Inleiding
Eind juni, 27 n.Chr., vertrokken Jezus en de twaalf, vanwege de toenemende tegenstand van de Joodse religieuze leiders, uit Jeruzalem. Ze hadden hun tenten en schamele persoonlijke bezittingen naar het huis van Lazarus in Bethanië gestuurd om daar te worden opgeslagen. Ze reisden noordwaarts naar Samaria en bleven gedurende de sabbath in Bethel. Hier predikten ze enkele dagen tot de mensen die uit Gophna en Ephraim kwamen. Een groep burgers uit Arimathea en Thamna kwam Jezus uitnodigen om hun dorpen te bezoeken. De Meester en zijn apostelen brachten meer dan twee weken door met het onderwijzen van de Joden en Samaritanen in deze regio, van wie velen helemaal van Antipatris kwamen om het goede nieuws van het koninkrijk te horen.
De mensen van Zuid-Samaria luisterden graag naar Jezus, en de apostelen, met uitzondering van Judas Iscariot, slaagden erin veel van hun vooroordelen tegen de Samaritanen te overwinnen. Het was erg moeilijk voor Judas om van deze Samaritanen te houden. In de laatste week van juli maakten Jezus en zijn metgezellen zich gereed om te vertrekken naar de nieuwe Griekse steden Phasaelis en Archelais bij de Jordaan.
Prediking in Archelais
In de eerste helft van de maand augustus vestigde de apostolische groep zich in de Griekse steden Archelais en Phasaelis, waar ze hun eerste ervaring opdeden met prediken tot vrijwel exclusieve bijeenkomsten van niet-Joden – Grieken, Romeinen en Syriërs – want er woonden maar weinig Joden in deze twee Griekse steden. In hun contact met deze Romeinse burgers stuitten de apostelen op nieuwe moeilijkheden bij de verkondiging van de boodschap van het komende koninkrijk, en ze stuitten op nieuwe bezwaren tegen de leringen van Jezus. Tijdens een van de vele avondbijeenkomsten met zijn apostelen luisterde Jezus aandachtig naar deze bezwaren tegen het evangelie van het koninkrijk, terwijl de twaalf hun ervaringen met de onderwerpen van hun persoonlijke arbeid herhaalden.
Een vraag van Filippus was typerend voor hun moeilijkheden. Filippus zei: “Meester, deze Grieken en Romeinen nemen onze boodschap licht op door te zeggen dat dergelijke leringen alleen geschikt zijn voor zwakkelingen en slaven. Ze beweren dat de religie van de niet-Joden superieur is aan onze leer omdat deze inspireert tot het verkrijgen van een sterk, robuust en agressief karakter. Ze stellen dat we alle mensen zouden veranderen in verzwakte voorbeelden van passieve, niet-verzettende mensen die spoedig van de aardbodem zouden verdwijnen. Ze mogen u wel, Meester, en geven openlijk toe dat uw leer hemels en ideaal is, maar ze zullen ons niet serieus nemen. Ze beweren dat uw religie niet voor deze wereld is; dat mensen niet kunnen leven zoals u leert. En nu, Meester, wat zullen we tegen deze heidenen zeggen?”
Nadat Jezus soortgelijke bezwaren tegen het evangelie van het koninkrijk had gehoord, verkondigd door Thomas, Nathanaël, Simon Zelotes en Mattheüs, zei hij tegen de twaalf:
“Ik ben in deze wereld gekomen om de wil van mijn Vader te doen en Zijn liefdevolle karakter aan de hele mensheid te openbaren. Dat, mijn broeders, is mijn missie. En dit ene ding zal ik doen, ongeacht de misvattingen over mijn leer door Joden of niet-Joden van vandaag of van een andere generatie. Maar jullie mogen niet over het hoofd zien dat zelfs goddelijke liefde haar strenge discipline kent. De liefde van een vader voor zijn zoon drijft hem er vaak toe de onverstandige daden van zijn onnadenkende nakomelingen te beteugelen. Het kind begrijpt niet altijd de wijze en liefdevolle motieven van de beteugelende discipline van de vader. Maar ik verklaar u dat mijn Vader in het Paradijs een universum van universa regeert door de dwingende kracht van Zijn liefde. Liefde is de grootste van alle spirituele realiteiten. Waarheid is een bevrijdende openbaring, maar liefde is de allerhoogste relatie. En ongeacht welke blunders uw medemensen maken in hun wereldbeheer van vandaag, in een toekomstige tijd zal het evangelie dat ik u verkondig, deze wereld regeren. Het uiteindelijke doel van de menselijke vooruitgang is de eerbiedige erkenning van het vaderschap van God en de liefdevolle materialisatie van de broederschap van de mensen.”
“Maar wie heeft u verteld dat mijn evangelie alleen bedoeld was voor slaven en zwakkelingen? Lijken jullie, mijn uitverkoren apostelen, op zwakkelingen? Zag Johannes de Doper eruit als een zwakkeling? Merkt u op dat ik tot slaaf van angst ben gemaakt? Het is waar, aan de armen en onderdrukten van deze generatie wordt het evangelie verkondigd. De religies van deze wereld hebben de armen verwaarloosd, maar mijn Vader kent geen aanzien des persoons. Bovendien zijn het de armen van deze tijd die als eersten gehoor geven aan de oproep tot bekering en aanvaarding van het kind-van-God-zijn. Het evangelie van het koninkrijk moet aan alle mensen worden gepredikt – Jood en niet-Jood, Griek en Romein, rijk en arm, vrij en slaaf – en gelijkelijk aan jong en oud, man en vrouw.”
“Ook al is mijn Vader een God van liefde en schept Hij behagen in het beoefenen van barmhartigheid, neem niet de gedachte in u op dat de dienst aan het koninkrijk er een van monotoon gemak moet zijn. De opklimming naar het Paradijs is het allerhoogste avontuur aller tijden, de ruige prestatie van de eeuwigheid. De dienst aan het koninkrijk op aarde zal alle moedige mannelijkheid vergen die jullie en jullie medewerkers kunnen opbrengen. Velen van jullie zullen ter dood worden gebracht vanwege je loyaliteit aan het evangelie van dit koninkrijk. Het is gemakkelijk om te sterven in de linie van een fysieke strijd wanneer je moed wordt versterkt door de aanwezigheid van je strijdende kameraden, maar het vereist een hogere en diepere vorm van menselijke moed en toewijding om kalm en helemaal alleen je leven te geven uit liefde voor een waarheid die in je sterfelijk hart is verankerd.”
“Vandaag de dag mogen de ongelovigen jullie bespotten voor het prediken van een evangelie van geweldloosheid en met het leiden van een leven van geweldloosheid, maar jullie zijn de eerste vrijwilligers in een lange rij oprechte gelovigen in het evangelie van dit koninkrijk die de hele mensheid zullen verbazen door hun heldhaftige toewijding aan deze leringen. Geen leger ter wereld heeft ooit meer moed en dapperheid getoond dan zal worden getoond door jullie en jullie loyale opvolgers die de hele wereld zullen intrekken om het goede nieuws te verkondigen – het vaderschap van God en de broederschap van de mensen. De moed van het lichaam is de laagste vorm van dapperheid. Spirituele dapperheid is een hogere vorm van menselijke moed, maar de hoogste en allerhoogste is compromisloze loyaliteit aan de verlichte overtuigingen van diepe spirituele realiteiten. En zulke moed vormt het heldendom van de Godkennende mens. En jullie zijn allemaal Godkennende mensen; jullie zijn in werkelijkheid de persoonlijke metgezellen van de MensenZoon.”
Dit was niet alles wat Jezus bij die gelegenheid zei, maar het was de inleiding van zijn toespraak, en hij ging uitgebreid verder met het uitbreiden en illustreren van deze uitspraak. Dit was een van de meest hartstochtelijke toespraken die Jezus ooit tot de twaalf hield. Zelden sprak de Meester tot zijn apostelen met duidelijk sterke gevoelens, maar dit was een van de weinige gelegenheden waarop hij met duidelijke ernst sprak, vergezeld van duidelijke emotie.
Dit had onmiddellijk resultaat op de openbare prediking en persoonlijke bediening van de apostelen. Vanaf die dag kreeg hun boodschap een nieuwe toon van moedige overheersing. De twaalf bleven de spirit van positieve strijdvaardigheid in het nieuwe evangelie van het koninkrijk ontwikkelen. Vanaf die dag hielden ze zich niet meer zozeer bezig met het prediken van de negatieve deugden en de passieve aansporingen van de veelzijdige leer van hun Meester.
Les over zelfbeheersing
De Meester was een volmaakt voorbeeld van menselijke zelfbeheersing. Toen hij werd beschimpt, schold hij niet; toen hij leed, uitte hij geen bedreigingen tegen zijn kwelgeesten; toen hij door zijn vijanden werd veroordeeld, gaf hij zich eenvoudig over aan het rechtvaardige oordeel van de Vader in de hemel.
Tijdens een van de avondvergaderingen vroeg Andreas aan Jezus: “Meester, moeten we zelfverloochening beoefenen zoals Johannes de Doper ons leerde, of moeten we streven naar de zelfbeheersing van uw leer? Waarin verschilt uw leer van die van Johannes?” Jezus antwoordde: “Johannes heeft jullie inderdaad de weg van de rechtvaardigheid geleerd in overeenstemming met het licht en de wetten van zijn vaderen, en dat was de godsdienst van zelfonderzoek en zelfverloochening. Maar ik kom met een nieuwe boodschap van jezelf-vergeten en zelfbeheersing. Ik toon jullie de weg van het leven zoals die mij is geopenbaard door mijn Vader in de hemel.”
“Voorwaar, voorwaar, ik zeg jullie, wie zichzelf beheerst, is groter dan wie een stad inneemt. Zelfbeheersing is de maatstaf van de morele aard van een mens en de indicator van zijn spirituele ontwikkeling. In de oude orde gingen jullie vasten en bidden; als het nieuwe schepsel van de wedergeboorte van de spirit, wordt jullie nu geleerd te geloven en je te verheugen. In het koninkrijk van de Vader zullen jullie nieuwe schepselen worden; oude dingen zullen voorbijgaan. Zie, ik laat jullie zien hoe alle dingen nieuw zullen worden. En door jullie liefde voor elkaar moeten jullie de wereld ervan overtuigen dat jullie zijn overgegaan van slavernij naar vrijheid, van de dood naar het eeuwige leven.”
“Volgens de oude weg probeerden jullie te onderdrukken, te gehoorzamen en je te conformeren aan de regels van het leven. Maar volgens de nieuwe weg worden jullie eerst getransformeerd door de Spirit van Waarheid en daardoor in jullie innerlijke ziel versterkt door de voortdurende spirituele vernieuwing van jullie denken. En zo worden jullie begiftigd met de kracht van de zekere en vreugdevolle vervulling van de genadige, aanvaardbare en volmaakte wil van God. Vergeet niet dat het jullie persoonlijke geloof in de buitengewoon grote en kostbare beloften van God is dat ervoor zorgt dat jullie steeds meer verwerven van de goddelijke natuur. Zo worden jullie door jullie geloof en de transformatie van de spirit in werkelijkheid de tempels van God, en woont zijn spirit daadwerkelijk in jullie. Als de spirit dan in u woont, bent u niet langer slaven van het lichaam, maar vrije en bevrijde zonen van de spirit. De nieuwe wet van de spirit schenkt u de vrijheid van zelfbeheersing, in plaats van de oude wet die gebaseerd was op jezelf beperken, uit angst, en op de slavernij van zelfverloochening.”
“Vaak, wanneer jullie kwaad hebben gedaan, heb je gedacht je daden toe te schrijven aan de invloed van de boze [de ‘duivel’], terwijl je in werkelijkheid slechts op een dwaalspoor bent gebracht door je eigen natuurlijke neigingen. Heeft de profeet Jeremia jullie lang geleden niet verteld dat het menselijk hart boven alles bedrieglijk is en soms zelfs wanhopig slecht? Hoe gemakkelijk kun je jezelf misleiden en daardoor vervallen in dwaze angsten, diverse lusten, verslavende genoegens, kwaadaardigheid, afgunst en zelfs wraakzuchtige haat!”
“Verlossing is door de wedergeboorte van de spirit en niet door de zelfingenomen daden van het lichaam. Jullie worden gerechtvaardigd door geloof en verbonden door genade, niet door vrees en de zelfverloochening van het lichaam, hoewel de kinderen van de Vader die uit de spirit geboren zijn, altijd en eeuwig meesters zijn van het zelf en over alles wat met de verlangens van het lichaam te maken heeft. Wanneer jullie weten dat jullie gered zijn door geloof, hebben jullie ware vrede met God. En allen die de weg van deze hemelse vrede volgen, zijn bestemd om geheiligd te worden voor de eeuwige dienst aan de steeds voortschrijdende en opklimmende kinderen van de eeuwige God. Voortaan is het geen plicht, maar eerder jullie verheven voorrecht om jezelf te reinigen van alle kwaad van mind en lichaam, terwijl jullie streven naar volmaaktheid in de liefde voor God.”
“Kind van God zijn is gegrondvest in geloof, en je moet onbewogen blijven door angst. Jullie vreugde wordt geboren uit vertrouwen in het goddelijk woord, en je zult daarom niet ertoe gebracht worden te twijfelen aan de werkelijkheid van de liefde en genade van de Vader. Het is juist de goedheid van God die mensen tot waar en oprecht berouw leidt. Jullie geheim van de beheersing van het zelf is verbonden met je geloof in de inwonende Mentor-Spirit, die altijd werkt door liefde. Zelfs dit reddende geloof hebben jullie niet uit jezelf; het is ook de gave van God. En als jullie de kinderen van dit levende geloof zijn, zijn jullie niet langer de slaven van het zelf, maar eerder de triomfantelijke meesters van jezelf, de bevrijde kinderen van God.”
“Als jullie dan, mijn kinderen, uit de spirit geboren zijn, zijn jullie voor altijd bevrijd van de zelfbewuste slavernij van een leven van zelfverloochening en van voortdurend waakzaam zijn voor de verlangens van het lichaam. Dan worden jullie overgebracht naar het vreugdevolle koninkrijk van de spirit, vanwaar jullie spontaan de vruchten van de spirit in jullie dagelijks leven laten zien. En de vruchten van de spirit vormen de essentie van de hoogste vorm van aangename en veredelende zelfbeheersing, ja, de hoogten van aardse, sterfelijke verworvenheid – ware zelfbeheersing.”
Afleiding en ontspanning
Rond deze tijd ontwikkelde zich een toestand van grote nerveuze en emotionele spanning onder de apostelen en hun directe discipel-collega’s. Ze waren nog nauwelijks gewend geraakt aan het samenleven en samenwerken. Ze ondervonden steeds meer moeilijkheden om harmonieuze relaties met de discipelen van Johannes de Doper te onderhouden. Het contact met de niet-Joden en de Samaritanen was een grote beproeving voor deze Joden. En naast dit alles hadden de recente uitspraken van Jezus hun verwarde gemoedstoestand versterkt. Andreas was bijna buiten zichzelf; hij wist niet wat hij nu moest doen, en dus ging hij met zijn problemen en verbijstering naar de Meester. Toen Jezus naar de apostel-chef had geluisterd die zijn problemen vertelde, zei hij: “Andreas, je kunt mensen niet uit hun verbijstering praten als ze zo’n stadium van betrokkenheid bereiken, en wanneer er zoveel mensen met sterke gevoelens bij betrokken zijn. Ik kan niet doen wat je van me vraagt. Ik zal niet deelnemen aan deze persoonlijke sociale moeilijkheden, maar ik zal samen met jou genieten van een periode van drie dagen rust en ontspanning.” Ga naar je broeders en kondig aan dat jullie allemaal met mij mee moeten gaan naar de berg Sartaba, waar ik een dag of twee wil rusten.”
“Ga nu naar elk van je elf broeders en spreek privé met hem, en zeg: ‘De Meester wil dat we een tijdje met hem apart gaan om te rusten en te ontspannen. Omdat we allemaal de laatste tijd veel mentale kwelling en stress hebben ervaren, stel ik voor dat we tijdens deze vakantie geen melding maken van onze beproevingen en problemen. Kan ik erop rekenen dat jullie in deze zaak met mij samenwerken?’ Benader op deze manier privé en persoonlijk elk van je broeders.” En Andreas deed zoals de Meester hem had opgedragen.
Dit was een wonderbaarlijke gebeurtenis in de ervaring van ieder van hen. Ze vergaten nooit de dag waarop ze de berg opgingen. Gedurende de hele reis werd er nauwelijks over hun problemen gesproken. Toen Jezus de top van de berg had bereikt, liet hij hen om zich heen zitten en zei: “Broeders, jullie moeten allemaal de waarde van rust en de doeltreffendheid van ontspanning leren. Je moet beseffen dat de beste manier om ingewikkelde problemen op te lossen, is ze een tijdje te laten rusten. Wanneer je dan fris terugkomt van je rust of aanbidding, kun je je problemen aanpakken met een helderder hoofd en een vastere hand, om nog maar te zwijgen van een vastberadener hart. Nogmaals, vaak blijkt je probleem in omvang en proporties te zijn gekrompen terwijl je je mind en lichaam hebt laten rusten.”
De volgende dag wees Jezus aan elk van de twaalf een gespreksonderwerp toe. De hele dag was gewijd aan herinneringen ophalen en aan het bespreken van zaken die niets met hun religieuze werk te maken hadden. Ze waren even geschokt toen Jezus zelfs verzuimde om verbaal te danken toen hij het brood brak voor hun middaglunch. Dit was de eerste keer dat ze hem zulke formaliteiten zagen verwaarlozen.
Toen ze de berg opgingen, zat het hoofd van Andreas vol problemen. Johannes was buitengewoon verward in zijn hart. Jacobus was diep bedroefd in zijn ziel. Mattheüs had het financieel moeilijk omdat ze onder de niet-Joden hadden geleefd. Petrus was overspannen en was de laatste tijd temperamentvoller geweest dan normaal. Judas leed aan een periodieke aanval van gevoeligheid en egoïsme. Simon was ongewoon van streek in zijn pogingen om zijn patriottisme te verzoenen met de liefde voor de broederschap onder de mensen. Filippus raakte steeds meer in verlegenheid door de manier waarop de dingen gingen. Nathanaël was minder humoristisch sinds ze in contact waren gekomen met de niet-Joodse bevolking, en Thomas zat midden in een zware periode van depressie. Alleen de tweeling was normaal en onverstoorbaar. Ze waren allemaal buitengewoon verward over hoe ze vreedzaam met de discipelen van Johannes de Doper om moesten gaan.
Op de derde dag, toen ze de berg afdaalden en teruggingen naar hun kamp, was er een grote verandering over hen gekomen. Ze hadden de belangrijke ontdekking gedaan dat veel menselijke verwarringen in werkelijkheid niet bestaan, dat veel dringende problemen het gevolg zijn van overdreven angst en het resultaat van toegenomen bezorgdheid. Ze hadden geleerd dat al dergelijke verwarringen het beste kunnen worden aangepakt door ze achter te laten; door weg te gaan, hadden ze zulke problemen zichzelf laten oplossen.
Hun terugkeer van deze vakantie markeerde het begin van een periode van sterk verbeterde relaties met de volgelingen van Johannes. Velen van de twaalf gaven zich werkelijk over aan vrolijkheid toen ze de veranderde gemoedstoestand van iedereen opmerkten en merkten dat ze bevrijd waren van nerveuze prikkelbaarheid als gevolg van hun driedaagse vakantie van de routinematige plichten van het leven. Er bestaat altijd gevaar dat de monotonie van menselijk contact verwarringen enorm zal vermenigvuldigen en moeilijkheden zal vergroten.
Niet veel niet-Joden in de twee Griekse steden Archelaïs en Phasaelis gingen geloven in het evangelie, maar de twaalf apostelen deden waardevolle ervaring op tijdens hun eerste uitgebreide werk met uitsluitend niet-Joodse bevolkingsgroepen. Op een maandagochtend, rond het midden van de maand, zei Jezus tegen Andreas: “We gaan naar Samaria.” En ze vertrokken meteen naar de stad Sychar, vlak bij de bron van Jacob.
De Joden en de Samaritanen
Meer dan zeshonderd jaar lang waren de Joden van Judea, en later ook die van Galilea, vijandig gezind geweest tegen de Samaritanen. Deze vijandigheid tussen de Joden en de Samaritanen ontstond op de volgende manier: Ongeveer zevenhonderd jaar v.Chr. voerde Sargon, koning van Assyrië, bij het neerslaan van een opstand in centraal Palestina meer dan vijfentwintigduizend Joden van het noordelijke koninkrijk Israël weg en installeerde in hun plaats een bijna gelijk aantal afstammelingen van de Cuthites, Sepharvites, en de Hamathites. Later stuurde Ashurbanipal nog andere kolonies om in Samaria te wonen.
De religieuze vijandschap tussen de Joden en de Samaritanen dateerde van de terugkeer van de eersten uit de Babylonische ballingschap, toen de Samaritanen zich inspanden om de herbouw van Jeruzalem te verhinderen. Later beledigden ze de Joden door vriendelijke hulp te verlenen aan de legers van Alexander. In ruil voor hun vriendschap gaf Alexander de Samaritanen toestemming om een tempel te bouwen op de berg Gerizim, waar ze Jahweh en hun stamgoden aanbaden en offers brachten, grotendeels volgens de orde van de tempeldiensten in Jeruzalem. Ze zetten deze eredienst in ieder geval voort tot de tijd van de Makkabeeën, toen Johannes Hyrcanus hun tempel op de berg Gerizim verwoestte. De apostel Filippus hield, tijdens zijn werk voor de Samaritanen na de dood van Jezus, vele bijeenkomsten op de plek van deze oude Samaritaanse tempel.
De tegenstellingen tussen de Joden en de Samaritanen waren eeuwenoud en historisch. Sinds de tijd van Alexander hadden ze steeds minder contact met elkaar gehad. De twaalf apostelen waren niet afkerig van prediking in de Griekse en andere niet-Joodse steden van de Dekapolis en Syrië, maar het was een zware test voor hun loyaliteit aan de Meester toen hij zei: “Laten we naar Samaria gaan.” Maar in de loop van het jaar of langer dat ze bij Jezus waren geweest, hadden ze een vorm van persoonlijke loyaliteit ontwikkeld die zelfs hun geloof in zijn leringen en hun vooroordelen tegen de Samaritanen te boven ging.
De vrouw uit Sychar
Toen de Meester en de twaalf bij de bron van Jacob aankwamen, bleef Jezus, vermoeid van de reis, bij de bron staan, terwijl Filippus de apostelen meenam om te helpen met het brengen van voedsel en tenten uit Sychar, want ze waren van plan om hier een tijdje te blijven. Petrus en de zonen van Zebedeüs wilden bij Jezus blijven, maar hij verzocht hen met hun broeders mee te gaan en zei: “Wees niet bang voor mij; deze Samaritanen zullen vriendelijk zijn; alleen onze broeders, de Joden, proberen ons kwaad te doen.” En het was bijna zes uur op deze zomeravond toen Jezus bij de bron ging zitten om de terugkeer van de apostelen af te wachten.
Het water van de put van Jacob bevatte minder mineralen dan dat van de putten van Sychar en werd daarom zeer gewaardeerd om te drinken. Jezus had dorst, maar er was geen manier om water uit de put te krijgen. Toen daarom een vrouw uit Sychar met haar waterkruik aankwam en zich gereedmaakte om uit de put te putten, zei Jezus tegen haar: “Geef mij te drinken.” Deze Samaritaanse vrouw wist aan zijn uiterlijk en kleding dat Jezus een Jood was, en ze vermoedde dat hij een Galilese Jood was vanwege zijn accent. Haar naam was Nalda en ze was een bevallig schepsel. Ze was zeer verbaasd dat een Joodse man haar op deze manier bij de put aansprak en om water vroeg, want het werd in die tijd niet gepast geacht dat een zichzelf respecterende man in het openbaar met een vrouw sprak, laat staan dat een Jood met een Samaritaan converseerde. Daarom vroeg Nalda aan Jezus: “Hoe kunt u, als Jood, mij, een Samaritaanse vrouw, om drinken vragen?” Jezus antwoordde: “Ik heb u inderdaad om drinken gevraagd, maar als u het maar kon begrijpen, zou u mij om een slok van het levende water vragen.” Toen zei Nalda: “Maar Heer, u hebt niets om mee te scheppen en de put is diep; waar hebt u dan dit levende water vandaan? Bent u soms groter dan onze vader Jacob, die ons deze put gaf en er zelf uit dronk, samen met zijn zonen en zijn vee?”
Jezus antwoordde: “Iedereen die van dit water drinkt, zal weer dorst krijgen, maar wie van het water van de levende spirit drinkt, zal nooit meer dorst krijgen. En dit levende water zal in die persoon een bron van verkwikking worden, die opwelt tot in het eeuwige leven.” Nalda zei toen: “Geef mij dit water, zodat ik geen dorst meer heb en niet helemaal hierheen hoef te komen om te putten. Bovendien zou alles wat een Samaritaanse vrouw van zo’n prijzenswaardige Jood zou kunnen ontvangen, een genoegen zijn.”
Nalda wist niet hoe ze de bereidwilligheid van Jezus om met haar te praten moest opvatten. Ze zag in het gezicht van de Meester de gelaatsuitdrukking van een oprecht en heilig man, maar ze verwarde vriendelijkheid met alledaagse vertrouwelijkheid, en ze interpreteerde zijn beeldspraak verkeerd als een manier om haar te benaderen. En omdat ze een vrouw was met een losse moraal, was ze geneigd openlijk te flirten, toen Jezus, haar recht in de ogen kijkend, met een bevelende stem zei: “Vrouw, ga je man halen en breng hem hier.” Dit bevel bracht Nalda tot bezinning. Ze zag dat ze de vriendelijkheid van de Meester verkeerd had ingeschat. Ze besefte dat ze zijn manier van spreken verkeerd had geïnterpreteerd. Ze was bang. Ze begon te beseffen dat ze in de aanwezigheid van een ongewoon persoon stond, en terwijl ze in haar gedachten op zoek was naar een passend antwoord, in grote verwarring, zei ze: “Maar, Heer, ik kan mijn man niet roepen, want ik heb geen man.” Toen zei Jezus: “Je hebt de waarheid gesproken, want hoewel je misschien ooit een man hebt gehad, is degene met wie je nu samenleeft niet je man. Het zou beter zijn als je zou ophouden met het bespotten van mijn woorden en zou zoeken naar het levende water dat ik je vandaag heb aangeboden.”
Tegen die tijd was Nalda ontnuchterd en was haar betere zelf ontwaakt. Ze was niet geheel uit vrije wil een immorele vrouw. Ze was meedogenloos en onrechtvaardig aan de kant gezet door haar echtgenoot en had in grote nood ingestemd met een leven met een zekere Griek als zijn vrouw, maar zonder huwelijk. Nalda schaamde zich nu diep dat ze zo onnadenkend tot Jezus had gesproken, en ze richtte zich zeer berouwvol tot de Meester en zei: ‘Mijn Heer, ik heb berouw over mijn manier van spreken tot u, want ik zie dat u een heilig man of misschien een profeet bent.’ En ze stond op het punt om directe en persoonlijke hulp van de Meester te zoeken toen ze deed wat zovelen vóór en na haar hebben gedaan: ze ontweek de kwestie van persoonlijke verlossing door zich tot de discussie over theologie en filosofie te wenden. Ze bracht het gesprek snel van haar eigen behoeften naar een theologische controverse. Wijzend naar de berg Gerizim vervolgde ze: “Onze vaderen hebben op deze berg aanbeden, en toch zou U zeggen dat Jeruzalem de plaats is waar men moet aanbidden…Welke is dan de juiste plaats om God te aanbidden?”
Jezus zag de poging van de ziel van de vrouw om direct en onderzoekend contact met haar Schepper te vermijden, maar hij zag ook dat er in haar ziel een verlangen aanwezig was om de betere weg van leven te leren kennen. Er was immers in Nalda’s hart een ware dorst naar het levende water. Daarom behandelde hij haar geduldig en zei: “Vrouw, laat me je zeggen dat de dag spoedig komt dat je noch op deze berg, noch in Jeruzalem de Vader zult aanbidden. Maar nu aanbid je wat je niet kent, een mengeling van de religie van vele heidense goden en heidense filosofieën. De Joden weten tenminste wie ze aanbidden. Zij hebben alle verwarring weggenomen door hun aanbidding te concentreren op één God, Jahweh. Maar geloof me als ik zeg dat het uur spoedig zal komen – zelfs nu is het aangebroken – wanneer alle oprechte aanbidders de Vader zullen aanbidden in spirit en waarheid, want het zijn juist zulke aanbidders die de Vader zoekt. God is spirit, en zij die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in spirit en waarheid. Uw redding komt niet voort uit de kennis hoe anderen moeten aanbidden of waar, maar door in uw eigen hart dit levende water te ontvangen dat ik u nu aanbied.”
Maar Nalda zou nog één poging doen om de discussie over de gênante kwestie van haar persoonlijke leven op aarde en de status van haar ziel voor God te vermijden. Opnieuw nam ze haar toevlucht tot algemene religieuze vragen en zei: “Ja, ik weet, Heer, dat Johannes heeft gepredikt over de komst van de Bekeerder, hij die de Verlosser genoemd zal worden, en dat hij, wanneer hij komt, ons alle dingen zal verkondigen.” En Jezus onderbrak Nalda en zei met schokkende zekerheid: “Ik, die tot u spreek, ben het.”
Dit was de eerste directe, positieve en onverholen uitspraak van zijn goddelijke natuur en Zoonschap die Jezus op aarde had gedaan. En het werd gedaan aan een vrouw, een Samaritaanse vrouw, en een vrouw van twijfelachtig karakter in de ogen van mannen tot op dat moment, maar een vrouw die het goddelijk oog zag als iemand tegen wie meer gezondigd was dan dat ze zelf zondigde uit eigen begeerte en zag als nu een menselijke ziel die verlossing verlangde, het oprecht en van harte verlangde, en dat was genoeg.
Toen Nalda op het punt stond haar werkelijke en persoonlijke verlangen naar betere dingen en een nobelere manier van leven te uiten, net toen ze klaar was om het ware verlangen van haar hart te uiten, keerden de twaalf apostelen terug uit Sychar, en toen ze dit tafereel van Jezus tegenkwamen – zo intiem sprekend met deze vrouw – deze Samaritaanse vrouw, en alleen – waren ze meer dan verbaasd. Ze legden snel hun spullen neer en trokken zich terug, want niemand durfde hem te berispen. Jezus zei tegen Nalda: “Vrouw, ga heen. God heeft u vergeven. Vanaf nu zult u een nieuw leven leiden. U hebt het levende water ontvangen en een nieuwe vreugde zal in uw ziel opwellen, en u zult een dochter van de Allerhoogste worden.” En de vrouw, die de afkeuring van de apostelen bemerkte, liet haar waterkruik achter en vluchtte naar de stad.
Toen ze de stad binnenkwam, riep ze aan iedereen die ze tegenkwam: “Ga naar de bron van Jacob en ga snel, want daar zult u een man zien die mij alles heeft verteld wat ik ooit heb gedaan. Zou dit de Bekeerder kunnen zijn?” En voordat de zon onderging, had zich een grote menigte verzameld bij de bron van Jacob om Jezus te horen. En de Meester vertelde hen meer over het water des levens, de gift van de inwonende Mentor-Spirit.
De apostelen waren voortdurend geschokt door de bereidheid van Jezus om met vrouwen te praten, vrouwen van twijfelachtig karakter, zelfs immorele vrouwen. Het was erg moeilijk voor Jezus om zijn apostelen te leren dat vrouwen, zelfs zogenaamd immorele vrouwen, een ziel hebben die God als hun Vader kan kiezen, waardoor ze dochters van God worden en kandidaten voor het eeuwige leven. Zelfs negentien eeuwen later tonen velen dezelfde onwil om de leringen van de Meester te begrijpen. Zelfs de christelijke religie is voortdurend opgebouwd rond het feit van de dood van Christus in plaats van rond de waarheid van zijn leven. De wereld zou zich meer moeten bekommeren om zijn gelukkige en God-openbarende leven dan om zijn tragische en droevige dood.
Nalda vertelde dit hele verhaal de volgende dag aan de apostel Johannes, maar hij onthulde het nooit volledig aan de andere apostelen, en Jezus sprak er niet gedetailleerd over met de twaalf.
Nalda vertelde Johannes dat Jezus haar had verteld “alles wat ik ooit heb gedaan”. Johannes wilde Jezus vaak vragen naar dit bezoek aan Nalda, maar hij deed het nooit. Jezus vertelde haar slechts één ding over zichzelf, maar zijn blik in haar ogen en de manier waarop hij met haar omging, hadden haar hele bewogen leven in een oogwenk zo in een panoramisch overzicht voor haar mind gebracht dat ze al deze zelfopenbaring van haar voorafgaande leven associeerde met de blik en het woord van de Meester. Jezus vertelde haar nooit dat ze vijf echtgenoten had gehad. Ze had met vier verschillende mannen geleefd sinds haar man haar had verstoten, en dit, samen met haar hele verleden, kwam zo levendig in haar gedachten op het moment dat ze besefte dat Jezus een man van God was, dat ze vervolgens aan Johannes herhaalde dat Jezus haar werkelijk alles over zichzelf had verteld.
De opleving in Samaria
Op de avond dat Nalda de menigte uit Sychar aantrok om Jezus te zien, waren de twaalf net teruggekeerd met eten, en ze smeekten Jezus om met hen te eten in plaats van met de mensen te praten, want ze hadden de hele dag zonder eten gezeten en hadden honger. Maar Jezus wist dat er spoedig duisternis over hen zou komen. Daarom volhardde hij in zijn besluit om met de mensen te praten voordat hij hen wegstuurde. Toen Andreas hem probeerde over te halen een hapje te eten voordat hij tot de menigte sprak, zei Jezus: “Ik heb vlees te eten waar jullie niets van weten.” Toen de apostelen dit hoorden, zeiden ze onder elkaar: “Heeft iemand hem iets te eten gebracht? Kan het zijn dat de vrouw hem zowel eten als drinken heeft gegeven?” Toen Jezus hen onder elkaar hoorde praten, wendde hij zich af, voordat hij tot de menigte sprak, en zei tegen de twaalf: “Mijn voedsel is om de wil te doen van Hem die mij gezonden heeft en Zijn werk te volbrengen. Jullie moeten niet langer zeggen dat het zo en zo lang duurt tot de oogst. Zie deze mensen uit een Samaritaanse stad komen om ons te horen. Ik zeg jullie dat de velden al wit zijn om te oogsten. Wie oogst, ontvangt loon en verzamelt deze vrucht voor het eeuwige leven; daarom verheugen de zaaiers en de maaiers zich samen. Want hierin is het gezegde waar: ‘De een zaait en de ander maait.’ Ik zend jullie nu uit om te oogsten waaraan jullie niet hebben gewerkt. Anderen hebben gearbeid, en jij staat op het punt hun arbeid te delen.” Dit zei hij met betrekking tot de prediking van Johannes de Doper.
Jezus en de apostelen gingen naar Sychar en predikten twee dagen voordat ze hun kamp op de berg Gerizim opsloegen. En velen van de bewoners van Sychar geloofden het evangelie en vroegen om de doop, maar de apostelen van Jezus doopten nog niet.
De eerste nacht van het kamp op de berg Gerizim verwachtten de apostelen dat Jezus hen zou berispen voor hun houding tegenover de vrouw bij de bron van Jakob, maar hij kwam er niet op terug. In plaats daarvan gaf hij hun een gedenkwaardige toespraak over ‘De realiteiten die centraal staan in het koninkrijk van God’. In elke religie is het heel gemakkelijk om waarden buiten proporties te laten worden en feiten de plaats van waarheid in iemands theologie te laten innemen. Het feit van het kruis werd het middelpunt van het latere christendom; maar het is niet de centrale waarheid van de religie die kan worden afgeleid uit het leven en de leer van Jezus van Nazareth. [de waarden die hij uitdrukte in de waarheden van zijn leven zijn in de latere religie buiten proportioneel klein geworden ten opzichte van de opsommingen van allerlei feiten]
Het thema van het onderricht van Jezus op de berg Gerizim was: hij wil dat alle mensen God zien als een Vader-vriend, net zoals hij (Jezus) een broeder-vriend is. En keer op keer drukte hij hen op het hart dat liefde de grootste relatie in de wereld is – in het universum – net zoals waarheid de grootste uitspraak is van de observatie van deze goddelijke relaties.
Jezus sprak zich zo volledig uit tegenover de Samaritanen omdat hij dat veilig kon doen, en omdat hij wist dat hij het hart van Samaria niet opnieuw zou bezoeken om het evangelie van het koninkrijk te prediken.
Jezus en de twaalf kampeerden op de berg Gerizim tot eind augustus. Overdag predikten zij het goede nieuws van het koninkrijk – het vaderschap van God – aan de Samaritanen in de steden en zij brachten de nachten door in het kamp. Het werk dat Jezus en de twaalf in deze Samaritaanse steden deden, bracht vele zielen voor het koninkrijk voort en droeg er veel toe bij om de weg te bereiden voor het wonderbaarlijke werk van Filippus in deze streken na de dood van Jezus en zijn opstanding, na de verstrooiing van de apostelen tot aan de uiteinden van de aarde door de bittere vervolging van de gelovigen in Jeruzalem.
Leringen over gebed en aanbidding
Tijdens de avondbijeenkomsten op de berg Gerizim onderwees Jezus vele grote waarheden, en in het bijzonder legde hij de nadruk op de volgende:
Ware religie is de handeling van een individuele ziel in haar zelfbewuste relatie met de Schepper. Georganiseerde religie is de poging van de mens om de aanbidding van individuele religieuze zielen te socialiseren.
Aanbidding – overdenken/beschouwen van het spirituele – moet worden afgewisseld met dienstbaarheid, met contact met de materiële werkelijkheid. Werk moet worden afgewisseld met spel. Religie moet in evenwicht worden gehouden door humor. Diepzinnige filosofie moet worden afgewisseld met ritmische poëzie. De spanning van het leven – de tijdsspanning van de persoonlijkheid – zou moeten worden verlicht door de rust van aanbidding. De gevoelens van onzekerheid die voortkomen uit de angst voor persoonlijke isolatie in het universum zouden moeten worden tegengegaan door in geloof de Vader te overdenken en te beschouwen en door de poging tot realisatie van de Allerhoogste.
Gebed is bedoeld om de mens minder over dingen te laten denken, maar zich meer dingen te realiseren; gebed is niet bedoeld om iemand’s kennis te vergroten [mind-level], maar eerder om iemand’s inzicht uit te breiden [spirit level].
Aanbidding is bedoeld als voorbereiding op en voorspelling van het betere leven dat voor ons en om deze nieuwe spirituele betekenissen en inzichten vervolgens terug te laten kaatsen naar het leven dat nu is. Gebed is spiritueel ondersteunend, maar aanbidding is goddelijk creatief.
Aanbidding is de techniek om naar de Ene te kijken voor inspiratie tot dienstbaarheid aan de velen. Aanbidding is de maatstaf die meet:
- de mate van onthechting van de ziel van het materiële universum
- en haar gelijktijdige en veilige gehechtheid en verbondenheid aan de spirituele realiteiten van de hele schepping.
Gebed is jezelf herinneren – verheven denken; aanbidding is jezelf vergeten – super-denken [het gaat boven het verstandelijke denken uit]. Aanbidding is moeiteloze aandacht, ware en ideale zielerust, een vorm van rustgevende spirituele inspanning.
Aanbidding is de handeling van een deel dat zich identificeert met het Geheel; het eindige met het Oneindige; de zoon met de Vader; tijd die bezig is om in de pas te gaan lopen met de eeuwigheid. Aanbidding is de handeling van de persoonlijke gemeenschap en communicatie van de zoon met de goddelijke Vader, het aannemen van verfrissende, creatieve, broederlijke en romantische houdingen door de menselijke ziel-spirit.
Hoewel de apostelen slechts een paar van zijn leringen in het kamp begrepen, deden andere werelden dat wel, en zullen andere generaties op aarde dat ook doen.
Dit hoofdstuk is een nieuwe Nederlandse vertaling gebaseerd op Paper 143 van het Urantia Boek: https://www.urantia.org
