Paulus speelde een beslissende rol als historische schakel. Hij bracht de christelijke beweging buiten haar oorspronkelijke Joodse omgeving en maakte haar begrijpelijk voor mensen uit andere culturen en religieuze achtergronden. Tegelijk speelde hij een grote rol bij diverse belangrijke vervormingen van de leer.

Paulus en de verspreiding van de beweging van Jezus

Paulus van Tarsus neemt in het verhaal een bijzondere plaats in. Hij behoorde niet tot de oorspronkelijke apostelen en had Jezus tijdens diens aardse leven nooit persoonlijk gevolgd. Toch werd hij één van de meest invloedrijke figuren in de verspreiding van de beweging die na Jezus ontstond. Zonder Paulus zou het christendom waarschijnlijk nooit dezelfde omvang en invloed hebben gekregen.

“Petrus was de werkelijke stichter van de christelijke kerk; Paulus bracht de christelijke boodschap naar de niet-Joden, en de Griekse gelovigen verspreidden haar door het hele Romeinse Rijk.”

Hoofdstuk 71

Deze korte beschrijving laat meteen zien waar de betekenis van Paulus lag. Zijn grootste invloed lag niet alleen in zijn prediking, maar vooral in de overgang van een kleine Joodse beweging naar een universele religie die zich over de Grieks-Romeinse wereld kon verspreiden.

Paulus was hiervoor uitzonderlijk goed geplaatst. Hij was een Jood en Farizeeër, diep vertrouwd met de Hebreeuwse religieuze traditie, maar tegelijk opgegroeid in Tarsus, een sterk hellenistische stad. Daarnaast bezat hij het Romeinse burgerrecht. In hem kwamen drie werelden samen: de Joodse religieuze erfenis, de Griekse cultuur en taal, en de Romeinse maatschappelijke orde.

“Deze volledige combinatie van wereldinvloeden wordt treffend zichtbaar in de activiteiten van Paulus, die religieus gezien een Hebreeër onder de Hebreeën was, terwijl hij het evangelie van een Joodse Messias verkondigde in de Griekse taal en zelf Romeins burger was.”

Voorwoord

Het verhaal beschrijft Paulus bovendien niet als een toevallige latere figuur. Al vóór zijn optreden waren er ontwikkelingen gaande die de verspreiding van het christendom voorbereidden. Tijdens zijn verblijf in Rome had Jezus persoonlijk contact gezocht met verschillende denkers en religieuze leiders uit de Stoïcijnse, Cynische en mysterie-tradities. Velen van hen werden later belangrijke steunpilaren van de vroege christelijke beweging in Rome.

“Wij, die menselijke activiteiten van achter de schermen en in het licht van negentien eeuwen tijd bekijken, herkennen slechts drie factoren van doorslaggevende waarde in de vroege voorbereiding op de snelle verspreiding van het christendom door heel Europa, en dat zijn:

1. Het kiezen en behouden van Simon Petrus als apostel.

2. Het gesprek in Jeruzalem met Stephanus, wiens dood leidde tot het winnen van Saulus van Tarsus (Paulus).

3. De voorafgaande voorbereiding van deze dertig Romeinen op hun daaropvolgende leiderschap van de nieuwe religie in Rome en in het hele Romeinse rijk.”

Hoofdstuk 10

Volgens het verhaal lag de snelle verspreiding van het christendom dus niet uitsluitend aan Paulus zelf, maar speelde hij wel een beslissende rol als historische schakel. Hij bracht de beweging buiten haar oorspronkelijke Joodse omgeving en maakte haar begrijpelijk voor mensen uit andere culturen en religieuze achtergronden.

Elke Joodse synagoge tolereerde een aanhang van niet-Joodse (“gentile”) gelovigen, ‘vrome’ of ‘Godvrezende’ mensen. Het was onder deze aanhang van proselieten (mensen die zichzelf tot de Joodse religie hadden bekeerd) dat Paulus het merendeel van zijn eerste bekeerlingen tot het Christendom vond. Zelfs de tempel in Jeruzalem had een eigen fraaie voor-plaats (voorhof) voor de gentiles, de niet-Joden. De cultuur, de handel en de eredienst van Jeruzalem waren heel nauw verbonden met die in Antiochië. In Antiochië werden de discipelen van Paulus voor het eerst ‘Christenen’ genoemd.

Voorwoord

Paulus beschikte over uitzonderlijke energie, intellectuele kracht en organisatorisch talent. Zijn reizen, brieven en vorming van gemeenschappen van gelovigen maakten hem tot de belangrijkste verspreider van de christelijke beweging onder niet-Joodse volken.

“Paulus was een groot organisator en zijn opvolgers hielden het tempo dat hij had ingezet vast.”

Hoofdstuk 71

Tegelijk begon bij Paulus ook een belangrijke verschuiving in nadruk. Terwijl Jezus vooral het (innerlijke contact met) Hemelse Koninkrijk en de persoonlijke relatie tussen de mens en God centraal stelde, legde Paulus steeds sterker de nadruk op de verrezen en verheerlijkte Jezus (Christus) zelf en op de gemeenschap van gelovigen die rond dit geloof ontstond. Die ontwikkeling maakte de beweging toegankelijk voor een veel groter publiek, maar veranderde ook geleidelijk het karakter van de oorspronkelijke boodschap van Jezus.

Van een Joodse beweging naar een universele religie

De beweging rond Jezus ontstond volledig binnen de Joodse wereld. Jezus sprak tot Joden, zijn eerste apostelen waren Joden, en zijn boodschap over het Hemelse Koninkrijk werd aanvankelijk begrepen binnen de messiaanse verwachting van Israël. Toch lag in zijn boodschap vanaf het begin een universele richting besloten: God als Vader van alle mensen en de mensheid als één spirituele broederschap. We moeten ook niet vergeten dat het verhaal duidelijk beschrijft dat Jezus zijn lessen niet alleen voor onze kleine planeet gaf, en zijn leven niet alleen voor de aardbewoners als voorbeeld diende, maar dat een heel lokaal universum toekeek.

Paulus werd vervolgens de persoon die deze universele richting historisch zichtbaar maakte. Hij bracht de boodschap over Jezus buiten de grenzen van het Jodendom en gaf haar een vorm waarin zij verstaanbaar werd voor de Grieks-Romeinse wereld. Daarmee ontstond niet simpelweg een rechtstreekse voortzetting van de oorspronkelijke beweging van Jezus, maar een samengestelde religieuze ontwikkeling. [De volgende citaten zijn afkomstig uit Paper 92 en 98]

“De christelijke religie is de religie over het leven en de leringen van Christus, gebaseerd op de theologie van het Jodendom, verder gewijzigd door de opname van bepaalde Zoroastrische leringen en Griekse filosofie, en hoofdzakelijk geformuleerd door drie personen: Philo, Petrus en Paulus. Sinds de tijd van Paulus heeft zij vele fasen van ontwikkeling doorgemaakt en is zij zo sterk verwesterd geraakt dat veel niet-Europese volken het christendom heel vanzelfsprekend zien als een vreemde openbaring van een vreemde God, bedoeld voor vreemdelingen.”

In deze ontwikkeling kwamen verschillende invloeden samen. Het christendom zoals het zich later vormde, was niet alleen het resultaat van de oorspronkelijke lessen van Jezus, maar ook van de culturele en religieuze omgeving waarin die lessen werden ontvangen, uitgelegd en doorgegeven.

“De christelijke religie, als een geloofssysteem op Aarde, ontstond door de samenvoeging van de volgende leringen, invloeden, overtuigingen, culten en persoonlijke individuele houdingen.”

  • de Melchizedek-leringen als oudere onderstroom van monotheïstische religie;
  • de Hebreeuwse ethiek, moraal en Godsleer;
  • het Perzische en Zoroastrische denken over goed en kwaad;
  • de mysterie-religies, vooral het Mithraïsme;
  • het historische feit van het menselijke leven van Jezus van Nazareth;
  • de persoonlijke religieuze ervaring en uitleg van Paulus van Tarsus;
  • de filosofische denkwereld van de hellenistische volken.

Een belangrijke plaats in die samenvoeging wordt toegekend aan Paulus zelf. Zijn persoonlijke gezichtspunt werd een bepalende factor in de vorm waarin het christendom zich ontwikkelde. Dat betekent niet dat Paulus bewust een latere kerkelijke leer wilde scheppen. Het verhaal benadrukt juist dat hij onmogelijk kon voorzien hoe zijn brieven later zouden worden gebruikt.

“Het persoonlijke gezichtspunt van Paulus van Tarsus. En hierbij moet worden vastgelegd dat het Mithraïsme tijdens zijn jeugd de dominante religie van Tarsus was. Paulus droomde er nauwelijks van dat zijn goedbedoelde brieven aan zijn bekeerlingen ooit door nog latere christenen zouden worden beschouwd als het ‘woord van God’. Zulke goedbedoelende leraren mogen niet verantwoordelijk worden gehouden voor het gebruik dat latere opvolgers van hun geschriften hebben gemaakt.”

Juist omdat Paulus in de Grieks-Romeinse wereld dacht, sprak en werkte, kon zijn versie van het christendom daar zo krachtig aanslaan. De Griekse filosofie bood begrippen en denkvormen waarmee de boodschap over Jezus kon worden geordend, uitgelegd en verdedigd. Daardoor kreeg de beweging intellectuele vorm, maar ook een andere toon en een ander zwaartepunt.

“De filosofie van de Grieken was meer in overeenstemming met de versie van het christendom van Paulus dan met enig ander religieus systeem van die tijd, en werd een belangrijke factor in het succes van het christendom in het Westen. De Griekse filosofie, verbonden met de theologie van Paulus, vormt nog steeds de basis van de Europese ethiek.”

Daarmee werd de beweging van Jezus universeel in bereik, maar tegelijk westers in vorm. De oorspronkelijke boodschap werd overgebracht naar een nieuwe wereld, maar raakte daarbij ook gekleurd door de taal, denkwijzen, religieuze verwachtingen en maatschappelijke structuren van die wereld.

“Toen de oorspronkelijke leringen van Jezus het Westen binnendrongen, werden zij verwesterd, en toen zij verwesterd werden, begonnen zij hun potentieel universele aantrekkingskracht op alle rassen en soorten mensen te verliezen. Het christendom is vandaag een religie geworden die goed is aangepast aan de sociale, economische en politieke zeden van de witte rassen. Het is al lang niet meer de religie van Jezus, hoewel het nog steeds moedig een prachtige religie over Jezus uitbeeldt voor zulke mensen die oprecht proberen de weg van haar leer te volgen. Het heeft Jezus verheerlijkt als de Christus, de Messiaanse gezalfde van God, maar is grotendeels het persoonlijke evangelie van de Meester vergeten: het vaderschap van God en de universele broederschap van alle mensen.”

De overgang van een Joodse beweging naar een universele religie was dus tegelijk een verruiming en een beperking. Paulus hielp de boodschap los te maken uit haar oorspronkelijke nationale kader, maar de vorm waarin zij zich verspreidde, werd sterk bepaald door zijn eigen ervaring, zijn taal, zijn theologie en de Grieks-Romeinse wereld waarin hij werkte.

De overgang van Jezus van Nazareth naar de verheerlijkte Christus

Bij het lezen van de hoofdstukken over Paulus en het ontstaan van het christendom kan gemakkelijk de indruk ontstaan dat het woord “Christus” zelf de kern van de verschuiving vormt. Dat is te simpel. Het verhaal gebruikt “Christus” niet als een negatieve aanduiding, maar vooral als een verheven titel voor Jezus in zijn voltooide status na zijn missie op Aarde.

De legitieme betekenis van “Christus” als verheven titel

Het woord Christus komt van het Griekse Christos, dat “gezalfde” betekent, en correspondeert met -maar is zeker niet identiek aan- het Hebreeuwse begrip Messias. Het citaat hierboven zegt: het christendom “heeft Jezus verheerlijkt als de Christus, de Messiaanse gezalfde van God”, maar geeft daarmee impliciet aan dat deze interpretatie onjuist is. In het verhaal krijgt de titel “Christus” namelijk niet alleen een Joodse of kerkelijke betekenis, maar een bredere universele lading. Jezus wordt na zijn voltooide missie niet slechts gezien als de leraar van Galilea, maar als degene die zijn missie op Aarde volledig heeft volbracht en daardoor een blijvende betekenis heeft voor zijn hele lokale universum.

“Vanwege de naam die verbonden is met zijn zevende en laatste missie op Aarde, wordt hij soms aangeduid als Christus Michael.”

Voor dit artikel is het niet nodig om de volledige kosmologische achtergrond van deze titel uit te werken. Belangrijk is vooral dat “Christus” in het verhaal een eretitel is die vanwege de veel bredere dimensie (van een heel lokaal universum) weinig te maken heeft met “de Messiaanse gezalfde van God”. De titel wijst op de verheven status van Jezus na zijn aardse leven, en dus niet automatisch op een vervorming van zijn boodschap.

Van persoonlijke religie naar aanbidding van de verheerlijkte Jezus

De werkelijke verschuiving ligt ergens anders. Het gaat om de verandering van religieus zwaartepunt. Jezus leefde een religie van persoonlijke ervaring: het doen van de wil van God, het leven in verbondenheid met de Vader, en het dienen van de menselijke broederschap. Paulus legde in zijn prediking steeds sterker de nadruk op de persoon van de verheerlijkte Jezus als centrum van geloof en aanbidding.

“Jezus stichtte de religie van persoonlijke ervaring in het doen van de wil van God en het dienen van de menselijke broederschap; Paulus stichtte een religie waarin de verheerlijkte Jezus het voorwerp van aanbidding werd (…)”

Hier ligt de kern van de vervorming die in dit artikel wordt besproken. Jezus wees de mens naar het levende contact met God, naar het Hemelse Koninkrijk, naar innerlijke groei en naar het praktische leven van liefdevolle dienstverlening aan je broeders en zusters. In het latere christendom verschoof de aandacht steeds meer naar geloof in de verheven persoon van Jezus zelf. De leraar werd niet vergeten, maar zijn leven en lessen werden vaak ondergeschikt gemaakt aan leerstellingen over zijn status, zijn dood, zijn opstanding en zijn rol als object van geloof.

“Maar de grootste fout werd gemaakt doordat, terwijl de menselijke Jezus werd erkend als iemand die een religie had, de goddelijke Jezus (Christus) bijna van de ene op de andere dag een religie werd.”

In deze zin ligt het accent niet op het woord “Christus” als zodanig. Het gaat om het verschil tussen de menselijke Jezus die een levende religie had en presenteerde, en de goddelijke Jezus die zelf het middelpunt van een religie werd. De haakjes rond “Christus” verduidelijken vooral dat het hier gaat om Jezus in zijn verheven, post-missie goddelijke status.

Deze verschuiving werd in latere eeuwen zichtbaar in vele vormen van christelijke traditie. De aandacht kwam steeds sterker te liggen op de persoon, het lichaam, de geboorte, de dood en de verheven status van Jezus Christus. De praktische levensweg die Jezus zelf had geleefd — het doen van de wil van God en het leven als kind van de Vader — raakte daardoor soms meer op de achtergrond.

  • de nadruk op sacramentele formules zoals “het lichaam van Christus” of de wijn en het brood van het Laatste Avondmaal;
  • de uitgebreide theologische discussies over de status van Maria vanwege haar rol als aardse moeder van het lichaam van Jezus van Nazareth;
  • de ontwikkeling van ingewikkelde leerstellingen over de natuur en status van Christus;
  • de groeiende nadruk op correcte geloofsopvattingen over Jezus, soms belangrijker geacht dan het daadwerkelijk leven volgens zijn lessen.

Jezus verkondigde een leven als kind van God; het latere christendom verkondigde steeds meer: redding door geloof in Christus.

De mogelijke verwarring rond het woord “Christus”

Daarom is rond het woord “Christus” enige voorzichtigheid nodig. Je zou uit sommige hoofdstukken kunnen afleiden dat Paulus en andere vroege verkondigers door het gebruik van het woord “Christus” de aandacht van de lessen van Jezus naar zijn persoon hebben verschoven. In werkelijkheid spelen er twee dingen tegelijk.

Enerzijds is er wel degelijk sprake van een verschuiving: van de religie van Jezus naar een religie over de verheerlijkte Jezus. Die verschuiving wordt scherp samengevat in de uitspraak dat Jezus een religie van persoonlijke ervaring stichtte, terwijl Paulus een religie vormde waarin de verheerlijkte Jezus het voorwerp van aanbidding werd.

Anderzijds gebruikt het verhaal het woord “Christus” vooral op een positieve manier. Het duidt Jezus aan als de voltooide en verheerlijkte Zoon van God die zijn missie op Aarde met succes heeft afgerond. De aardbewoners verbonden aan hem de titel “de Gezalfde”, en binnen het bredere perspectief van het verhaal is die titel passend bevonden, gezien zijn leven, zijn lessen, zijn weg, zijn waarheid en zijn licht voor alle bewoonde werelden van zijn lokale universum.

Het probleem is dus niet dat Jezus “Christus” wordt genoemd. Het probleem ontstaat wanneer de aanbidding van de verheerlijkte Jezus het zicht verduistert op de religie die Jezus zelf leefde en onderwees. De titel Christus kan een erkenning zijn van zijn verheven status; zij wordt pas problematisch wanneer zij het levende voorbeeld van Jezus van Nazareth naar de achtergrond verdringt.

Van vervormingen terug naar het ware leven en leringen

Men kan zich voorstellen dat er een zekere tegenbeweging ontstond tegen al die vervormingen, een gevoel dat een reformatie of nieuwe focus op het oorspronkelijke nodig is.

Hoofdstuk 72 is in dat verband hoopgevend:

De tijd is rijp om getuige te zijn van de figuurlijke opstanding van de mens Jezus uit zijn graf, te midden van de theologische tradities en religieuze dogma’s van negentien [intussen bijna twintig] eeuwen. Jezus van Nazareth mag niet langer worden opgeofferd aan zelfs het schitterende concept van de verheerlijkte Christus. Wat een transcendente dienst zou het zijn als door deze openbaring de MensenZoon uit het graf van de traditionele theologie zou worden gehaald en als de levende Jezus zou worden gepresenteerd aan de kerk die zijn naam draagt, en aan alle andere religies! De christelijke geloofsgemeenschap zal ongetwijfeld niet aarzelen om haar geloof en levenspraktijken zodanig aan te passen dat ze de Meester kan “navolgen” in de demonstratie van zijn ware leven van religieuze toewijding aan het doen van de wil van zijn Vader en van toewijding aan de onbaatzuchtige dienst aan de mens. Zijn belijdende christenen bang voor de ontmaskering van een zelfvoorzienende en ongewijde gemeenschap van sociale respectabiliteit en egoïstische economische maladaptatie? Vreest het institutionele christendom het mogelijke gevaar, of zelfs de omverwerping, van het traditionele kerkelijke gezag als de Jezus van Galilea in de minds en zielen van sterfelijke mensen wordt hersteld als het ideaal van een persoonlijk religieus leven? Inderdaad, de maatschappelijke heraanpassingen, de economische transformaties, de morele verjongingen en de religieuze herzieningen van de christelijke beschaving zouden drastisch en revolutionair zijn als de levende religie van Jezus plotseling de theologische religie over Jezus zou vervangen.

Jezus volgen‘ betekent persoonlijk zijn religieuze geloof delen en zich inleven in de spirit van het leven van onbaatzuchtige dienstbaarheid aan de mens van de Meester. Een van de belangrijkste dingen in het menselijk leven is te ontdekken wat Jezus geloofde, zijn idealen te ontdekken en te streven naar het bereiken van zijn verheven levensdoel. Van alle menselijke kennis is kennis van het religieuze leven van Jezus en hoe hij dat leefde, van de grootste waarde.

Het gewone volk luisterde met vreugde naar Jezus, en zij zullen opnieuw reageren op de presentatie van zijn oprechte menselijke leven van gewijde religieuze motivatie als zulke waarheden opnieuw aan de wereld verkondigd worden. Het volk luisterde met vreugde naar hem omdat hij een van hen was, een bescheiden leek; de grootste religieuze leraar ter wereld was inderdaad een leek [in de zin van: geen priester of rabbi].

Het zou niet het doel van gelovigen in het koninkrijk moeten zijn om het uiterlijke leven van Jezus in het lichaam letterlijk na te bootsen, maar veeleer om zijn geloof te delen; God te vertrouwen zoals hij God vertrouwde en in mensen te geloven zoals hij in mensen geloofde. Jezus debatteerde nooit over het vaderschap van God of de broederschap onder de mensen; hij was een levende illustratie van het een en een diepgaande demonstratie van het ander.

Nog enkele citaten over de invloeden van Paulus

Voorwoord:

Paulus herkende de vele, doch niet alle, onsamenhangende ideeën van Philo en nam ze wijselijk niet over in zijn voor-Christelijke basis-theologie. Philo’s gebrek aan samenhang, hier en daar, kwam voort uit zijn pogingen om de Griekse mystieke filosofie en de Romeinse Stoïcijnse leerstellingen te combineren met de strikte theologie van de Hebreeën. Toch was Philo degene die het Paulus mogelijk maakte het begrip van de Paradijs-Triniteit, dat lang gesluimerd had in de Joodse theologie, in een vollediger vorm te herstellen. Slechts in één opzicht slaagde Paulus er niet in Philo’s niveau te bereiken of de leer van deze rijke en goed onderlegde Jood uit Alexandrië te overtreffen, en dat was in de leer van de verzoening. Philo leerde iedereen dat het onjuist was dat vergeving alleen verkregen kon worden door het vergieten van bloed (slachten van dieren, offeren van dieren, etc.). Ook is het mogelijk dat Philo de werkelijkheid en aanwezigheid van de spirit van God in ons hart duidelijker zag dan Paulus. Maar de theorie van Paulus over de erfzonde, zijn lessen over erfelijke schuld en aangeboren kwaad en de verlossing daarvan, hadden voor een deel een Mithraïsche oorsprong en weinig te doen met de Hebreeuwse theologie, de filosofie van Philo, of het onderricht van Jezus. Sommige aspecten van de leer van Paulus over de erfzonde en de verzoening stamden van hemzelf.

In hoofdstuk 27 lezen we:

Jezus begreep de mind van de mensen. Hij wist wat er in het hart van de mens leefde, en als zijn leringen waren gebleven zoals hij ze presenteerde, met als enige commentaar de geïnspireerde interpretatie die zijn aardse leven bood, zouden alle volken en alle religies van de wereld snel het evangelie van het koninkrijk hebben omarmd. De goedbedoelde pogingen van de vroege volgelingen van Jezus om zijn leringen opnieuw te formuleren, om ze acceptabeler te maken voor bepaalde volken, rassen en religies, resulteerden er alleen maar in dat dergelijke leringen minder acceptabel werden voor alle andere volken, rassen en religies.

De apostel Paulus schreef, in zijn pogingen om de leringen van Jezus onder de gunstige aandacht van bepaalde groepen in zijn tijd te brengen, vele brieven met lessen en aansporingen/waarschuwingen. Andere leraren van het evangelie van Jezus deden hetzelfde, maar geen van hen besefte dat sommige van deze geschriften later bijeengebracht zouden worden door degenen die ze zouden presenteren als de belichaming van de leringen van Jezus. En dus, hoewel het zogenaamde christendom méér van het evangelie van de Meester bevat dan welke andere religie dan ook, bevat het ook veel dat Jezus niet aan ons geleerd heeft. Afgezien van de opname van vele leringen uit de Perzische mysteriën en een groot deel van de Griekse filosofie in het vroege christendom, werden er twee grote fouten gemaakt:

  1. De poging om de leer van het evangelie van Jezus rechtstreeks te verbinden met de Joodse theologie. Een illustratie daarvan is de christelijke leer van de verzoening –de leer dat Jezus de geofferde Zoon was die de strenge gerechtigheid van de Vader zou bevredigen en de goddelijke toorn zou stillen. Deze leringen kwamen voort uit een op zich prijzenswaardige poging om het evangelie van het koninkrijk aanvaardbaarder te maken voor Joden die niet in het evangelie geloofden. Hoewel deze pogingen faalden wat betreft het winnen van de Joden, faalden ze niet in het verwarren en vervreemden van veel oprechte zielen in alle volgende generaties.
  2. De tweede grote blunder van de eerste volgelingen van de Meester, en een die alle volgende generaties volhardend in stand hebben gehouden, was het zo volledig ordenen van de christelijke leer rond de persoon van Jezus. Deze overmatige nadruk op de persoonlijkheid van Jezus in de theologie van het christendom heeft ertoe bijgedragen zijn leringen te vertroebelen, en dit alles heeft het voor Joden, Mohammedanen, Hindoes en andere oosterse religieuzen steeds moeilijker gemaakt om de leringen van Jezus te accepteren. We willen natuurlijk de plaats van de persoon van Jezus niet kleineren in een religie die zijn naam zou dragen, maar we zouden niet moeten toestaan dat een dergelijke erkenning van zijn rechtmatige plaats zijn geïnspireerde leven overschaduwt of zijn reddende boodschap vervangt: het vaderschap van God en de broederschap van de mens.

De leraren van de religie van Jezus zouden andere religies moeten benaderen met de erkenning van de waarheden die gemeenschappelijk zijn (waarvan vele direct of indirect voortkomen uit de boodschap van Jezus), terwijl ze zich zouden moeten onthouden van het leggen van te veel nadruk op de verschillen.

Hoofdstuk 28, over de rol van vrouwen

Het was zeer verbazingwekkend in die tijd -toen vrouwen zelfs niet op de begane grond van de synagoge mochten komen-, om te zien dat ze erkend werden als bevoegde leraressen van het nieuwe evangelie van het koninkrijk. De opdracht die Jezus deze tien vrouwen gaf toen hij hen selecteerde voor het evangelie-onderricht en de missie/dienstverlening, was de emancipatieproclamatie die alle vrouwen voor altijd bevrijdde: de man mocht de vrouw niet langer als zijn spiritueel mindere beschouwen. Dit was een enorme schok, zelfs voor de twaalf apostelen. Hoewel ze de Meester al vaak hadden horen zeggen dat ‘in het hemelse koninkrijk geen rijken of armen, vrijen of slaven, mannen of vrouwen zijn, maar dat iedereen gelijkelijk zonen en dochters van God zijn‘, waren ze letterlijk verbijsterd toen hij voorstelde deze tien vrouwen formeel aan te stellen als godsdienstleraren en hen zelfs toe te staan met hen mee te reizen. Het hele land raakte in beroering door deze gang van zaken, de vijanden van Jezus haalden er enorm voordeel uit, maar overal stonden de vrouwen die in het goede nieuws geloofden onwrikbaar achter hun uitverkoren zusters en spraken ze hun onvoorwaardelijke goedkeuring uit voor deze late erkenning van de plaats van vrouwen in het religieuze werk. En deze bevrijding van vrouwen, die hun de nodige erkenning gaf, werd door de apostelen direct na het vertrek van de Meester in praktijk gebracht, hoewel ze in latere generaties terugvielen op oude gebruiken. Gedurende de begindagen van de christelijke kerk werden vrouwelijke leraren en predikanten diaconessen genoemd en kregen ze algemene erkenning. Maar Paulus, ondanks het feit dat hij dit alles in theorie erkende, heeft het nooit echt in zijn eigen houding verwerkt en vond het persoonlijk moeilijk om het in de praktijk te brengen.

In hoofdstuk 42:

De Joden in Jeruzalem hadden altijd problemen gehad met de Joden in Philadelphia. En na de dood en opstanding van Jezus begon de [ Christelijke ] gemeente in Jeruzalem, waarvan Jacobus, de broer van Jezus, het hoofd was, ernstige moeilijkheden te krijgen met de gemeente van gelovigen in Philadelphia. Abner werd het hoofd van de kerk in Philadelphia en bleef dat tot aan zijn dood. Deze vervreemding van Jeruzalem verklaart waarom er in de evangeliën van het Nieuwe Testament niets over Abner en zijn werk wordt vermeld. Deze vete tussen Jeruzalem en Philadelphia duurde voort gedurende het leven van Jacobus en Abner en duurde nog enige tijd voort na de verwoesting van Jeruzalem. Philadelphia was in feite het hoofdkwartier van de vroege kerk in het zuiden en oosten, net zoals Antiochië dat was in het noorden en westen.

Het was het ogenschijnlijke ongeluk van Abner dat hij het oneens was met alle leiders van de vroegchristelijke kerk. Hij kreeg ruzie met Petrus en Jacobus (de broer van Jezus) over kwesties van bestuur en jurisdictie van de kerk in Jeruzalem. Hij nam afscheid van Paulus vanwege filosofische en theologische verschillen. Abner was meer Babylonisch dan Helleens in zijn filosofie, en hij verzette zich koppig tegen alle pogingen van Paulus om de leringen van Jezus te herzien zodat ze minder aanstootgevend zouden zijn, eerst voor de Joden, daarna voor de Grieks-Romeinse gelovigen in de mysteriën-cultus.

Zo werd Abner gedwongen een leven van afzondering te leiden. Hij was hoofd van een kerk die in Jeruzalem geen positie had. Hij had het gewaagd Jacobus, de broer van Jezus, te trotseren, die vervolgens door Petrus werd gesteund. Zulk gedrag scheidde hem effectief van al zijn vroegere metgezellen. Vervolgens durfde hij Paulus te weerstaan. Hoewel hij volledig sympathiseerde met Paulus in zijn zending onder de niet-Joden, en hem steunde in zijn meningsverschillen met de kerk in Jeruzalem, verzette hij zich fel tegen de versie van de leer van Jezus die Paulus verkoos te prediken. In zijn laatste jaren hekelde Abner Paulus als de “sluwe verdraaier van de levensleer van Jezus van Nazareth, de Zoon van de levende God.

Gedurende de latere jaren van Abner en enige tijd daarna hielden de gelovigen in Philadelphia zich strikter aan de religie van Jezus, zoals hij leefde en onderwees, dan welke andere groep op aarde ook.

In hoofdstuk 46 over het Hemelse Koninkrijk:

Gedurende de eerste eeuwen van de christelijke propaganda werd het idee van het hemelse koninkrijk enorm beïnvloed door de toen snel verspreidende ideeën van het Griekse idealisme, het idee van het natuurlijke als de schaduw van het spirituele – het tijdelijke als de tijdschaduw van het eeuwige.

Maar de grote stap die de overplanting van de leringen van Jezus van Joodse naar niet-Joodse bodem markeerde, werd gezet toen de Messias van het koninkrijk de Verlosser werd van de KERK, een religieuze en sociale organisatie die voortkwam uit de activiteiten van Paulus en zijn opvolgers en gebaseerd was op de leringen van Jezus, aangevuld met de ideeën van Philo en de Perzische leerstellingen over goed en kwaad.

De ideeën en idealen van Jezus, belichaamd in de leer van het evangelie van het koninkrijk, mislukten bijna omdat zijn volgelingen zijn uitspraken steeds meer verdraaiden. Het concept van het koninkrijk van de Meester werd met name beïnvloed door twee belangrijke tendensen:

  1. De Joodse gelovigen bleven hem beschouwen als de messias. Zij geloofden dat Jezus zeer binnenkort zou terugkeren om daadwerkelijk het wereldwijde en min of meer materiële koninkrijk te vestigen.
  2. De niet-Joodse christenen begonnen al heel vroeg de leer van Paulus te aanvaarden, wat steeds meer leidde tot de algemene overtuiging dat Jezus de verlosser van de kinderen van de kerk was, de nieuwe en institutionele opvolger van het eerdere concept van de zuiver spirituele broederschap van het koninkrijk.

De kerk, als sociale uitloper van het koninkrijk, zou volkomen natuurlijk en zelfs wenselijk zijn geweest. Het kwaad van de kerk was niet haar bestaan, maar eerder dat ze het door Jezus voorgestelde concept van het koninkrijk bijna volledig verdrong. De geïnstitutionaliseerde kerk van Paulus werd feitelijk een substituut voor het hemelse koninkrijk dat Jezus had verkondigd.

Maar twijfel er niet aan, ditzelfde Hemelse Koninkrijk, waarvan de Meester leerde dat het in het hart van de gelovige bestaat, zal nog aan deze christelijke kerk verkondigd worden, evenals aan alle andere religies, rassen en naties op aarde – zelfs aan ieder individu.

En dan, eveneens in hoofdstuk 46, deze krachtige passage:

Het koninkrijk uit de leer van Jezus, het spirituele ideaal van individuele rechtschapenheid en het concept van de goddelijke gemeenschap van de mens met God, raakte geleidelijk ondergedompeld in een mystieke opvatting van de persoon van Jezus als de Verlosser-Schepper en het spirituele hoofd van een gesocialiseerde religieuze gemeenschap. Op deze manier werd een formele en institutionele kerk de vervanging voor de individueel door de spirit geleide broederschap van het koninkrijk.

De kerk was een onvermijdelijk en nuttig sociaal resultaat van het leven en de leringen van Jezus. De tragedie bestond uit het feit dat deze maatschappelijke reactie op de leringen van het koninkrijk het spirituele concept van het echte koninkrijk zoals Jezus dat onderwees en leefde, zo volledig verdrong.

Het koninkrijk was voor de Joden de Israëlitische gemeenschap; voor de niet-Joden werd het de christelijke kerk. Voor Jezus was het koninkrijk de som van die individuen die hun geloof in het vaderschap van God hadden beleden en daarmee hun oprechte toewijding aan het doen van de wil van God hadden verklaard, en zo leden waren geworden van de spirituele broederschap van mensen.

De Meester besefte ten volle dat bepaalde sociale resultaten in de wereld zouden verschijnen als gevolg van de verspreiding van het evangelie van het koninkrijk. Maar hij bedoelde dat al dergelijke wenselijke sociale manifestaties zouden verschijnen als onbewuste en onvermijdelijke uitwassen, of natuurlijke vruchten, van deze innerlijke persoonlijke ervaring van individuele gelovigen, van deze zuiver spirituele gemeenschap en verbondenheid met de goddelijke Mentor-Spirit die in al zulke gelovigen woont en hen activeert.

Jezus voorzag dat een sociale organisatie, of kerk, de voortgang van het ware spirituele koninkrijk zou volgen, en daarom verzette hij zich nooit tegen de uitvoering door de apostelen van het ritueel van de doop zoals ingevoerd door Johannes. Hij leerde dat de waarheidlievende ziel, degene die hongert en dorst naar gerechtigheid, naar God, door geloof tot het spirituele koninkrijk wordt toegelaten. Maar tegelijkertijd leerden de apostelen dat zo’n gelovige tot de sociale organisatie van discipelen wordt toegelaten door het uiterlijke ritueel van de doop.

Toen de directe volgelingen van Jezus beseften dat ze er gedeeltelijk niet in slaagden zijn ideaal te verwezenlijken van de vestiging van het koninkrijk in de harten van mensen door de overheersing en leiding van de Mentor-Spirit van de individuele gelovige, begonnen ze zijn leer te redden van volledige verdwijning door het ideaal van de Meester van het koninkrijk te vervangen door de geleidelijke schepping van een zichtbare sociale organisatie, de christelijke kerk. En toen zij dit vervangingsprogramma hadden voltooid, om de consistentie te behouden en de erkenning van de leer van de Meester met betrekking tot het koninkrijk te waarborgen, gingen zij over tot het plaatsen van het koninkrijk in de toekomst. Zodra de kerk goed gevestigd was, begon ze te onderwijzen dat het koninkrijk in werkelijkheid zou verschijnen op het hoogtepunt van het christelijke tijdperk: bij de wederkomst van Christus.

Op deze manier werd het koninkrijk het concept van een bepaald tijdperk, het idee van een toekomstige verschijning, en het ideaal van de uiteindelijke verlossing van de heiligen van de Allerhoogsten. De vroege christenen (en maar al te veel van de latere) verloren over het algemeen het Vader en ‘kind-van-God-zijn’ idee uit het oog, belichaamd in de leer van Jezus over het koninkrijk, terwijl zij daarvoor de goed georganiseerde sociale gemeenschap van de kerk in de plaats stelden. De kerk werd zo in hoofdzaak een sociale broederschap die het concept en ideaal van Jezus van een spirituele broederschap effectief verdrong.

Het ideale concept van Jezus mislukte dus grotendeels, maar op basis van het persoonlijke leven en de leringen van de Meester, aangevuld met de Griekse en Perzische concepten van eeuwig leven en uitgebreid met Philo’s leer over het tijdelijke in contrast met het spirituele, ging Paulus op pad om een van de meest vooruitstrevende menselijke organisaties op te bouwen die ooit op aarde heeft bestaan.

Het concept van Jezus leeft nog steeds in de ontwikkelde religies van de wereld. De christelijke kerk van Paulus is de gesocialiseerde en gehumaniseerde schaduw van wat Jezus bedoelde dat het hemelse koninkrijk zou zijn – en wat het zeer zeker nog zal worden. Paulus en zijn opvolgers verlegden de kwesties van het eeuwige leven gedeeltelijk van het individu naar de kerk. Christus werd zo het hoofd van de kerk in plaats van de oudere broer van iedere individuele gelovige in de familie van de Vader, die het koninkrijk vormt. Paulus en zijn tijdgenoten pasten alle spirituele implicaties van Jezus met betrekking tot hemzelf en de individuele gelovige toe op de kerk als een groep gelovigen. En daarmee brachten ze een dodelijke slag toe aan het concept van Jezus van het goddelijke koninkrijk in het hart van de individuele gelovige.

En zo heeft de christelijke kerk eeuwenlang geleefd tot haar grote schaamte, omdat ze het waagde aanspraak te maken op die mysterieuze krachten en privileges van het koninkrijk; krachten en privileges die alleen kunnen worden uitgeoefend en ervaren tussen Jezus en zijn spirituele broeders, de gelovigen. En zo wordt duidelijk dat lidmaatschap van de kerk niet noodzakelijkerwijs gemeenschap/broederschap in het koninkrijk betekent; het ene is spiritueel, het andere voornamelijk sociaal.

Vroeg of laat zal een andere, grotere Johannes de Doper opstaan en verkondigen: ‘Het koninkrijk Gods is nabijgekomen’ – wat betekent een terugkeer naar het hoge spirituele concept van Jezus, die verkondigde dat het koninkrijk de wil van zijn hemelse Vader is, die dominant en transcendent [het materiële overstijgend] is in het hart van de gelovige – en die dit alles deed zonder op enige manier te verwijzen naar de zichtbare kerk op aarde of naar de verwachte wederkomst van Christus. Er moet een herleving komen van de werkelijke leringen van Jezus, een dergelijke herformulering die het werk teniet zal doen van zijn vroege volgelingen die een sociaal-filosofisch geloofssysteem probeerden te creëren met betrekking tot het feit van Michaëls verblijf op aarde. In korte tijd verdrong de leer van dit verhaal over Jezus bijna de prediking van het evangelie van Jezus over het koninkrijk. Op deze manier verving een historische religie de leer waarin Jezus de hoogste morele ideeën en spirituele idealen van de mens had vermengd met de meest verheven hoop van de mens voor de toekomst: het eeuwige leven. En dat was het evangelie van het koninkrijk.

Juist omdat het evangelie van Jezus zo veelzijdig was, raakten de studenten van zijn leringen binnen enkele eeuwen verdeeld in talloze culten en sekten. Deze beklagenswaardige verdeling van christelijke gelovigen is het gevolg van het onvermogen om in de veelvuldige leringen van de Meester de goddelijke eenheid van zijn ongeëvenaarde leven te onderscheiden. Maar op een dag zullen de ware gelovigen in Jezus niet meer zo spiritueel verdeeld zijn in hun houding tegenover ongelovigen. We kunnen altijd een verscheidenheid aan intellectueel begrip en interpretatie hebben, zelfs verschillende graden van socialisatie, maar gebrek aan spirituele broederschap is zowel onvergeeflijk als verwerpelijk.

Vergis je niet! Er schuilt in de leringen van Jezus een eeuwige aard en kern die niet zal toestaan dat ze voor altijd onvruchtbaar blijven in de harten van denkende mensen. Het koninkrijk zoals Jezus het bedacht, heeft op aarde grotendeels gefaald. Voorlopig is er een uiterlijke kerk voor in de plaats gekomen. Maar je moet begrijpen dat deze kerk slechts het larvestadium is van het gedwarsboomde spirituele koninkrijk, dat dit koninkrijk door dit materiële tijdperk heen zal dragen naar een meer spiritueel tijdperk van beschikbaar-komen, waarin de leringen van de Meester een vollere kans tot ontwikkeling kunnen krijgen. Zo wordt de zogenaamde christelijke kerk de cocon waarin het koninkrijk volgens het concept van Jezus nu sluimert. Het koninkrijk van de Goddelijke broederschap leeft nog steeds en zal uiteindelijk en zeker tevoorschijn komen uit deze lange onderdompeling, net zo zeker als de vlinder uiteindelijk tevoorschijn komt als de prachtige ontvouwing van zijn minder aantrekkelijke schepsel van metamorfe ontwikkeling.

In hoofdstuk 70 is te lezen:

Deze mensen waren opgeleid en geïnstrueerd dat het evangelie dat zij moesten prediken het vaderschap van God en het kind-van-God-zijn van de mens was, maar juist op dit moment van spirituele extase en persoonlijke triomf was het beste nieuws, het grootste nieuws dat deze mensen konden bedenken, het feit van de verrezen Meester. En zo gingen zij voort, begiftigd met kracht ‘uit den hoge’, om de mensen de blijde boodschap te verkondigen – zelfs verlossing door Jezus – maar ze maakten onbedoeld de fout om enkele feiten die met het evangelie verbonden waren, te vervangen door de evangelieboodschap zelf. Petrus liep onbewust voorop in deze fout, en anderen volgden hem tot aan Paulus, die een nieuwe religie schiep uit de nieuwe versie van het goede nieuws.

Het evangelie van het koninkrijk is: het feit van het vaderschap van God, gekoppeld aan de daaruit voortvloeiende waarheid van het kind-van-God-zijn van de mens – de broederschap /verbondenheid van de mensen.

Het christendom, zoals het zich vanaf die dag ontwikkelde, is: het feit van God als de Vader van de Heer Jezus Christus, in samenhang met de ervaring van gelovige gemeenschap met de verrezen en verheerlijkte Christus.

Het is niet vreemd dat deze door de spirit vervulde mannen deze gelegenheid aangrepen om hun gevoelens van triomf te uiten over de krachten die hadden geprobeerd hun Meester te vernietigen en de invloed van zijn leringen te beëindigen. Op zo’n moment als dit was het gemakkelijker om zich hun persoonlijke band met Jezus te herinneren en verrukt te zijn door de zekerheid dat de Meester nog steeds leefde, dat hun vriendschap niet was beëindigd en dat de Spirit van Waarheid inderdaad over hen was gekomen, zoals Hij had beloofd.

Deze gelovigen voelden zich plotseling overgebracht naar een andere wereld, een nieuw bestaan van vreugde, kracht en glorie. De Meester had hun verteld dat het koninkrijk met kracht zou komen, en sommigen van hen dachten dat ze begonnen te begrijpen wat Hij bedoelde.

En wanneer dit alles in overweging wordt genomen, is het niet moeilijk te begrijpen hoe deze mannen ertoe kwamen een nieuw evangelie over Jezus te prediken in plaats van hun eerdere boodschap van het vaderschap van God en het kind-van-God-zijn in een broederschap onder de mensen.

Iets verderop in hoofdstuk 70

Jezus leefde een leven dat een openbaring is van de mens die zich aan de wil van de Vader heeft overgegeven, niet een voorbeeld dat iemand letterlijk kan proberen na te volgen. Dit leven in een lichaam, samen met zijn dood aan het kruis en de daaropvolgende opstanding, werd al snel een nieuw evangelie van de losprijs die aldus was betaald om de mens vrij te kopen uit de klauwen van de boze – vrij te kopen uit de veroordeling door een beledigde God. Ook al raakte het evangelie op die manier sterk verdraaid, het blijft toch een feit dat deze nieuwe boodschap over Jezus veel van de fundamentele waarheden en leringen van zijn eerdere evangelie van het koninkrijk met zich meebracht. En vroeg of laat zullen deze verborgen waarheden over het vaderschap van God en de broederschap/verbondenheid van mensen die kinderen van God zijn, naar boven komen om de beschaving van de hele mensheid effectief te transformeren.

En:

Zelfs na deze demonstratie van het uitstorten van de Spirit van Waarheid over alle lichamen, probeerden de apostelen aanvankelijk de eisen van het Jodendom aan hun bekeerlingen op te leggen. Zelfs Paulus had problemen met zijn broeders in Jeruzalem, omdat hij weigerde de niet-Joden aan deze Joodse gebruiken te onderwerpen. Geen enkele geopenbaarde religie kan zich over de hele wereld verspreiden wanneer ze de ernstige fout maakt zich te vermengen met een nationale cultuur of zich te associëren met gevestigde raciale, sociale of economische gebruiken.

Ook in Hoofdstuk 72:

Ooit zal een reformatie in de christelijke kerk wellicht diep genoeg inslaan om terug te keren naar de onvervalste religieuze leringen van Jezus, de grondlegger en voltooier van ons geloof. Je mag een religie over Jezus prediken, maar de religie van Jezus moet je per se leven. In het enthousiasme van Pinksteren luidde Petrus onbedoeld een nieuwe religie in, de religie van de verrezen en verheerlijkte Christus. De apostel Paulus transformeerde dit nieuwe evangelie later tot het christendom, een religie die zijn eigen theologische opvattingen belichaamde en zijn eigen persoonlijke ervaring met de Jezus van de weg naar Damascus uitbeeldde. Het evangelie van het koninkrijk is gebaseerd op de persoonlijke religieuze ervaring van de Jezus van Galilea; het christendom is bijna uitsluitend gebaseerd op de persoonlijke religieuze ervaring van de apostel Paulus. Bijna het hele Nieuwe Testament is gewijd, niet aan de beschrijving van het betekenisvolle en inspirerende religieuze leven van Jezus, maar aan een bespreking van de religieuze ervaring van Paulus en aan een beschrijving van zijn persoonlijke religieuze overtuigingen. De enige noemenswaardige uitzonderingen op deze bewering, afgezien van bepaalde delen van Mattheus, Marcus en Lucas, zijn de Hebreeënbrief en de brief van Jacobus. Zelfs Petrus keerde in zijn geschriften slechts één keer terug naar het persoonlijke religieuze leven van zijn Meester. Het Nieuwe Testament is een prachtig christelijk document, maar het heeft maar een heel matig Jezus-gehalte.

en:

Maar de grootste fout werd gemaakt doordat, terwijl de menselijke Jezus werd erkend als iemand met een religie, de goddelijke Jezus (Christus) bijna van de ene op de andere dag een religie werd. Het christendom van Paulus verzekerde de aanbidding van de goddelijke Christus, maar verloor bijna volledig het zicht op de worstelende en dappere mens Jezus van Galilea, die, door de moed van zijn persoonlijke religieuze geloof en de heldhaftigheid van zijn inwonende Mentor-Spirit, opsteeg van de nederige niveaus van de mensheid om één te worden met de goddelijkheid, en zo de nieuwe en levende weg werd waardoor alle stervelingen zo van de mensheid naar de goddelijkheid kunnen opstijgen. Stervelingen in alle stadia van spiritualiteit en op alle werelden kunnen in het persoonlijke leven van Jezus datgene vinden wat hen zal versterken en inspireren terwijl ze vorderen van de laagste mind-niveaus tot de hoogste spirituele en goddelijke waarden, van het begin tot het einde van elke persoonlijke religieuze ervaring.

Ten tijde van het schrijven van het Nieuwe Testament geloofden de auteurs niet alleen ten diepste in de goddelijkheid van de verrezen Christus, maar geloofden ze ook toegewijd en oprecht in zijn onmiddellijke wederkomst op aarde om het hemelse koninkrijk te voltooien. Dit sterke geloof in de onmiddellijke wederkomst van de Heer had veel te maken met de neiging om uit het verslag die verwijzingen weg te laten die de puur menselijke ervaringen en eigenschappen van de Meester belichtten. De hele christelijke beweging had de neiging weg te bewegen van het menselijke beeld van Jezus van Nazareth naar de verheerlijking van de verrezen Christus – de verheerlijkte en spoedig wederkerende Heer Jezus Christus.

Jezus stichtte de religie van persoonlijke ervaring in het doen van de wil van God en het dienen van de menselijke broederschap; Paulus stichtte een religie waarin de verheerlijkte Jezus het voorwerp van aanbidding werd en de broederschap bestond uit medegelovigen in de goddelijke Christus. In de missie van Jezus waren deze twee concepten potentieel aanwezig in zijn goddelijk-menselijke leven, en het is inderdaad jammer dat zijn volgelingen er niet in slaagden een verenigde religie te creëren die zowel de menselijke als de goddelijke natuur van de Meester op gepaste wijze had kunnen erkennen, aangezien deze onlosmakelijk met elkaar verbonden waren in zijn aardse leven en zo glorieus uiteengezet in het oorspronkelijke evangelie van het koninkrijk.

Externe Bronnen: