofische stromingen in het oostelijke deel van het Romeinse Rijk. In het verhaal wordt het platonisme niet zozeer behandeld als een schoolsysteem, maar als een diep doorwerkend denkkader dat het religieuze, morele en spirituele denken van joden en niet-joden sterk heeft beïnvloed.
Het christendom is in al zijn denken en begrippen uiteindelijk een mengsel geworden van allerlei denkkaders en opvattingen. Sommige daarvan waren een goede interpretatie van wat Jezus ons probeerde te leren; andere waren duidelijke vervormingen, af en toe zelfs met minder oprechte bedoelingen.
Neem alleen al het begrip “God”. Het christelijke godsbeeld is een poging om drie afzonderlijke leerstellingen te combineren:
- Het Hebreeuwse concept – God als verdediger van morele waarden, een rechtvaardige God.
- Het Griekse concept – God als een verenigende God, een God van wijsheid.
- Het concept van Jezus – God als een levende vriend, een liefdevolle Vader, de goddelijke aanwezigheid.
Het is daarom duidelijk waarom de samengestelde christelijke theologie grote moeite heeft om consistentie te bereiken. Deze moeilijkheid wordt nog verergerd door het feit dat de doctrines van zelfs het vroege christendom over het algemeen gebaseerd waren op de persoonlijke religieuze ervaring van drie verschillende personen: Philo van Alexandrië, Jezus van Nazareth en Paulus van Tarsus. Bron.
In dit onderwerp-artikel concentreren we ons op de invloed van het platonisme, al ten tijde van Jezus, maar ook later in de ontwikkeling van het christendom en de kerkelijke leer.
Oorsprong en kern van het platonisme
Het platonisme is gebaseerd op de leer van Plato (ca. 428–348 v.Chr.) en werd in latere eeuwen verder ontwikkeld door zijn volgelingen. Centraal staat het onderscheid tussen de zichtbare, veranderlijke wereld en een hogere, onzichtbare werkelijkheid van eeuwige vormen of ideeën. De materiële wereld werd gezien als een afschaduwing van een hogere, meer werkelijke werkelijkheid.
Voor een algemeen overzicht van deze filosofie:
Platonisme als religieus denkkader
In het verhaal wordt benadrukt dat het platonisme niet louter filosofisch bleef, maar diep doordrong in religieus denken. De nadruk op een hogere werkelijkheid, een onsterfelijke ziel en een morele orde die boven de materiële wereld uitstijgt, sloot aan bij bestaande religieuze verwachtingen en bereidde veel mensen intellectueel voor op spirituele concepten.
Volgens het voorwoord bij het verhaal werd het joodse denken in de hellenistische wereld zeer sterk beïnvloed door zowel Plato als de Stoïcijnen. Deze invloeden zijn duidelijk zichtbaar in geschriften zoals de Wijsheid van Salomo, waarin platonische ideeën worden vermengd met joodse theologie.
Het platonisme droeg bij aan het ontstaan van een sterk dualistisch wereldbeeld: spirit tegenover materie, ziel tegenover lichaam, hemel tegenover aarde. Deze denkstructuur werd later overgenomen in delen van het christelijke denken, vaak zonder dat zij expliciet als platonisch werd herkend.
Het verhaal suggereert dat deze invloed enerzijds hielp om onzichtbare spirituele werkelijkheden voorstelbaar te maken, maar anderzijds ook het gevaar in zich droeg dat het aardse leven en het lichaam als minderwaardig werden gezien.
Hoewel het platonisme een hoogstaand filosofisch systeem was, bleef het volgens het verhaal uiteindelijk intellectueel en abstract. Het bood een verheven visie op waarheid en werkelijkheid, maar geen levende religie en geen persoonlijke relatie met God. De mens werd aangespoord om het hogere te contempleren, maar niet om God als een liefhebbende Vader te ervaren.
In vergelijking met:
- Stoïcisme (morele discipline en plicht)
- Cynisme (radicale eenvoud en maatschappelijke kritiek)
- Epicurisme (rust en het vermijden van angst)
biedt het platonisme vooral een metafysisch kader. Het verklaart de structuur van de werkelijkheid, maar niet de dynamiek van liefde, vertrouwen en persoonlijke groei die centraal staat in het leven en de boodschap van Jezus.
Philo van Alexandrië
De gehelleniseerde Joodse overtuigingen werden weinig beïnvloed door de leer van de Epicureërs. Maar ze werden wel degelijk sterk beïnvloed door de filosofie van Plato en de leer van zelfverloochening van de Stoïcijnen. De grote invloed van het Stoïcisme wordt geïllustreerd door het Vierde Boek der Makkabeeën; de doordringing van zowel de Platonische filosofie als de Stoïcijnse leer is te zien in de Wijsheid van Salomo. De gehelleniseerde Joden gaven de Hebreeuwse geschriften zo’n allegorische interpretatie dat ze geen moeite hadden om de Hebreeuwse theologie in overeenstemming te brengen met de door hen vereerde filosofie van Aristoteles, een leerling van Plato’s academie in Athene. Dit alles leidde echter tot een rampzalige verwarring, totdat deze problemen werden aangepakt door Philo van Alexandrië, die de Griekse filosofie en de Hebreeuwse theologie harmoniseerde en systematiseerde tot een compact en redelijk consistent systeem van religieuze overtuiging en praktijk. En het was deze latere leer van de gecombineerde Griekse filosofie en Hebreeuwse theologie die in Palestina heerste toen Jezus leefde en onderwees, en die Paulus gebruikte als fundament voor zijn meer geavanceerde en verlichtende christelijke stroming.
Philo was een groot leraar; sinds Mozes had er geen man geleefd die zo’n diepgaande invloed had uitgeoefend op het ethische en religieuze denken van de westerse wereld. Veel, maar niet alle, inconsistenties van Philo, voortkomend uit een poging om de Griekse mystieke filosofie en de Romeinse stoïcijnse doctrines te combineren met de legalistische theologie van de Hebreeën, herkende Paulus en schrapte hij wijselijk uit zijn prechristelijke basistheologie.
Het Evangelie van Johannes, het laatste van de verhalen over het aardse leven van Jezus, was gericht aan de westerse volkeren en presenteert zijn verhaal grotendeels vanuit het perspectief van de latere Alexandrijnse christenen, die ook discipelen waren van de leer van Philo.
Van Augustinus tot Thomas Aquino
Via de neoplatonist Plotinus ontwikkelde het platonisme zich steeds meer in mystieke en metafysische richting. Werkelijkheid werd opgevat als een hiërarchie van niveaus die voortkwamen uit het Ene, de hoogste en volmaakte bron van alle bestaan. De menselijke ziel werd gezien als geroepen om zich los te maken van het lagere en terug te keren naar deze hogere werkelijkheid. Deze manier van denken beïnvloedde later onder meer Augustinus en daarmee grote delen van de christelijke theologie.
Augustinus van Hippo leefde van 354 tot 430 n.Chr. Hij werd geboren in Noord-Afrika, in het huidige Algerije, en werd later bisschop van Hippo. Hij behoort tot de invloedrijkste denkers uit de geschiedenis van het westerse christendom. Zijn bekering tot het christendom werd mede voorbereid door zijn kennismaking met het neoplatonisme, dat hem hielp om God niet langer lichamelijk of materieel te denken, maar als hoogste, onzichtbare en spirituele werkelijkheid. Hij werd sterk beïnvloed door de platonische opvatting dat de ware werkelijkheid onzichtbaar is en dat, als het zichtbare het onzichtbare weerspiegelt, dit slechts gedeeltelijk en onvolmaakt gebeurt.
Bij Augustinus kreeg deze invloed onder meer vorm in:
- de gedachte dat de mens God vooral leert kennen door een innerlijke zoektocht naar hogere waarheid; zie ook het citaat hieronder;
- een scherpere tegenstelling tussen ziel en lichaam dan in de oorspronkelijke boodschap van Jezus centraal staat;
- een neiging om de zichtbare wereld symbolisch of allegorisch te lezen als verwijzing naar hogere werkelijkheid;
- een meer abstracte taal over zonde, genade, verlossing en eeuwigheid; door de link te leggen naar het Platonisme, gaf Augustinus aan het vroege christendom een vocabulaire om over zeer abstracte concepten te spreken. Niet in de zin dat uniek Platonische concepten klakkeloos als katholieke leer werden overgenomen. Maar wel om die zeer abstracte concepten in ons denken te kunnen weerspiegelen (zij het gedeeltelijk en onvolmaakt);
- het onderscheid tussen de aardse stad (de samenleving -en ook de kerk- die wij op aarde bouwen) en de stad van God (vergelijkbaar met het Hemelse Koninkrijk); waarbij hij dus accepteerde dat onze aardse werkelijkheid maar gedeeltelijk en onvolmaakt het hemelse weerspiegelt. Maar wel ziet hij de (ideale) kerk als een hemelse stad of een hemels koninkrijk, geregeerd door liefde, dat uiteindelijk zal zegevieren over alle aardse rijken die zelfzuchtig zijn en door trots worden beheerst. Jezus sprak overigens nooit over een dergelijk “zegevieren” van het hemelse over het aardse.
Over die innerlijke zoektocht, blijft Augustinus aangeven dat het werkelijke en het goddelijke niet in de buitenwereld (de ruimte van plaatsen) is te vinden, maar dat de mind contact kan maken met zijn bewoner (vergelijkbaar met het begrip Mentor-Spirit waarover Jezus spreekt):
Herken daarom wat de hoogste geschiktheid is. Ga niet naar buiten, keer terug naar jezelf; de waarheid woont in de innerlijke mens; en als je merkt dat je natuur veranderlijk is, overstijg jezelf dan ook. (…) Belijd dat jij het niet bent wat het is: want het zoekt zichzelf niet; maar je bent ertoe gekomen door te zoeken, niet door de ruimte van plaatsen, maar door de genegenheid van de mind, zodat de innerlijke mens zelf zijn bewoner kan ontmoeten, niet in het laagste en vleselijke, maar in het hoogste en spirituele genot. [Augustinus – De vera religione (Latijnse tekst), hoofdstuk 39]
Deze ontwikkeling had twee kanten. Enerzijds gaf Augustinus het christendom een indrukwekkende intellectuele diepte. Hij hielp om het geloof te doordenken in een taal die aansloot bij de grote filosofische tradities van de Grieks-Romeinse wereld.
Anderzijds werd de eenvoudige en directe boodschap van Jezus daardoor ook steeds meer ingebed in een abstract systeem van begrippen, tegenstellingen en leerstellingen. Als een voorbeeld van dat laatste kan gelden de volledig andere kijk van Augustinus op de rol van Maria, de moeder van Jezus. Zijn uitspraken over Maria overtreffen in aantal en diepgang die van andere vroege schrijvers. Zelfs vóór het Concilie van Ephesus verdedigde hij de “altijd-maagd Maria als de Moeder van God”, in de overtuiging dat zij “vol genade” was (in navolging van eerdere Latijnse schrijvers zoals Hiëronymus) vanwege haar seksuele integriteit en onschuld.[De Sancta Virginitate, 6,6, 191.] Evenzo bevestigde hij dat de Maagd Maria “als maagd ontvangen heeft, als maagd gebaard heeft en voor altijd maagd is gebleven”. [De Sancta Virginitate, 18]
Later bracht Thomas van Aquino in de dertiende eeuw opnieuw een grote synthese tot stand tussen christelijke theologie en Griekse filosofie. Bij hem stond niet Plato maar vooral Aristoteles centraal. Toch past ook Thomas in dezelfde bredere beweging: het christendom werd steeds systematischer uitgewerkt met behulp van filosofische categorieën. Dat gaf helderheid en samenhang, maar vergrootte ook de afstand tussen de levende lessen van Jezus en de latere kerkelijke leerstelsels.
Platonisme voor het volk?
Het is buiten de strekking van dit onderwerp-artikel om de hele ontwikkeling van platonisme te beschrijven. Het gaat ons hier om de invloed ervan op de ontwikkeling van het christendom. En die invloed van het platonisme op het latere christendom was zo groot dat de filosoof Friedrich Nietzsche het christendom ooit omschreef als: “Platonisme voor het volk” (Christentum ist Platonismus für’s Volk, in Jenseits von Gut und Böse, 57 + 202):
Bereits in der Vorrede stellte Nietzsche fest: Christentum ist Platonismus für’s Volk, Religion habe die Funktion, ein Weltbild zu erzeugen, mit dem die breite Masse geführt und reguliert werden könne. Das Christentum erzeuge eine „Moral des gemeinsamen Mitleidens“.
Nietzsche stelde al in het voorwoord: Het christendom is platonisme voor het volk. Religie heeft de functie een wereldbeeld te creëren waarmee de massa kan worden geleid en gereguleerd. Het christendom schept een “moraal van collectief medelijden”. (en dan bedoelt Nietzsche “medelijden” niet vriendelijk maar juist neerbuigend)
Met die uitspraak over christendom als platonisme voor het volk, bedoelde Nietzsche dat veel christelijke ideeën over hemel en aarde, ziel en lichaam, eeuwigheid en hogere werkelijkheid sterk verwant waren geraakt aan het denken van Plato en zijn latere volgelingen. Die observatie is, zoals we hierboven beschreven, niet volledig onjuist. Begrippen zoals ziel, eeuwige werkelijkheid, onzichtbare waarheid en hogere spirituele orde werden onderdeel van de christelijke taal en theologie.
Tegelijk gaat Nietzsche met zijn uitspraak ook veel te ver. Het christendom is niet eenvoudig een vereenvoudigde versie van Plato’s filosofie voor degenen die het origineel niet kunnen begrijpen en (daarom) geleid en gereguleerd moeten worden. De kern van de boodschap van Jezus draait niet om ontsnapping uit de materiële wereld door filosofische contemplatie, maar om een levende relatie met God, vertrouwen, liefde, dienstbaarheid en innerlijke spirituele groei binnen het dagelijkse menselijke leven. Jezus bepleitte juist eenvoud, sprak graag tegen eenvoudige mensen, en legde ook uit dat zij die bereid waren eenvoudig te zijn, of te worden, het eenvoudigste de toegang tot het Hemelse Koninkrijk konden vinden.
Juist daarin ligt dus een belangrijk verschil. Plato richtte zich vooral op kennis van hogere werkelijkheid; filosofie is nu eenmaal vooral “denken” en geen religie. Jezus richtte zich op de persoonlijke ervaring van het kind-schap met God en op geloof; het soort geloof en vertrouwen dat een kind heeft als het loopt aan de wijze hand van vader. Plato sprak over opstijging van de ziel naar het hogere; Jezus sprak over het binnengaan van het Hemelse Koninkrijk door geloof en liefde en door de bereidheid om onze vrije wil te richten op het doen van de wil van God. Het platonisme zocht waarheid vooral via filosofisch inzicht; het niveau van mind en denken. Jezus verbond waarheid met levende spirituele ervaring; het niveau van spirit.
Toch blijft Nietzsches uitspraak waardevol als waarschuwing. Zij helpt zichtbaar maken hoe gemakkelijk religie kan veranderen wanneer zij steeds meer wordt uitgedrukt in abstracte filosofische systemen. De eenvoudige en directe boodschap van Jezus werd in latere eeuwen steeds vaker besproken in termen van metafysica, dogma, essentie, substantie, natuur en eeuwige vormen. Daardoor ontstond niet alleen intellectuele verdieping, maar soms ook een groeiende afstand tot de oorspronkelijke eenvoud van de lessen van Jezus en van zijn leven.
Het probleem ligt daarom niet in het bestaan van filosofisch denken zelf. Filosofie kan helpen om abstracte spirituele werkelijkheden onder woorden te brengen en intellectueel bespreekbaar te maken. Maar wanneer het begrippenapparaat belangrijker wordt dan de levende spirituele werkelijkheid waarnaar het probeert te verwijzen, ontstaat het gevaar dat de filosofische schaduw belangrijker wordt dan het levende licht zelf. En dat het platonisme wordt gezien als hoger dan het christendom, dat “slechts” een vereenvoudigd, afgeleid wereldbeeld voor het volk zou zijn.
Wat Plato gaf — en wat verloren ging
Het platonisme heeft het latere christendom niet eenvoudig vervangen of overgenomen, maar het gaf wel een krachtig begrippenapparaat waarmee christelijke denkers konden spreken over onzichtbare werkelijkheid, ziel, eeuwigheid, God, waarheid en verlossing. Door de verbinding met het platonisme kreeg het christendom een vocabulaire om over zeer abstracte concepten te spreken. Niet in de zin dat uniek platonische concepten klakkeloos als christelijke leer werden overgenomen, maar wel om zulke abstracte spirituele concepten in ons denken te kunnen weerspiegelen, zij het gedeeltelijk en onvolmaakt.
Dat was waardevol. Zonder deze filosofische taal was het christendom waarschijnlijk moeilijker verstaanbaar geworden voor de Grieks-Romeinse wereld. Het platonisme hielp om de werkelijkheid achter de zichtbare wereld denkbaar te maken en bood woorden voor de overtuiging dat het materiële niet het laatste en hoogste is.
Maar dezelfde ontwikkeling had ook een prijs. De boodschap van Jezus werd steeds vaker uitgelegd in termen van systemen, begrippen, tegenstellingen en leerstellingen. De levende ervaring van vertrouwen, liefde, kind-schap met God en dienstbaarheid kon daardoor gemakkelijk worden overschaduwd door abstracte discussies over natuur, substantie, ziel, lichaam, eeuwigheid en verlossing.
Daarmee wordt duidelijk wat het platonisme gaf en wat het veranderde. Het gaf diepte, taal en intellectuele samenhang. Maar het veranderde ook de toon van de boodschap. Wat bij Jezus begon als een directe oproep tot een levende relatie met de Vader, werd in latere eeuwen vaak een theologisch systeem, een intellectueel concept, waarin de oorspronkelijke eenvoud minder goed zichtbaar bleef.
De taak van de lezer is daarom niet om alle latere filosofische invloeden simpelweg af te wijzen. Dat zou opnieuw een vorm van versimpeling zijn. Het gaat erom te leren onderscheiden. Waar filosofische taal helpt om spirituele werkelijkheid helderder te zien, is zij waardevol. Waar zij de levende werkelijkheid vervangt door abstracte constructies, wordt zij een vervorming.
Zo kan het platonisme vandaag nog steeds nuttig zijn als hulpmiddel, maar niet als uitgangspunt. Het helpt ons te begrijpen waarom het latere christendom werd zoals het werd. Maar om de oorspronkelijke lessen van Jezus opnieuw te begrijpen, moeten we steeds terugkeren naar de eenvoud van zijn leven, zijn vertrouwen in de Vader, zijn verkondiging van het Hemelse Koninkrijk, en zijn oproep tot levende spirituele ervaring in het dagelijkse menselijke bestaan.
