Menselijke identiteit is groter dan één tijdelijk lichaam en ook groter dan één enkele aardse rol. In het kosmische perspectief zien we overal, tot op het hoogste niveau, de uitgaande/scheppende impuls complementair samenwerken met een gelijkwaardige ontvangende/reagerende component.

Inleiding

Het is bijna onvermijdelijk dat wat wij “mannelijk en vrouwelijk” noemen, is gekoppeld aan vormen van lichamen die we waarnemen op materieel niveau, met onze zintuigen, en aan opvattingen over mannelijke rollen, vrouwelijke rollen, mannelijkheid en vrouwelijkheid. Die laatste opvattingen zijn zoals altijd sterk gekleurd en tot op zeker niveau vervormd door de geschiedenis, door tradities, door angst, door machtsvraagstukken…(etc.)

Vanuit een meer algemeen en kosmisch perspectief ziet het beeld er heel anders uit. Neem bijvoorbeeld de vraag: “als we doorleven nadat we dit lichaam hebben achtergelaten, zoals Jezus ons heeft laten zien, hoe is het dan met mannelijk/vrouwelijk?” Een interessante vraag, maar als je hierin echt wil doordringen, dan is een brede aanloop vereist. In dit artikel doen we een poging om dat andere beeld te schetsen.

We beginnen vanuit het perspectief van de historie en tradities. De teksten van de volgende drie hoofdstukken zijn een volledig gemoderniseerde en zelfstandig tot stand gebrachte Nederlandse vertaling van Paper 84. Let wel: dit is een beschrijving van de historie en niet noodzakelijkwijs hoe het nu is of zou moeten zijn of zou kunnen zijn. De brontekst is ook uit 1935 🙂

Historische ontwikkeling

84:4 | De positie van de vrouw in de vroege samenleving

Over het algemeen is de positie van de vrouw in ieder tijdperk een goede maatstaf voor de evolutionaire ontwikkeling van het huwelijk als sociale instelling, terwijl de ontwikkeling van het huwelijk zelf weer een redelijk nauwkeurige graadmeter vormt voor de vooruitgang van de menselijke beschaving.

De status van de vrouw is altijd een sociale paradox geweest. Zij is altijd scherpzinnig geweest in haar omgang met mannen; zij heeft de sterkere seksuele drang van de man vaak gebruikt ten bate van haar eigen belangen en vooruitgang. Door subtiel gebruik te maken van haar seksuele aantrekkingskracht is zij er dikwijls in geslaagd een overheersende invloed op mannen uit te oefenen, zelfs wanneer zij door hen in vernederende slavernij werd gehouden.

In vroege tijden was de vrouw voor de man niet in de eerste plaats een vriendin, geliefde, minnares of partner, maar eerder een stuk bezit, een dienares of slavin, en later een economische partner, een stuk speelgoed en de moeder van zijn kinderen. Toch heeft bij juiste en bevredigende seksuele verhoudingen het element van keuze en medewerking van de vrouw altijd een rol gespeeld, en hierdoor hebben intelligente vrouwen vaak een aanzienlijke invloed gehad op hun directe persoonlijke positie, ongeacht de sociale status van hun sekse. Maar het wantrouwen en de achterdocht van de man werden er niet minder op, doordat vrouwen zich voortdurend gedwongen zagen hun toevlucht te nemen tot sluwheid om hun afhankelijkheid enigszins te verlichten.

De seksen hebben grote moeite gehad elkaar werkelijk te begrijpen. De man vond het moeilijk de vrouw te begrijpen en beschouwde haar met een vreemd mengsel van onwetend wantrouwen en angstige fascinatie, zo niet met achterdocht en geringschatting. Veel overleveringen van stammen en volken schreven rampspoed toe aan Eva, Pandora of een andere vertegenwoordigster van het vrouwelijk geslacht. Deze verhalen werden bijna altijd zo verdraaid dat het leek alsof de vrouw het kwaad over de man had gebracht. En dit alles wijst op het vroegere vrijwel algemene wantrouwen tegenover vrouwen. Een van de argumenten ter ondersteuning van een celibatair priesterschap was de vermeende minderwaardigheid van de vrouw. Het feit dat de meeste zogenaamde heksen vrouwen waren, verbeterde de oude reputatie van haar sekse niet bepaald.

Mannen hebben vrouwen lange tijd als vreemd en zelfs als abnormaal beschouwd. Zij hebben zelfs geloofd dat vrouwen geen ziel hadden. Daarom kregen zij geen namen. In vroege tijden bestond er grote angst voor de eerste seksuele relatie met een vrouw. Hieruit ontstond de gewoonte dat een priester de eerste geslachtsgemeenschap met een maagd had. Men dacht zelfs dat de schaduw van een vrouw gevaarlijk was.

Lange tijd werd algemeen aangenomen dat het baren van een kind een vrouw gevaarlijk en onrein maakte. Veel stamgebruiken schreven daarom voor dat een moeder na de geboorte van een kind uitgebreide zuiveringsrituelen moest ondergaan. Behalve bij groepen waar de echtgenoot aanwezig was bij de bevalling, werd de aanstaande moeder meestal gemeden en alleen gelaten. Oude volkeren vermeden het zelfs om een kind in huis geboren te laten worden. Uiteindelijk mochten oudere vrouwen de moeder tijdens de bevalling helpen, en uit deze praktijk ontstond later het beroep van vroedvrouw. Tijdens bevallingen werden talloze dwaze dingen gezegd en gedaan in een poging de geboorte gemakkelijker te maken. Het was gebruikelijk de pasgeborene met gewijd water te besprenkelen om inmenging van boze “geesten” te voorkomen.

Bij onvermengde stammen verliep een bevalling betrekkelijk gemakkelijk en duurde zij slechts twee of drie uur. Bij gemengde rassen ging dit zelden zo eenvoudig. Wanneer een vrouw tijdens de bevalling stierf, vooral bij de geboorte van een tweeling, geloofde men dat zij overspel met “geesten” had gepleegd. Later beschouwden meer ontwikkelde stammen de dood in het kraambed als de wil van de hemel. Zulke moeders werden geacht voor een nobele zaak gestorven te zijn.

De zogenaamde vrouwelijke zedigheid met betrekking tot kleding en het ontbloten van het lichaam ontstond uit de dodelijke angst om tijdens de menstruatie gezien te worden. Zo gezien worden gold als een zware zonde, de overtreding van een taboe. Volgens de gewoonten van vroegere tijden werd iedere vrouw, vanaf haar puberteit tot aan het einde van haar menstruerende levensfase, gedurende een volle week per maand volledig afgezonderd van het familie- en sociale leven. Alles wat zij aanraakte, waarop zij zat of lag, werd als “verontreinigd” beschouwd. Lange tijd was het gebruikelijk een meisje na iedere maandelijkse periode meedogenloos te slaan in een poging de boze “geest” uit haar lichaam te verdrijven. Maar wanneer een vrouw de leeftijd van het krijgen van kinderen voorbij was, werd zij meestal met meer respect behandeld en kreeg zij meer rechten en voorrechten. Alles in aanmerking genomen, is het niet vreemd dat op vrouwen werd neergekeken. Zelfs de Grieken beschouwden een menstruerende vrouw als een van de drie grote oorzaken van verontreiniging; de andere twee waren varkensvlees en knoflook.

Hoe dwaas deze oude ideeën ook waren, zij hadden wel enig gunstig effect doordat overwerkte vrouwen, tenminste toen zij jong waren, iedere maand een week van welkome rust en nuttige overpeinzing kregen. Zo konden zij zich beter voorbereiden op de omgang met hun mannelijke partners gedurende de rest van de tijd. Deze afzondering van vrouwen beschermde ook mannen tegen seksuele onmatigheid, waardoor zij indirect bijdroeg aan beperking van de bevolking en versterking van zelfbeheersing.

Er werd grote vooruitgang geboekt toen de man het recht werd ontzegd zijn vrouw naar eigen goeddunken te doden. Het was eveneens een stap vooruit toen een vrouw haar huwelijksgeschenken als eigendom mocht behouden. Later verkreeg zij het wettelijke recht eigendom te bezitten, te beheren en zelfs te verkopen, maar lange tijd werd haar het recht onthouden een functie te vervullen binnen kerk of staat. Tot zelfs in de twintigste eeuw na Christus is de vrouw altijd min of meer als bezit behandeld. Zij is nog steeds niet overal ter wereld bevrijd van de afzondering die haar door de man is opgelegd. Zelfs onder ontwikkelde volken is de poging van de man om de vrouw te beschermen altijd een stilzwijgende bevestiging van zijn superioriteit geweest.

Maar primitieve vrouwen hadden geen medelijden met zichzelf, zoals hun meer recent bevrijde zusters dat vaak wel hebben. Uiteindelijk waren zij redelijk gelukkig en tevreden. Zij konden zich eenvoudig geen betere of andere manier van leven voorstellen.

84:5 | De vrouw onder de zich ontwikkelende zeden

In de voortplanting is de vrouw de gelijke van de man, maar in het partnerschap van levensonderhoud werkt zij met een duidelijk nadeel. Deze handicap van opgelegd moederschap kan alleen worden verzacht door de verlichte zeden van een voortschrijdende beschaving en door een groeiend besef bij mannen van wat eerlijk en rechtvaardig is tegenover vrouwen.

Naarmate de samenleving evolueerde, werden de seksuele normen voor vrouwen hoger, omdat zij meer te lijden hadden onder de gevolgen van overtreding van de seksuele zeden. De seksuele normen van mannen verbeteren zich slechts langzaam, doordat de beschaving maar heel geleidelijk een groter gevoel voor eerlijkheid en verantwoordelijkheid van hen vraagt. De natuur kent geen rechtvaardigheid; zij laat de pijn van het baren alleen door de vrouw dragen.

Het moderne idee van gelijkheid tussen de seksen is mooi en een groeiende beschaving waardig, maar het wordt niet in de natuur aangetroffen. Wanneer macht gelijk staat aan recht, heerst de man over de vrouw. Wanneer meer gerechtigheid, vrede en billijkheid de overhand krijgen, komt de vrouw geleidelijk uit slavernij en een vergeten positie tevoorschijn. De sociale positie van de vrouw is in het algemeen omgekeerd evenredig geweest aan de mate van militarisme in een volk of tijdperk.

Maar de man heeft niet bewust of opzettelijk de rechten van de vrouw gegrepen om ze haar vervolgens geleidelijk en met tegenzin terug te geven. Dit alles was een onbewuste en ongeplande episode in de sociale evolutie. Toen de tijd werkelijk gekomen was dat de vrouw meer rechten kon genieten, kreeg zij die, geheel los van de bewuste houding van de man. Langzaam maar zeker veranderen de zeden, zodat de sociale aanpassingen mogelijk worden die deel uitmaken van de aanhoudende evolutie van de beschaving. De voortschrijdende zeden zorgden langzaam voor een steeds betere behandeling van vrouwen. De stammen die bleven volharden in wreedheid tegenover hen, hebben niet overleefd.

De vroege Chinezen en Grieken behandelden vrouwen beter dan de meeste omliggende volken. De Hebreeërs waren echter buitengewoon wantrouwend tegenover hen. In het Westen heeft de vrouw een moeilijke weg omhoog gehad onder de Paulinische leerstellingen die met het christendom verbonden raakten, hoewel het christendom de zeden wel vooruitbracht door de man strengere seksuele verplichtingen op te leggen. De positie van de vrouw is bijna hopeloos onder de bijzondere vernedering die haar in het Mohammedanisme wordt opgelegd, en onder de leringen van verschillende andere oosterse godsdiensten vergaat het haar zelfs nog slechter.

De wetenschap, niet de godsdienst, heeft de vrouw werkelijk geëmancipeerd. Het was de moderne fabriek die haar grotendeels bevrijdde uit de beperkingen van het huis. De lichamelijke kracht van de man was in het nieuwe systeem van levensonderhoud niet langer van vitaal belang. De wetenschap veranderde de levensomstandigheden zo sterk dat mannelijke kracht niet langer zoveel superieur was aan vrouwelijke kracht.

Deze veranderingen hebben bijgedragen aan de bevrijding van de vrouw uit de huiselijke slavernij en hebben haar status zó gewijzigd dat zij nu een mate van persoonlijke vrijheid en seksuele beslissingsruimte geniet die praktisch gelijk is aan die van de man. Ooit lag de waarde van de vrouw in haar vermogen om voedsel te produceren, maar uitvindingen en welvaart hebben haar in staat gesteld een nieuwe wereld te scheppen waarin zij kan functioneren: sferen van gratie en charme. Zo heeft de industrie haar onbewuste en onbedoelde strijd voor de sociale en economische emancipatie van de vrouw gewonnen. En opnieuw is de evolutie erin geslaagd te volbrengen wat zelfs openbaring niet tot stand heeft kunnen brengen.

De reactie van verlichte volken op de onrechtvaardige zeden die de plaats van de vrouw in de samenleving bepaalden, is inderdaad extreem geweest, als een slinger die naar de andere kant doorslaat. Onder geïndustrialiseerde volken heeft zij bijna alle rechten gekregen en geniet zij vrijstelling van veel verplichtingen, zoals militaire dienst. Iedere verlichting van de strijd om het bestaan heeft bijgedragen aan de bevrijding van de vrouw, en iedere stap in de richting van monogamie is haar rechtstreeks ten goede gekomen. De zwakkere wint altijd onevenredig veel bij iedere aanpassing van de zeden in de voortschrijdende evolutie van de samenleving.

In het ideaal van het paar-huwelijk heeft de vrouw uiteindelijk erkenning, waardigheid, onafhankelijkheid, gelijkheid en ontwikkeling verworven. Maar zal zij deze nieuwe en ongekende vervulling waard blijken te zijn? Zal de moderne vrouw op deze grote prestatie van sociale bevrijding reageren met nietsdoen, onverschilligheid, onvruchtbaarheid en ontrouw? Nu, in de twintigste eeuw, ondergaat de vrouw de beslissende test van haar lange bestaan op aarde. [de tekst is uit 1935]

De vrouw is de gelijke partner van de man in de voortplanting van het menselijk ras en daarom even belangrijk in de ontvouwing van de raciale evolutie. Daarom heeft de evolutie steeds sterker toegewerkt naar de verwezenlijking van de rechten van de vrouw. Maar de rechten van de vrouw zijn beslist niet de rechten van de man. Een vrouw kan niet tot bloei komen op basis van de rechten van de man, evenmin als de man goed kan leven op basis van de rechten van de vrouw.

Iedere sekse heeft haar eigen kenmerkende bestaanssfeer, evenals haar eigen rechten binnen die sfeer. Als de vrouw ernaar streeft letterlijk alle rechten van de man te bezitten, dan zal vroeg of laat een meedogenloze en gevoelloze rivaliteit de plaats innemen van de hoffelijkheid en bijzondere consideratie die veel vrouwen nu ontvangen en die zij nog maar zo kortgeleden aan mannen hebben ontworsteld.

Tussen het gedrag van de twee seksen bestaat een kloof die door de beschaving nooit kan worden gedicht. Van tijd tot tijd veranderen de zeden, maar het instinct nooit. De aangeboren moederliefde zal de geëmancipeerde vrouw nooit toestaan om in de industrie een serieuze tegenstander van de man te worden. De twee seksen zullen altijd de sterkste blijven in hun eigen domeinen, domeinen die worden bepaald door biologische verschillen en mentale verschillen.

Iedere sekse zal altijd haar eigen bijzondere sfeer hebben, al zullen die sferen elkaar van tijd tot tijd overlappen. Alleen op sociaal gebied zullen mannen en vrouwen op gelijke voet met elkaar wedijveren.

84:6 | Het partnerschap van man en vrouw

De drang tot voortplanting brengt mannen en vrouwen vanzelf samen om kinderen voort te brengen, maar dat alleen is nog geen garantie dat zij ook in een blijvend samenwerkingsverband zullen leven en een gezin zullen vormen.

Elke succesvolle menselijke instelling berust op het in evenwicht brengen van tegenstrijdige persoonlijke belangen binnen een werkbare samenwerking, en het gezin vormt daarop geen uitzondering. Het huwelijk, de basis van het gezin, is de hoogste uitdrukking van die samenwerking tussen tegengestelde belangen die zo kenmerkend is voor zowel natuur als samenleving. Conflicten zijn onvermijdelijk. Het samenkomen van man en vrouw is instinctief en natuurlijk, maar het huwelijk zelf is geen biologisch verschijnsel; het is een sociaal instituut. Hartstocht brengt man en vrouw samen, maar het wat meer gematigde ouderinstinct en de sociale zeden zorgen ervoor dat zij bij elkaar blijven.

Man en vrouw zijn in praktisch opzicht twee verschillende varianten van dezelfde soort, die in een nauwe en intieme verbondenheid samenleven. Hun gezichtspunten en reacties op het leven verschillen wezenlijk van elkaar, en zij zijn niet in staat elkaar volledig en volmaakt te begrijpen. Een volledig wederzijds begrip tussen de seksen is niet bereikbaar.

Vrouwen lijken over meer intuïtie te beschikken dan mannen, maar zij lijken tegelijkertijd iets minder analytisch te zijn. Toch is de vrouw door de geschiedenis heen meestal de morele vaandeldrager en spirituele inspiratiebron van de mensheid geweest. De hand die de wieg schommelt, blijft nauw verbonden met de bestemming van de samenleving.

De verschillen in aard, reacties, gezichtspunt en denkwijze tussen mannen en vrouwen zouden geen bron van bezorgdheid moeten zijn, maar juist als zeer waardevol voor de mensheid moeten worden gezien, zowel individueel als collectief. Veel orden van universumwezens zijn zo geschapen dat persoonlijkheid zich in twee complementaire vormen tot uitdrukking brengt. Bij stervelingen, Materiële Zonen en middenwezens wordt dit verschil beschreven als mannelijk en vrouwelijk; bij [andere universum-wezens] als positief en negatief, of

initiërend / uitgaand / scheppend

complementair met

ontvangend / ervarend / reagerend

Zulke tweevoudige associaties vergroten de veelzijdigheid enorm en compenseren inherente beperkingen.

Mannen en vrouwen hebben elkaar voor hun latere morontiale en spirituele ontwikkeling evenzeer nodig als tijdens hun leven op aarde. De verschillen in gezichtspunt tussen mannen en vrouwen blijven zelfs na het sterfelijke leven bestaan, gedurende de opklimming door het lokale universum en nog verderop. Degenen die ooit man of vrouw waren zullen elkaar blijven helpen op hun weg naar het hoogste niveau. Nooit zal het schepsel zó sterk veranderen dat de persoonlijkheidskenmerken van wat mensen mannelijk en vrouwelijk noemen volledig verdwijnen. Deze twee fundamentele variaties binnen de mensheid zullen elkaar altijd blijven aantrekken, stimuleren, bemoedigen en helpen. Bij het oplossen van complexe universumproblemen en het overwinnen van kosmische moeilijkheden zullen zij steeds afhankelijk blijven van wederzijdse samenwerking.

Hoewel mannen en vrouwen nooit kunnen verwachten elkaar volledig te begrijpen, vullen zij elkaar wel doeltreffend aan. Hun samenwerking roept op persoonlijk vlak vaak spanningen en tegenstellingen op, maar maakt tegelijk het voortbestaan en de ontwikkeling van de samenleving mogelijk. Het huwelijk is een instelling die bedoeld is om de verschillen tussen de seksen in werkbare harmonie samen te brengen, terwijl tegelijkertijd de voortgang van de beschaving wordt bevorderd en de voortplanting van het menselijk ras wordt veiliggesteld.

Enkele opmerkingen bij de voorgaande 3 secties

Zoals hierboven al gezegd, deze teksten zijn tot stand gekomen rond 1930-1935. Dus voor allerlei onderdelen ervan geven zij de stand van de ontwikkeling tot op dat moment weer.

Het gaat bij deze teksten, in dit onderwerp-artikel, ook niet om de rol van het huwelijk of de focus die er een beetje is op mannen-met-vrouwen. Op al die gebieden denken we intussen op een meer genuanceerde manier en dat is voortuitgang-in-actie. De term “huwelijk” omvat tegenwoordig gewoon veel meer vormen van “samenwerking tussen tegengestelde belangen die zo kenmerkend is voor zowel natuur als samenleving“, dan bijna honderd jaar geleden.

De kern van de teksten, voor het doel van dit artikel, is uiteraard de zinsnede: “dat persoonlijkheid zich in twee complementaire vormen tot uitdrukking brengt”. En dat kleine stukje tekst brengt drie verschillende componenten met zich mee die we hieronder verder uitwerken:

  1. “persoonlijkheid”: wat wordt hier bedoeld?
  2. “uitdrukking in twee vormen”: uitdrukking van persoonlijkheid dus;
  3. “complementair”

We raken daarbij geleidelijk verder weg van het puur tijdelijke, lichamelijke, en komen terecht op hogere en meer tijdloze niveau’s. Die verklaren vervolgens ook, tegen het einde van dit artikel, waarom we in onze huidige tijd allerlei veranderingen ervaren.

Onze meer tijdloze essentie: persoonlijkheid, ziel en tijd

De manier waarop in dit verhaal over persoonlijkheid wordt gesproken, wijkt sterk af van het moderne psychologische gebruik van dat woord. Persoonlijkheid wordt hier niet beschreven als een verzameling karaktertrekken of gedragingen, maar als een blijvend identiteitsanker dat alle veranderende aspecten van een (menselijk) wezen samenhoudt en integreert. Om dit artikel nog enigszins in toom te houden, is er een afzonderlijk artikel over dat begrip “persoonlijkheid”.

Voor dit artikel is het belangrijk om vast te houden dat de kern van wat we hier met “persoonlijkheid” bedoelen, is:

  • een unieke en blijvende kern van identiteit;
  • die andere elementen van ons ‘zelf’ (zoals ons huidige lichaam, maar later ook andere vormen; en zoals ziel, mind en spirit) tot een eenheid maakt;
  • die zich via veranderende vormen en ervaringen uitdrukt;
  • zonder haar fundamentele continuïteit te verliezen;
  • terwijl haar bewustzijn, ervaring en potentieel zich voortdurend verder ontwikkelen.

Dat idee heeft ook raakvlakken met bepaalde inzichten uit andere spirituele bronnen, hoewel die systemen onderling zeker niet identiek zijn.

In de Seth-boeken bijvoorbeeld wordt gesproken over een grotere “entiteit” of “Oversoul” die zich via meerdere vormen (ziel/lichaam) en ervaringspunten (tijd/plaats) uitdrukt. Daarbij wordt sterk benadrukt dat ons normale bewustzijn tijd lineair ervaart — verleden, heden en toekomst — terwijl vanuit een hoger perspectief al die ervaringsstromen gelijktijdig bestaan. Seth beschrijft incarnaties daarom niet als een eenvoudige keten van levens die netjes achter elkaar plaatsvinden, maar eerder als verschillende focuspunten van ervaring binnen een grotere totaliteit van bewustzijn. Het totaal van al die ervaringen, in al die verschillende vormen, tijden en plaatsen, telt dan op tot één geintegreerde ervaring van de “entiteit”.

Dat perspectief verschilt van de klassieke opvatting van reincarnatie waarin één ziel steeds opnieuw in opeenvolgende levens terugkeert. Het interessante is dat ook de hoofdstukken van het verhaal dat op deze website wordt gepresenteerd, juist dat lineaire en eindeloze model van reincarnatie expliciet afwijzen. Er wordt gesproken over “de vermoeiende en monotone kringloop van herhaalde transmigraties” als een idee dat gemakkelijk tot fatalisme en verwarring kan leiden. Tegelijk blijven er vragen bestaan over de relatie tussen tijd, identiteit en persoonlijkheid die wellicht complexer zijn dan wij vanuit ons aardse perspectief volledig kunnen begrijpen. Seth beschrijft bijvoorbeeld dat sommige elementen van wat wij af en toe als “reincarnatie” of “déjà vu” ervaren, of bepaalde intense dromen, of ervaringen tijdens regressie-therapie, verklaard kunnen worden als een soort contact tussen incarnaties die vanuit een perspectief buiten de tijd gelijktijdig plaatsvinden; een zogenaamde “bleed through”.

A Course in Miracles / Een cursus in wonderen benadert hetzelfde vraagstuk weer vanuit een andere invalshoek. Daar wordt sterk benadrukt dat onze diepste identiteit niet samenvalt met het lichaam, het ego of zelfs met tijd zelf. De cursus stelt zelfs dat verleden en toekomst uiteindelijk illusies van bewustzijn zijn. In die benadering wordt reincarnatie in de gebruikelijke betekenis eveneens problematisch, omdat een strikt opeenvolgende reeks levens uiteindelijk alleen bestaat zolang men “binnen de tijd” denkt. Vanuit het perspectief van “cursus om ons allerlei kleine foute denkbeelden af te leren” is a Course in Miracles ook vrij streng over teveel aandacht voor reincarnatie:

“Reïncarnatie zou nooit, onder geen enkele omstandigheid, het probleem moeten zijn zijn dat nu moet worden aangepakt. ²Als reincarnatie verantwoordelijk zou zijn voor sommige van de moeilijkheden waarmee het individu nu te maken heeft, zou de taak van dat individu nog steeds alleen zijn om er nu aan te ontsnappen. ³Als hij denkt nu de basis te leggen voor een toekomstig leven, kan hij zijn verlossing nog steeds alleen nu bewerkstelligen.” (ACIM, M-24.2:1-3)

“In de meest fundamentele zin is reïncarnatie onmogelijk. ²Er is geen verleden of toekomst, en het idee van geboorte in een lichaam heeft geen betekenis, noch eenmalig, noch herhaaldelijk. ³Reïncarnatie kan dus in geen enkele reële zin waar zijn. ⁴Onze enige vraag zou moeten zijn: “Is het concept nuttig?” ⁵En dat hangt natuurlijk af van waarvoor het gebruikt wordt. ⁶Als het gebruikt wordt om het besef van de eeuwige aard van het leven te versterken, is het inderdaad nuttig. ⁷Is elke andere vraag erover werkelijk nuttig om de weg te verlichten? ⁸Net als veel andere overtuigingen kan het bitter misbruikt worden. ⁹Dergelijk misbruik leidt op zijn minst tot preoccupatie met en misschien trots op het verleden. ¹⁰In het ergste geval veroorzaakt het inertie in het heden. ¹¹Daartussenin zijn vele vormen van dwaasheid mogelijk.” (ACIM, M-24.1:1-11)

Hoewel deze bronnen belangrijke verschillen in accent vertonen, zijn er ook een aantal opvallende parallellen. Alle drie lijken zij op hun eigen manier te suggereren dat menselijke identiteit groter is dan één tijdelijk lichaam en ook groter dan één enkele aardse rol. Alle drie lijken ook te zeggen reincarnatie en onze totale groei en ontwikkeling geen “vermoeiende en monotone kringloop” van herhaalde levens is. En dat dit een idee is dat gemakkelijk tot fatalisme en verwarring kan leiden.

Vanuit het bredere perspectief kan niet alleen “meer dan één leven”, maar kunnen ook vormen zoals “mannelijk” en “vrouwelijk” worden gezien als tijdelijke en gedeeltelijke uitdrukkingsvormen van een veel diepere en meerdimensionale persoonlijkheid of entiteit. Seth ging hierin zelfs zo ver dat hij Jane Roberts (het medium waarlangs Seth’s informatie binnen kwam) vrijwel altijd benoemde als ‘Ruburt’. Dat verklaarde hij als zijnde de naam van de bredere entiteit waarvan haar huidige vrouwelijke vorm volgens Seth slechts één uitdrukking was.

De focus gaat dan meer naar wat de bindende elementen zijn in ons totale zelf, en veel minder naar tijdelijke vormen. Dat betekent niet dat lichamelijke verschillen onwerkelijk of betekenisloos zouden zijn. Integendeel: binnen het aardse leven zijn zij zeer reëel en spelen zij een belangrijke rol in het opdoen van een concrete ervaring, in relaties en bij bewustzijnsontwikkeling. Maar mogelijk vormen zij niet de volledige definitie van wie of wat wij uiteindelijk zijn.

Een uitdrukking van persoonlijkheid / entiteit in twee vormen

Inleiding en samenvatting tot nu toe

Vanuit de eerste invalshoek, namelijk dat de termen mannelijk en vrouwelijk op een enorme, verwarrende en steeds wisselende historie van culturele invloeden en opvattingen berusten, kwamen we op de tweede invalshoek: dat het belangrijk is om te kijken naar de KERN van wat/wie we eigenlijk mannelijk of vrouwelijk noemen. Als ik mezelf mannelijk noem of mezelf mannelijke eigenschappen toeschrijf, wie is dan die IK? Het is in elk geval niet het lichaam dat de kern is, want het verhaal beschrijft in niet mis te verstane bewoordingen, hoe Jezus na de dood van zijn lichaam gewoon doorleefde, in een andere vorm, maar met dezelfde kern/identeit. En dat geldt ook voor jou en mij. De voorlopige conclusie daarbij is dus dat menselijke identiteit groter is dan één tijdelijk lichaam en ook groter dan één enkele aardse rol.

Als we alle lagen terugbrengen tot de kern, dan gaat het eigenlijk niet over:

  • gender,
  • reincarnatie,
  • Seth,
  • ACIM,
  • of zelfs kosmologie.

Maar het gaat uiteindelijk over: is persoonlijke ervaring werkelijk betekenisvol en duurzaam? En hoe verzamelen we persoonlijke ervaring en hoe drukken we het uit?

Het antwoord dat we proberen vast te houden is ongeveer:

  • identiteit is werkelijk;
  • liefde is werkelijk;
  • groei is werkelijk;
  • verschil is werkelijk;
  • verbondenheid is werkelijk;
  • en niets daarvan hoeft vernietigd te worden om tot diepere eenheid te komen.

Twee denkrichtingen die in dit verband weinig toevoegen

In onze tijd zien we twee vormen van “geloof” die proberen antwoord te geven op de vraag wat er na de dood van het lichaam gebeurt. We gaan er hier niet diep op in, maar stippen het kort aan om te laten zien dat beide denkrichtingen in feite weinig toevoegen aan onze discussie:

  1. materialistisch verdwijnen: deze denkrichting is een moderne en erg materialistische interpretatie van bijvoorbeeld Genesis 3:19 en eenvoudig het geloof dat we eigenlijk het lichaam als kern hebben van onze identiteit, en dat dus na de dood van het lichaam ook onze kern verdwijnt en oplost in de materie waaruit het -volgens dat geloof- ontstond: “stof zijt gij, en tot stof zult gij wederkeren”; om het bijna pijnlijke gevoel van een ‘zwart gat’ waarin je dan zou verdwijnen nog enigszins te verzachten, wordt soms als troost toegevoegd: maar je blijft voortbestaan in de gedachten van anderen; terwijl die anderen uiteraard ook gedoemd zijn om in datzelfde zwarte gat te eindigen…
  2. spiritueel “oplossen in het Ene of het Al”: bij dit eveneens tamelijk hopeloze geloof ziet iemand zichzelf niet als een lichaam maar als een soort van energie of bewustzijn of ziel die zich even had losgemaakt van het “AL”, maar daar uiteindelijk in terugkeert en in oplost. Met als gevolg dat de de kern van wat we zijn dan ook weer geheel verdwijnt. De vergelijking die in dit verband vaak gemaakt wordt is die van een golf of druppel die zich even losmaakt van, of individualiseert uit, de enorme zee van het AL, maar die uiteindelijk (in één of meer levens, dat doet er uiteindelijk weinig toe) weer terugkeert in de zee en daar volledig mee samen gaat. In de filosofie van Advaita Vedanta betekent de term Advaita letterlijk “niet-twee” of “één zonder een tweede”, wat inhoudt dat alleen Brahman, ‘het ene’, uiteindelijk reëel is. Het wordt vaak vertaald als “non-dualiteit“.

Fundamenteel meer hoopgevend is de denkrichting die volgt uit het leven en het voortleven dat Jezus ons liet zien:

  • persoonlijkheid blijft;
  • ervaring blijft betekenisvol;
  • relatie blijft fundamenteel;
  • verschil blijft creatief relevant;
  • en eeuwigheid is geen uitdoving maar een voortdurende ontvouwing.

Persoonlijkheid / identiteit blijft en drukt zich uit in bepaalde vormen

In de denkrichting die volgt uit het leven en de leringen van Jezus hebben wij wel degelijk een blijvende, eeuwige en onveranderlijke persoonlijkheid / identiteit. Deze kern van onze identiteit is werkelijk en groeit in breedte en diepte door de ervaringen die we opdoen. De vormen waarin we ons in bepaalde “levens” uitdrukken zijn eigenlijk hele speelse vormen van verkenning; het zijn creatieve vormen die we willen verkennen, om allerlei ervaringen op te doen die ons uiteindelijk helpen met groei en ontwikkeling. Dat is ook de betekenis van het bullet-point hierboven dat zegt: “verschillen zijn creatief relevant”. Als we kennelijk in staat zijn om -aldus de Seth boeken- ons tegelijkertijd, en heel speels en creatief in allerlei tijden en plaatsen en vormen uit te drukken, dan kunnen we daarmee ook een schat aan ervaring opdoen. We drukken ons uit in bepaalde speelse vormen en rollen, maar zien ook in dat de kern van onze identiteit hierdoor wel groeit, maar fundamenteel niet verandert; simpelweg omdat we de rol of de vorm niet zijn, maar spelen.

Is er dan eigenlijk geen mannelijk of vrouwelijk, maar is het alleen spel?

Je zou op basis van het voorgaande kunnen concluderen dat wat we dus “echt zijn”, geen mannelijk of vrouwelijk IS. Maar dat gaat weer net iets te ver. We herlezen om te beginnen een paar zinnen van wat hierboven al werd geciteerd:

Degenen die ooit man of vrouw waren zullen elkaar blijven helpen op hun weg naar het hoogste niveau. Nooit zal het schepsel zó sterk veranderen dat de persoonlijkheidskenmerken van wat mensen mannelijk en vrouwelijk noemen volledig verdwijnen. Deze twee fundamentele variaties binnen de mensheid zullen elkaar altijd blijven aantrekken, stimuleren, bemoedigen en helpen. Bij het oplossen van complexe universumproblemen en het overwinnen van kosmische moeilijkheden zullen zij steeds afhankelijk blijven van wederzijdse samenwerking.

Opmerkelijk is om te beginnen de zinsnede: “degenen die ooit man of vrouw waren”. Kennelijk wordt daarmee aangegeven dat we in latere fasen van onze reis “op weg naar het hoogste niveau” geen “man of vrouw” meer ZIJN. Waarschijnlijk omdat we dan geen fysieke lichamen meer hebben en dus allerlei biologische kenmerken van “man-zijn” of “vrouw-zijn” zullen zijn verdwenen. Maar dan volgt: “Nooit zal het schepsel zó sterk veranderen dat de persoonlijkheidskenmerken van wat mensen mannelijk en vrouwelijk noemen volledig verdwijnen”. Het gaat dus om “persoonlijkheidskenmerken” die wij nu mannelijk of vrouwelijk noemen. Maar dat zijn kennelijk niet de juiste aanduidingen van wat wordt beschreven als “twee fundamentele variaties“, die wel degelijk werkelijk zijn. Het gaat om twee fundamentele variaties die “elkaar altijd blijven aantrekken, stimuleren, bemoedigen en helpen”.

Als het dan kennelijk geen mannelijk of vrouwelijk is, wat dan wel?

Waarschijnlijk probeert de tekst weg te komen van alle enorme sociale historie en lading rondom de woorden mannelijk en vrouwelijk. In onze eeuwige reis naar het hoogste niveau is deze tijdelijke historie en vervorming op deze tijdelijke planeet ook niet zo bepalend of belangrijk. De tekst geeft meteen aan waar we wel aan moeten denken bij de “persoonlijkheidskenmerken” die als “twee fundamentele variaties” moeten worden beschouwd. Deze kunnen meer algemeen worden beschreven:

als positief en negatief, of initiërend / uitgaand / scheppend, complementair met ontvangend / ervarend / reagerend

En daarover wordt gezegd:

Zulke tweevoudige associaties vergroten de veelzijdigheid enorm en compenseren inherente beperkingen.

Dus daar heb je een belangrijke conclusie: los van biologische kenmerken, los van tijdelijke aardse lichamen, zijn er kennelijk op het niveau van onze blijvende eeuwige kern / identiteit “twee fundamentele variaties” in de kenmerken van onze persoonlijkheid, namelijk een persoonlijkheid die meer initiërend / uitgaand / scheppend is, en een andere variant van een persoonlijkheid die meer ontvangend / ervarend / reagerend is. En deze twee varianten “zullen elkaar altijd blijven aantrekken, stimuleren, bemoedigen en helpen”; zij zijn complementair en bestemd om als associatie, als samenwerking, te fungeren en daardoor de veelzijdigheid van alles enorm te vergroten en allerlei beperkingen te compenseren die zouden optreden als alle persoonlijkheid er maar in één type was.

Ook op niveaus van bestaan waar biologische sekse geen rol speelt, bestaan vormen van complementariteit. Serafijnen leven en werken in paren. Zij worden niet beschreven als mannelijk en vrouwelijk, maar als positief en negatief. Hoewel zij afzonderlijke persoonlijkheden blijven, kunnen bepaalde hogere functies alleen worden vervuld wanneer zij als complementair paar samenwerken. Het patroon van complementariteit lijkt daarmee niet beperkt tot biologische voortplanting (serafijnen hebben geen biologisch lichaam) of menselijke samenleving, maar komt op meerdere niveaus van de werkelijkheid terug. Daarbij gaat het niet om een romantische of exclusieve verbinding, maar om een samenwerking tussen twee verschillende persoonlijkheden die elkaar op een specifieke manier aanvullen. Zulke complementaire relaties kunnen tijdelijk zijn en hoeven niet blijvend van aard te zijn.

When such spirit beings are associated as pairs, the one is spoken of as complemental to the other. Complemental relationships may be transient; they are not necessarily of a permanent nature. bron

Complementaire polariteit binnen eenheid: yin en yang als voorbeeld

Deze beschrijving van blijvende persoonlijkheidskenmerken, enerzijds initiërend, uitgaand en scheppend, anderzijds ontvangend, ervarend en reagerend, doet sterk denken aan het principe van yin en yang uit het taoïsme. Maar er zijn ook belangrijke verschillen.

In de oorspronkelijke context van het taoïsme zijn yin en yang niet in de eerste plaats eigenschappen van personen. Het zijn geen vaste psychologische typen en ook geen eeuwige persoonlijkheidskenmerken. Zij beschrijven eerder twee complementaire kwaliteiten van manifestatie: manieren waarop de eenheid van de werkelijkheid zich in beweging, verandering en ervaring uitdrukt.

Lao-tse verklaarde dat de Tao de Ene Eerste Oorzaak is van alle schepping. Lao was een man met een grote spirituele visie. Hij leerde dat de eeuwige bestemming van de mens “eeuwige vereniging met de Tao, de Oppergod en Universele Koning” was. Zijn begrip van de Uiteindelijke Oorzaak was zeer scherpzinnig, want hij schreef:

“Eenheid ontstaat uit de Absolute Tao, en uit Eenheid ontstaat kosmische Dualiteit, en uit die Dualiteit ontspringt de Drie-eenheid, en de Drie-eenheid is de oerbron van alle werkelijkheid.”

“Alle werkelijkheid is altijd in evenwicht tussen de mogelijkheden en de werkelijkheid van de kosmos, en deze worden eeuwig geharmoniseerd door de spirit van het goddelijke.”

Vanuit dat perspectief is dualiteit dus geen breuk met de eenheid, maar een manier waarop de eenheid zich zichtbaar en werkzaam maakt. De eenheid omvat dan “de mogelijkheden en de werkelijkheid van de kosmos”, of met andere woorden: eenheid (drie-eenheid) is potentialiteit (mogelijkheden scheppen) en actualiteit (mogelijkheden ervaren) en de goddelijke harmonie daartussen.

Dat is ook de diepere betekenis van yin en yang. Yin en yang zijn geen vijanden en ook geen morele tegenstelling tussen goed en kwaad. Zij zijn twee polen binnen één dynamische werkelijkheid. Yin wordt verbonden met donker, aarde, rust, ontvankelijkheid, diepte en verborgen groei. Yang wordt verbonden met licht, hemel, beweging, activiteit, uitstraling en manifestatie. Geen van beide is op zichzelf volledig; zij bestaan in verhouding tot elkaar.

Ook het bekende yin-yang-symbool laat dit zien. Het donkere deel bevat een lichte kern en het lichte deel bevat een donkere kern. Yin is nooit volledig zonder yang, en yang is nooit volledig zonder yin. De twee polen sluiten elkaar niet uit, maar dragen elkaar in zich en vloeien voortdurend in elkaar over. En in het bekende symbool worden zij uiteindelijk in harmonie en als één cirkel uitgebeeld.

Zodra de Ene werkelijkheid zich manifesteert, verschijnt er complementariteit. Er is potentialiteit en actualiteit, initiatief en ervaring, uitgaande schepping en ontvangende verwerking. Werkelijkheid ontstaat niet uit de vernietiging van één van beide polen, maar uit hun voortdurende verhouding en onderlinge harmonie binnen één totale Bron en Centrum.

Toch blijft er een belangrijk verschil. Yin en yang beschrijven vooral kwaliteiten van kosmische dynamiek: processen, bewegingen en patronen in de werkelijkheid. In dit artikel gaat het daarnaast om persoonlijkheid: om een unieke en blijvende kern van identiteit die zich via verschillende vormen en ervaringen kan uitdrukken zonder haar continuïteit te verliezen.

De overeenkomst ligt dus niet in een één-op-één gelijkstelling. Yin en yang zijn niet simpelweg hetzelfde als mannelijk en vrouwelijk, en ook niet hetzelfde als de twee vormen van persoonlijkheidsuitdrukking waarover dit artikel spreekt. De overeenkomst ligt op een abstracter niveau: manifestatie brengt polariteit voort, en polariteit hoeft geen strijd te zijn. Zij kan ook de voorwaarde zijn voor relatie, ervaring, groei en levende harmonie. Ook in de totaal andere traditie van het oorspronkelijke taoïsme zien we de intuïtie terugkeren van het meer algemene gegeven dat God als Eerste Bron en Centrum van de totale werkelijkheid zich manifesteert via complementaire polariteiten.

Een uitstapje naar nog één niveau hoger: hoe ook God tegelijk Vader en Moeder is

Als je dacht dat het lezen over de “blik van buiten tijd en ruimte” op incarnaties, die de Seth boeken ons geven, al ingewikkeld is, sla dan dit uitstapje gerust over. We zijn nu eenmaal wezens die leven in een systeem van tijd en ruimte, en dus is het niet verwonderlijk (en zelfs de bedoeling) dat onze gedachten bij begrippen als “oneindig” en “eeuwig” in een zone van zoemend onbegrip terecht komen. Dus als we denken aan een begrip zoals God, die per definitie buiten tijd en ruimte is omdat Hij de eerste Bron en Centrum van tijd en ruimte is, dan wordt het zoemen nog sterker. Wij zullen de oneindigheid en eeuwigheid van God nooit kunnen bevatten.

Wat wij God noemen, en wat Jezus vaak uitdrukte als zijn “Universele Vader” is de persoonlijkheid van de Eerste Bron en het Eerste Centrum van alles. De “Eerste Bron en Centrum” is daarom primair in alle domeinen: vergoddelijkt of niet-vergoddelijkt, persoonlijk of onpersoonlijk, actueel of potentieel, eindig of oneindig. Niets bestaat behalve in directe of indirecte relatie tot, en afhankelijkheid van, de Eerste Bron en Centrum.

En zoals gezegd: de persoonlijkheid van die Eerste Bron en Centrum noemen we de “Universele Vader”. Deze persoonlijkheid onderhoudt persoonlijke relaties van oneindige controle over alle coördinerende en ondergeschikte bronnen en centra. En de Universele Vader onderhoudt persoonlijke relaties met elk van de wezens bij wie -zoals bij ons- een “Mentor-Spirit” inwoont.

Je kunt je wellicht voorstellen dat als je ALLES al bent en ALTIJD hebt bestaan en zult bestaan, er eigenlijk geen schepping meer nodig zou zijn. Die onvoorwaardelijke, eeuwige, oneindigheid is op een bepaalde -simpele- manier bekeken ook een soort gevangenis. Je bent als het ware ALLES en ALTIJD maar er is niemand om het mee te delen. Dus als zo’n theoretische ‘gevangen’ IK BEN overvloeit van liefde en van de wil om te delen, dan ligt de bevrijding van die theoretische beklemming in de uitoefening van de eeuwige vrije wil. De onvoorwaardelijke oneindigheid wordt dan gescheiden: er ontstaat een Tweede Bron en Centrum, waarvan de persoonlijkheid beschreven wordt als “Zoon”. Tussen die twee is een Vader/Zoon relatie ontstaan. We gebruiken daarbij de mannelijke termen niet omdat God de Vader en God de Zoon menselijk mannelijke eigenschappen zouden hebben, maar omdat hun rol in de totale werkelijkheid er een is van initiëren / uitgaan / scheppen. De term “Vader” of “Zoon” beschrijft immers alleen de persoonlijkheid van de ‘achterliggende’ Bron en Centrum, die we nu niet kunnen begrijpen of bevatten.

Dit theoretische concept van het IK BEN is een filosofische concessie die we doen aan de tijdgebonden, ruimtegebonden, eindige mind van de mens. Het is alleen op die manier mogelijk voor schepselen om eeuwig bestaan ​​te begrijpen – niet-beginnende, niet-eindigende realiteiten en relaties. Voor het tijd-ruimtewezen moeten alle dingen een begin hebben, behalve het ENE ONVEROORZAAKTE – de oeroorzaak der oorzaken. Met andere woorden, er is nooit een tijd is geweest dat het IK BEN niet de Vader van de Zoon was.

Maar in dit alles ingebouwd is er nu wel een ‘scheiding’ ontstaan in de onvoorwaardelijke oneindigheid: er is een Vader-persoonlijkheid en een Zoon-persoonlijkheid en die twee hebben een relatie tot elkaar. Zoals liefde wordt begrepen op onze  planeet, is de liefde van God meer vergelijkbaar met de liefde van een vader, terwijl de liefde van de Eeuwige Zoon meer lijkt op de genegenheid van een moeder. Zulke vergelijkingen zijn weliswaar grof, maar ze kunnen dienen om duidelijk te maken dat er een verschil is, niet in goddelijke inhoud maar in kwaliteit en uitdrukkingswijze, tussen de liefde van de Vader en de liefde van de Zoon. Net zoals God de universele Vader is, is de Zoon de universele Moeder. En wij allen, hoog en laag, vormen hun universele familie.

Het overvloeien van liefde en van de wil om te delen is met die onderscheiding niet tot een einde gekomen; het is alleen maar sterker geworden. Het initiëren / uitgaan / scheppen leidt tot steeds meer mogelijkheden (potentialiteit) maar ook tot steeds meer gebeurtenissen (actualiteit). Deze voortdurende overgang van mogelijkheden naar werkelijkheden is als het ware ingebakken in de bevrijding uit de theoretische beklemming. Als je (simpel samengevat) wil ontsnappen aan “ALLES al zijn en ALTIJD bestaan”, dan moet je inbakken dat er een spanning zal zijn met “wat nog niet gerealiseerd is, in tijd of in ruimte”.

Een tweede absoluut ‘onontkoombaar’ gevolg van die bevrijding uit het ALLES en ALTIJD is verbonden aan de genoemde wil om te delen. De relatie tussen God als Vader en God als Zoon is zo doordrenkt van die liefde en wil om te delen, dat er onontkoombaar een complementair “retour-kanaal” ontstaat, dat zich uitdrukt als: ontvangend / ervarend / reagerend. Zonder ervaren en ontvangen en reageren heeft een wil om te delen geen enkele “zin”. Je zou het kunnen zien als de meest fundamentele kringloop. Je ziet het terug in alles: wat heeft een volle accu voor “zin” als er niet eerst twee polen ontstaan en dan tussen de polen een “retourkanaal” ontstaat waardoor er iets kan gebeuren, groeien, leven? Uit de oneindige liefde en wil om te delen ontstaat niet alleen de uitgaande/scheppende impuls (de “vader”), maar noodzakelijkerwijs ook de ontvangende/ervarende/reagerende component (de “zoon”). Liefde-in-actie is altijd een dynamisch samenspel van die twee componenten. De theoretische IK BEN wilde vanuit overvloedige liefde en overvloeiende wil om te delen niet alleen een oneindige/eeuwige “volle accu” zijn, en tussen de twee polen van de uitgaande/scheppende impuls en de complementaire ontvangende/ervarende/reagerende component komt nu de hele levende kosmos met gebeurtenissen, ontwikkeling en eeuwige groei tot stand.

Jezus was als het ware een zoon van die eeuwige Vader en Zoon-relatie. Als schepper van een deel van het universum was hij en is hij met name een exponent van de uitgaande/scheppende impuls, en dus noemen we hem gemakshalve maar “hij”. Bij het besturen van zijn deel van het universum wordt hij bijgestaan door andere eeuwige spirtuele wezens, zoals de Moeder-Spirit van ons lokaal universum. Dit is als het ware de gelijkwaardige partner van Michael/Jezus, maar met een duidelijk accent op de ontvangende/ervarende/reagerende component. Zoals Jezus ons uiteindelijk zijn “spirit van waarheid” heeft gegeven, zo heeft zijn partner ons een gelijkwaardige “spirit-invloed” gegeven, die we -vaak zonder precies te begrijpen wat het is- de “heilige geest / holy spirit” noemen. We duiken daar nu niet verder in, maar het is belangrijk om te onthouden hoe er dus steeds naast de uitgaande/scheppende impuls ook een ontvangende/ervarende/reagerende component is. En hoe alleen in een samenwerking tussen die twee er een daadwerkelijke stroom van gebeurtenissen en groei kan ontstaan en blijven.

Ook is het interessant om te zien hoe dit alles volledig losstaat van biologische lichamen. God de Universele Vader heeft geen lichaam, maar kan wel beschreven en begrepen worden als een exponent van de uitgaande/scheppende impuls; God de Zoon -die we misschien zelfs beter “Dochter” zouden kunnen noemen- heeft eveneens geen lichaam, maar de persoonlijkheid die vanuit die Bron en Centrum wordt gemanifesteerd heeft een sterke ontvangende/ervarende/reagerende component.

Het is jammer maar onvermijdelijk dat wij dergelijke zaken alleen kunnen begrijpen door er menselijke woorden zoals vader, zoon, mannelijk, vrouwelijk aan te plakken; onze opdracht is om hier geleidelijk doorheen te kijken en de essentie te ontmoeten.

Wat betekent dit concreet voor onze samenleving en situatie?

Niet koppelen aan onze biologische vorm

Als je mannelijkheid en vrouwelijkheid uitsluitend gaat herleiden tot biologische kenmerken, dan verlies je veel mogelijkheden tot dieper inzicht en tot creativiteit. Ons huidige lichaam is een tijdelijke vorm waarmee wij ervaringen opdoen, groeien en relaties aangaan, maar vormt niet de volledige definitie van wie wij zijn. Er is een eeuwige, blijvende ‘kern’ die onze essentie vormt, en die we hierboven ‘persoonlijkheid’ noemden. Bepaalde kenmerken van die persoonlijkheid die wij nu met mannelijkheid of vrouwelijkheid associëren blijven ook bestaan wanneer we dit sterfelijke lichaam achterlaten. Dat betekent niet dat de huidige biologische verschillen onbelangrijk zijn, maar wel dat onze diepste identiteit groter is dan ons tijdelijke lichaam. Wie wij zijn gaat verder dan de tijdelijke vorm waarin wij ons op dit moment uitdrukken.

Geen tegenstellingen maken die er niet zijn

In de leringen van Jezus is de waarde van een persoon niet gebaseerd op geslacht, afkomst, opleiding, bezit of status. Als hij al een licht onderscheid maakte, dan was het vooral dat hij een bepaalde waarde toekende aan eenvoud en aan “weer worden als een kind dat vertrouwen heeft in de leiding van de Vader”. Maar fundamenteel leerde hij ons dat gelijkwaardigheid van alle mensen, in de ogen van God, een gegeven is. Ze volgt uit het feit dat ieder mens een kind van God is; en God maakt geen onderscheid.

Alle mensen worden vrij en gelijk in waardigheid en rechten geboren. Zij zijn begiftigd met verstand en geweten, en behoren zich jegens elkander in een geest van broederschap te gedragen.

Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, artikel 1, officiële Nederlandse tekst.

Maar het zou een denkfout zijn om daaruit af te leiden dat we dus ook alle verschillen zouden moeten uitwissen. De hele kosmos is één grote uitdrukking van creatieve verschillen in vormen en soorten en persoonlijkheden. Verschillen in bepaalde kenmerken, zoals mannelijkheid en vrouwelijkheid, horen geen tegenstellingen te worden. Zo’n tegenstelling ontstaat pas wanneer zo’n verschil wordt vertaald in hiërarchie, superioriteit of minderwaardigheid. Verschil en gelijkwaardigheid kunnen naast elkaar bestaan omdat zij betrekking hebben op verschillende aspecten van de werkelijkheid: fundamentele gelijkheid en speelse creativiteit. Wanneer we de verschillen als complementair zien, dan is de opdracht om te zoeken naar samenwerking.

Het goddelijke mysterie is (ook) terug te vinden in de schijnbare tegenstelling dat we allemaal gelijk zijn, en toch allemaal verschillend mogen zijn.

Geen blijvende identiteit ervan maken

Ons ego heeft de neiging om groot en soms overdreven gewicht toe te kennen aan allerlei rollen en kenmerken van ons tijdelijke lichaam of ons tijdelijke aardse leven:

  • beroep;
  • nationaliteit;
  • gender;
  • religieuze identiteit;
  • politieke identiteit;
  • spirituele identiteit;
  • zelfs voor “ik ben een schrijver”, “ik ben een jurist”, “ik ben een slachtoffer”, “ik ben een succesvolle ondernemer” (enzovoort)

God maakt geen onderscheid, stelden we hiervoor al vast. We beschreven hierboven ook een inzicht uit de Seth-boeken waarbij je op dit moment in andere “parallelle levens” waarschijnlijk bezig bent met de verkenning van hele andere rollen en vormen en kenmerken. Of je die gedachte nu letterlijk neemt of niet, is niet zo belangrijk. Zij wijst in dezelfde richting: de rollen waarmee wij onszelf omschrijven zijn waarschijnlijk minder blijvend dan wij vaak denken. Die dingen zijn onderdeel van een grotere speelse, creatieve en spontane ontdekkingstocht -een eeuwig kosmisch avontuur- en vormen niet de kern van wie wij zijn.

Wanneer we onze diepste identiteit uitsluitend gaan verbinden met één aspect van onze huidige verschijningsvorm, ontstaat gemakkelijk een nieuwe vorm van gevangenschap. Wat begon als een zoektocht naar bevrijding kan dan eindigen in een steeds sterkere identificatie met een tijdelijke rol of uitdrukking.

Geen nul procent of 100 procent

Echte mensen zijn veel interessanter dan de categorieën of labels waarin we ze proberen op te sluiten. Omdat alles ook sterk afhangt van tijdelijke tradities, normen, waarden en gewoonten, is het verschil tussen mannelijk en vrouwelijk (en tussen allerlei polen in allerlei rollen) ook vloeibaar. Zoals we bij de beschrijving van yin/yang al opmerkten: binnen de ene component is altijd iets van de andere component aanwezig. Echt creatief leven laat zich zelden vangen in absolute categorieën van nul of honderd procent.

Dat betekent niet dat alle verschillen verdwijnen in een vloeibare zee van alles door elkaar. Het betekent wel dat de meeste mensen een unieke combinatie vormen van eigenschappen die wij traditioneel als meer mannelijk of meer vrouwelijk beschouwen. Juist die veelzijdigheid draagt bij aan de rijkdom van menselijke persoonlijkheid en ervaring. Kijk eens naar een rivierbedding met miljoenen kiezelstenen. Het zijn allemaal kiezelstenen, maar geen twee zijn identiek. Onderzoek ze! Zaag ze door en polijst ze! En iedere steen blijkt zijn eigen prachtige structuur, kleur en geschiedenis te hebben.

Speels ermee omgaan, maar oppassen voor nieuwe tradities en regels

In reactie op de sterk vastliggende rolverdelingen uit oudere tijden (zie hoofdstuk “Historische ontwikkeling” hierboven) is het ook logisch en gunstig dat de mensheid leert om er wat “speelser” mee om te gaan. Het is waarschijnlijk wel een teken van deze tijd dat we de grenzen van mannelijke en vrouwelijke rollen en kenmerken opnieuw verkennen, en hopelijk geleidelijk ontdekken dat er andere dimensies zijn dan uitsluitend de biologische. Het zou mooi zijn als dit niet leidt tot nieuwe vaste tradities en regeltjes, maar uiteindelijk tot dieper kosmisch inzicht in wie we werkelijk zijn.

Complementariteit erkennen als essentieel: verbinding en samenwerking

Op meer kosmisch niveau kan het één namelijk niet zonder het ander. Complementariteit is geen gebrek maar een kracht. Dat zien we terug bij: yin/yang; schepping/evolutie; Vader/Zoon; relaties; samenleving. Veel moderne discussies behandelen afhankelijkheid of complementariteit bijna als een zwakte. Terwijl de rijkste vormen van groei vaak juist ontstaan doordat verschillende perspectieven samenwerken. Hierboven is zelfs beschreven dat alleen door een verbinding tussen twee polen een werkelijke vorm van actie kan ontstaan.

Conclusie

Uiteindelijk kan alleen in complementaire samenwerking de levensstroom van opklimming, groei en verbetering tot stand komen en in stand gehouden worden.

Want een eeuwigheid zonder:

– ontmoeting,
– liefde,
– verrassing,
– creativiteit,
– complementariteit,
– ontdekking,

zou uiteindelijk gewoon een andere vorm van stilstand worden.

Externe Bronnen: