Inleiding

De eerste openbare predikingstocht door Galilea begon op zondag 18 januari, 28 n.Chr., en duurde ongeveer twee maanden, eindigend met de terugkeer naar Capernaum op 17 maart. Tijdens deze tocht predikten Jezus en de twaalf apostelen, bijgestaan door de voormalige apostelen van Johannes, het evangelie en doopten gelovigen in

In deze steden bleven ze en onderwezen ze, terwijl ze in veel andere kleinere steden het evangelie van het koninkrijk verkondigden terwijl ze erdoorheen trokken.

Dit was de eerste keer dat Jezus zijn metgezellen toestond om onbelemmerd te prediken. Tijdens deze tocht waarschuwde hij hen slechts drie keer: hij spoorde hen ernstig aan om weg te blijven van Nazareth en discreet te zijn wanneer ze door Capernaum en Tiberias trokken. Het was een bron van grote voldoening voor de apostelen dat ze eindelijk de vrijheid hadden om zonder beperkingen te prediken en te onderwijzen, en ze stortten zich met grote ernst en vreugde op het werk van de prediking van het evangelie, de verzorging van zieken en het dopen van gelovigen.

Prediking te Rimmon

Het stadje Rimmon was ooit gewijd aan de aanbidding van een Babylonische god van de lucht, Ramman. Veel van de vroegere Babylonische en latere zoroastrische leringen werden nog steeds omarmd als geloofsovertuigingen door de Rimmonieten. Daarom besteedden Jezus en de vierentwintig veel tijd aan de taak om het verschil duidelijk te maken tussen deze oudere geloofsovertuigingen en het nieuwe evangelie van het koninkrijk. Petrus hield hier een van de belangrijkste preken uit zijn vroege carrière over ‘Aäron en het gouden kalf’.

Hoewel veel inwoners van Rimmon in de leringen van Jezus gingen geloven, bezorgden ze hun broeders later veel problemen. Het is moeilijk om natuuraanbidders te bekeren tot de volledige gemeenschap van de verering van een spiritueel ideaal binnen de korte tijd van één leven.

Veel van de betere Babylonische en Perzische ideeën over licht en duisternis, goed en kwaad, tijd en eeuwigheid werden later opgenomen in de doctrines van het zogenaamde christendom, en hun opname maakte de christelijke leringen meer direct aanvaardbaar voor de volkeren van het Nabije Oosten. Op dezelfde manier maakte de opname van veel van Plato’s theorieën over de ideale spirit of onzichtbare patronen van alle zichtbare en materiële dingen, -zoals later door Philo aangepast aan de Hebreeuwse theologie-, de christelijke leringen van Paulus gemakkelijker te accepteren voor de westerse Grieken.

Het was in Rimmon dat Todan voor het eerst het evangelie van het koninkrijk hoorde, en hij bracht deze boodschap later naar Mesopotamië en ver daarbuiten. Hij was een van de eersten die het goede nieuws predikte aan hen die aan de overzijde van de Eufraat woonden.

In Jotapata (over het gebed)

Terwijl de gewone mensen van Jotapata Jezus en zijn apostelen met vreugde aanhoorden en velen het evangelie van het koninkrijk aanvaardden, was het de toespraak van Jezus tot de vierentwintig op de tweede avond van hun verblijf in dit kleine stadje die de Jotapata-missie kenmerkte. Nathanaël was verward over de leringen van de Meester over gebed, dankzegging en aanbidding, en in antwoord op zijn vraag sprak Jezus uitgebreid over een verdere uitleg van zijn leer. Samengevat in moderne bewoordingen, kan deze toespraak worden gepresenteerd als een nadruk op de volgende punten:

1. De bewuste en aanhoudende aandacht voor ongerechtigheid in het hart van de mens vernietigt geleidelijk de gebedsverbinding van de menselijke ziel met de spirituele communicatiecircuits tussen de mens en zijn Schepper. Natuurlijk hoort God het gebed van zijn kind, maar wanneer het menselijk hart opzettelijk en aanhoudend de concepten van ongerechtigheid koestert, volgt er geleidelijk aan het verlies van persoonlijke communicatie tussen het aardse kind en zijn hemelse Vader.

2. Gebed dat onverenigbaar is met de bekende en vastgestelde wetten van God is een gruwel voor de Paradijsgoden. Als de mens niet wil luisteren naar de Goden [Vader, Zoon, Spirit] zoals Zij tot hun schepping spreken in de wetten van spirit, mind en materie, dan keert juist de daad van zulke opzettelijke en bewuste minachting door het schepsel de oren van spirituele persoonlijkheden af van het horen van de persoonlijke gebeden van zulke wetteloze en ongehoorzame stervelingen. Jezus citeerde aan zijn apostelen de profeet Zacharia: ‘Maar zij weigerden te luisteren en trokken de schouder weg en stopten hun oren dicht om niet te horen. Ja, zij maakten hun harten onvermurwbaar als een steen, opdat zij mijn wet niet zouden horen en de woorden die Ik door mijn Spirit door de profeten zond; daarom kwamen de gevolgen van hun slechte gedachten als een grote toorn over hun schuldige hoofden. En zo gebeurde het dat ze om genade smeekten, maar er was geen oor open om te luisteren.’ En toen citeerde Jezus het spreekwoord van de wijze man die zei: ‘Wie zijn oor afwendt van het horen van de goddelijke wet, diens gebed zal een gruwel zijn.’

3. Door het menselijke uiteinde van het kanaal van de God-mens-communicatie te openen, maken stervelingen onmiddellijk de eeuwig vloeiende stroom van goddelijke dienstverlening aan de schepselen van de wereld beschikbaar. Wanneer de mens Gods spirit in het menselijk hart hoort spreken, is inherent aan zo’n ervaring het feit dat God tegelijkertijd het gebed van die mens hoort. Zelfs de vergeving van zonden werkt op dezelfde onfeilbare manier. De Vader in de hemel heeft je vergeven, zelfs voordat je eraan gedacht hebt om Hem erom te vragen, maar zulke vergeving is niet beschikbaar in je persoonlijke religieuze ervaring totdat je je medemensen vergeeft. Gods vergeving is In Feite niet afhankelijk van het vergeven van je medemens, maar de Ervaring is als het ware een voorwaarde voordat vergeving kan worden gerealiseerd. En dit feit van het synchroon lopen van goddelijke en menselijke vergeving werd aldus erkend en met elkaar verbonden in het gebed dat Jezus de apostelen leerde [namelijk: vergeef ons (onze zonden), zoals wij ook anderen (hun zonden) vergeven].

4. Er is een fundamentele wet van rechtvaardigheid in het universum die door genade/barmhartigheid niet kan worden omzeild. De onzelfzuchtige glorie van het paradijs kan niet worden ontvangen door een door en door egoïstisch schepsel in de werelden van tijd en ruimte. Zelfs de oneindige liefde van God kan de redding van eeuwig overleven niet opleggen aan een sterfelijk schepsel dat er niet voor kiest te overleven. Barmhartigheid wordt verleend met een grote mate van ruimhartigheid, maar toch zijn er voorschriften van rechtvaardigheid die zelfs door liefde gecombineerd met barmhartigheid niet effectief kunnen worden opgeheven. Opnieuw citeerde Jezus uit de Hebreeuwse geschriften: ‘Ik heb geroepen en u weigerde te luisteren; Ik heb mijn hand uitgestrekt, maar niemand sloeg er acht op. Je hebt al mijn raadgevingen in de wind geslagen en mijn vermaningen verworpen. Door deze opstandige houding is het onvermijdelijk dat je mij zult aanroepen en geen antwoord zult krijgen. Nu je de weg van het leven hebt verworpen, kun je mij nog zo ijverig gaan zoeken in je tijden van lijden, maar je zult mij niet vinden.’

5. Wie genade wil ontvangen, moet genade tonen; oordeel niet, opdat je niet geoordeeld wordt. Met de spirit waarmee je anderen oordeelt, zul je ook geoordeeld worden. Barmhartigheid heft de universele rechtvaardigheid niet volledig op. Uiteindelijk zal het waar blijken te zijn: “Wie zijn oren sluit voor het geroep van de arme, zal op een dag ook om hulp roepen, en niemand zal hem horen.” De oprechtheid van elk gebed is de zekerheid dat het gehoord wordt. De spirituele wijsheid en universele consistentie van elk verzoek bepalen het tijdstip, de manier en de mate van het antwoord. Een wijze vader beantwoordt de dwaze gebeden van zijn onwetende en onervaren kinderen niet letterlijk, hoewel de kinderen veel plezier en ware zielsbevrediging kunnen putten uit het doen van zulke absurde smeekbeden.

6. Wanneer je je volledig hebt toegewijd aan het doen van de wil van de Vader in de hemel, zal het antwoord op al je smeekbeden komen, omdat je gebeden volledig in overeenstemming zullen zijn met de wil van de Vader, en de wil van de Vader is altijd zichtbaar in Zijn uitgestrekte universum. Wat het ware kind verlangt en de oneindige Vader wil, IS. Zo’n gebed kan niet onbeantwoord blijven, en geen enkel ander soort gebed kan ooit volledig worden beantwoord.

7. De roep van de rechtvaardige is de geloofsdaad van het kind van God die de deur opent naar de voorraadschuur van de Vader, vol met goedheid, waarheid en barmhartigheid. En deze goede gaven hebben lang gewacht op de toenadering en persoonlijke toe-eigening door het kind. Gebed verandert de goddelijke houding ten opzichte van de mens niet, maar het verandert wel de houding van de mens ten opzichte van de onveranderlijke Vader. Het motief van het gebed geeft het recht van doorgang naar het goddelijk oor, niet de sociale, economische of uiterlijke religieuze status van degene die bidt.

8. Gebed mag niet worden gebruikt om vertragingen door tijd te vermijden of om de beperkingen van ruimte te overstijgen. Gebed is niet bedoeld als een techniek om zichzelf te verheerlijken of om oneerlijk voordeel te behalen ten opzichte van medemensen. Een door en door egoïstische ziel kan niet bidden in de ware zin van het woord. Jezus zei: “Laat uw grootste vreugde liggen in het karakter van God, en Hij zal u zeker de oprechte verlangens van uw hart geven.” “Vertrouw uw weg toe aan de Heer; vertrouw op Hem, en Hij zal handelen.” “Want de Heer hoort het geroep van de behoeftigen, en Hij zal aandacht geven aan het gebed van de misdeelden.”

9. “Ik ben van de Vader uitgegaan; als je daarom ooit twijfelt over wat je aan de Vader zou willen vragen, vraag dan in mijn naam, en ik zal je gebed voordragen in overeenstemming met je werkelijke behoeften en verlangens en in overeenstemming met de wil van mijn Vader.” “Wees op je hoede voor het grote gevaar egocentrisch te worden in je gebeden. Vermijd om veel voor jezelf te bidden; bid meer voor de spirituele vooruitgang van je broeders en zusters. Vermijd materialistisch gebed; bid in de spirit en voor de overvloed van de gaven van de spirit.”

10. Wanneer je bidt voor de zieken en bedroefden, verwacht dan niet dat je gebeden de plaats zullen innemen van liefdevolle en intelligente zorg voor de behoeften van deze bedroefden. Bid voor het welzijn van je familie, vrienden en medemensen, maar bid vooral voor hen die jou vervloeken, en doe liefdevolle smeekbeden voor hen die jou vervolgen. “Maar wanneer je moet bidden, zal ik niet zeggen. Alleen de spirit die in je woont, kan je ertoe bewegen die verzoeken en gebeden uit te spreken die je innerlijke relatie met de Vader van Spirits uitdrukken.”

11. Velen nemen alleen hun toevlucht tot gebed als ze in de problemen zitten. Zo’n praktijk is onnadenkend en misleidend. Het is waar dat je er goed aan doet te bidden wanneer je wordt lastiggevallen, maar je moet er ook op letten om als een kind tot je Vader te spreken, zelfs als alles goed gaat met je ziel. Laat je ware smeekbeden altijd in het geheim zijn. Laat mensen je persoonlijke gebeden niet horen. Algemene dank-gebeden zijn gepast voor groepen aanbidders, maar het gebed van de ziel is een persoonlijke zaak. Er is maar één gebedsvorm die geschikt is voor al Gods kinderen, en dat is: “Hoe dan ook, Uw wil geschiede.”

12. Alle gelovigen in dit evangelie dienen oprecht te bidden voor de uitbreiding van het hemelse koninkrijk. Van alle gebeden in de Hebreeuwse geschriften gaf Jezus het meest instemmend commentaar op het verzoek van de psalmist: “Schep in mij een rein hart, o God, en vernieuw in mij een juiste spirit. Reinig mij van verborgen zonden en weerhoud uw dienaar van aanmatigende overtreding.”

Jezus gaf uitgebreid commentaar op de relatie tussen gebed en onzorgvuldige en beledigende taal, en citeerde: “Zet een wacht, o Heer, voor mijn mond; bewaak de deur van mijn lippen.” “De menselijke tong”, zei Jezus, “is een lichaamsdeel dat weinig mensen kunnen temmen, maar de spirit binnenin kan dit onhandelbare lichaamsdeel transformeren tot een vriendelijke stem van tolerantie en een inspirerende dienaar van barmhartigheid.”

13. Jezus leerde dat het gebed om goddelijke leiding op het pad van het aardse leven in belangrijkheid op de tweede plaats kwam na het verzoek om kennis van de wil van de Vader. In werkelijkheid betekent dit een gebed om goddelijke wijsheid. Jezus leerde nooit dat menselijke kennis en speciale vaardigheden door gebed verkregen konden worden. Maar hij leerde wel dat gebed een factor is in het vergroten van iemands vermogen om de aanwezigheid van de goddelijke spirit te ontvangen. Toen Jezus zijn metgezellen leerde bidden in de spirit en in waarheid, legde hij uit dat hij doelde op oprecht bidden en in overeenstemming met iemands verlichting, op bidden met heel zijn hart en met intelligentie, vurig en standvastig.

14. Jezus waarschuwde zijn volgelingen ervoor te denken dat hun gebeden effectiever zouden worden door sierlijke herhalingen, welsprekende formuleringen, vasten, boetedoening of offers. Maar hij spoorde zijn gelovigen wel aan om gebed te gebruiken als middel om via dankzegging tot ware aanbidding te komen. Jezus betreurde het dat er zo weinig van de spirit van dankzegging te vinden was in de gebeden en aanbidding van zijn volgelingen. Hij citeerde bij deze gelegenheid uit de Schrift en zei: “Het is goed om de Heer te danken en lof te zingen voor de naam van de Allerhoogste, om elke ochtend zijn liefhebbende vriendelijkheid [Engelse bron-tekst: “His loving-kindness”] en elke avond zijn trouw te erkennen, want God heeft mij door Zijn werk verheugd. In alles zal ik dankzeggen overeenkomstig de wil van God.”

15. En toen zei Jezus: “Wees niet voortdurend overbezorgd over je gewone behoeften. Wees niet bezorgd over de problemen van je aardse bestaan, maar laat in al deze dingen door gebed en nederig verzoek, met de spirit van oprechte dankzegging, je behoeften worden uitgespreid voor je Vader die in de hemel is.” Toen citeerde hij uit de Schrift: “Ik zal de naam van God loven met een lied en hem grootmaken met dankzegging. En dit zal de Heer beter behagen dan het offer van een os of een stier met horens en hoeven.”

16. Jezus leerde zijn volgelingen dat, wanneer zij hun gebeden tot de Vader hadden gericht, zij een tijdlang in stille ontvankelijkheid moesten blijven om de inwonende Mentor-Spirit de beste gelegenheid te geven om tot de luisterende ziel te spreken. De Spirit van de Vader spreekt het best tot de mens wanneer de menselijke mind zich in een houding van ware aanbidding bevindt. Wij aanbidden God met behulp van de inwonende Mentor-Spirit van de Vader en door de verlichting van de menselijke mind door de dienstverlening van de waarheid aan de mind/ aan het verstand. Aanbidding, leerde Jezus, maakt iemand steeds meer gelijk aan het Wezen dat aanbeden wordt. Aanbidding is een transformerende ervaring waarbij het eindige geleidelijk de aanwezigheid van het Oneindige nadert en uiteindelijk bereikt.

En vele andere waarheden vertelde Jezus zijn apostelen over de communicatie van de mens met God, maar niet veel daarvan konden zijn leer volledig omvatten.

De tussenstop in Rama

In Rama had Jezus het gedenkwaardige gesprek met de oude Griekse filosoof die onderwees dat wetenschap en filosofie voldoende waren om te voldoen aan de behoeften van de menselijke ervaring. Jezus luisterde met geduld en medeleven naar deze Griekse leraar, erkende de waarheid van veel van wat hij zei, maar wees erop dat hij, toen hij klaar was, er in zijn bespreking van het menselijk bestaan niet in was geslaagd uit te leggen “waarvandaan, waarom en waarheen” en voegde eraan toe: “Waar u ophoudt, beginnen wij. Religie is een openbaring aan de ziel van de mens die te maken heeft met spirituele realiteiten die het verstand alleen nooit zou kunnen ontdekken of volledig zou kunnen doorgronden. Intellectuele inspanningen kunnen de feiten van het leven onthullen, maar het evangelie van het koninkrijk ontvouwt de waarheden van het bestaan. U hebt de materiële schaduwen van de waarheid besproken. Zul je nu luisteren terwijl ik je vertel over de eeuwige en spirituele realiteiten die deze voorbijgaande schaduwen van de materiële feiten van het sterfelijke bestaan werpen?” Meer dan een uur lang onderwees Jezus deze Griek de reddende waarheden van het evangelie van het koninkrijk. De oude filosoof was ontvankelijk voor de benaderingswijze van de Meester, en oprecht en eerlijk van hart, geloofde hij al snel dit evangelie van verlossing.

De apostelen waren enigszins van hun stuk gebracht door de openlijke manier waarop Jezus instemde met veel van de Griekse stellingen, maar Jezus zei later in besloten kring tegen hen: “Mijn kinderen, verbaas u niet dat ik tolerant was tegenover de Griekse filosofie. Ware en oprechte innerlijke zekerheid is niet bang voor uiterlijke analyse, en ook verzet de waarheid zich niet tegen eerlijke kritiek. U mag nooit vergeten dat intolerantie het masker is dat verbergt dat iemand geheime twijfels heeft over de juistheid van zijn of haar geloof. Niemand wordt ooit verontrust door de houding van zijn buurman wanneer hij (die iemand, niet de buurman 🙂 volkomen vertrouwen heeft in de waarheid van datgene waarin hij van harte gelooft. Moed is het vertrouwen van volkomen eerlijkheid over de dingen die men belijdt te geloven. Oprechte mensen zijn niet bang voor een kritisch onderzoek van hun ware overtuigingen en nobele idealen.”

Op de tweede avond in Rama stelde Thomas aan Jezus deze vraag: “Meester, hoe kan een nieuwe gelovige in uw leer werkelijk weten, werkelijk zeker zijn, van de waarheid van dit evangelie van het koninkrijk?”

En Jezus zei tegen Thomas: “Je zekerheid dat je bent toegetreden tot de koninkrijks-familie van de Vader, en dat je eeuwig zult overleven met de kinderen van het koninkrijk, is volledig een kwestie van persoonlijke ervaring -geloof in het woord van waarheid. Spirituele zekerheid is het equivalent van je persoonlijke religieuze ervaring in de eeuwige realiteiten van goddelijke waarheid en is verder gelijk aan je intelligente begrip van waarheidsrealiteiten plus je spirituele geloof en minus je eerlijke twijfels.”

“De Zoon is van nature begiftigd met het leven van de Vader. Omdat je begiftigd bent met de levende spirit van de Vader, ben je daarom kinderen van God. Je overleeft je leven in de materiële wereld van sterfelijke lichamen omdat je geïdentificeerd bent met de levende spirit van de Vader, de gift van eeuwig leven. Velen hadden dit [eeuwige] leven inderdaad al voordat ik van de Vader uitging, en nog veel meer hebben deze spirit ontvangen omdat ze mijn woord geloofden. Maar ik verklaar dat wanneer ik terugkeer tot de Vader, Hij Zijn spirit in de harten van alle mensen zal zenden.”

“Hoewel je de goddelijke spirit niet in je mind aan het werk kunt zien, is er een praktische methode om te ontdekken in hoeverre je de beheersing van je zielekrachten hebt overgegeven aan de leer en leiding van deze inwonende Mentor-Spirit van de hemelse Vader, en dat is de mate van je liefde voor je medemensen. Deze Mentor-Spirit van de Vader deelt in de liefde van de Vader, en terwijl hij de mens beheerst, leidt hij onfeilbaar in de richting van goddelijke aanbidding en liefdevolle aandacht voor de medemens. Aanvankelijk geloof je dat je kinderen van God bent, omdat mijn leer je bewuster heeft gemaakt van de innerlijke leiding van de inwonende Mentor-Spirit van onze Vader. Maar spoedig zal de Spirit van Waarheid worden uitgestort over alle sterfelijke lichamen, en zal deze onder de mensen leven en alle mensen onderwijzen, zoals ik nu onder jullie leef en de woorden van waarheid tot je spreek. En deze Spirit van Waarheid, die spreekt namens de spirituele gaven van je ziel, zal je helpen te weten dat je de kinderen van God bent. Hij zal onfeilbaar getuigen met de inwonende aanwezigheid van de Vader, jouw Mentor-Spirit, die dan in alle mensen woont zoals hij nu in sommigen woont, en je vertellen dat je in werkelijkheid de kinderen van God bent.”

“Elk aards kind dat de leiding van deze spirit volgt, zal uiteindelijk de wil van God kennen, en hij die zich overgeeft aan de wil van mijn Vader zal voor eeuwig blijven. De weg van het aardse leven naar de eeuwige staat is jullie niet duidelijk gemaakt, maar er is een weg, die is er altijd geweest, en ik ben gekomen om die weg nieuw en levend te maken. Wie het koninkrijk binnengaat, heeft al eeuwig leven – hij zal nooit verloren gaan. Maar veel hiervan zullen jullie beter begrijpen wanneer ik tot de Vader zal zijn teruggekeerd en jullie in staat zijn om jullie huidige ervaringen achteraf te bekijken.”

En allen die deze gezegende woorden hoorden, werden zeer bemoedigd. De Joodse leringen waren verward en onzeker geweest met betrekking tot het voortbestaan van de rechtvaardigen, en het was verfrissend en inspirerend voor de volgelingen van Jezus om deze zeer duidelijke en positieve woorden van verzekering te horen over het eeuwige voortbestaan van alle ware gelovigen.

De apostelen bleven prediken en gelovigen dopen, terwijl ze de gewoonte van huis-aan-huis-bezoeken voortzetten, de terneergeslagenen troostten en de zieken en bedroefden bijstonden. De apostolische organisatie werd uitgebreid doordat elk van de apostelen van Jezus nu een van de apostelen van Johannes als medewerker had. Abner was de medewerker van Andreas. En dit plan bleef van kracht totdat ze naar Jeruzalem gingen voor het volgende Pascha.

De speciale instructie die Jezus gaf tijdens hun verblijf in Zebulun had voornamelijk betrekking op verdere besprekingen van de wederzijdse verplichtingen van het koninkrijk en omvatte onderricht dat bedoeld was om de verschillen tussen persoonlijke religieuze ervaring en de vriendschappen van sociale religieuze verplichtingen duidelijk te maken. Dit was een van de weinige keren dat de Meester ooit de sociale aspecten van religie besprak. Gedurende zijn hele aardse leven gaf Jezus zijn volgelingen zeer weinig instructie over de socialisatie van religie.

In Zebulun waren de mensen van gemengd ras, nauwelijks Joods of niet-Joods te noemen, en weinigen van hen geloofden echt in Jezus, ondanks dat ze hadden gehoord van de genezing van de zieken in Capernaum.

Het Evangelie in Iron

In Iron, zoals in veel van de kleinere steden van Galilea en Judea, was een synagoge, en gedurende de vroege tijden van de missie van Jezus was het zijn gewoonte om op de sabbathdag in deze synagogen te spreken. Soms sprak hij tijdens de ochtenddienst, en Petrus of een van de andere apostelen predikte in de middag. Jezus en de apostelen onderwezen en predikten ook vaak tijdens de doordeweekse avondbijeenkomsten in de synagoge. Hoewel de religieuze leiders in Jeruzalem steeds vijandiger tegenover Jezus stonden, oefenden ze geen directe controle uit over de synagogen buiten die stad. Pas later in het openbare optreden van Jezus konden ze zo’n wijdverspreid sentiment tegen hem creëren dat de synagogen bijna volledig voor zijn leer werden gesloten. In die tijd stonden alle synagogen van Galilea en Judea nog voor hem open.

Iron was de locatie van uitgebreide mineraalmijnen voor die tijd, en aangezien Jezus nooit het leven van een mijnwerker had gedeeld, bracht hij het grootste deel van zijn tijd, tijdens zijn verblijf in Iron, door in de mijnen. Terwijl de apostelen de huizen bezochten en predikten in de openbare plaatsen, werkte Jezus in de mijnen met deze ondergrondse arbeiders. De faam van Jezus als genezer had zich zelfs tot dit afgelegen dorp verspreid, en vele zieken en gekwelden zochten hulp bij hem, en velen hadden veel baat bij zijn genezingsbediening. Maar in geen van deze gevallen verrichtte de Meester een zogenaamd wonder van genezing, behalve in dat van de melaatse.

Laat in de middag van de derde dag in Iron, toen Jezus terugkeerde van de mijnen, kwam hij toevallig door een smalle zijstraat op weg naar zijn verblijfplaats. Toen hij de smerige hut van een zekere melaatse man naderde, nam de zieke, die van zijn faam als genezer had gehoord, de moed om hem aan te spreken toen hij langs zijn deur liep, zeggende, terwijl hij voor hem knielde: “Heer, als u maar wilde, kon u mij rein maken. Ik heb de boodschap van uw leraren gehoord, en ik zou het koninkrijk binnengaan als ik rein kon worden gemaakt.” En de melaatse sprak op deze manier omdat het melaatsen onder de Joden zelfs verboden was om de synagoge te bezoeken of anderszins deel te nemen aan de openbare eredienst. Deze man geloofde werkelijk dat hij niet in het komende koninkrijk kon worden ontvangen, tenzij hij een genezing voor zijn melaatsheid kon vinden. En toen Jezus hem in zijn ellende zag en zijn woorden van vastberaden geloof hoorde, werd zijn menselijk hart geraakt, en de goddelijke spirit werd bewogen met mededogen. Toen Jezus hem aankeek, legde de man zijn gezicht ter aarde en aanbad. Toen strekte de Meester zijn hand uit, raakte hem aan en zei: “Ik wil het -wees rein” En onmiddellijk was hij genezen; de melaatsheid teisterde hem niet langer.

Toen Jezus de man overeind had geholpen, gebood hij hem: “Zorg ervoor dat je niemand over je genezing vertelt, maar ga rustig je gang, vertoon jezelf aan de priester en breng de offers die Mozes heeft voorgeschreven als getuigenis van je reiniging.” Maar deze man deed niet wat Jezus hem had opgedragen. In plaats daarvan begon hij overal in de stad te verkondigen dat Jezus zijn melaatsheid had genezen, en omdat hij bij het hele dorp bekend was, konden de mensen duidelijk zien dat hij van zijn ziekte was gereinigd. Hij ging niet naar de priesters zoals Jezus hem had opgedragen. Als gevolg van zijn verspreiding van het nieuws dat Jezus hem had genezen, werd de Meester zo overspoeld door zieken dat hij gedwongen was de volgende dag vroeg op te staan en het dorp te verlaten. Hoewel Jezus de stad niet opnieuw binnenkwam, bleef hij twee dagen in de buitengebieden bij de mijnen, waar hij de gelovige mijnwerkers verder onderwees over het evangelie van het koninkrijk.

Deze reiniging van de melaatse was het eerste zogenaamde wonder dat Jezus tot dan toe opzettelijk en weloverwogen had verricht. En dit was een geval van echte melaatsheid.

Van Iron gingen ze naar Gischala, waar ze twee dagen het evangelie verkondigden, en vertrokken vervolgens naar Chorazin, waar ze bijna een week het goede nieuws predikten. Maar ze waren niet in staat veel gelovigen voor het koninkrijk in Chorazin te winnen. Nergens waar Jezus had onderwezen, had hij zo’n algemene afwijzing van zijn boodschap ondervonden. Het verblijf in Chorazin was voor de meeste apostelen zeer deprimerend, en Andreas en Abner hadden er veel moeite mee de moed van hun metgezellen erin te houden. Dus reisden ze rustig door Capernaum en vervolgden hun weg naar het dorp Madon, waar het hun weinig beter verging. De meeste apostelen hadden het idee dat hun gebrek aan succes in deze recent bezochte steden te wijten was aan het aandringen van Jezus om hem in hun onderwijs en prediking niet als een genezer te beschouwen. Wat verlangden ze ernaar dat hij nog een melaatse zou reinigen of op een andere manier zijn kracht zo zou manifesteren dat hij de aandacht van de mensen zou trekken! Maar de Meester bleef onbewogen door hun oprechte aandringen.

Terug in Kana

De apostolische groep was zeer verheugd toen Jezus aankondigde: “Morgen gaan we naar Kana.” Ze wisten dat ze in Kana een welwillend gehoor zouden vinden, want Jezus was daar goed bekend. Ze waren goed bezig met hun werk om mensen in het koninkrijk te brengen toen er op de derde dag een vooraanstaande burger van Capernaum, Titus, in Kana aankwam. Hij was een gedeeltelijk gelovige en zijn zoon was ernstig ziek. Hij hoorde dat Jezus in Kana was; daarom haastte hij zich om hem te bezoeken. De gelovigen in Capernaum dachten dat Jezus elke ziekte kon genezen.

Toen deze edelman Jezus in Kana had gevonden, smeekte hij hem om snel naar Capernaum te komen en zijn zieke zoon te genezen. Terwijl de apostelen er in ademloze verwachting bij stonden, keek Jezus naar de vader van de zieke jongen en zei: “Hoe lang zal ik u nog verdragen? De kracht van God is in uw midden, maar als u geen tekenen ziet en wonderen aanschouwt, weigert u te geloven.” Maar de edelman smeekte Jezus en zei: “Mijn Heer, ik geloof, maar kom voordat mijn kind sterft, want toen ik hem verliet, was hij al op het punt te sterven.” En toen Jezus zijn hoofd een moment in stille overpeinzing had gebogen, sprak hij plotseling: “Keer terug naar huis; uw zoon zal leven.” Titus geloofde het woord van Jezus en haastte zich terug naar Capernaum. En terwijl hij terugkeerde, kwamen zijn dienaren hem tegemoet en zeiden: “Verheug u, want uw zoon is beter geworden, hij leeft.” Toen vroeg Titus hun op welk uur de jongen begon te herstellen, en toen de dienaren antwoordden: “Gisteren rond het zevende uur verliet de koorts hem”, herinnerde de vader zich dat het ongeveer op dat uur was dat Jezus had gezegd: “Uw zoon zal leven.” En Titus geloofde voortaan met heel zijn hart, en zijn hele familie geloofde ook. Deze zoon werd een machtig dienaar van het koninkrijk en gaf later zijn leven met degenen die in Rome leden. Hoewel het hele huishouden van Titus, hun vrienden en zelfs de apostelen deze gebeurtenis als een wonder beschouwden, was het dat niet. Tenminste, dit was geen wonder van genezing van een lichamelijke ziekte. Het was slechts een geval van voorkennis betreffende de loop van de natuurwet, precies zulke kennis waartoe Jezus na zijn doop vaak zijn toevlucht nam.

Opnieuw werd Jezus gedwongen zich uit Kana weg te haasten vanwege de overmatige aandacht die deze tweede gebeurtenis trok, te veel om zijn missie in dit dorp uit te voeren. De stadsbewoners herinnerden zich het water en de wijn, en nu men dacht dat hij de zoon van de edelman op zo’n grote afstand had genezen, kwamen ze naar hem toe. Ze brachten niet alleen de zieken en lijdenden mee, maar stuurden ook boodschappers met het verzoek dat hij zieken op afstand zou genezen. En toen Jezus zag dat het hele platteland in rep en roer was, zei hij: “Laten we naar Nain gaan.”

Nain en de zoon van de weduwe

Deze mensen geloofden in tekenen. Ze waren een generatie die op zoek was naar wonderen. Tegen die tijd waren de mensen van Midden- en Zuid-Galilea wondergezind geworden met betrekking tot Jezus en zijn persoonlijke bediening. Tientallen, honderden, eerlijke mensen die leden aan pure zenuwaandoeningen en emotionele stoornissen [in de categorie die wij nu ‘psycho-somatisch’ zouden noemen] kwamen in de aanwezigheid van Jezus en keerden vervolgens naar huis terug naar hun vrienden, met de aankondiging dat Jezus hen had genezen. En zulke gevallen van mentale genezing beschouwden deze onwetende en eenvoudige mensen als fysieke genezing, als wonderbaarlijke genezingen.

Toen Jezus Kana wilde verlaten en naar Nain wilde gaan, volgden een grote menigte gelovigen en vele nieuwsgierigen hem. Ze waren vastbesloten om wonderen en miraculeuze dingen te aanschouwen, en ze zouden niet teleurgesteld worden. Toen Jezus en zijn apostelen de stadspoort naderden, kwamen ze een begrafenisstoet tegen die op weg was naar de nabijgelegen begraafplaats. De stoet droeg de enige zoon van een weduwe uit Nain. Deze vrouw genoot veel aanzien en de helft van het dorp volgde de dragers van de baar van deze zogenaamd overleden jongen. Toen de begrafenisstoet bij Jezus en zijn volgelingen aankwam, herkenden de weduwe en haar vrienden de Meester en smeekten hem de zoon weer tot leven te wekken. Hun wonderverwachting was zo hoog opgelopen dat ze dachten dat Jezus elke menselijke ziekte kon genezen, en waarom kon zo’n genezer niet ook de doden opwekken? Terwijl Jezus zo werd lastiggevallen, stapte hij naar voren, tilde het deksel van de baar op en onderzocht de jongen. Toen hij ontdekte dat de jongeman niet echt dood was, besefte hij de tragedie die zijn aanwezigheid kon voorkomen; dus keerde hij zich tot de moeder en zei: “Ween niet. Uw zoon is niet dood; hij slaapt. Hij zal aan u worden teruggegeven.” En toen nam hij de jongeman bij de hand en zei: “Word wakker en sta op.” En de jongeman, die dood geacht werd, ging meteen rechtop zitten en begon te spreken, en Jezus stuurde hen terug naar huis.

Jezus probeerde de menigte te kalmeren en probeerde tevergeefs uit te leggen dat de jongen niet echt dood was, dat hij hem niet uit het graf had teruggebracht, maar het was zinloos. De menigte die hem volgde, en het hele dorp Nain, kwamen in de hoogste staat van emotionele chaos. Vrees greep velen aan, anderen raakten in paniek, terwijl weer anderen vervielen in gebed en weeklagen over hun zonden. En pas lang na zonsondergang kon de schreeuwende menigte uiteengedreven worden. En natuurlijk, ondanks de verklaring van Jezus dat de jongen niet dood was, bleef iedereen volhouden dat er een wonder was verricht, zelfs de doden waren opgewekt. Hoewel Jezus hun vertelde dat de jongen slechts in een diepe slaap was, legden ze uit dat dit zijn manier van spreken was en vestigden ze de aandacht op het feit dat hij altijd in grote bescheidenheid probeerde zijn wonderen te verbergen.

Zo verspreidde het gerucht zich door heel Galilea en Judea dat Jezus de zoon van de weduwe uit de dood had opgewekt, en velen die dit bericht hoorden, geloofden het. Jezus was er nooit in geslaagd zelfs al zijn apostelen volledig duidelijk te maken dat de zoon van de weduwe niet werkelijk dood was toen hij hem gebood wakker te worden en op te staan. Maar hij maakte voldoende indruk op hen om het uit alle latere verslagen te weren, behalve dat van Lucas, die het optekende zoals de gebeurtenis aan hem was verteld. En opnieuw werd Jezus als ‘arts‘ zo belegerd dat hij de volgende dag vroeg naar Endor vertrok.

In Endor

In Endor ontsnapte Jezus een paar dagen aan de luidruchtige menigte die op zoek was naar fysieke genezing. Tijdens hun verblijf op deze plaats vertelde de Meester ter lering van de apostelen het verhaal van koning Saul en de heks van Endor. Jezus vertelde zijn apostelen duidelijk dat de verdwaalde en opstandige ‘middenwezens’, die zich vaak hadden voorgedaan als de vermeende ‘geesten’ van de doden, spoedig onder controle zouden worden gebracht, zodat ze deze vreemde dingen niet meer konden doen. Hij vertelde zijn volgelingen dat, nadat hij tot de Vader was teruggekeerd en nadat hij zijn spirit van waarheid zou hebben uitgestort over alle sterfelijke lichamen, zulke half-geestelijke wezens – zogenaamde ‘onreine geesten’ – de zwakzinnigen en kwaadaardigen onder de stervelingen niet meer zouden kunnen bezitten.

Jezus legde zijn apostelen verder uit dat de ‘geesten’ van overleden mensen niet terugkeren naar de wereld van hun oorsprong om met hun levende medemensen te communiceren. Pas na het verstrijken van een dispensationeel tijdperk zou het mogelijk zijn voor de voortschrijdende spirit van de sterfelijke mens om naar de aarde terug te keren, en dan alleen in uitzonderlijke gevallen en als onderdeel van het spirituele bestuur van de planeet.

Nadat ze twee dagen rust hadden genomen, zei Jezus tot zijn apostelen: “Laten we morgen terugkeren naar Capernaum om daar te blijven en te onderwijzen terwijl het platteland tot rust komt. Thuis zullen ze intussen zo langzamerhand wel gedeeltelijk zijn bijgekomen van dit soort opwinding.”

Dit hoofdstuk is een nieuwe Nederlandse vertaling gebaseerd op Paper 146 van het Urantia Boek: https://www.urantia.org