Inleiding
Voordat Jezus de twaalf meenam voor een kort verblijf in de buurt van Caesarea-Philippi, regelde hij via de boodschappers van David dat hij op zondag 7 augustus naar Capernaum zou gaan om zijn familie te ontmoeten. Dit bezoek zou plaatsvinden bij de scheepswerf van Zebedeüs. David Zebedeüs had met Judas, de broer van Jezus, afgesproken dat de hele familie uit Nazareth aanwezig zou zijn – Maria en alle broers en zussen van Jezus – en Jezus ging met Andreas en Petrus mee om deze afspraak na te komen. Het was ongetwijfeld de bedoeling van Maria en de kinderen om deze afspraak na te komen, maar het gebeurde zo dat een groep Farizeeën, wetende dat Jezus zich aan de overkant van het meer bevond, in het gebied van Philippus, besloot Maria te bezoeken om zoveel mogelijk te weten te komen over zijn verblijfplaats. De aankomst van deze afgezanten uit Jeruzalem verontrustte Maria zeer. Toen ze de spanning en nervositeit van de hele familie opmerkten, concludeerden ze dat verwacht werd dat Jezus hen zou komen bezoeken. Ze installeerden zich in Maria’s huis en wachtten, na versterkingen te hebben opgeroepen, geduldig op de komst van Jezus. Dit voorkwam natuurlijk effectief dat ook maar één lid van de familie de afspraak met Jezus [bij de scheepswerf, niet in het huis van Maria] kon nakomen. Meerdere keren gedurende de dag probeerden zowel Judas als Ruth de waakzaamheid van de Farizeeën te ontwijken in hun pogingen om Jezus bericht te sturen, maar het mocht niet baten.
Vroeg in de middag brachten Davids boodschappers Jezus het bericht dat de Farizeeën gelegerd waren op de drempel van het huis van zijn moeder, en daarom deed hij geen poging zijn familie te bezoeken. En zo slaagden Jezus en zijn aardse familie er opnieuw niet in contact te komen, zonder dat beiden er iets aan konden doen.
De tempel-tollenaar
Terwijl Jezus, met Andreas en Petrus, zich ophield bij het meer, vlakbij de scheepswerf, kwam een tempeltollenaar [incasseerder van de ’tempelbelasting’] hen tegemoet. Hij herkende Jezus, riep Petrus terzijde en zei: “Betaalt jullie Meester de tempelbelasting niet?” Petrus was geneigd verontwaardigd te zijn over de suggestie dat van Jezus verwacht werd dat hij zou bijdragen aan het onderhoud van de religieuze activiteiten van zijn gezworen vijanden, maar toen hij een eigenaardige uitdrukking op het gezicht van de tollenaar zag, vermoedde hij terecht dat het de bedoeling was hen ertoe te verleiden de gebruikelijke halve sjekel te weigeren te betalen voor de tempeldiensten in Jeruzalem. Petrus antwoordde dan ook: “Natuurlijk betaalt de Meester de tempelbelasting. Wacht u maar bij de poort, dan kom ik zo terug met de belasting.”
Petrus had nu wel erg snel gesproken. Judas droeg hun geld en was aan de overkant van het meer. Noch hij, noch zijn broer, noch Jezus hadden geld meegenomen. En wetende dat de Farizeeën hen zochten, konden ze moeilijk naar Bethsaida gaan om geld te halen. Toen Petrus Jezus over de belastinginner vertelde en dat hij hem het geld had beloofd, zei Jezus: “Als je het beloofd hebt, dan moet je betalen. Maar waarmee wilt je je belofte nakomen? Wil je weer visser worden om je woord te houden? Niettemin, Petrus, is het in de gegeven omstandigheden goed dat wij de belasting betalen. Laten we deze mannen geen aanstoot geven aan onze houding. Wij zullen hier wachten terwijl jij met de boot gaat en je net uitwerpt voor vis, en wanneer je die op de markt daar verkocht hebt, betaal je de belastinginner voor ons drieën.”
Dit alles was afgeluisterd door de geheime boodschapper van David, die in de buurt stond en die vervolgens een metgezel, die aan de oever aan het vissen was, wenkte om snel aan land te komen. Toen Petrus zich gereedmaakte om met de boot uit te varen om te vissen, overhandigden deze boodschapper en zijn visvriend hem verschillende grote manden met vis en hielpen hem deze naar de nabijgelegen vishandelaar te brengen. Deze kocht de vangst en betaalde, met wat de boodschapper van David erbij had gevoegd, voldoende om de tempelbelasting voor de drie te voldoen. De ontvanger accepteerde de belasting en zag af van de boete voor te late betaling, omdat ze enige tijd afwezig waren geweest uit Galilea.
Het is niet vreemd dat je nu een verslag hebt waarin staat dat Petrus een vis ving met een sjekel in zijn bek. In die tijd deden er veel verhalen de ronde over het vinden van schatten in de bek van vissen; zulke verhalen over bijna-wonderen waren alledaags. Toen Petrus hen verliet om naar de boot te gaan, merkte Jezus half-humoristisch op: “Het is vreemd dat de zonen van de koning belasting moeten betalen; normaal gesproken is het de vreemdeling die belasting moet betalen voor het onderhoud van het hof, maar het betaamt ons om de autoriteiten geen struikelblok te bezorgen. Ga eropuit! Misschien vang je wel de vis met de sjekel in zijn bek.” Nadat Jezus dit had gezegd en Petrus zo snel met de tempelbelasting verscheen, is het niet verwonderlijk dat deze gebeurtenis later werd uitgebreid tot een wonder, zoals opgetekend door de schrijver van het Evangelie van Mattheus.
Jezus wachtte met Andreas en Petrus aan de oever tot bijna zonsondergang. Boodschappers lieten weten dat Maria’s huis nog steeds onder toezicht stond. Toen het donker werd, stapten de drie wachtende mannen daarom in hun boot en roeiden langzaam weg naar de oostelijke oever van het Meer van Galilea.
In Bethsaida-Julias
Op maandag 8 augustus, terwijl Jezus en de twaalf apostelen gelegerd waren in het Magadanpark, vlakbij Bethsaida-Julias, kwamen meer dan honderd gelovigen, de evangelisten, het vrouwenkorps en anderen die geïnteresseerd waren in de vestiging van het koninkrijk, uit Capernaum voor een bespreking. En veel Farizeeën, die vernamen dat Jezus hier was, kwamen ook. Intussen hadden enkele Sadduceeën zich bij de Farizeeën aangesloten in hun poging Jezus in de val te lokken. Voordat Jezus de besloten vergadering met de gelovigen begon, hield hij een openbare bijeenkomst waar de Farizeeën aanwezig waren. Ze vielen de Meester lastig en probeerden de vergadering op andere manieren te verstoren. De leider van de verstoorders zei: “Meester, wij willen graag dat u ons een teken geeft van uw bevoegdheid om te onderwijzen, en dan, wanneer dat gebeurt, zullen alle mensen weten dat u door God gezonden bent.” En Jezus antwoordde hun: “Als het avond is, zegt u dat het mooi weer zal zijn, want de hemel is rood; ’s morgens zal het slecht weer zijn, want de hemel is rood en dreigend. Als u wolken ziet opkomen uit het westen, zegt u dat er buien zullen komen; als de wind uit het zuiden waait, zegt u dat er verschroeiende hitte zal komen. Hoe komt het dat u zo goed de hemel kunt onderscheiden, maar zo volstrekt niet in staat bent de tekenen van de tijd te onderscheiden? Aan hen die de waarheid willen kennen, is al een teken gegeven; maar aan een boosaardige en huichelachtige generatie zal geen teken worden gegeven.”
Nadat Jezus dit had gezegd, trok hij zich terug en bereidde zich voor op de avondbijeenkomst met zijn volgelingen. Tijdens deze bijeenkomst werd besloten een gezamenlijke missie te ondernemen door alle steden en dorpen van de Dekapolis, zodra Jezus en de twaalf terug zouden zijn van hun voorgenomen bezoek aan Caesarea-Philippi. De Meester nam deel aan de planning van de missie naar Dekapolis en zei bij het wegsturen van het gezelschap: “Ik zeg jullie, pas op voor het zuurdesem van de Farizeeën en Sadduceeën. Laat je niet misleiden door hun vertoon van grote geleerdheid en hun diepe loyaliteit aan de vormen van religie. Wees alleen maar bezig met de spirit van levende waarheid en de kracht van ware religie. Het is niet de angst voor een dode religie die jullie zal redden, maar eerder jullie geloof in een levende ervaring in de spirituele realiteiten van het koninkrijk. Laat jullie niet verblinden door vooroordelen en verlammen door angst. Laat ook niet toe dat eerbied voor de tradities jullie begrip zo verdraait dat jullie ogen niet zien en jullie oren niet horen. Het is niet het doel van ware religie om louter vrede te brengen, maar eerder om vooruitgang te verzekeren. En er kan geen vrede in het hart of vooruitgang in de spirit zijn tenzij jullie met heel je hart verliefd worden op de waarheid, op de idealen van eeuwige realiteiten. De kwesties van leven en dood worden jullie voorgelegd –de zondige genoegens van de tijd tegenover de rechtvaardige realiteiten van eeuwigheid. Zelfs nu al zouden jullie bevrijding moeten vinden van de slavernij van angst en twijfel, wanneer je begint aan het leven van een nieuw leven van geloof en hoop. En wanneer de gevoelens van dienstbaarheid aan je medemens in je ziel opkomen, onderdruk ze dan niet. Wanneer de emoties van liefde voor je naaste in je hart opwellen, geef dan uiting aan dergelijke drang tot genegenheid in een intelligente dienst aan de werkelijke behoeften van uw medemens.
De belijdenis van Petrus
Vroeg op dinsdagochtend vertrokken Jezus en de twaalf apostelen vanuit het park van Magadan naar Caesarea-Philippi, de hoofdstad van het rijk van de Tetrarch Philippus. Caesarea-Philippi lag in een streek van wonderbaarlijke schoonheid. Het lag genesteld in een bekoorlijke vallei tussen schilderachtige heuvels, waar de Jordaan uit een ondergrondse grot ontsprong. De hoogten van de berg Hermon waren in het noorden volledig zichtbaar, terwijl vanaf de heuvels net ten zuiden een prachtig uitzicht was op de bovenloop van de Jordaan en het Meer van Galilea.
Jezus was naar de berg Hermon gegaan in de periode dat hij voor het eerst met de aangelegenheden van het koninkrijk te maken kreeg, en nu hij aan de laatste fase van zijn werk begon, verlangde hij ernaar terug te keren naar deze berg van beproeving en triomf. Hij hoopte dat de apostelen daar een nieuw inzicht zouden krijgen in hun verantwoordelijkheden en nieuwe kracht zouden opdoen voor de moeilijke tijden die vlak voor hen lagen. Terwijl ze onderweg waren, rond de tijd dat ze ten zuiden van de Wateren van Merom passeerden, raakten de apostelen met elkaar in gesprek over hun recente ervaringen in Phenicia en elders en vertelden ze hoe hun boodschap was ontvangen en hoe de verschillende volken hun Meester beschouwden.
Terwijl ze pauzeerden voor de lunch, confronteerde Jezus de twaalf plotseling met de eerste vraag die hij ooit aan hen over zichzelf had gesteld. Hij stelde deze verrassende vraag: “Wie zeggen de mensen dat ik ben?”
Jezus had lange maanden besteed aan het trainen van deze apostelen wat betreft de aard en het karakter van het hemelse koninkrijk, en hij wist heel goed dat de tijd was gekomen dat hij hen meer moest leren over zijn eigen aard en zijn persoonlijke relatie met het koninkrijk. En nu, terwijl ze onder de moerbeibomen zaten, maakte de Meester zich klaar voor een van de belangrijkste bijeenkomsten in zijn lange omgang met de uitverkoren apostelen.
Meer dan de helft van de apostelen nam deel aan de beantwoording van deze vraag van Jezus. Ze vertelden hem dat hij door allen die hem kenden als een profeet of als een buitengewoon man werd beschouwd. Dat zelfs zijn vijanden hem zeer vreesden, en zijn krachten verklaarden door hem ervan te beschuldigen dat hij in verbond stond met de prins van alle duivels. Ze vertelden hem dat sommigen in Judea en Samaria die hem niet persoonlijk hadden ontmoet, geloofden dat hij de uit de dood opgestane Johannes de Doper was. Petrus legde uit dat hij bij verschillende gelegenheden en door verschillende personen was vergeleken met Mozes, Eliah, Jesaiah en Jeremiah. Toen Jezus naar dit verslag had geluisterd, stond hij op, keek neer op de twaalf die in een halve kring om hem heen zaten, wees met een verrassende nadruk naar hen met een breed gebaar en vroeg: “Maar wie zeggen jullie dat ik ben?” Er viel een moment van gespannen stilte. De twaalf hielden hun ogen niet van de Meester af, en toen sprong Simon Petrus op en riep uit: “U bent de verlosser, de Zoon van de levende God.” En de elf zittende apostelen stonden eensgezind op, waarmee ze aangaven dat Petrus namens hen allen had gesproken.
Toen Jezus hen weer had gebaard om te gaan zitten, en terwijl hij nog steeds voor hen stond, zei hij: “Dit is aan u geopenbaard door mijn Vader. Het uur is gekomen dat u de waarheid over mij moet weten. Maar voorlopig draag ik u op dit aan niemand te vertellen. Laten we weggaan.”
En zo hervatten ze hun reis naar Caesarea-Philippi, kwamen laat die avond aan en stopten bij het huis van Celsus, die hen verwachtte. De apostelen sliepen die nacht weinig; ze leken te beseffen dat er een grote gebeurtenis in hun leven en in het werk van het koninkrijk had plaatsgevonden.
Het gesprek over het Koninkrijk
Sinds de gebeurtenissen van de doop van Jezus door Johannes en het veranderen van water in wijn in Kana, hadden de apostelen hem op verschillende momenten feitelijk als de Messias aanvaard. Sommigen van hen hadden korte tijd werkelijk geloofd dat hij de verwachte Verlosser was. Maar nauwelijks kwam zulke hoop in hun harten op of de Meester zou hen met een verpletterend woord of teleurstellende daad tegenspreken. Ze waren al lang in een staat van beroering en verwarring door het conflict tussen de concepten van de verwachte Messias die ze in hun gedachten koesterden en de ervaring van hun buitengewone verbondenheid met deze buitengewone man die ze in hun hart koesterden.
Het was laat in de ochtend op deze woensdag toen de apostelen bijeenkwamen in de tuin van Celsus voor hun middagmaal. Gedurende het grootste deel van de nacht en sinds ze die ochtend waren opgestaan, hadden Simon Petrus en Simon Zelotes zich ijverig met hun broeders ingespannen om hen allen tot het punt te brengen van de oprechte aanvaarding van de Meester, niet alleen als de Messias, maar ook als de goddelijke Zoon van de levende God. De twee Simons waren het vrijwel eens in hun oordeel over Jezus, en ze werkten ijverig om hun broeders te overtuigen van de volledige aanvaarding van hun opvattingen. Terwijl Andreas ‘algemeen directeur’ van het apostolische korps bleef, werd zijn broer, Simon Petrus, steeds meer en met algemene instemming, de woordvoerder van de twaalf.
Ze zaten allemaal rond het middaguur in de tuin toen de Meester verscheen. Ze droegen een uitdrukking van waardige plechtigheid en stonden allen op toen hij hen naderde. Jezus verlichtte de spanning met die vriendelijke en broederlijke glimlach die zo kenmerkend voor hem was wanneer zijn volgelingen zichzelf, of een gebeurtenis die hen aanging, te serieus namen. Met een gebiedend gebaar gaf hij aan dat ze moesten gaan zitten. Nooit meer begroetten de twaalf hun Meester door op te staan wanneer hij in hun nabijheid kwam. Ze zagen dat hij zo’n uiterlijk blijk van respect niet goedkeurde.
Nadat ze hun maaltijd hadden gebruikt en bezig waren plannen te bespreken voor de komende tocht door de Dekapolis, keek Jezus plotseling op en zei: “Nu er een hele dag is verstreken sinds jullie hebben ingestemd met de verklaring van Simon Petrus over de identiteit van de MensenZoon, zou ik jullie willen vragen of jullie nog steeds bij jullie besluit blijven?” Toen ze dit hoorden, stonden de twaalf op, en Simon Petrus deed een paar passen naar voren, naar Jezus toe, en zei: “Ja, Meester, dat geloven we. Wij geloven dat U de Zoon van de levende God bent.” En Petrus ging met zijn broeders zitten.
Jezus, nog steeds staande, zei toen tot de twaalf: “Jullie zijn mijn uitverkoren ambassadeurs, maar ik weet dat jullie onder de gegeven omstandigheden deze overtuiging niet konden koesteren als gevolg van louter menselijke kennis. Dit is een openbaring van de spirit van mijn Vader aan jullie diepste ziel. En wanneer jullie daarom deze bekentenis afleggen door het inzicht van de Mentor-Spirit van mijn Vader die in jullie woont, word ik ertoe gebracht te verklaren dat ik op dit fundament de broederschap van het hemelse koninkrijk zal bouwen. Op deze rots van spirituele werkelijkheid zal ik de levende tempel van spirituele gemeenschap bouwen in de eeuwige werkelijkheden van het koninkrijk van mijn Vader. Alle machten van het kwaad en de legerscharen van de zonde zullen niet zegevieren over deze menselijke broederschap van de goddelijke spirit. En hoewel de spirit van mijn Vader altijd de goddelijke gids en mentor zal zijn van allen die de banden van deze spirituele gemeenschap aangaan, overhandig ik nu aan jullie en jullie opvolgers de sleutels van het buitenwaartse [ ’the outward kingdom’ ] koninkrijk – het gezag over aardse zaken – de sociale en economische aspecten van deze vereniging van mannen en vrouwen als leden van het koninkrijk.” [ kijk ook hier! , en hier] En opnieuw droeg hij hun op, voorlopig, niemand te vertellen dat hij de Zoon van God was.
Jezus begon vertrouwen te krijgen in de loyaliteit en integriteit van zijn apostelen. De Meester bedacht dat een geloof dat bestand was tegen wat zijn uitverkoren vertegenwoordigers onlangs hadden doorgemaakt, ongetwijfeld de vurige beproevingen die voor hen lagen, zou doorstaan en uit de schijnbare puinhoop van al hun hoop zou opstaan in het nieuwe licht van een nieuwe vrijstelling [ dispensation ] en daardoor in staat zou zijn eropuit te gaan om een wereld te verlichten die in duisternis zat. Op deze dag begon de Meester te geloven in het geloof van zijn apostelen, op één na.
En sinds die dag heeft diezelfde Jezus die levende tempel gebouwd op datzelfde eeuwige fundament van zijn goddelijk Zoon-schap, en zij die daardoor zelfbewuste kinderen van God worden, zijn de menselijke stenen die deze levende tempel van kind-van-God-zijn vormen, opgericht ter ere en glorie van de wijsheid en liefde van de eeuwige Vader van Spirits.
En toen Jezus dit had gezegd, gaf hij de twaalf opdracht om afzonderlijk de heuvels in te gaan om wijsheid, kracht en spirituele leiding te zoeken tot de tijd van de avondmaaltijd. En zij deden zoals de Meester hen had aangespoord.
Het nieuwe concept
Het nieuwe en essentiële kenmerk van de verklaring van Petrus, van zijn belijdenis, was de duidelijke erkenning dat Jezus de Zoon van God was, van zijn onbetwiste goddelijkheid. Sinds zijn doop en de bruiloft te Kana hadden deze apostelen hem afwisselend als de Messias beschouwd, maar het maakte geen deel uit van het Joodse concept van de nationale verlosser dat hij ‘goddelijk’ zou zijn. De Joden hadden niet geleerd dat de Messias uit het goddelijke zou voortkomen. Hij zou de ‘gezalfde’ zijn, maar ze hadden hem nauwelijks beschouwd als ‘de Zoon van God’. In deze tweede belijdenis werd meer nadruk gelegd op de ‘gecombineerde natuur’, het verheven feit dat hij de MensenZoon en de Zoon van God was, en het was op deze grote waarheid van de vereniging van de menselijke natuur met de goddelijke natuur dat Jezus verklaarde dat hij het hemelse koninkrijk zou bouwen.
Jezus had ernaar gestreefd zijn leven op aarde te leiden en zijn missie als de MensenZoon te voltooien. Zijn volgelingen waren geneigd hem te beschouwen als de verwachte Messias. Wetende dat hij nooit aan hun Messiaanse verwachtingen kon voldoen, probeerde hij hun Messiasbeeld zodanig te wijzigen dat hij gedeeltelijk aan hun verwachtingen kon voldoen. Maar hij erkende nu dat zo’n plan nauwelijks met succes kon worden uitgevoerd. Daarom koos hij er moedig voor om het derde plan te onthullen – openlijk zijn goddelijkheid te verkondigen, de waarheidsgetrouwheid van de belijdenis van Petrus te erkennen en rechtstreeks aan de twaalf te verkondigen dat hij een Zoon van God was.
Drie jaar lang had Jezus verkondigd dat hij de “MensenZoon” was, terwijl de apostelen gedurende diezelfde drie jaar steeds nadrukkelijker hadden beweerd dat hij de verwachte Joodse Messias was. Hij onthulde nu dat hij de Zoon van God was, en op basis van de gecombineerde natuur van de Zoon van Mensen EN de Zoon van God, besloot hij het hemelse koninkrijk te bouwen. Hij had besloten af te zien van verdere pogingen om hen ervan te overtuigen dat hij niet de Messias was. Hij stelde nu moedig voor om hun te onthullen wat hij IS en vervolgens hun vastberadenheid om hem als de Messias te blijven beschouwen, te negeren.
De volgende middag
Jezus en de apostelen bleven nog een dag in het huis van Celsus, wachtend op de komst van boodschappers van David Zebedeüs met geld. Na de ineenstorting van de populariteit van Jezus bij de massa, daalden de inkomsten sterk. Toen ze Caesarea-Philippi bereikten, was de schatkist leeg. Mattheus wilde Jezus en zijn broeders op zo’n moment niet verlaten en had geen eigen geld om aan Judas te overhandigen, zoals hij in het verleden zo vaak had gedaan. David Zebedeüs had echter deze waarschijnlijke inkomstendaling voorzien en had zijn boodschappers daarom geïnstrueerd dat ze, terwijl ze door Judea, Samaria en Galilea trokken, moesten optreden als inzamelaars van geld dat naar de verbannen apostelen en hun Meester moest worden doorgestuurd. En zo arriveerden deze boodschappers tegen de avond van die dag uit Bethsaida met voldoende geld om de apostelen te onderhouden tot hun terugkeer om de reis naar de Dekapolis te beginnen. Mattheus verwachtte tegen die tijd geld te hebben van de verkoop van zijn laatste bezit in Capernaum, en had ervoor gezorgd dat dit geld anoniem aan Judas zou worden overgedragen.
Noch Petrus, noch de andere apostelen hadden een zeer adequaat begrip van de goddelijkheid van Jezus. Ze beseften nauwelijks dat dit het begin was van een nieuw tijdperk in de loopbaan van hun Meester op aarde, de tijd waarin de leraar-genezer een nieuw concept Messias – de Zoon van God – werd. Vanaf dat moment klonk er een nieuwe toon in de boodschap van de Meester. Voortaan was zijn enige levensideaal de openbaring van de Vader, terwijl het enige idee in zijn onderricht was om aan zijn universum de personificatie van die allerhoogste wijsheid te presenteren die alleen kan worden begrepen door ernaar te leven. Hij kwam opdat wij allen leven zouden hebben, en wel in overvloed.
Jezus begon nu aan de vierde en laatste fase van zijn menselijke leven in een sterfelijk lichaam. De eerste fase was die van zijn kindertijd, de jaren waarin hij zich slechts vaag bewust was van zijn oorsprong, aard en bestemming als mens. De tweede fase bestond uit de steeds zelfbewustere jaren van zijn jeugd en opkomende volwassenheid, waarin hij zijn goddelijke natuur en menselijke missie steeds duidelijker begon te begrijpen. Deze tweede fase eindigde met de ervaringen en openbaringen die verband hielden met zijn doop. De derde fase van de aardse ervaring van de Meester strekte zich uit van de doop, gedurende de jaren van zijn dienstverlening als leraar en genezer, tot aan dit gedenkwaardige moment van de belijdenis van Petrus in Caesarea-Philippi. Deze derde periode van zijn aardse leven omvatte de tijden waarin zijn apostelen en zijn directe volgelingen hem kenden als de MensenZoon en hem beschouwden als de Messias. De vierde en laatste periode van zijn aardse loopbaan begon hier in Caesarea-Philippi en duurde voort tot de kruisiging. Deze fase van zijn missie werd gekenmerkt door zijn erkenning van zijn goddelijkheid en omvatte de inspanningen van zijn laatste jaar in het sterfelijk lichaam. Gedurende de vierde periode, terwijl de meerderheid van zijn volgelingen hem nog steeds als de Messias beschouwde, werd hij aan de apostelen bekend als de Zoon van God. De belijdenis van Petrus markeerde het begin van een nieuwe periode van de meer volledige realisatie van de waarheid van zijn allerhoogste missie als Zoon op aarde en voor een heel lokaal universum, en de erkenning van dat feit, althans vaag, door zijn gekozen ambassadeurs.
Aldus gaf Jezus in zijn leven blijk van wat hij in zijn religie onderwees: de groei van de spirituele natuur door de techniek van levende vooruitgang. Hij legde geen nadruk, zoals zijn latere volgelingen, op de onophoudelijke strijd tussen ziel en lichaam. Hij onderwees veeleer dat de spirit beide gemakkelijk overwint en effectief is in de vruchtbare verzoening van veel van deze intellectuele en instinctieve strijd.
Vanaf dit moment is er een nieuwe betekenis verbonden aan alle leringen van Jezus. Vóór Caesarea-Philippi presenteerde hij het evangelie van het koninkrijk als de meester-leraar ervan. Na Caesarea-Philippi trad hij niet alleen op als leraar, maar ook als goddelijke vertegenwoordiger van de eeuwige Vader, die het middelpunt en de omtrek is van dit spirituele koninkrijk. En dit alles moest hij doen als mens, als MensenZoon.
Jezus had er oprecht naar gestreefd zijn volgelingen als leraar, en vervolgens als leraar-genezer, het spirituele koninkrijk binnen te leiden, maar zij wilden dat niet. Hij wist heel goed dat zijn aardse missie onmogelijk de Messiaanse verwachtingen van het Joodse volk kon vervullen. De oude profeten hadden een Messias uitgebeeld die hij nooit kon zijn. Hij probeerde het koninkrijk van de Vader te vestigen als de MensenZoon, maar zijn volgelingen wilden niet verder met dit avontuur. Toen Jezus dit zag, koos hij ervoor zijn gelovigen halverwege tegemoet te komen en bereidde zich zo openlijk voor om de rol van de zich openbarende Zoon van God op zich te nemen.
En zo hoorden de apostelen veel nieuws toen Jezus die dag in de tuin tot hen sprak. En sommige van deze uitspraken klonken hun vreemd in de oren, zelfs voor hen. Ze luisterden onder andere naar de volgende verrassende aankondigingen:
“Als iemand vanaf nu in onze gemeenschap wil intreden, laat hij dan de verplichtingen van het kind-van-God-zijn op zich nemen en mij volgen. En wanneer ik niet meer bij jullie ben, denk dan niet dat de wereld jullie beter zal behandelen dan jullie Meester behandeld is. Als jullie van mij houden, tref dan je voorbereidingen om deze genegenheid te bewijzen door jullie bereidheid om het allerhoogste offer te brengen.”
“En onthoud mijn woorden goed: Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars. De MensenZoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te schenken als geschenk voor allen. Ik verklaar jullie dat ik gekomen ben om degenen die verloren zijn te zoeken en te redden.”
“Niemand in deze wereld ziet nu de Vader, behalve de Zoon die van de Vader is voortgekomen. Maar als de Zoon wordt opgetild [ naar de ‘hemel’ ], zal Hij alle mensen tot zich trekken, en iedereen die in deze waarheid van de gecombineerde natuur van de Zoon gelooft, zal begiftigd worden met een leven dat meer dan eeuwigdurend is.”
“We mogen nog niet openlijk verkondigen dat de MensenZoon de Zoon van God is, maar het is aan jullie geopenbaard. Daarom spreek ik vrijmoedig tot u over deze mysteries. Hoewel ik in deze lichamelijke aanwezigheid voor u sta, ben ik van God de Vader voortgekomen. Vóór Abraham er was, ben ik. Ik ben van de Vader naar deze wereld gekomen zoals jullie mij hebben gekend, en ik verklaar jullie dat ik deze wereld spoedig moet verlaten en moet terugkeren naar het werk van mijn Vader.”
“En nu, kan jullie geloof de waarheid van deze verklaringen begrijpen, nu ik je waarschuw dat de MensenZoon niet zal voldoen aan de verwachtingen van jullie vaderen, zoals zij zich de Messias voorstelden? Mijn koninkrijk is niet van deze wereld. Kun je de waarheid over mij geloven nu je weet als een feit dat, hoewel de vossen holen hebben en de vogels van de hemel nesten, ik geen plek heb om mijn hoofd neer te leggen?”
“Toch zeg ik jullie dat de Vader en ik één zijn. Wie mij gezien heeft, heeft de Vader gezien. Mijn Vader werkt met mij samen in al deze dingen, en hij zal mij nooit alleen laten in mijn missie, net zoals ik jullie nooit zal verlaten wanneer jullie binnenkort erop uitgaan om dit evangelie over de hele wereld te verkondigen.”
“En nu heb ik jullie voor een korte tijd met mij en zonder anderen meegenomen, zodat jullie de glorie kunnen begrijpen en de grootsheid kunnen bevatten van het leven waartoe ik jullie geroepen heb: het geloofsavontuur van de vestiging van mijn Vaders koninkrijk in de harten van de mensheid, het opbouwen van mijn gemeenschap van levende verbondenheid met de zielen van allen die in dit evangelie geloven.”
De apostelen luisterden zwijgend naar deze stevige en verrassende uitspraken. Ze waren verbijsterd. En ze verspreidden zich in kleine groepjes om de woorden van de Meester te bespreken en te overwegen. Ze hadden beleden dat hij de Zoon van God was, maar ze konden de volledige betekenis van wat hen was opgedragen niet vatten.
Het gesprek van Andreas
Die avond nam Andreas het op zich om een persoonlijk en diepgaand gesprek te voeren met elk van zijn broeders, en hij had nuttige en bemoedigende gesprekken met al zijn metgezellen, behalve met Judas Iscariot. Andreas had nooit zo’n intieme persoonlijke omgang met Judas gehad als met de andere apostelen en had het daarom niet als heel ernstig beschouwd dat Judas zich nooit vrij en vertrouwelijk had verbonden aan het hoofd van het apostolische korps. Maar Andreas was nu zo bezorgd over de houding van Judas dat hij later die nacht, nadat alle apostelen vast in slaap waren, Jezus opzocht en zijn reden tot bezorgdheid aan de Meester voorlegde. Jezus zei: “Het is niet verkeerd, Andreas, dat je met deze zaak naar mij toe bent gekomen, maar er is niets meer dat we kunnen doen. Blijf alleen het volste vertrouwen in deze apostel stellen. En vertel niets aan zijn broeders over dit gesprek met mij.”
En dat was alles wat Andreas uit Jezus kon krijgen. Er was altijd al een zekere vreemdheid geweest tussen deze Judeeër [Judas Iscariot] en zijn Galilese broeders. Judas was geschokt door de dood van Johannes de Doper, ernstig gekwetst door de berispingen van de Meester bij verschillende gelegenheden, teleurgesteld toen Jezus weigerde tot koning te worden benoemd, vernederd toen hij vluchtte voor de Farizeeën, geërgerd toen hij weigerde de uitdaging van de Farizeeën om een teken te aanvaarden, verbijsterd door de weigering van zijn Meester om zijn toevlucht te nemen tot machtsmanifestaties, en nu, meer recent, depressief en soms terneergeslagen door een lege geldkist. En Judas miste de stimulans van de menigte.
Elk van de andere apostelen werd, in zekere en verschillende mate, eveneens getroffen door deze beproevingen en verdrukkingen, maar ze hadden Jezus lief. In ieder geval moeten ze de Meester meer hebben liefgehad dan Judas, want ze gingen met hem door tot het bittere einde.
Omdat Judas uit Judea kwam, voelde hij zich persoonlijk beledigd door de recente waarschuwing van Jezus aan de apostelen om “op te passen voor het zuurdesem van de Farizeeën”. Hij was geneigd deze uitspraak te beschouwen als een verhulde verwijzing naar zichzelf. Maar de grote fout van Judas was: keer op keer, wanneer Jezus zijn apostelen alleen liet bidden, gaf Judas, in plaats van oprecht contact te zoeken met de spirituele krachten van het universum, zich over aan gedachten van menselijke angst, terwijl hij volhardde in het koesteren van subtiele twijfels over de missie van Jezus en tevens toegaf aan zijn ongelukkige neiging om wraakgevoelens te koesteren.
En nu zou Jezus zijn apostelen meenemen naar de berg Hermon, waar hij had besloten de vierde fase van zijn aardse bediening als de Zoon van God in te luiden. Sommigen van hen waren aanwezig bij zijn doop in de Jordaan en waren getuige geweest van het begin van zijn loopbaan als de MensenZoon. En hij verlangde dat sommigen van hen ook aanwezig zouden zijn om te horen dat hij de autoriteit had voor het aanvaarden van de nieuwe en openbare rol van een Zoon van God. Daarom zei Jezus op vrijdagochtend 12 augustus tegen de twaalf: “Sla proviand in en bereid je voor op een reis naar die berg, waar de Spirit mij heen wil sturen om voorzien te worden van wat nodig is voor de voltooiing van mijn werk op aarde. En ik wil mijn broeders meenemen, zodat ook zij gesterkt mogen worden voor de moeilijke tijd waarin zij met mij deze ervaring zullen doormaken.”
Dit hoofdstuk is een nieuwe Nederlandse vertaling gebaseerd op Paper 157 van het Urantia Boek: https://www.urantia.org
