Inleiding
Toen Jezus en de twaalf in het park van Magadan aankwamen, troffen ze daar een groep van bijna honderd evangelisten en discipelen aan, waaronder het vrouwenkorps. Ze stonden onmiddellijk klaar om te beginnen aan de leer- en predikingsreis door de steden van de Dekapolis.
Op deze donderdagochtend, 18 augustus, riep de Meester zijn volgelingen bijeen en gaf opdracht dat elk van de apostelen zich bij een van de twaalf evangelisten moest aansluiten en dat ze met andere evangelisten in twaalf groepen eropuit moesten trekken om te werken in de steden en dorpen van de Dekapolis. Het vrouwenkorps en andere discipelen gaf hij opdracht bij hem te blijven. Jezus stelde vier weken voor deze reis vast en gaf zijn volgelingen de opdracht uiterlijk vrijdag 16 september naar Magadan terug te keren. Hij beloofde hen gedurende deze tijd vaak te bezoeken. In de loop van deze maand werkten deze twaalf groepen in Gerasa, Gamala, Hippos, Zaphon, Gadara, Abila, Edrei, Philadelphia, Heshbon, Dium, Scythopolis en vele andere steden. Gedurende deze reis vonden er geen wonderen van genezing of andere buitengewone gebeurtenissen plaats.
De preek over vergeving
Op een avond in Hippos gaf Jezus, in antwoord op een vraag van een discipel, een les over vergeving. De Meester zei:
“Als een goedhartig man honderd schapen heeft en er één verdwaalt, laat hij dan niet onmiddellijk de negenennegentig achter en gaat hij op zoek naar het verdwaalde schaap? En als hij een goede herder is, zal hij dan niet doorgaan met zijn zoektocht naar het verloren schaap totdat hij het vindt? En dan, wanneer de herder zijn verloren schaap heeft gevonden, legt hij het over zijn schouder en, terwijl hij verheugd naar huis gaat, roept hij zijn vrienden en buren toe: ‘Verheug u met mij, want ik heb mijn schaap gevonden dat verdwaald was.’ Ik verklaar dat er in de hemel meer vreugde is over één zondaar die zich bekeert dan over negenennegentig rechtvaardigen die geen bekering nodig hebben. Toch is het niet de wil van mijn Vader in de hemel dat één van deze kleinen afdwaalt, laat staan dat ze verloren gaan. In jullie religie kan God berouwvolle zondaars ontvangen; in het evangelie van het koninkrijk gaat de Vader eropuit om hen te vinden, zelfs voordat ze serieus aan bekering hebben gedacht.”
“De Vader in de hemel heeft zijn kinderen lief, en daarom moeten jullie leren elkaar lief te hebben. De Vader in de hemel vergeeft jullie je zonden, en daarom moeten jullie leren elkaar te vergeven. Als je broeder tegen je zondigt, ga dan naar hem toe en wijs hem met tact en geduld op zijn fout. En doe dit alles tussen jou en hem alleen. Als hij naar je wil luisteren, dan heb je je broeder gewonnen. Maar als uw broeder niet naar u wil luisteren, als hij volhardt in de dwaling van zijn weg, ga dan opnieuw naar hem toe en neem een of twee gemeenschappelijke vrienden mee, zodat u twee of zelfs drie getuigen hebt om uw getuigenis te bevestigen en het feit vast te stellen dat u rechtvaardig en barmhartig bent omgegaan met uw overtredende broeder. Als hij nu weigert naar uw broeders te luisteren, kunt u het hele verhaal aan de gemeente vertellen, en als hij vervolgens weigert naar de hele broederschap te luisteren, laten zij dan de maatregelen nemen die zij verstandig achten. Laat zo’n onhandelbaar lid een verstotene van het koninkrijk worden. Hoewel u niet kunt doen alsof u oordeelt over de zielen van uw medemensen, en hoewel u geen zonden mag vergeven of anderszins de voorrechten van de leiders van de hemelse legioenen op u mag nemen, is het tegelijkertijd aan u toevertrouwd dat u de tijdelijke orde in het koninkrijk op aarde moet handhaven. Hoewel u zich niet mag bemoeien met de goddelijke decreten betreffende het eeuwige leven, zult u de gedragsregels bepalen met betrekking tot het tijdelijke welzijn van de broederschap op aarde. En zo zal, in al deze zaken die verband houden met de discipline van de broederschap, alles wat u op aarde besluit, in de hemel worden erkend. Hoewel u het eeuwige lot van het individu niet kunt bepalen, mag u wel wetgeving opstellen met betrekking tot het gedrag van de groep, want waar twee of drie van u het over een van deze zaken eens zijn en mij vragen, zal het voor u gebeuren als uw verzoek niet onverenigbaar is met de wil van mijn Vader in de hemel. En dit alles is altijd waar, want waar twee of drie gelovigen samenkomen, daar ben ik in hun midden.”
Simon Petrus was de apostel die verantwoordelijk was voor de arbeiders in Hippos, en toen hij Jezus aldus hoorde spreken, vroeg hij: “Heer, hoe vaak zal mijn broeder tegen mij zondigen en ik hem vergeven? Tot zevenmaal toe?” En Jezus antwoordde Petrus: “Niet slechts zevenmaal, maar zelfs tot zeventigmaal zevenmaal. Daarom kan het hemelse koninkrijk vergeleken worden met een zekere koning die een financiële afrekening met zijn rentmeesters beval. En toen ze met het onderzoek van de rekeningen begonnen, werd een van zijn voornaamste dienaren voor hem gebracht, die bekende dat hij zijn koning tienduizend talenten schuldig was. Deze ambtenaar van het hof van de koning betoogde dat er moeilijke tijden voor hem waren aangebroken en dat hij niet over de middelen beschikte om aan deze verplichting te voldoen. Daarom beval de koning dat zijn bezittingen in beslag genomen moesten worden en dat zijn kinderen verkocht moesten worden om zijn schuld te betalen. Toen deze opperhofmeester dit strenge besluit hoorde, viel hij plat voor de koning neer en smeekte hem om genade en hem meer tijd te gunnen, zeggende: ‘Heer, heb nog wat geduld met mij, en ik zal u alles betalen.’ En toen de koning deze nalatige dienaar en zijn gezin aankeek, werd hij met medelijden bewogen. Hij beval dat hij vrijgelaten moest worden en dat de lening volledig kwijtgescholden moest worden.”
“En deze opperhofmeester, die aldus genade en vergeving van de koning had ontvangen, ging verder met zijn werk en vond een van zijn ondergeschikte hofmeesters die hem slechts honderd denarii schuldig was. Hij greep hem vast, greep hem bij de keel en zei: ‘Betaal me alles wat u schuldig bent.’ En toen viel deze mede-rentmeester neer voor de opperrentmeester en smeekte hem: ‘Heb alleen geduld met mij, en ik zal u spoedig kunnen betalen.’ Maar de opperrentmeester wilde zijn mede-rentmeester geen genade tonen, maar liet hem in plaats daarvan in de gevangenis werpen totdat hij zijn schuld zou betalen. Toen zijn mede-dienaren zagen wat er gebeurd was, waren ze zo bedroefd dat ze naar hun heer en meester, de koning, gingen en het vertelden. Toen de koning hoorde van de daden van zijn opperrentmeester, riep hij deze ondankbare en onvergeeflijke man bij zich en zei: ‘U bent een slechte en onwaardige rentmeester. Toen u om mededogen vroeg, heb ik u uw hele schuld vrijelijk kwijtgescholden. Waarom hebt u ook geen genade getoond aan uw mede-rentmeester, zoals ik ook genade aan u heb getoond?’ En de koning was zo woedend dat hij zijn ondankbare opperhofmeester overleverde aan de gevangenbewaarders, zodat ze hem konden vasthouden totdat hij al het verschuldigde had betaald. En zo zal mijn hemelse Vader des te overvloediger barmhartigheid betonen aan hen die vrijgevig barmhartigheid betonen aan hun medemensen. Hoe kun je tot God komen en Hem om aandacht vragen voor je tekortkomingen, terwijl je gewend bent je broeders te bestraffen omdat ze zich schuldig maken aan dezelfde menselijke zwakheden? Ik zeg jullie allen: de goede dingen van het koninkrijk heb je gratis ontvangen; geef daarom ook gratis aan je medemensen op aarde.”
Zo onderwees Jezus de gevaren en illustreerde hij de oneerlijkheid van het persoonlijk oordelen over je medemensen. Discipline moet gehandhaafd worden, er moet recht gesproken worden, maar in al deze zaken moet de wijsheid van de broederschap prevaleren. Jezus gaf wetgevende en rechterlijke macht aan de groep, niet aan het individu. Zelfs deze toekenning van gezag aan de groep mag niet als persoonlijk gezag worden uitgeoefend. Er bestaat altijd het gevaar dat het oordeel van een individu wordt verdraaid door vooroordeel of vervormd door hartstocht. Groepsoordeel zal de gevaren eerder wegnemen en de onrechtvaardigheid van persoonlijke vooringenomenheid elimineren. Jezus streefde er altijd naar de elementen van onrechtvaardigheid, vergelding en wraak te minimaliseren.
(Het gebruik van de term zevenenzeventig als illustratie van barmhartigheid en verdraagzaamheid is afgeleid van de Schrift die verwijst naar Lamechs vreugde vanwege de metalen wapens van zijn zoon Tubal-Kaïn, die deze superieure instrumenten vergeleek met die van zijn vijanden en uitriep: “Als Kaïn, zonder wapen in zijn hand, zevenmaal gewroken werd, zal ik nu zevenenzeventig maal gewroken worden.”)
De Vreemde Prediker
Jezus ging naar Gamala om Johannes en degenen die daar met hem samenwerkten te bezoeken. Die avond, na de vragenronde, zei Johannes tegen Jezus: “Meester, gisteren ben ik naar Ashtaroth gegaan om een man te ontmoeten die in uw naam onderwees en zelfs beweerde dat hij duivels kon uitdrijven. Deze man was nog nooit bij ons geweest en volgt ons ook niet; daarom heb ik hem verboden zulke dingen te doen.” Toen zei Jezus: “Verbied hem niet. Begrijp je niet dat dit evangelie van het koninkrijk binnenkort in de hele wereld verkondigd zal worden? Hoe kun je verwachten dat allen die in het evangelie geloven, zich aan jouw leiding zullen onderwerpen? Verheug je dat onze leer zich al begint te manifesteren buiten de grenzen van onze persoonlijke invloed. Zie je niet, Johannes, dat degenen die beweren grote werken in mijn naam te doen, uiteindelijk onze zaak moeten steunen? Ze zullen zeker niet snel kwaad van mij spreken. Mijn zoon, in dit soort zaken zou het beter voor je zijn om ervan uit te gaan dat wie niet tegen ons is, vóór ons is. In de komende generaties zullen velen die niet geheel waardig zijn, veel vreemde dingen in mijn naam doen, maar ik zal ze niet verbieden. Ik zeg je dat, zelfs wanneer een beker koud water aan een dorstige ziel wordt gegeven, de boodschappers van de Vader altijd melding zullen maken van zo’n dienst van liefde.”
Deze instructie bracht Johannes in verwarring. Had hij de Meester niet horen zeggen: “Wie niet met mij is, is tegen mij”? En hij begreep niet dat Jezus in dit geval doelde op de persoonlijke relatie van de mens met de spirituele leringen van het koninkrijk, terwijl in het andere geval verwezen werd naar de uiterlijke en wijdverbreide sociale relaties van gelovigen met betrekking tot kwesties van bestuurlijke controle en de jurisdictie van de ene groep gelovigen over het werk van andere groepen die uiteindelijk de toekomstige wereldwijde broederschap zouden vormen.
Maar Johannes vertelde vaak over deze ervaring in verband met zijn latere werk ten behoeve van het koninkrijk. Niettemin namen de apostelen vaak aanstoot aan degenen die zich de vrijheid gingen aanmeten om in de naam van de Meester te onderwijzen. Het leek hun altijd ongepast dat degenen die nog nooit aan de voeten van Jezus hadden gezeten, het waagden om in zijn naam te onderwijzen.
Deze man, die Johannes verbood te onderwijzen en in de naam van Jezus te werken, sloeg geen acht op de aansporing van de apostel. Hij zette zijn inspanningen voort en bracht een aanzienlijke groep gelovigen bijeen in Kanata, voordat hij naar Mesopotamië vertrok. Deze man, Aden, was tot geloof in Jezus gekomen door de getuigenis van de demente man die Jezus bij Kheresa genas, en die er zo stellig in geloofde dat de veronderstelde ‘boze geesten’ die de Meester uit hem had gedreven, de kudde zwijnen waren binnengegaan en hen hals over kop van de klif hadden gejaagd, op weg naar hun ondergang.
Instructie voor leraren en gelovigen
In Edrei, waar Thomas en zijn metgezellen werkten, bracht Jezus een dag en een nacht door en gaf in de loop van de avondbespreking uitdrukking aan de principes die degenen die de waarheid prediken, zouden moeten leiden en die allen die het evangelie van het koninkrijk verkondigen, zouden moeten activeren. Samengevat en opnieuw geformuleerd in moderne bewoordingen, leerde Jezus:
Respecteer altijd de persoonlijkheid van de mens. Nooit mag een rechtvaardige zaak met geweld worden bevorderd. Spirituele overwinningen kunnen alleen door spirituele kracht worden behaald. Dit verbod tegen het gebruik van materiële invloeden heeft betrekking op zowel psychische als fysieke kracht. Overweldigende argumenten en mentale superioriteit mogen niet worden gebruikt om mannen en vrouwen tot het koninkrijk te dwingen. De menselijke mind mag niet worden verpletterd door het loutere gewicht van logica of overweldigd door slimme welsprekendheid. Hoewel emotie als factor in menselijke beslissingen niet volledig kan worden geëlimineerd, mag er in de leringen van hen die de zaak van het koninkrijk willen bevorderen, geen rechtstreeks beroep op worden gedaan. Doe een rechtstreeks beroep op de goddelijke Mentor-Spirit die in de mind van mensen woont. Doe geen beroep op angst, medelijden of louter sentiment. Wees eerlijk wanneer je een beroep doet op mensen; beoefen zelfbeheersing en toon gepaste terughoudendheid; toon gepast respect voor de persoonlijkheid van je leerlingen. Bedenk dat ik gezegd heb: “Zie, ik sta aan de deur en klop, en als iemand opendoet, zal ik binnenkomen.”
Verminder of vernietig bij het binnenbrengen van mensen in het koninkrijk hun zelfrespect niet. Hoewel een teveel aan zelfrespect gepaste nederigheid kan vernietigen en kan leiden tot trots, verwaandheid en arrogantie, leidt het verlies van zelfrespect vaak tot verlamming van de wil. Het doel van dit evangelie is om zelfrespect te herstellen bij hen die het verloren hebben en het te beteugelen bij hen die het nog hebben. Maak niet de fout om alleen de fouten in het leven van je leerlingen te veroordelen. Vergeet ook niet om de meest prijzenswaardige dingen in hun leven ruimhartig te erkennen. Vergeet niet dat ik er alles aan zal doen om zelfrespect te herstellen bij hen die het verloren hebben en het echt willen herwinnen.
Zorg ervoor dat je het zelfrespect van timide en angstige zielen niet kwetst. Geef je niet over aan sarcasme ten koste van mijn naïeve broeders. Wees niet cynisch tegenover mijn angstige kinderen. Luiheid is destructief voor je zelfrespect. Spoor daarom je broeders aan om altijd bezig te blijven met hun gekozen taken en doe je uiterste best om werk te vinden voor degenen die werkloos zijn.
Maak je nooit schuldig aan zulke onwaardige tactieken als het proberen mannen en vrouwen bang te maken om het koninkrijk binnen te komen. Een liefhebbende vader maakt zijn kinderen niet bang om ze gehoorzaam te laten zijn aan zijn rechtvaardige eisen.
Soms zullen de kinderen van het koninkrijk beseffen dat sterke emotionele gevoelens niet gelijk staan aan de leiding van de goddelijke spirit. Sterk en vreemd onder de indruk zijn om iets te doen of naar een bepaalde plaats te gaan, betekent niet noodzakelijkerwijs dat zulke impulsen de leiding zijn van de inwonende Mentor-Spirit.
Waarschuw alle gelovigen van tevoren voor de grens van het conflict die door allen moet worden overgestoken die overgaan van het leven zoals dat in een sterfelijk lichaam wordt geleefd naar het hogere leven zoals dat in de spirit wordt geleefd. Voor hen die volledig binnen een van beide domeinen leven, is er weinig conflict of verwarring, maar allen zijn gedoemd om meer of minder onzekerheid te ervaren tijdens de overgangsperiode tussen de twee niveaus van leven. Bij het binnengaan van het koninkrijk kun je niet ontsnappen aan de verantwoordelijkheden ervan of de verplichtingen ervan ontlopen, maar onthoud: de last van het evangelie is zacht en de last van de waarheid is licht.
De wereld is gevuld met hongerige zielen die hongeren in de aanwezigheid van het brood van leven. Mensen sterven terwijl ze zoeken naar de God die in hen leeft. Mensen zoeken naar de schatten van het koninkrijk met hunkerend hart en vermoeide voeten, terwijl ze allemaal binnen het directe bereik van levend geloof liggen. Geloof is voor religie wat zeilen zijn voor een schip; het is een toevoeging van kracht, geen extra last van leven. Er is maar één strijd voor hen die het koninkrijk binnengaan, en dat is de goede strijd van het geloof. De gelovige heeft maar één strijd, en dat is tegen twijfel en ongeloof.
Door het evangelie van het koninkrijk te prediken, onderwijs je eenvoudigweg: vriendschap met God. En deze gemeenschap zal zowel mannen als vrouwen aanspreken, omdat beiden datgene zullen vinden wat hun karakteristieke verlangens en idealen het meest bevredigt. Vertel mijn kinderen dat ik niet alleen teder ben voor hun gevoelens en geduldig met hun zwakheden, maar dat ik ook meedogenloos ben ten opzichte van zonde en intolerant voor ongerechtigheid. Ik ben inderdaad zachtmoedig en nederig in de tegenwoordigheid van mijn Vader, maar ik ben evenzeer en onophoudelijk onverbiddelijk waar er sprake is van opzettelijk kwaad-doen en zondige rebellie tegen de wil van mijn Vader in de hemel.
Je zult je leraar niet afschilderen als een man van smarten. Toekomstige generaties zullen ook de straling van onze vreugde, de opbeurende kracht van onze goede wil en de inspiratie van ons goede humeur kennen. Wij verkondigen een boodschap van goed nieuws die aanstekelijk is in haar transformerende kracht. Onze religie bruist van nieuw leven en nieuwe betekenissen. Degenen die deze leer aanvaarden, worden vervuld van vreugde en voelen zich in hun hart gedwongen zich voor altijd te verheugen. Toenemend geluk is altijd de ervaring van allen die zeker zijn van God.
Leer alle gelovigen te vermijden om te leunen op de onzekere steunpilaren van valse sympathie. Je kunt geen sterke karakters ontwikkelen door toe te geven aan zelfmedelijden. Probeer eerlijk de bedrieglijke invloed te vermijden van alleen maar een gemeenschap-in-ellende te zijn. Toon sympathie aan de dapperen en moedigen, terwijl je al te veel medelijden onthoudt aan die laffe zielen die slechts halfslachtig de beproevingen van het leven trotseren. Bied geen troost aan hen die zich zonder strijd neerleggen voor hun problemen. Heb geen sympathie voor je medemensen, alleen maar opdat zij op hun beurt met jou sympathiseren.
Wanneer mijn kinderen zich eenmaal bewust worden van de zekerheid van de goddelijke aanwezigheid, zal zo’n geloof de mind verruimen, de ziel veredelen, de persoonlijkheid versterken, het geluk vergroten, de waarneming van spirit verdiepen en het vermogen om lief te hebben en bemind te worden versterken.
Leer alle gelovigen dat zij die het koninkrijk binnengaan daardoor niet immuun worden voor de toevalligheden van de tijd of voor de gewone natuurrampen. Geloven in het evangelie zal niet voorkomen dat je in de problemen komt, maar het zal ervoor zorgen dat je niet bang zult zijn wanneer de problemen je overvallen. Als je in mij durft te geloven en mij van ganser harte volgt, zul je zeer zeker door dat te doen het zekere pad naar problemen betreden. Ik beloof je niet te verlossen van de wateren van tegenspoed, maar ik beloof wel met je door al die wateren heen te gaan.
En nog veel meer onderwees Jezus deze groep gelovigen voordat ze zich gereedmaakten voor de nachtrust. En zij die deze woorden hoorden, bewaarden ze in hun hart en reciteerden ze vaak als les aan de apostelen en discipelen die er niet bij waren toen ze werden uitgesproken.
Het gesprek met Nathanaël
Vervolgens ging Jezus naar Abila, waar Nathanaël en zijn metgezellen aan het werk waren. Nathanaël was erg geïrriteerd door sommige uitspraken van Jezus die afbreuk leken te doen aan het gezag van de erkende Hebreeuwse geschriften. En zo nam Nathanaël die nacht, na de gebruikelijke periode van vragen en antwoorden, Jezus apart van de anderen en vroeg: “Meester, kunt u erop vertrouwen dat ik de waarheid over de Schriften ken? Ik merk op dat u ons slechts een deel van de heilige geschriften onderwijst – de beste zoals ik die zie – en ik leid daaruit af dat u de leringen van de rabbijnen verwerpt, namelijk dat de woorden van de wet de woorden van God zelf zijn. En aangezien U al vóór de tijd van Abraham en Mozes bij God in de hemel was: wat is de waarheid over de Schriften?” Toen Jezus de vraag van zijn verbijsterde apostel hoorde, antwoordde hij:
“Nathanaël, je hebt terecht geoordeeld; ik beschouw de Schriften niet zoals de rabbijnen dat doen. Ik zal met je over deze kwestie spreken, op voorwaarde dat je deze dingen niet aan je broeders vertelt, die niet allen bereid zijn deze leer te aanvaarden. De woorden van de wet van Mozes en de leringen van de Schrift bestonden niet vóór Abraham. Pas in recente tijden zijn de Schriften verzameld zoals wij ze nu hebben. Hoewel ze het beste van de hogere gedachten en verlangens van het Joodse volk bevatten, bevatten ze ook veel dat verre van representatief is voor het karakter en de leringen van de Vader in de hemel. Daarom moet ik uit de betere leringen die waarheden kiezen die voor het evangelie van het koninkrijk verzameld moeten worden.
“Deze geschriften zijn het werk van mensen, sommige heilige mannen, andere minder heilig. De leringen van deze boeken weerspiegelen de visies en de mate van verlichting van de tijden waarin ze hun oorsprong vonden. Als openbaring van waarheid zijn de laatste betrouwbaarder dan de eerste. De Schrift is gebrekkig en geheel menselijk van oorsprong, maar vergis u niet, ze vormen de beste verzameling religieuze wijsheid en spirituele waarheid die op dit moment in de hele wereld te vinden is.”
“Veel van deze boeken zijn niet geschreven door de personen van wie ze de naam dragen, maar dat doet geenszins afbreuk aan de waarde van de waarheden die ze bevatten. Zelfs als het verhaal van Jonah geen feit zou zijn, zelfs als Jonah nooit had geleefd, zou de diepe waarheid van dit verhaal, de liefde van God voor Nineve en de zogenaamde heidenen, niettemin kostbaar zijn in de ogen van allen die hun medemens liefhebben. De Schrift is heilig omdat ze de gedachten en daden weergeeft van mannen die op zoek waren naar God, en die in deze geschriften hun hoogste concepten van rechtvaardigheid, waarheid en heiligheid hebben vastgelegd. De Schrift bevat veel dat waar is, heel veel, maar in het licht van je huidige onderwijs weet je dat deze geschriften ook veel bevatten dat een verkeerde voorstelling geeft van de Vader in de hemel, de liefdevolle God die ik aan alle werelden ben komen openbaren.”
“Nathanaël, sta jezelf nooit toe ook maar een moment te geloven in de Schriftverslagen die je vertellen dat de God van liefde je voorvaderen opdracht gaf ten strijde te trekken om al hun vijanden – mannen, vrouwen en kinderen – te doden. Zulke verslagen zijn de woorden van mensen, niet van zeer heilige mannen, en ze zijn niet het woord van God. De Schrift heeft altijd, en zal altijd, de intellectuele, morele en spirituele status weerspiegelen van degenen die ze hebben geschapen. Heb je niet opgemerkt dat de concepten van Jahweh in schoonheid en glorie toenemen naarmate de profeten hun verslagen maken, van Samuel tot Jesaja? En je moet onthouden dat de Schrift bedoeld is voor religieuze instructie en spirituele begeleiding. Ze zijn niet het werk van historici of filosofen.”
“Het meest betreurenswaardige is niet alleen dit onjuiste idee van de absolute perfectie van het Schriftverslag en de onfeilbaarheid van haar leringen, maar eerder de verwarrende verkeerde interpretatie van deze heilige Geschriften van de door tradities onderworpen schriftgeleerden en farizeeën in Jeruzalem. En nu zullen zij zowel de leer van de inspiratie van de Schrift als hun verkeerde interpretaties daarvan gebruiken in hun vastberaden poging om deze nieuwere leringen van het evangelie van het koninkrijk te weerstaan. Nathanaël, vergeet nooit dat de Vader de openbaring van de waarheid niet beperkt tot één generatie of één volk. Veel oprechte zoekers naar de waarheid zijn, en zullen dat blijven, verward en ontmoedigd door deze leer dat de Schrift perfect zou zijn.”
“Het echte gezag van de waarheid is de Mentor-Spirit zelf die in ons, zijn levende manifestaties woont, en niet de dode woorden van de minder verlichte en zogenaamd geïnspireerde mannen van een andere generatie. En zelfs als deze heilige mannen van weleer geïnspireerde en door de spirit vervulde levens leidden, betekent dat niet dat hun woorden op dezelfde manier spiritueel geïnspireerd waren. Vandaag de dag maken we geen verslag van de leringen van dit evangelie van het koninkrijk, opdat jullie, wanneer ik heengegaan ben, niet snel verdeeld raken in diverse groepen van waarheidsstrijders als gevolg van de diversiteit in jullie interpretatie van mijn leringen. Voor deze generatie is het het beste dat we deze waarheden naleven en het maken van verslagen vermijden.” [kennelijk werd dat anders bezien op het moment dat werd toegestaan dit verslag wel te geven en te presenteren; daaruit volgt onmiddellijk de opdracht om nu niet over dit verslag in een soort van verdeeldheid over allerlei interpretaties te raken]
“Let goed op mijn woorden, Nathanaël, niets wat de menselijke natuur heeft aangeraakt, kan als onfeilbaar worden beschouwd. Door de menselijk mind kan goddelijke waarheid inderdaad schijnen, maar altijd van relatieve zuiverheid en gedeeltelijke goddelijkheid. Het schepsel mag dan naar onfeilbaarheid verlangen, maar alleen de Scheppers bezitten die.”
“Maar de grootste dwaling in de leer over de Schrift is de leer dat het verzegelde boeken vol mysterie en wijsheid zijn die alleen de wijze mannen van de natie durven te interpreteren. De openbaringen van de goddelijke waarheid zijn niet verzegeld, behalve door menselijke onwetendheid, onverdraagzaamheid en bekrompen intolerantie. Het licht van de Schrift wordt slechts gedempt door vooroordelen en verduisterd door bijgeloof. Een valse angst voor heiligheid heeft verhinderd dat religie door gezond verstand werd beschermd. De angst voor het gezag van de heilige geschriften uit het verleden verhindert de oprechte zielen van vandaag effectief het nieuwe licht van het evangelie te aanvaarden, het licht waar deze godsbewuste mannen van een andere generatie zo intens naar verlangden.”
“Maar het meest trieste is dat sommige leraren van de heiligheid van dit traditionalisme deze waarheid wel kennen. Ze begrijpen deze beperkingen van de Schrift min of meer volledig, maar ze zijn morele lafaards, intellectueel oneerlijk. Ze kennen de waarheid over de heilige geschriften, maar ze verkiezen dergelijke verontrustende feiten voor de mensen te verbergen. En zo verdraaien en verstoren ze de Schrift, maken ze er een gids van slaafse details van het dagelijks leven van en een autoriteit in niet-spirituele zaken, in plaats van zich te beroepen op de heilige geschriften als de bewaarplaats van de morele wijsheid, religieuze inspiratie en de spirituele leer van de God-kennende mensen van andere generaties.”
Nathanaël was verlicht en geschokt door deze uitspraken van de Meester. Hij dacht lang diep in zijn ziel over deze toespraak na, maar hij vertelde niemand over deze bijeenkomst tot na de hemelvaart van Jezus. En zelfs toen nog was hij bang om het volledige verhaal van de instructies van de Meester te vertellen.
De positieve aard van de religie van Jezus
In Philadelphia, waar Jacobus werkte, onderwees Jezus de discipelen over de positieve aard van het evangelie van het koninkrijk. Toen hij tijdens zijn toespraak te kennen gaf dat sommige delen van de Schrift meer waarheid bevatten dan andere en hij zijn toehoorders aanspoorde hun ziel te voeden met het beste spirituele voedsel, onderbrak Jacobus de Meester en vroeg: “Zou u zo goed willen zijn, Meester, om ons te adviseren hoe we de beste passages uit de Schrift kunnen kiezen voor onze persoonlijke groei?”
En Jezus antwoordde: “Ja, Jacobus, zoek bij het lezen van de Schrift naar die eeuwig ware en goddelijk mooie leringen, zoals:
“Schep in mij een rein hart, o Heer.”
“De Heer is mijn herder; mij zal niets ontbreken.”
“Je moet je naaste liefhebben als jezelf.”
“Want Ik, de Heer, uw God, zal uw rechterhand vasthouden en zeggen: Wees niet bang; Ik zal u helpen.”
“Ook zullen de volken de oorlog niet meer leren.”
En dit is illustratief voor de manier waarop Jezus, dag in dag uit, zich de kern van de Hebreeuwse geschriften toe-eigende om zijn volgelingen te onderwijzen en daarmee deze leringen toevoegde aan het nieuwe evangelie van het koninkrijk. Andere religies hadden de gedachte geopperd van de nabijheid van God tot de mens, maar Jezus maakte de zorg van God voor de mens als de zorg van een liefhebbende vader voor het welzijn van zijn afhankelijke kinderen en maakte deze leer vervolgens tot de hoeksteen van zijn religie. En zo maakte de leer van het vaderschap van God de beoefening van de broederschap onder de mensen noodzakelijk. De aanbidding van God en de dienstverlening aan de medemens werden de kern en de essentie van zijn religie. Jezus nam het beste van de Joodse religie en vertaalde het binnen de waardige context van de nieuwe leringen van het evangelie van het koninkrijk.
Jezus legde de spirit van positieve actie in de passieve doctrines van de Joodse religie. In plaats van negatieve naleving van ceremoniële vereisten, beval Jezus het positieve doen van wat zijn nieuwe religie vereiste van degenen die haar aanvaardden. De religie van Jezus bestond niet alleen uit geloven, maar ook uit het daadwerkelijk doen van de dingen die het evangelie vereiste. Hij leerde niet dat de essentie van zijn religie bestond uit maatschappelijke dienstverlening, maar eerder dat maatschappelijke dienstverlening een van de zekere effecten was van het bezitten van de spirit van ware religie.
Jezus aarzelde niet om zich de betere helft van een Schriftgedeelte toe te eigenen, terwijl hij het mindere deel verwierp. Zijn grote aansporing, “Heb uw naaste lief als uzelf”, ontleende hij aan de Schrift die luidt: “Gij zult geen wraak nemen op de kinderen van uw volk, maar gij zult uw naaste liefhebben als uzelf.” Jezus eigende zich het positieve deel van dit Schriftgedeelte toe, terwijl hij het negatieve verwierp deel. Hij verzette zich zelfs tegen negatieve of puur passieve geweldloosheid. Hij zei: “Wanneer een vijand je op de ene wang slaat, blijf dan niet stil en passief staan, maar keer hem met een positieve houding de andere toe. Dat wil zeggen, doe actief je best om je broeder die op het verkeerde pad is, weg te leiden van de slechte paden naar de betere wegen van een rechtvaardig leven.” Jezus verlangde van zijn volgelingen dat ze positief en ondernemend reageerden op elke levenssituatie. Het toekeren van de andere wang, of welke daad die ook mag symboliseren, vereist initiatief en vereist een krachtige, actieve en moedige uiting van de persoonlijkheid van de gelovige.
Als mensen opzettelijk proberen vernederingen op te leggen aan de beoefenaars van het niet-verzetten tegen het kwaad, dan pleitte Jezus niet voor een negatieve of passieve onderwerping. Maar eerder bepleitte hij dat zijn volgelingen wijs en alert moesten zijn in een snelle en positieve reactie van goed op kwaad, zodat zij het kwaad effectief met het goede konden overwinnen. Vergeet niet dat het waarlijk goede altijd krachtiger is dan het meest kwaadaardige kwaad. De Meester onderwees een positieve norm van rechtvaardigheid: “Wie mijn discipel wil zijn, laat hij zichzelf nederig maken en dagelijks zijn verantwoordelijkheden volledig op zich nemen, om mij te volgen.” En hij leefde zelf zo dat “hij rondging, goed doende.” En dit aspect van het evangelie werd goed geïllustreerd door de vele parabels die hij later tot zijn volgelingen sprak. Hij spoorde zijn volgelingen nooit aan om geduldig hun verplichtingen te dragen, maar eerder om met energie en enthousiasme te leven naar de volle dosis van hun menselijke verantwoordelijkheden en goddelijke voorrechten in het koninkrijk van God.
Toen Jezus zijn apostelen instrueerde dat ze, wanneer iemand onterecht iemands jas afnam, je dan de andere jas moest aanbieden, verwees hij niet zozeer naar een letterlijke tweede jas, maar naar het idee om iets positiefs te doen om de overtreder te redden, in plaats van het oude advies om te vergelden – “oog om oog”, enzovoort. Jezus verafschuwde het idee van vergelding of van slechts een passief lijdend voorwerp of slachtoffer van onrecht te worden. Bij deze gelegenheid leerde hij hun de drie manieren om het kwaad te bestrijden en te weerstaan:
- Kwaad met kwaad vergelden – de positieve maar onrechtvaardige methode.
- Kwaad ondergaan zonder klagen en zonder verzet – de puur negatieve methode.
- Kwaad met goed vergelden, je wil actief laten gelden om meester te worden van de situatie, het kwaad met goed overwinnen – de positieve en rechtvaardige methode.
Een van de apostelen vroeg eens: “Meester, wat moet ik doen als een vreemdeling mij dwingt zijn rugzak een mijl te dragen?” Jezus antwoordde: “Ga niet zitten en zuchten om verlichting terwijl je de vreemdeling binnensmonds berispt. Rechtvaardigheid komt niet voort uit zulke passieve houdingen. Als je niets effectiever positiefs kunt bedenken om te doen, kun je de rugzak tenminste een tweede mijl dragen. Dat zal de onrechtvaardige en goddeloze vreemdeling zeker uitdagen.”
De Joden hadden gehoord van een God die berouwvolle zondaars zou vergeven en zou proberen hun misdaden te vergeten, maar pas toen Jezus kwam, hoorden de mensen over een God die op zoek ging naar verloren schapen, die het initiatief nam om zondaars te zoeken en die zich verheugde wanneer hij hen bereid vond terug te keren naar het huis van de Vader. Deze positieve noot in de religie voerde Jezus zelfs door in zijn gebeden. En hij zette de negatieve gouden regel om in een krachtige positieve aansporing tot menselijke rechtvaardigheid.
In al zijn onderricht vermeed Jezus altijd afleidende details. Hij schuwde bloemrijke taal en vermeed de louter poëtische beeldspraak van een woordspeling. Hij legde gewoonlijk grote betekenissen in kleine uitdrukkingen. Ter illustratie draaide Jezus de gangbare betekenissen van veel termen om, zoals zout, zuurdesem, vissen en kleine kinderen. Hij maakte het meest effectief gebruik van de antithese [tegenstelling] door het kleine met het oneindige te vergelijken, enzovoort. Zijn afbeeldingen waren treffend, zoals “De blinde die de blinde leidt”. Maar de grootste kracht van zijn illustratieve onderwijs was de natuurlijkheid ervan. Jezus bracht de filosofie van de religie vanuit de hemel naar de aarde. Hij beschreef de elementaire behoeften van de ziel met een nieuw inzicht en een nieuwe schenking van genegenheid.
De terugkeer naar Magadan
De vier weken durende missie in de Dekapolis was matig succesvol. Honderden zielen werden in het koninkrijk opgenomen en de apostelen en evangelisten deden waardevolle ervaring op door hun werk voort te zetten zonder de inspiratie van de onmiddellijke persoonlijke aanwezigheid van Jezus.
Op vrijdag 16 september kwam het hele korps werkers, zoals afgesproken, bijeen in het park van Magadan. Op de sabbath werd een vergadering van meer dan honderd gelovigen gehouden, waarin de toekomstige plannen voor de uitbreiding van het werk van het koninkrijk grondig werden besproken. De boodschappers van David waren aanwezig en brachten verslag uit over het welzijn van de gelovigen in Judea, Samaria, Galilea en de aangrenzende gebieden.
Weinig volgelingen van Jezus beseften in die tijd ten volle de grote waarde van de diensten van het boodschapperskorps. Niet alleen hielden de boodschappers de gelovigen in heel Palestina in contact met elkaar en met Jezus en de apostelen, maar in deze donkere dagen dienden ze ook als inzamelaars van fondsen, niet alleen voor het levensonderhoud van Jezus en zijn metgezellen, maar ook voor de ondersteuning van de families van de twaalf apostelen en de twaalf evangelisten.
Rond deze tijd verplaatste Abner zijn uitvalsbasis van Hebron naar Bethlehem, en deze laatste plaats was tevens het hoofdkwartier in Judea voor Davids boodschappers. David onderhield een nachtelijke estafettedienst tussen Jeruzalem en Bethsaida. Deze boodschappers vertrokken elke avond vanuit Jeruzalem, wisselden af in Sichar en Scythopolis en arriveerden de volgende ochtend rond ontbijttijd in Bethsaida.
Jezus en zijn metgezellen maakten zich nu op om een week rust te nemen voordat ze zich gereedmaakten om te beginnen aan de laatste fase van hun arbeid ten behoeve van het koninkrijk. Dit was hun laatste rust, want de missie in Perea ontwikkelde zich tot een campagne van prediking en onderricht die doorliep tot aan hun aankomst in Jeruzalem en de vertolking van de laatste episodes van de aardse loopbaan van Jezus.
Dit hoofdstuk is een nieuwe Nederlandse vertaling gebaseerd op Paper 159 van het Urantia Boek: https://www.urantia.org

