Inleiding
Johannes de Doper werd geboren op 25 maart, 7 v.Chr., in overeenstemming met de belofte die Gabriël in juni van het voorgaande jaar aan Elisabeth had gedaan. Vijf maanden lang hield Elisabeth Gabriëls bezoek geheim. En toen ze het haar man, Zacharias, vertelde, was hij zeer verontrust en geloofde hij haar verhaal pas volledig nadat hij ongeveer zes weken voor de geboorte van Johannes een ongewone droom had gehad. Behalve het bezoek van Gabriël aan Elisabeth en de droom van Zacharias, was er niets ongewoons of bovennatuurlijks verbonden aan de geboorte van Johannes de Doper.
Op de achtste dag werd Johannes besneden volgens de Joodse gewoonte. Hij groeide op als een gewoon kind, dag in dag uit en jaar in jaar uit, in het kleine dorp dat in die tijd bekend stond als de Stad van Judah, ongeveer vier mijl ten westen van Jeruzalem. De meest gedenkwaardige gebeurtenis in de vroege jeugd van Johannes was het bezoek, samen met zijn ouders, aan Jezus en de familie in Nazareth. Dit bezoek vond plaats in de maand juni van het jaar 1 v.Chr., toen hij iets ouder dan zes jaar was.
Na hun terugkeer uit Nazareth begonnen de ouders van Johannes met de systematische opvoeding van de jongen. Er was geen synagogeschool in dit kleine dorp. Maar omdat hij priester was, was Zacharias redelijk goed opgeleid, en Elizabeth was veel beter opgeleid dan de gemiddelde Joodse vrouw. Zij behoorde ook tot de priester-klasse, aangezien zij een afstammeling was van de dochters van Aäron. Omdat Johannes enig kind was, besteedden ze veel tijd aan zijn mentale en spirituele vorming. Zacharias had slechts korte periodes dienst in de tempel in Jeruzalem, zodat hij veel tijd besteedde aan het onderwijzen van zijn zoon.
Zacharias en Elisabeth hadden een kleine boerderij waar ze schapen hielden. Ze verdienden nauwelijks hun brood met dit land, maar Zacharias ontving een regelmatige toelage uit de tempelfondsen die bestemd waren voor het priesterschap.
Johannes wordt Nazireeër
Johannes had op veertienjarige leeftijd geen school waar hij kon afstuderen, maar zijn ouders hadden dit jaar uitgekozen als het geschikte jaar voor hem om de formele Nazireeërgelofte af te leggen. En dus namen Zacharias en Elisabeth hun zoon mee naar Engedi, aan de Dode Zee. Dit was het zuidelijke hoofdkwartier van de Nazireeër-broederschap, en daar werd de jongen plechtig en voor het leven in deze orde opgenomen. Na deze ceremonies en het afleggen van de geloften om zich te onthouden van alle bedwelmende dranken, het haar te laten groeien en de doden niet aan te raken, vertrok het gezin naar Jeruzalem, waar Johannes, vóór de tempel, de offers bracht die vereist waren van degenen die de Nazireeër-geloften aflegden.
Johannes legde dezelfde levenslange geloften af die aan zijn illustere voorgangers, Samson en de profeet Samuel, waren afgenomen. Een Nazireeër voor het leven werd beschouwd als een geheiligde en heilige persoonlijkheid. De Joden beschouwden een Nazireeër met bijna hetzelfde respect en verering als de hogepriester, en dit was niet vreemd want Nazireeërs van levenslange toewijding waren de enigen, met uitzondering van de hogepriesters, die ooit het heilige der heiligen in de tempel mochten betreden.
Johannes keerde terug naar huis vanuit Jeruzalem om de schapen van zijn vader te hoeden en groeide op tot een sterke man met een nobel karakter. Toen Johannes zestien jaar oud was, raakte hij, als gevolg van het lezen over Elijah, zeer onder de indruk van de profeet van de berg Carmel en besloot hij zijn kledingstijl over te nemen. Vanaf die dag droeg Johannes altijd een harig gewaad met een leren gordel. Op zijn zestiende was hij meer dan 1,80 meter lang en bijna volgroeid. Met zijn lange haar en bijzondere manier van kleden was hij inderdaad een pittoreske jongeling. En zijn ouders verwachtten grote dingen van deze zoon, hun enige, een kind van belofte en een Nazireeër voor het leven.
De dood van Zacharias
Na een ziekte van enkele maanden stierf Zacharias in juli, 12 n.Chr., toen Johannes net achttien jaar oud was. Dit was een tijd van grote schaamte voor Johannes, aangezien de Nazireeër-gelofte contact met de doden verbood, zelfs in iemands eigen familie. Hoewel Johannes had geprobeerd te voldoen aan de beperkingen van zijn gelofte met betrekking tot besmetting door de doden, betwijfelde hij of hij volledig gehoorzaam was geweest aan de vereisten van de Nazireeërorde. Daarom ging hij na de begrafenis van zijn vader naar Jeruzalem, waar hij in de Nazireeërhoek van het vrouwen-plein de offers bracht die nodig waren voor zijn reiniging.
In september van dat jaar reisden Elizabeth en Johannes naar Nazareth om Maria en Jezus te bezoeken. Johannes had bijna besloten om aan zijn levenswerk te beginnen, maar hij werd vermaand, niet alleen door de woorden van Jezus, maar ook door zijn voorbeeld, om naar huis terug te keren, voor zijn moeder te zorgen en de komst van het uur van de Vader af te wachten. Nadat hij aan het einde van dit aangename bezoek afscheid had genomen van Jezus en Maria, zag Johannes Jezus pas weer toen hij in de Jordaan werd gedoopt.
Johannes en Elisabeth keerden terug naar huis en begonnen plannen te maken voor de toekomst. Omdat Johannes weigerde de toelage van de priester uit de tempelfondsen te accepteren, waren ze na twee jaar hun huis bijna kwijt. Daarom besloten ze met de kudde schapen naar het zuiden te trekken. En zo verhuisden ze in de zomer dat Johannes twintig jaar oud was naar Hebron. In de zogenaamde ‘woestijn van Judea’ hoedde Johannes zijn schapen langs een beek die uitmondde in een grotere rivier die bij Engedi in de Dode Zee uitmondde. De Engedi-kolonie omvatte niet alleen Nazireeërs van levenslange en tijdelijke toewijding, maar ook talloze andere ascetische herders die zich in deze regio met hun kuddes verzamelden en zich verbonden met de Nazireeër-broederschap. Ze onderhielden zichzelf door het fokken van schapen en door giften die rijke Joden aan de orde deden.
Naarmate de tijd verstreek, keerde Johannes minder vaak terug naar Hebron, terwijl hij Engedi vaker bezocht. Hij was zo totaal anders dan de meeste Nazireeërs dat hij het erg moeilijk vond om zich volledig te verenigen met de broederschap. Maar hij was erg gesteld op Abner, de erkende leider en het hoofd van de Engedi-kolonie.
Het leven van een herder
Langs de vallei van dit beekje bouwde Johannes zeker twaalf stenen schuilplaatsen en nachtverblijven, bestaande uit opgestapelde stenen, waarin hij zijn kuddes schapen en geiten kon bewaken en beschermen. Het lev]en van Johannes als herder gaf hem veel tijd om na te denken. Hij praatte veel met Ezda, een weesjongen uit Beth-Zur, die hij in zekere zin had geadopteerd en die voor de kuddes zorgde wanneer hij naar Hebron ging om zijn moeder te bezoeken en schapen te verkopen, en ook wanneer hij naar Engedi ging voor de sabbathdiensten. Johannes en de jongen leefden zeer eenvoudig en leefden van schapenvlees, geitenmelk, wilde honing en de eetbare sprinkhanen van die streek. Dit, hun vaste dieet, werd van tijd tot tijd aangevuld met proviand die uit Hebron en Engedi werd aangevoerd.
Elizabeth hield Johannes op de hoogte van de Palestijnse en wereldzaken, en zijn overtuiging werd steeds sterker dat de tijd snel naderde waarop de oude orde zou eindigen. En dat hij de heraut zou worden van de nadering van een nieuw tijdperk, ‘het hemels koninkrijk’ Deze stoere herder had een grote voorliefde voor de geschriften van de profeet Daniël. Hij las duizend keer Daniëls beschrijving van het grote beeld, waarvan Zacharias hem had verteld dat het de geschiedenis van de grote koninkrijken van de wereld vertegenwoordigde, te beginnen met Babylon, vervolgens Perzië, Griekenland en uiteindelijk Rome.
Daniël 2 (het tweede hoofdstuk van het boek Daniël) vertelt hoe Daniël een droom van Nebukadnezar II, koning van Babylon, vertelde en interpreteerde. In zijn nachtdroom zag de koning een gigantisch standbeeld, gemaakt van vier metalen: van zijn hoofd van goud tot zijn voeten van gemengd ijzer en klei. Terwijl hij toekeek, verwoestte een steen, “niet door mensenhanden gehouwen”, het standbeeld en veranderde in een berg die de hele wereld vulde. Daniël legde de koning uit dat het standbeeld vier opeenvolgende koninkrijken vertegenwoordigde, te beginnen met Babylon, terwijl de steen en de berg een door God gesticht koninkrijk symboliseerden dat nooit zou worden vernietigd of aan een ander volk zou worden gegeven. Nebukadnezar erkende vervolgens de suprematie van Daniëls God en verhief hem tot een hoge positie in Babylon.
Johannes besefte dat Rome al bestond uit zoveel veeltalige volkeren en rassen dat het nooit een sterk verankerd en stevig geconsolideerd rijk zou kunnen worden. Hij geloofde dat Rome zelfs toen al verdeeld was, in Syrië, Egypte, Palestina en andere provincies. En toen las hij verder:
‘In de dagen van deze koningen zal de God van de hemel een koninkrijk oprichten dat nooit zal worden vernietigd. En dit koninkrijk zal niet aan andere mensen worden overgelaten, maar zal al deze koninkrijken verbreken en verteren, en het zal voor eeuwig standhouden.‘
‘En hem werd heerschappij en eer en een koninkrijk gegeven, zodat alle volken, natiën en talen hem zouden dienen. Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet zal vergaan, en zijn koninkrijk zal nooit worden vernietigd.‘
‘En het koninkrijk en de heerschappij en de grootheid van het koninkrijk onder de hele hemel zullen worden gegeven aan het volk van de heiligen van de Allerhoogste, wiens koninkrijk een eeuwig koninkrijk is, en alle heerschappijen zullen hem dienen en gehoorzamen.‘
Johannes kon nooit volledig boven de verwarring uitstijgen die ontstond door wat hij van zijn ouders over Jezus had gehoord en door deze passages die hij in de Schrift las. In Daniël las hij: ‘Ik zag in de nacht visioenen, en zie, er kwam iemand gelijk een Mensenzoon met de wolken des hemels, en hem werd heerschappij, heerlijkheid en een koninkrijk gegeven.‘ Maar deze woorden van de profeet kwamen niet overeen met wat zijn ouders hem hadden geleerd. Evenmin kwam zijn gesprek met Jezus, ten tijde van zijn bezoek toen hij achttien jaar oud was, overeen met deze uitspraken in de Schrift. Ondanks deze verwarring verzekerde zijn moeder hem dat zijn verre neef, Jezus van Nazareth, de ware Messias was, dat hij gekomen was om op de troon van David te zitten, en dat hij (Johannes) zijn voorbode en voornaamste steunpilaar zou worden.
Van alles wat Johannes hoorde over de verdorvenheid en goddeloosheid van Rome en de losbandigheid en morele onvruchtbaarheid van het keizerrijk, van wat hij wist over de kwade daden van Herodes Antipas en de gouverneurs van Judea, was hij geneigd te geloven dat het einde der tijden nabij was. Voor dit ruige en nobele kind van de natuur had het er alle schijn van dat de wereld rijp was voor het einde van het tijdperk van de mens en voor het aanbreken van het nieuwe en goddelijke tijdperk – het hemelse koninkrijk. Het gevoel groeide in het hart van Johannes dat hij de laatste van de oude profeten en de eerste van de nieuwe zou zijn. En hij trilde werkelijk van de toenemende impuls om erop uit te gaan en aan alle mensen te verkondigen: “Bekeer u! Maak het goed met God! Maak u klaar voor het einde! Bereid u voor op de komst van de nieuwe en eeuwige orde van de zaken op Aarde: het hemelse koninkrijk!”
De dood van Elisabeth
Op 17 augustus 22 n.Chr., toen Johannes achtentwintig jaar oud was, overleed zijn moeder plotseling. De vrienden van Elisabeth, die wisten van de nazireeër-beperkingen met betrekking tot contact met de doden, zelfs in iemands eigen familie, troffen alle voorbereidingen voor de begrafenis van Elisabeth voordat ze Johannes lieten komen. Toen hij het bericht van het overlijden van zijn moeder ontving, gaf hij Ezda opdracht zijn kuddes naar Engedi te drijven en vertrok naar Hebron.
Bij zijn terugkeer in Engedi van de begrafenis van zijn moeder, bood hij zijn kudden aan de broederschap aan en zonderde hij zich een tijdlang af van de buitenwereld terwijl hij vastte en bad. Johannes kende alleen de oude methoden om tot goddelijkheid te naderen. Hij kende alleen de verslagen van mensen als Elijah, Samuel en Daniël. Elijah was zijn ideale profeet. Elijah was de eerste van de leraren van Israël die als profeet werd beschouwd, en Johannes geloofde werkelijk dat hij de laatste zou zijn in deze lange en illustere rij van hemelse boodschappers.
Tweeënhalf jaar lang woonde Johannes in Engedi, en hij overtuigde het grootste deel van de broederschap ervan dat ‘het einde der tijden nabij was’; dat ‘het hemels koninkrijk op het punt stond te verschijnen’. En al zijn vroege leringen waren gebaseerd op het gangbare Joodse idee en concept van de Messias als de beloofde bevrijder van de Joodse natie van de overheersing door hun heidense heersers.
Gedurende deze periode las Johannes veel in de heilige geschriften die hij vond in het huis van de Nazireeërs in Engedi. Hij was vooral onder de indruk van Jesaja en Malachi, de laatste van de profeten tot die tijd. Hij las en herlas de laatste vijf hoofdstukken van Jesaja, en hij geloofde deze profetieën. Vervolgens las hij in Malachi: ‘Zie, Ik zend u de profeet Elijah, voordat de grote en geduchte dag des Heren komt; en hij zal het hart van de vaderen tot de kinderen keren en het hart van de kinderen tot hun vaderen, opdat Ik niet kome en de aarde met de vloek treffe.’ En het was alleen deze belofte van Malachi dat Elijah zou terugkeren, die Johannes ervan weerhield erop uit te gaan om te prediken over het komende koninkrijk en zijn mede-Joden aan te sporen om te vluchten voor de komende toorn. Johannes was rijp voor de verkondiging van de boodschap van het komende koninkrijk, maar deze verwachting van de komst van Elijah hield hem meer dan twee jaar tegen. Hij wist dat hij niet Elijah was. Wat bedoelde Malachi? Was de profetie letterlijk of figuurlijk? Hoe kon hij de waarheid kennen? Hij durfde uiteindelijk te denken dat, aangezien de eerste van de profeten Elijah heette, de laatste uiteindelijk ook onder dezelfde naam bekend zou staan. Niettemin had hij twijfels, twijfels die groot genoeg waren om te voorkomen dat hij zichzelf ooit Elijah noemde.
Het was de invloed van Elijah die Johannes ertoe bracht zijn methoden van directe en botte aanval op de zonden en ondeugden van zijn tijdgenoten over te nemen. Hij probeerde zich te kleden als Elijah en hij probeerde te praten als Elijah. In elk uiterlijk aspect leek hij op de profeet van weleer. Hij was zo’n standvastig en pittoresk kind van de natuur, zo’n onverschrokken en gedurfde prediker van gerechtigheid. Johannes was niet analfabeet, hij kende de Joodse heilige geschriften goed, maar hij was bepaald niet beschaafd. Hij was een helder denker, een krachtig spreker en een vurig aanklager. Hij was nauwelijks een voorbeeld voor zijn tijd, maar hij was een welsprekende berisper.
Ten slotte bedacht hij de methode om het nieuwe tijdperk, het koninkrijk van God, te verkondigen. Hij besloot dat hij de heraut van de Messias zou worden; hij veegde alle twijfels van tafel en vertrok op een dag in maart 25 n.Chr. uit Engedi om zijn korte maar schitterende carrière als openbare prediker te beginnen.
Het Koninkrijk van God
Om de boodschap van Johannes te begrijpen, moet rekening worden gehouden met de status van het Joodse volk in de tijd dat hij op het toneel verscheen. Bijna honderd jaar lang verkeerde heel Israël in een lastig parket. Ze wisten niet hoe ze hun voortdurende onderwerping aan heidense overheersers moesten verklaren. Had Mozes niet geleerd dat rechtvaardigheid altijd beloond werd met welvaart en macht? Waren zij niet Gods uitverkoren volk? Waarom was de troon van David verlaten en leeg? In het licht van de leer van Mozes en de voorschriften van de profeten vonden de Joden het moeilijk hun langdurige nationale verwoesting te verklaren.
Ongeveer honderd jaar voor de dagen van Jezus en Johannes ontstond er in Palestina een nieuwe school van religieuze leraren, de ‘apocalyptici’. Deze nieuwe leraren ontwikkelden een geloofssysteem dat het lijden en de vernedering van de Joden verklaarde op grond van het feit dat zij de straf voor de zonden van de natie betaalden. Ze vielen terug op de bekende redenen die werden aangevoerd om de Babylonische en andere gevangenschappen uit vroegere tijden te verklaren. Maar, zo leerden de apocalyptici, Israël moest moed vatten; de dagen van hun ellende waren bijna voorbij; de discipline van Gods uitverkoren volk was bijna ten einde; Gods geduld met de heidense buitenlanders was bijna uitgeput. Het einde van de Romeinse heerschappij was synoniem met het einde der tijden en, in zekere zin, met het einde van de wereld. Deze nieuwe leraren leunden zwaar op de voorspellingen van Daniël en leerden consequent dat de schepping op het punt stond haar laatste fase in te gaan. De koninkrijken van deze wereld zouden het koninkrijk van God worden. Voor de Joodse geest van die tijd was dit de betekenis van de uitdrukking ‘het hemels koninkrijk’, die overal in de leringen van zowel Johannes als Jezus terugkomt. Voor de Joden in Palestina had de uitdrukking ‘hemels koninkrijk’ maar één betekenis: een absoluut rechtvaardige staat waarin God (de Messias) de naties van de aarde zou regeren in volmaakte macht, net zoals Hij in de hemel regeerde: ‘Uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel.’
In de dagen van Johannes vroegen alle Joden vol verwachting: ‘Hoe snel zal het koninkrijk komen?’ Er heerste een algemeen gevoel dat het einde van de heerschappij van de heidense naties nabij was. Er heerste in het hele Jodendom een levendige hoop en een sterke verwachting dat de vervulling van het eeuwenoude verlangen zou plaatsvinden tijdens het leven van die generatie. Hoewel de Joden sterk verschilden in hun inschatting van de aard van het komende koninkrijk, waren ze gelijk in hun geloof dat de gebeurtenis op handen was, nabij, zelfs voor de deur. Velen die het Oude Testament letterlijk lazen, keken vol verwachting uit naar een nieuwe koning in Palestina, naar een herboren Joodse natie, bevrijd van haar vijanden en geleid door de opvolger van Koning David, de Messias die spoedig erkend zou worden als de rechtmatige en rechtvaardige heerser van de hele wereld. Een andere, hoewel kleinere, groep vrome Joden had een heel andere visie op dit koninkrijk van God. Zij leerden dat het komende koninkrijk niet van deze wereld was, dat de wereld haar zekere einde naderde en dat ‘een nieuwe hemel en een nieuwe aarde’ de vestiging van het koninkrijk van God zouden inluiden; dat dit koninkrijk een eeuwigdurende heerschappij zou zijn, dat de zonde zou worden beëindigd en dat de burgers van het nieuwe koninkrijk onsterfelijk zouden worden in hun genot van deze eindeloze gelukzaligheid.
Allen waren het erover eens dat een drastische zuiverende discipline noodzakelijkerwijs vooraf zou gaan aan de vestiging van het nieuwe koninkrijk op aarde. De letterlijken leerden dat er een wereldwijde oorlog zou uitbreken die alle ongelovigen zou vernietigen, terwijl de gelovigen zouden voortgaan naar een universele en eeuwige overwinning. De spiritisten leerden dat het koninkrijk zou worden ingeleid door het grote oordeel van God, dat de onrechtvaardigen zou verbannen naar hun welverdiende oordeel van straf en uiteindelijke vernietiging, en tegelijkertijd de gelovige heiligen van het uitverkoren volk zou verheffen tot hoge zetels van eer en gezag met de MensenZoon, die in Gods naam over de verloste volken zou regeren. En deze laatste groep geloofde zelfs dat vele vrome heidenen tot de gemeenschap van het nieuwe koninkrijk zouden kunnen worden toegelaten.
Sommige Joden waren van mening dat God dit nieuwe koninkrijk mogelijk zou vestigen door directe en goddelijke interventie, maar de overgrote meerderheid geloofde dat Hij een vertegenwoordigende bemiddelaar, de Messias, zou aanstellen. En dat was de enige mogelijke betekenis die de term Messias kon hebben in de gedachten van de Joden uit de generatie van Johannes en Jezus. Messias kon onmogelijk verwijzen naar iemand die slechts Gods wil onderwees of de noodzaak van een rechtvaardig leven verkondigde. Aan al zulke heilige personen gaven de Joden de titel profeet. De Messias zou meer zijn dan een profeet; de Messias zou de vestiging van het nieuwe koninkrijk, het koninkrijk van God, teweegbrengen. Iemand die dit naliet, kon niet de Messias zijn, in de traditionele Joodse zin.
Wie zou deze Messias zijn? Opnieuw verschilden de Joodse leraren van mening. De ouderen hielden vast aan de leer van de zoon van David. De nieuwere leerden dat, aangezien het nieuwe koninkrijk een hemels koninkrijk was, de nieuwe heerser ook een goddelijke persoonlijkheid zou kunnen zijn, iemand die al lang aan Gods rechterhand in de hemel had gezeten. En hoe vreemd het ook mag lijken, zij die zich de heerser van het nieuwe koninkrijk zo voorstelden, beschouwden hem niet als een menselijke Messias, niet als een loutere mens, maar als ‘MensenZoon’, een Zoon van God, een hemelse Vorst, die al lang wachtte om aldus de heerschappij over de nieuwe aarde op zich te nemen.
Dat was de religieuze achtergrond van de Joodse wereld toen Johannes erop uitging en verkondigde: “Bekeert u, want het hemelse koninkrijk is nabij!”
Het wordt daarom duidelijk dat de aankondiging door Johannes van het komende koninkrijk zeker zes verschillende betekenissen had in de gedachten van degenen die naar zijn gepassioneerde prediking luisterden. Maar ongeacht welke betekenis ze hechtten aan de zinnen die Johannes gebruikte, elk van deze verschillende groepen van Joodse koninkrijks-verwachters was gefascineerd door de verkondigingen van deze oprechte, enthousiaste, ruwe prediker van rechtvaardigheid en berouw, die zijn toehoorders zo plechtig aanspoorde om te vluchten voor de komende toorn.
Johannes begint te prediken
Het is begin maart, 25 n.Chr. Johannes reisde langs de westkust van de Dode Zee en de rivier de Jordaan tot tegenover Jericho, de oude doorwaadbare plaats waar Jozua en de kinderen van Israël overstaken toen ze voor het eerst het beloofde land binnengingen. Toen hij overstak naar de overkant van de rivier, vestigde hij zich bij de ingang van de doorwaadbare plaats en begon te prediken tot de mensen die voorbijkwamen op hun weg heen en weer over de rivier. Dit was de meest bezochte van alle oversteken van de Jordaan.
Het was duidelijk voor allen die Johannes hoorden dat hij meer was dan een prediker. De grote meerderheid van degenen die naar deze vreemde man luisterden, die uit de woestijn van Judea was gekomen, gingen weg in de overtuiging dat ze de stem van een profeet hadden gehoord. Geen wonder dat de zielen van deze vermoeide en verwachtingsvolle Joden diep geraakt werden door zo’n fenomeen. Nooit in de hele Joodse geschiedenis hadden de vrome kinderen van Abraham zo verlangd naar de ’troosting van Israël’. of vuriger de verwachting gehad van ‘het herstel van het koninkrijk.’ Nooit in de hele Joodse geschiedenis kon de boodschap van Johannes, ‘het hemelse koninkrijk is nabij,’ zo’n diepe en universele oproep zijn geweest als op het moment dat hij zo mysterieus verscheen aan de oever van deze zuidelijke oversteekplaats van de Jordaan.
Hij kwam van de herders, zoals Amos. Hij was gekleed als Elijah vanouds, en hij donderde zijn vermaningen en stortte zijn waarschuwingen uit in de ‘spirit en kracht van Elijah.’ Het is niet verwonderlijk dat deze vreemde prediker een enorme opschudding veroorzaakte in heel Palestina toen de reizigers het nieuws van zijn prediking langs de Jordaan verspreidden.
Er was nog een ander en nieuw kenmerk aan het werk van deze Nazireeërprediker: hij doopte al zijn gelovigen in de Jordaan ‘tot vergeving van zonden.’ Hoewel de doop geen nieuwe ceremonie was onder de Joden, hadden ze die nog nooit zien gebeuren zoals Johannes dat nu deed. Het was al lang de gewoonte om de heidense bekeerlingen (proselieten) op deze manier te dopen en toe te laten tot de gemeenschap van de buitenste voorhof van de tempel, maar de Joden zelf was nooit gevraagd zich te onderwerpen aan de doop van bekering. Slechts vijftien maanden lagen er tussen het moment dat Johannes begon te prediken en te dopen en zijn arrestatie en gevangenschap op instigatie van Herodes Antipas, maar in deze korte tijd doopte hij aanzienlijk meer dan honderdduizend mensen die berouw toonden.
Johannes predikte vier maanden bij de oversteekplaats Bethanië voordat hij noordwaarts de Jordaan op trok. Tienduizenden luisteraars, sommigen nieuwsgierig maar velen ernstig en serieus, kwamen om hem te horen uit alle delen van Judea, Perea en Samaria. Zelfs enkelen kwamen uit Galilea.
In mei van dat jaar, terwijl hij nog steeds bij de doorwaadbare plaats van Bethanië verbleef, stuurden de priesters en Levieten een delegatie eropuit om Johannes te vragen of hij beweerde de Messias te zijn, en op wiens gezag hij predikte. Johannes antwoordde deze vragenstellers door te zeggen: “Ga en vertel uw meesters dat u de stem hebt gehoord van iemand die roept in de woestijn, zoals gesproken door de profeet, zeggende: ‘Maak de weg van de Heer gereed, maak een rechte weg voor onze God. Elk dal zal gevuld worden, en elke berg en heuvel zal verlaagd worden; de oneffen grond zal een vlakte worden, terwijl de oneffen plaatsen een gladde vallei zullen worden; en alle vlees zal de redding van God zien.’ ”
Johannes was een heldhaftige maar tactloze prediker. Op een dag, toen hij aan het prediken en dopen was op de westoever van de Jordaan, kwam een groep Farizeeën en een aantal Sadduceeën naar voren en bood zich aan voor de doop. Voordat hij hen het water in leidde, sprak Johannes hen als groep toe en zei: “Wie heeft jullie gewaarschuwd om te vluchten, als adders voor het vuur, voor de komende toorn? Ik zal jullie dopen, maar ik waarschuw jullie om vruchten voort te brengen die passen bij oprecht berouw, als jullie vergeving van jullie zonden willen ontvangen. Zeg me niet dat Abraham jullie vader is. Ik verklaar dat God in staat is om uit deze twaalf stenen, die hier voor jullie staan, waardige kinderen voor Abraham te verwekken. En zelfs nu ligt de bijl aan de wortels van de bomen. Elke boom die geen goede vrucht voortbrengt, is bestemd om omgehakt en in het vuur geworpen te worden.” (De twaalf stenen waarnaar hij verwees, waren de vermeende gedenkstenen die door Jozua waren opgericht om de oversteek van de ’twaalf stammen’ te herdenken, precies op dat moment toen ze het beloofde land binnengingen.)
Johannes gaf lessen aan zijn discipelen, waarin hij hen onderwees in de details van hun nieuwe leven en probeerde hun vele vragen te beantwoorden. Hij raadde de leraren aan om zowel naar de spirit als naar de letter van de wet te onderwijzen. Hij droeg de rijken op om de armen te voeden; tot de tollenaars (de belasting-incasseerders) zei hij: “Pers niet meer af dan wat u is opgedragen.” Tot de soldaten zei hij: “Pleeg geen geweld en eis niets onrechtmatig. Wees tevreden met uw loon.” Terwijl hij iedereen adviseerde: “Maak je gereed voor het einde der tijden – Het hemels koninkrijk is nabij.”
Johannes reist naar het noorden
Johannes had nog steeds verwarde ideeën over het komende koninkrijk en zijn koning. Hoe langer hij predikte, hoe meer hij in de war raakte, maar deze intellectuele onzekerheid over de aard van het komende koninkrijk verminderde nooit zijn overtuiging van de zekerheid van de onmiddellijke verschijning van het koninkrijk. In gedachten, in mind, was Johannes misschien in de war, maar in spirit nooit. Hij twijfelde niet aan het komende koninkrijk, maar hij was er helemaal niet zeker van of Jezus wel of niet de heerser van dat koninkrijk zou zijn. Zolang Johannes vasthield aan het idee van het herstel van de troon van David, leken de leringen van zijn ouders dat Jezus, geboren in de Stad van David, de langverwachte verlosser zou zijn, consistent. Maar op die momenten dat hij meer neigde naar de leer van een spiritueel koninkrijk en het einde van het wereldlijk tijdperk op aarde, twijfelde hij hevig over de rol die Jezus in zulke gebeurtenissen zou spelen. Soms stelde hij alles ter discussie, maar niet lang. Hij wenste werkelijk dat hij het allemaal met zijn neef kon bespreken, maar dat was in strijd met hun uitdrukkelijke afspraak.
Terwijl Johannes naar het noorden reisde, dacht hij veel aan Jezus. Hij stopte op meer dan een dozijn plaatsen terwijl hij langs de Jordaan omhoog reisde. Het was bij Adam dat hij voor het eerst verwees naar ‘iemand anders die na mij zou komen‘, in antwoord op de directe vraag die zijn discipelen hem stelden: ‘Bent u de Messias?’ En hij vervolgde met te zeggen: “Er zal iemand na mij komen die groter is dan ik, wiens sandaalriemen ik niet waardig ben om door te buigen en los te maken. Ik doop u met water, maar Hij zal u dopen met de Heilige Spirit. En Zijn schep is in Zijn hand om Zijn dorsvloer grondig te reinigen; Hij zal het tarwe in Zijn schuur verzamelen, maar het kaf zal Hij verbranden met het vuur van het oordeel.” [op een ‘dorsvloer’ liggen na het slaan van de koren-aren met een dorsvlegel zowel de -bruikbare- tarwekorrels, als het -onbruikbare- kaf, de ‘verpakking’ van de korrels]
In antwoord op de vragen van zijn discipelen bleef Johannes zijn leringen uitbreiden, van dag tot dag meer toevoegend dat nuttig en troostend was vergeleken met zijn vroege en cryptische boodschap: ‘Bekeer u en laat u dopen.’ Tegen die tijd arriveerden er menigten uit Galilea en de Dekapolis. Tientallen oprechte gelovigen bleven dag in dag uit bij hun aanbeden leraar.
Ontmoeting van Jezus en Johannes
Tegen december, 25 n.Chr. toen Johannes tijdens zijn tocht langs de Jordaan de omgeving van Pella bereikte, had zijn faam zich door heel Palestina verspreid en was zijn werk het belangrijkste gespreksonderwerp geworden in alle steden rond het Meer van Galilea. Jezus had gunstig gesproken over de boodschap van Johannes, en dit had ertoe geleid dat velen uit Capernaum zich aansloten bij het berouw en de doop door Johannes. Kort nadat Johannes zijn predikingspost bij Pella had ingenomen, waren Jacobus en Johannes de visserszonen van Zebedeüs in december naar hem gereisd en hadden zich aangeboden om gedoopt te worden. Ze gingen eens per week naar Johannes en brachten Jezus nieuwe, persoonlijke berichten over het werk van de evangelist. Jacobus en Judas, de broers van Jezus, hadden erover gesproken om zich bij Johannes te laten dopen; en nu Judas naar Capernaum was gekomen voor de sabbathdienst, besloten zowel hij als Jacobus, na naar de toespraak van Jezus in de synagoge te hebben geluisterd, hem om raad te vragen over hun plannen. Dit gebeurde op zaterdagavond 12 januari 26 n.Chr. Jezus verzocht hen het gesprek uit te stellen tot de volgende dag, wanneer hij hun zijn antwoord zou geven. Hij sliep die nacht weinig, omdat hij in nauw contact stond met de Vader in de hemel. Hij had afgesproken om ’s middags met zijn broers te lunchen en hen te adviseren over de doop door Johannes. Die zondagmorgen was Jezus zoals gewoonlijk aan het werk in de scheepswerf. Jacobus en Judas waren met de lunch aangekomen en wachtten in de houtopslag op hem, aangezien het nog geen tijd was voor de middagpauze, en ze wisten dat Jezus zich zeer stipt aan zulke zaken hield.
Vlak voor de middagrust legde Jezus zijn gereedschap neer, deed zijn werkschort af en kondigde alleen aan de drie werklieden die bij hem in de kamer waren aan: ‘Mijn uur is gekomen.’ Hij ging naar buiten naar zijn broers Jacobus en Judas en herhaalde: ‘Mijn uur is gekomen. – Laten we naar Johannes gaan.’ En ze vertrokken onmiddellijk naar Pella en aten onderweg hun lunch. Dit was op zondag 13 januari. Ze overnachtten in de Jordaanvallei en arriveerden rond het middaguur van de volgende dag bij de plaats waar Johannes doopte.
Johannes was net begonnen met het dopen van de kandidaten voor die dag. Tientallen berouwvolle mensen stonden in de rij te wachten op hun beurt toen Jezus en zijn twee broers hun plaats innamen in deze rij van oprechte mannen en vrouwen die gelovigen waren geworden in de prediking van Johannes over het komende koninkrijk. Johannes had bij de zonen van Zebedeüs navraag gedaan naar Jezus. Hij had gehoord van de opmerkingen van Jezus over zijn prediking en verwachtte hem dag in dag uit te zien verschijnen, maar hij had niet verwacht hem te begroeten in de rij van doopkandidaten.
Verdiept in de details van het snel dopen van zo’n groot aantal bekeerlingen, keek Johannes pas op om Jezus te zien toen de MensenZoon in zijn onmiddellijke nabijheid stond. Toen Johannes Jezus herkende, werden de ceremonies even onderbroken terwijl hij zijn bloedverwant begroette en vroeg: “Maar waarom kom je in het water om mij te begroeten?”
En Jezus antwoordde: “Om onderworpen te zijn aan je doop.”
Johannes antwoordde: “Maar ik moet door jou gedoopt worden. Waarom kom je naar mij?”
En Jezus fluisterde tegen Johannes: “Heb geduld met mij, want het past ons dit voorbeeld te geven aan mijn broeders die hier bij mij staan, en zodat de mensen weten dat mijn uur gekomen is.”
Er klonk een definitieve toon van gezag in de stem van Jezus. Johannes trilde van emotie toen hij zich gereedmaakte om Jezus van Nazareth op maandag 14 januari, 26 n.Chr., in de Jordaan te dopen. En zo doopte Johannes Jezus en zijn twee broers, Jacobus en Judas. En toen Johannes deze drie had gedoopt, stuurde hij de anderen voor die dag weg en kondigde aan dat hij de volgende dag om twaalf uur ’s middags het dopen zou hervatten. Terwijl de mensen vertrokken, hoorden de vier mannen die nog in het water stonden een vreemd geluid, en even later verscheen er vlak boven het hoofd van Jezus een verschijning, en ze hoorden een stem die zei: “Dit is mijn geliefde Zoon, over wie ik zeer tevreden ben.” Er kwam een grote verandering op het gelaat van Jezus, en toen hij zwijgend uit het water kwam, nam hij afscheid van hen en ging naar de heuvels in het oosten. En niemand zag Jezus meer gedurende veertig dagen.
Johannes volgde Jezus een voldoende afstand om hem het verhaal te vertellen van Gabriëls bezoek aan zijn moeder voordat een van beiden geboren was, zoals hij het zo vaak uit de mond van zijn moeder had gehoord. Hij liet Jezus zijn weg vervolgen nadat hij had gezegd: “Nu weet ik zeker dat jij de Verlosser bent.” Maar Jezus gaf geen antwoord.
Veertig dagen prediking
Toen Johannes terugkeerde naar zijn discipelen (hij had er nu zo’n vijfentwintig of dertig die constant bij hem verbleven), trof hij hen in ernstig gesprek aan, terwijl ze bespraken wat er zojuist was gebeurd in verband met de doop van Jezus. Ze waren des te verbaasder toen Johannes hun nu het verhaal vertelde van het bezoek van Gabriël aan Maria voordat Jezus geboren was, en ook dat Jezus geen woord tegen hem had gesproken, zelfs niet nadat hij hem hierover had verteld. Het regende die avond niet en deze groep van dertig of meer mensen praatte tot diep in de sterrennacht. Ze vroegen zich af waar Jezus was gebleven en wanneer ze hem weer zouden zien.
Na de ervaring van deze dag kreeg de prediking van Johannes een nieuwe en zekere toon van verkondiging over het komende koninkrijk en de verwachte Messias. Het was een spannende tijd, die veertig dagen van wachten op de terugkeer van Jezus. Maar Johannes bleef met grote kracht prediken, en zijn discipelen begonnen rond die tijd te prediken tot de grote menigte die zich rond Johannes bij de Jordaan verzamelde.
Gedurende deze veertig dagen van wachten verspreidden zich vele geruchten over het platteland en zelfs tot in Tiberias en Jeruzalem. Duizenden kwamen om de nieuwe attractie in het kamp van Johannes te zien, de vermeende Messias, maar Jezus was nergens te bekennen. Toen de discipelen van Johannes beweerden dat de vreemde man van God naar de bergen was gegaan, twijfelden velen aan het hele verhaal.
Ongeveer drie weken nadat Jezus hen had verlaten, arriveerde er in Pella een nieuwe delegatie van de priesters en Farizeeën uit Jeruzalem. Ze vroegen Johannes rechtstreeks of hij Elijah was of de profeet die Mozes had beloofd. En toen Johannes zei: “Dat ben ik niet”, durfden ze te vragen: “Bent u de Messias?” En Johannes antwoordde: “Dat ben ik niet.” Toen zeiden deze mannen uit Jeruzalem: “Als u Elijah niet bent, noch de profeet, noch de Messias, waarom doopt u dan het volk en veroorzaakt u al deze opschudding?” En Johannes antwoordde: “Het is aan hen die mij gehoord hebben en mijn doop hebben ontvangen om te zeggen wie ik ben, maar ik verklaar u dat, terwijl ik met water doop, er iemand onder ons is geweest die zal terugkeren om u te dopen met de Heilige Spirit.”
Deze veertig dagen waren een moeilijke periode voor Johannes en zijn discipelen. Wat zou de relatie van Johannes tot Jezus zijn? Honderd vragen kwamen ter discussie. Politiek en zelfzuchtige bevoordeling begonnen hun intrede te doen. Er ontstonden intense discussies over de verschillende ideeën en concepten van de Messias. Zou hij een militair leider en een Davidische koning worden? Zou hij de Romeinse legers verslaan zoals Jozua de Kanaänieten had verslagen? Of zou hij komen om een spiritueel koninkrijk te stichten? Johannes besloot, met de minderheid, dat Jezus gekomen was om het hemelse koninkrijk te stichten, hoewel hij zelf niet helemaal duidelijk wist wat deze missie van het vestigen van het hemelse koninkrijk precies inhield.
Dit waren zware dagen voor Johannes, en hij bad voor de terugkeer van Jezus. Sommige discipelen van Johannes organiseerden verkenningsgroepen om Jezus te zoeken, maar Johannes verbood dit en zei: “Onze tijden zijn in de handen van de hemelse God; Hij zal Zijn uitverkoren Zoon leiden.”
Het was vroeg in de ochtend van de sabbath, 23 februari, dat het gezelschap van Johannes, dat bezig was met het eten van hun ochtendmaal, naar het noorden keek en Jezus naar hen toe zag komen. Toen hij hen naderde, stond Johannes op een grote rots en, zijn sonore stem verheffend, zei hij:
“Zie de Zoon van God, de verlosser van de wereld! Deze is het van wie ik zei: ‘Na mij zal iemand komen die vóór mij is, omdat hij eerder was dan ik.’ Daarom ben ik uit de woestijn gekomen om bekering te prediken en met water te dopen, en te verkondigen dat het hemelse koninkrijk nabij is. En nu komt er iemand die u met de Heilige Spirit zal dopen. En ik zag de goddelijke Spirit op deze neerdalen, en ik hoorde de stem van God verklaren: ‘Dit is mijn geliefde Zoon, over wie ik zeer tevreden ben.’ ”
Jezus beval hen terug te keren naar hun maaltijd, terwijl hij met Johannes aan tafel ging, aangezien zijn broers Jacobus en Judas naar Capernaum waren teruggekeerd.
Vroeg in de morgen van de volgende dag nam hij afscheid van Johannes en zijn discipelen en ging terug naar Galilea. Hij gaf hun geen woord over wanneer ze hem weer zouden zien. Op vragen van Johannes over zijn eigen prediking en zending zei Jezus alleen: “Mijn Vader zal jullie nu en in de toekomst leiden zoals Hij dat in het verleden heeft gedaan.” En die twee grote mannen gingen die ochtend uit elkaar aan de oevers van de Jordaan, om elkaar nooit meer in levenden lijve te begroeten.
Johannes reist naar het zuiden
Omdat Jezus noordwaarts naar Galilea was gegaan, voelde Johannes zich geroepen om zijn eigen stappen zuidwaarts terug te volgen. En zo begonnen Johannes en de rest van zijn discipelen op zondagmorgen 3 maart aan hun reis naar het zuiden. Ongeveer een kwart van de directe volgelingen van Johannes was inmiddels naar Galilea vertrokken op zoek naar Jezus. Er heerste droefheid en verwarring om Johannes heen. Hij predikte nooit meer zoals hij had gedaan voordat hij Jezus doopte. Op de een of andere manier voelde hij dat de verantwoordelijkheid voor het komende koninkrijk niet langer op zijn schouders rustte. Hij voelde dat zijn werk bijna af was. Hij was ontroostbaar en eenzaam. Maar hij predikte, doopte en reisde verder naar het zuiden.
In de buurt van het dorp Adam bleef Johannes enkele weken, en hier deed hij de gedenkwaardige aanval op Herodes Antipas, die zich onrechtmatig de vrouw van een andere man had toegeëigend. In juni van dat jaar (26 n.Chr.) was Johannes terug bij de Jordaan oversteekplaats bij Bethanië, waar hij meer dan een jaar eerder was begonnen met zijn prediking over het komende koninkrijk. In de weken na de doop van Jezus veranderde het karakter van de prediking van Johannes geleidelijk in een verkondiging van genade voor het gewone volk, terwijl hij met hernieuwde heftigheid de corrupte politieke en religieuze heersers aan de kaak stelde.
Herodes Antipas, in wiens gebied Johannes had gepredikt, raakte gealarmeerd dat hij en zijn discipelen een opstand zouden beginnen. Herodes was ook verontwaardigd over de publieke kritiek van Johannes op zijn binnenlandse aangelegenheden. Gezien dit alles besloot Herodes Johannes gevangen te zetten. En zo, heel vroeg in de ochtend van 12 juni, voordat de menigte arriveerde om de prediking te horen en getuige te zijn van de doop, arresteerden de agenten van Herodes Johannes. Naarmate de weken verstreken en hij niet werd vrijgelaten, verspreidden zijn discipelen zich over heel Palestina. Velen van hen gingen naar Galilea om zich bij de volgelingen van Jezus aan te sluiten.
Johannes in de gevangenis
Johannes had een eenzame en enigszins bittere ervaring in de gevangenis. Weinig van zijn volgelingen mochten hem zien. Hij verlangde ernaar Jezus te zien, maar moest genoegen nemen met het horen over zijn werk via degenen van zijn volgelingen die in de MensenZoon waren gaan geloven. Hij kwam vaak in de verleiding om aan Jezus en zijn goddelijke missie te twijfelen. Als Jezus de Messias was, waarom deed hij dan niets om hem uit deze ondraaglijke gevangenschap te bevrijden? Meer dan anderhalf jaar lang kwijnde deze ruige man afkomstig uit Gods buitenwereld weg in die verachtelijke gevangenis. En deze ervaring was een grote test van zijn geloof in en loyaliteit aan Jezus. Sterker nog, deze hele ervaring was een grote test van het geloof van Johannes, zelfs in God. Vele malen kwam hij in de verleiding om zelfs aan de echtheid van zijn eigen missie en ervaring te twijfelen.
Nadat hij enkele maanden in de gevangenis had gezeten, kwam een groep van zijn discipelen naar hem toe en, na verslag te hebben gedaan van de openbare activiteiten van Jezus, zeiden ze: “Zo ziet u, Meester, dat het heel goed gaat met hem, die bij u was aan de bovenloop van de Jordaan, en nu iedereen ontvangt die tot hem komt. Hij viert zelfs feest met tollenaars en zondaars. U hebt moedig van hem getuigd, en toch doet hij niets om uw bevrijding te bewerkstelligen.” Maar Johannes antwoordde zijn vrienden:
“Deze man kan niets doen, tenzij het hem door zijn Vader in de hemel is gegeven. Jullie herinneren je vast nog wel dat ik zei: ‘Ik ben niet de Messias, maar ik ben iemand die van tevoren is gezonden om de weg voor hem te bereiden.’ En dat heb ik gedaan. Hij die de bruid heeft, is de bruidegom, maar de vriend van de bruidegom, die dichtbij staat en hem hoort, verheugt zich zeer over de stem van de bruidegom. Deze, mijn vreugde, is dan ook vervuld. Hij moet toenemen, maar ik moet afnemen. Ik ben van deze aarde en heb mijn boodschap verkondigd. Jezus van Nazareth is uit de hemel naar de aarde afgedaald en staat boven ons allen. De MensenZoon is van God neergedaald en Hij zal u de woorden van God verkondigen. Want de Vader in de hemel geeft de Spirit niet met mate aan zijn eigen Zoon. De Vader heeft zijn Zoon lief en zal weldra alles in de handen van deze Zoon leggen. Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven. En deze woorden die ik spreek, zijn waar en blijvend.”
Deze discipelen waren zo verbaasd over de uitspraken van Johannes, dat ze in stilte vertrokken. Johannes was ook zeer opgewonden, want hij merkte dat hij een profetie had uitgesproken. Nooit meer twijfelde hij volledig aan de missie en goddelijkheid van Jezus. Maar het was een grote teleurstelling voor Johannes dat Jezus hem geen bericht stuurde, dat hij hem niet kwam opzoeken en dat hij geen van zijn grote macht aanwendde om hem uit de gevangenis te bevrijden. Maar Jezus wist hier alles van. Hij had grote liefde voor Johannes, maar nu hij zich bewust was van zijn goddelijke natuur en volledig op de hoogte was van de grote dingen die al voorbereid waren voor Johannes toen hij deze wereld verliet, en ook wetende dat het werk van Johannes op aarde voltooid was, dwong hij zichzelf om zich niet te bemoeien met de natuurlijke ontwikkeling van de carrière van de grote prediker-profeet.
Deze lange spanning in de gevangenis was menselijkerwijs ondraaglijk. Slechts enkele dagen voor zijn dood stuurde Johannes opnieuw vertrouwde boodschappers naar Jezus met de vraag: “Is mijn werk gedaan? Waarom kwijn ik weg in de gevangenis? Bent u werkelijk de Messias, of moeten we een ander verwachten?” En toen deze twee discipelen deze boodschap aan Jezus overbrachten, antwoordde de MensenZoon: “Ga terug naar Johannes en zeg hem dat ik het niet vergeten ben, maar dat hij mij ook dit moet toestaan, want het betaamt ons alle gerechtigheid te vervullen. Vertel Johannes wat je gezien en gehoord hebt, dat aan de armen het goede nieuws verkondigd wordt, en vertel ten slotte aan de geliefde heraut van mijn aardse missie dat hij rijkelijk gezegend zal worden in het komende tijdperk als hij geen reden vindt om over mij te twijfelen en te struikelen.” En dit was het laatste woord dat Johannes van Jezus ontving. Deze boodschap gaf hem veel troost en droeg er veel aan bij om zijn geloof te stabiliseren en hem voor te bereiden op het tragische einde van zijn leven in een lichaam, dat zo kort na deze gedenkwaardige gebeurtenis volgde.
De dood van Johannes de Doper
Omdat Johannes in het zuiden van Perea werkte toen hij werd gearresteerd, werd hij onmiddellijk naar de gevangenis van het fort van Machaerus gebracht, waar hij tot zijn executie werd opgesloten. Herodes heerste over zowel Perea als Galilea, en hij had in die tijd zijn woonplaats in Julias en Machaerus in Perea. In Galilea was de officiële residentie verplaatst van Sepphoris naar de nieuwe hoofdstad Tiberias.
Herodes was er bang voor om Johannes vrij te laten, uit angst dat hij een opstand zou aanwakkeren. Maar hij was ook bang hem ter dood te brengen, uit angst dat de menigte in de hoofdstad in opstand zou komen, want duizenden inwoners van Perea geloofden dat Johannes een heilig man, een profeet, was. Daarom hield Herodes de Nazireeër-prediker gevangen, niet wetend wat hij anders met hem moest doen. Johannes was al meerdere malen voor Herodes verschenen, maar hij zou er nooit mee instemmen om de gebieden van Herodes te verlaten of zich van alle openbare activiteiten te onthouden als hij werd vrijgelaten. Deze nieuwe onrust rond Jezus van Nazareth, die gestaag toenam, waarschuwde Herodes dat het niet het moment was om Johannes vrij te laten. Bovendien was Johannes ook het slachtoffer van de intense en bittere haat van Herodias, de onwettige vrouw van Herodes.
Herodes sprak bij talloze gelegenheden met Johannes over het hemelse koninkrijk, en hoewel hij soms ernstig onder de indruk was van zijn boodschap, was hij bang hem uit de gevangenis te laten. Omdat er in Tiberias nog veel gebouwd werd, bracht Herodes veel tijd door in zijn residenties in Perea en had hij een voorkeur voor de vesting Machaerus. Het duurde nog enkele jaren voordat alle openbare gebouwen en de officiële residentie in Tiberias volledig voltooid waren.
Ter ere van zijn verjaardag gaf Herodes een groot feestmaal in het paleis van Machaerus voor zijn belangrijkste officieren en andere mannen hoog in de raden van de regering van Galilea en Perea. Omdat Herodias er niet in was geslaagd de dood van Johannes te bewerkstelligen door een rechtstreeks beroep op Herodes, stelde zij zich nu als taak om Johannes door middel van een sluw plan ter dood te laten brengen.
Tijdens de festiviteiten en het avondmaal presenteerde Herodias haar dochter om te dansen voor de feestgangers. Herodes was zeer tevreden met de voorstelling van het meisje en, haar bij zich roepend, zei hij: “Je bent charmant. Ik ben zeer tevreden met je. Vraag me op mijn verjaardag wat je maar wilt, en ik zal het je geven, zelfs de helft van mijn koninkrijk.” En Herodes deed dit alles terwijl hij onder de invloed was van zijn vele wijnen. De jonge dame stapte terzijde en vroeg haar moeder wat ze van Herodes moest vragen. Herodias zei: “Ga naar Herodes en vraag om het hoofd van Johannes de Doper.” En de jonge vrouw, terugkerend naar de feesttafel, zei tegen Herodes: “Ik verzoek u mij onmiddellijk het hoofd van Johannes de Doper op een schaal te geven.”
Herodes was vervuld van angst en verdriet, maar vanwege zijn eed en vanwege allen die met hem aan tafel zaten, weigerde hij het verzoek af te wijzen. En Herodes Antipas stuurde een soldaat met het bevel het hoofd van Johannes te brengen. Zo werd Johannes die nacht in de gevangenis onthoofd, de soldaat bracht het hoofd van de profeet op een schaal en presenteerde het aan de jonge vrouw achter in de feestzaal. En het meisje gaf de schaal aan haar moeder. Toen de discipelen van Johannes dit hoorden, gingen ze naar de gevangenis om het lichaam van Johannes op te halen. Nadat ze het in een graf hadden gelegd, gingen ze het aan Jezus vertellen.
Dit hoofdstuk is een nieuwe Nederlandse vertaling gebaseerd op Paper 135 van het Urantia Boek: https://www.urantia.org

