Inleiding

Gedurende deze periode van de missie in Perea, wanneer er melding wordt gemaakt van Jezus en de apostelen die de verschillende plaatsen bezochten waar de zeventig aan het werk waren, moet eraan herinnerd worden dat er in de regel slechts tien bij hem waren, aangezien het gebruikelijk was om ten minste twee van de apostelen in Pella achter te laten om de menigte te onderwijzen. Terwijl Jezus zich voorbereidde om naar Philadelphia te gaan, keerden Simon Petrus en zijn broer Andreas terug naar het kampement in Pella om de daar verzamelde menigte te onderwijzen. Als de Meester het kampement in Pella verliet om Perea te bezoeken, was het niet ongebruikelijk dat drie- tot vijfhonderd kampeerders hem volgden. Toen hij in Philadelphia aankwam, werd hij vergezeld door meer dan zeshonderd volgelingen.

Er waren geen wonderen gebeurd tijdens de recente predikingstocht door de Dekapolis, en, afgezien van de reiniging van de tien melaatsen, waren er tot nu toe geen wonderen gebeurd tijdens deze missie in Perea. Dit was een periode waarin het evangelie met kracht werd verkondigd, zonder wonderen, en meestal zonder de persoonlijke aanwezigheid van Jezus of zelfs van zijn apostelen.

Jezus en de tien apostelen arriveerden op woensdag 22 februari in Philadelphia en brachten de donderdag en vrijdag rustend door van hun recente reizen en werkzaamheden. Die vrijdagavond sprak Jakobus in de synagoge, en de volgende avond werd een algemene raad bijeengeroepen. Ze waren zeer verheugd over de voortgang van het evangelie in Philadelphia en de omliggende dorpen. De boodschappers van David brachten ook bericht over de verdere vooruitgang van het koninkrijk in heel Palestina, evenals goed nieuws uit Alexandrië en Damascus.

Ontbijt met de Farizeeën

Er woonde in Philadelphia een zeer rijke en invloedrijke Farizeeër die de leringen van Abner had aanvaard en die Jezus op sabbathmorgen bij hem thuis uitnodigde voor het ontbijt. Het was bekend dat Jezus op dat moment in Philadelphia werd verwacht; daarom was een groot aantal bezoekers, onder wie veel Farizeeën, uit Jeruzalem en elders gekomen. Dienovereenkomstig werden ongeveer veertig van deze vooraanstaande mannen en enkele wetgeleerden uitgenodigd voor dit ontbijt, dat ter ere van de Meester was georganiseerd.

Terwijl Jezus bij de deur bleef staan en met Abner sprak, en nadat de gastheer was gaan zitten, kwam er een van de vooraanstaande Farizeeën van Jeruzalem, een lid van het Sanhedrin, de kamer binnen en zoals gebruikelijk begaf hij zich rechtstreeks naar de ereplaats links van de gastheer. Maar aangezien deze plaats gereserveerd was voor de Meester en die rechts voor Abner, wenkte de gastheer de Farizeeër uit Jeruzalem om vier plaatsen links van hem te gaan zitten, en deze hoogwaardigheidsbekleder was zeer beledigd omdat hij de ereplaats niet kreeg.

Al snel zaten ze allemaal en genoten van het gesprek onder elkaar, aangezien de meesten van de aanwezigen discipelen van Jezus waren of anderszins welwillend tegenover het evangelie stonden. Alleen zijn vijanden merkten op dat hij de ceremoniële handwassing niet in acht nam voordat hij ging zitten om te eten. Abner waste zijn handen aan het begin van de maaltijd, maar niet tijdens het opdienen.

Tegen het einde van de maaltijd kwam er een man van de straat binnen die al lang aan een chronische ziekte leed en nu veel water vasthield in het lichaam (oedeem). Deze man was een gelovige en was onlangs door Abners metgezellen gedoopt. Hij verzocht Jezus niet om genezing, maar de Meester wist heel goed dat deze zieke man naar dit ontbijt was gekomen in de hoop zo de menigte die zich om Jezus heen verdrong te ontlopen en zo meer kans te maken zijn aandacht te trekken. Deze man wist dat er toen weinig wonderen werden verricht; hij had echter in zijn hart beredeneerd dat zijn ellendige toestand mogelijk een beroep zou kunnen doen op het mededogen van de Meester. En hij vergiste zich niet, want toen hij de kamer binnenkwam, merkten zowel Jezus als de zelfingenomen Farizeeër uit Jeruzalem hem op. De Farizeeër aarzelde niet om zijn verontwaardiging te uiten dat zo iemand de kamer mocht binnenkomen. Maar Jezus keek de zieke man aan en glimlachte zo welwillend dat hij dichterbij kwam en op de grond ging zitten. Toen de maaltijd ten einde liep, bekeek de Meester zijn medegasten en zei toen, na een veelbetekenende blik op de zieke man: “Vrienden, leraren in Israël en geleerde wetgeleerden, ik wil u een vraag stellen: is het geoorloofd om zieken en gekwelden op sabbath te genezen of niet?” Maar de aanwezigen kenden Jezus maar al te goed; ze zwegen; ze beantwoordden zijn vraag niet.

Toen ging Jezus naar de zieke man, nam hem bij de hand en zei: “Sta op en ga heen. Je hebt niet om genezing gevraagd, maar ik ken het verlangen van je hart en het geloof van je ziel.” Voordat de man de kamer verliet, keerde Jezus terug naar zijn plaats en sprak de tafelgenoten toe: “Zulke werken doet mijn Vader niet om jullie tot het koninkrijk te verleiden, maar om Zichzelf te openbaren aan hen die er al zijn. Jullie kunnen begrijpen dat het precies zulke dingen zijn die de Vader doet, want wie van jullie, die een geliefd dier had dat op sabbath in de put was gevallen, zou niet meteen naar buiten gaan en het eruit halen? Omdat niemand hem wilde antwoorden en zijn gastheer duidelijk instemde met wat er gebeurde, stond Jezus op en sprak tot alle aanwezigen:

“Broeders en zusters, wanneer u uitgenodigd wordt voor een bruiloftsfeest, ga dan niet op de ereplaats zitten. Anders is er misschien iemand uitgenodigd die hoger in aanzien staat dan u, en de gastheer zal naar u toe moeten komen en u vragen uw plaats af te staan aan deze andere, geëerde gast. In dat geval zult u met schaamte een lagere plaats aan tafel moeten innemen. Wanneer u uitgenodigd wordt voor een feestmaal, zou het wijs zijn om, wanneer u aan de feesttafel aankomt, de laagste plaats te zoeken en daar plaats te nemen, zodat de gastheer, wanneer hij de gasten overziet, tegen u kan zeggen: ‘Mijn vriend, waarom zit u op de plaats van de minste? Kom hogerop’. En zo zal zo iemand juist glorie en aanzien hebben in de aanwezigheid van zijn medegasten. Vergeet niet dat iedereen die zichzelf verheft, vernederd zal worden, terwijl hij die zichzelf waarlijk vernedert, verhoogd zal worden. Wanneer u daarom gasten uitnodigt voor een diner of een avondmaal, nodig dan niet altijd uw vrienden, broers, familieleden of rijke buren uit, zodat zij u op hun beurt kunnen uitnodigen voor hun feesten, en u zo beloond zult worden. Maar wanneer u een feestmaal geeft, nodig dan soms de armen, de verminkten en de blinden uit. Op deze manier zult u in uw hart gezegend zijn, want u weet heel goed dat de kreupelen en de manken u niet kunnen terugbetalen voor uw liefdevolle dienst.”

Parabel van het Grote Avondmaal

Toen Jezus zijn toespraak aan de ontbijttafel van de Farizeeër had beëindigd, zei een van de aanwezige wetgeleerden, die de stilte wilde doorbreken, gedachteloos: “Gezegend is hij die brood zal eten in het Koninkrijk van God” – dat was een bekend gezegde in die tijd. En toen vertelde Jezus een parabel, die zelfs zijn vriendelijke gastheer ter harte moest nemen. Hij zei:

“Een zekere leider gaf een groot avondmaal en nadat hij veel gasten had uitgenodigd, zond hij zijn dienaren uit tegen de tijd van het avondeten om tegen de genodigden te zeggen: ‘Komt, want alles is nu gereed.’ En zij begonnen allen eensgezind excuses te maken. De eerste zei: ‘Ik heb net een boerderij gekocht en ik moet er echt heen om het te controleren; ik verzoek u mij te verontschuldigen.’ Een ander zei: ‘Ik heb vijf span ossen gekocht en ik moet ze in ontvangst nemen; ik verzoek u mij te verontschuldigen.’ En een ander zei: ‘Ik ben net getrouwd en daarom kan ik niet komen.’ Dus gingen de dienaren terug en vertelden dit aan hun heer. Toen de heer des huizes dit hoorde, werd hij woedend en keerde zich tot zijn dienaren en zei: ‘Ik heb dit bruiloftsfeest klaargemaakt; het vetgemeste vee is geslacht en alles staat klaar voor mijn gasten, maar ze hebben mijn uitnodiging afgewezen; ze zijn allemaal achter hun land en hun koopwaar aangegaan en ze tonen zelfs minachting voor mijn dienaren die hen uitnodigen om naar mijn feest te komen. Ga daarom snel de straten en steegjes van de stad in, de hoofdwegen en de landwegen op, en breng de armen en de verstotenen, de blinden en de kreupelen hierheen, zodat de bruiloftsmaaltijd gasten kan hebben.’ En de dienaren deden wat hun heer had bevolen, en zelfs toen was er nog plaats voor meer gasten. Toen zei de heer tegen zijn dienaren: ‘Ga nu de wegen en het land op en dwing degenen die daar zijn om binnen te komen, zodat mijn huis vol raakt. Ik verklaar dat niemand van degenen die als eerste zijn uitgenodigd, van mijn avondmaal mag proeven.’ En de dienaren deden zoals hun heer geboden had, en het huis werd vol.”

En toen zij deze woorden hoorden, vertrokken zij; ieder ging naar zijn eigen plaats. Ten minste één van de spottende Farizeeën die die ochtend aanwezig waren, begreep de betekenis van deze parabel, want hij werd die dag gedoopt en deed openlijk belijdenis van zijn geloof in het evangelie van het koninkrijk. Abner preekte die avond over deze parabel tijdens de algemene vergadering van gelovigen.

De volgende dag hielden alle apostelen zich bezig met de filosofische oefening om de betekenis van deze parabel van het grote avondmaal te interpreteren. Hoewel Jezus met belangstelling luisterde naar al deze verschillende interpretaties, weigerde hij standvastig hen verdere hulp te bieden bij het begrijpen van de parabel. Hij wilde alleen zeggen: “Laat ieder de betekenis voor zichzelf en in zijn eigen ziel ontdekken.”

De vrouw met de mentale zwakheid

Abner had ervoor gezorgd dat de Meester op deze sabbathdag in de synagoge zou onderwijzen. Dit was de eerste keer dat Jezus in een synagoge verscheen sinds ze op last van het Sanhedrin allemaal voor zijn onderricht gesloten waren. Aan het einde van de dienst keek Jezus neer op een oudere vrouw met een neerslachtige uitdrukking en een gebogen gestalte. Deze vrouw was al lange tijd door angst gekweld en alle vreugde was uit haar leven verdwenen. Toen Jezus van de preekstoel afkwam, liep hij naar haar toe, raakte haar gebogen lichaam op de schouder aan en zei: “Vrouw, als u maar wilde geloven, zou u volledig van uw mentale zwakheid verlost kunnen worden.” En deze vrouw, die al meer dan achttien jaar door de depressies van angst was gekweld en gebonden, geloofde de woorden van de Meester en richtte zich door geloof onmiddellijk op. Toen deze vrouw zag dat ze weer recht was, verhief ze haar stem en verheerlijkte God.

Hoewel de aandoening van deze vrouw volledig mentaal was, en haar gebogen houding het gevolg was van haar depressieve mind, dachten de mensen dat Jezus een echte lichamelijke aandoening had genezen. Hoewel de gemeente van de synagoge in Philadelphia welwillend stond tegenover de leer van Jezus, was de overste van de synagoge een onvriendelijke Farizeeër. En omdat hij de mening van de gemeente deelde dat Jezus een lichamelijke aandoening had genezen, en verontwaardigd was omdat Jezus het had aangedurfd zoiets op de sabbath te doen, stond hij op voor de gemeente en zei: “Zijn er niet zes dagen waarop men al zijn werk moet doen? Kom daarom op deze werkdagen en laat u genezen, maar niet op de sabbath.”

Toen de onvriendelijke leider aldus had gesproken, keerde Jezus terug naar het spreekgestoelte en zei: “Waarom spelen jullie de rol van huichelaars? Maakt niet ieder van jullie op de sabbath zijn os los uit de stal en leidt hem naar buiten om te drinken? Als zo’n dienst op de sabbathdag is toegestaan, zou deze vrouw, een dochter van Abraham die al achttien jaar door het kwaad gebonden is, dan niet uit deze slavernij bevrijd moeten worden en naar buiten geleid moeten worden om te delen in de wateren van vrijheid en leven, zelfs op deze sabbath?” En terwijl de vrouw God bleef verheerlijken, werd zijn criticus beschaamd, en de gemeente verheugde zich met haar dat ze genezen was.

Als gevolg van zijn openbare kritiek op Jezus op deze sabbath werd de overste van de synagoge afgezet en werd een volgeling van Jezus in zijn plaats aangesteld.

Jezus verloste zulke slachtoffers van angst vaak van hun zwakheid, van hun neerslachtigheid en van hun slavernij aan angst. Maar de mensen dachten dat al dergelijke aandoeningen ofwel fysieke aandoeningen waren ofwel bezetenheid door ‘boze geesten’.

Jezus gaf op zondag opnieuw onderricht in de synagoge, en velen werden die dag om twaalf uur ’s middags door Abner gedoopt in de rivier die ten zuiden van de stad stroomde. De volgende dag zouden Jezus en de tien apostelen terug zijn gegaan naar het kamp van Pella, ware het niet dat een van Davids boodschappers arriveerde, die een dringende boodschap van zijn vrienden in Bethanië, vlakbij Jeruzalem, aan Jezus overbracht.

De boodschap uit Bethanië

Heel laat op zondagavond 26 februari arriveerde een koerier uit Bethanië in Philadelphia met een boodschap van Martha en Maria, die luidde: “Heer, hij die Gij liefhebt, is ernstig ziek.” Deze boodschap bereikte Jezus aan het einde van de avondconferentie en net toen hij afscheid nam van de apostelen voor de nacht. Aanvankelijk antwoordde Jezus niet. Er vond een van die vreemde intermezzo’s plaats, een moment waarop hij in contact leek te staan met iets buiten, en voorbij, hemzelf. En toen keek hij op en sprak de boodschapper aan, terwijl de apostelen hem hoorden: “Deze ziekte is werkelijk niet ten dode. Twijfel er niet aan dat ze gebruikt mag worden om God te verheerlijken en de Zoon te verheerlijken.”

Jezus was erg gesteld op Martha, Maria en hun broer Lazarus. Hij hield van hen met een vurige genegenheid. Zijn eerste en menselijke gedachte was om hen onmiddellijk te hulp te schieten, maar er kwam een andere gedachte in zijn samengestelde mind [menselijk EN goddelijk] op. Hij had bijna de hoop opgegeven dat de Joodse leiders in Jeruzalem ooit het koninkrijk zouden aanvaarden, maar hij hield nog steeds van zijn volk, en nu schoot hem een plan te binnen waardoor de schriftgeleerden en Farizeeën van Jeruzalem nog een kans zouden krijgen om zijn leringen te aanvaarden. En hij besloot, met de wil van zijn Vader, om deze laatste oproep aan Jeruzalem tot het meest diepgaande en verbazingwekkende uiterlijk waarneembare werk van zijn hele aardse loopbaan te maken. De Joden klampten zich vast aan het idee van een wonderdoende verlosser. En hoewel hij weigerde zich te verlagen tot het verrichten van materiële wonderen of tot het uitvoeren van tijdelijke uitingen van politieke macht, vroeg hij nu de toestemming van de Vader voor de manifestatie van zijn tot dan toe nog nooit vertoonde macht over leven en dood.

De Joden hadden de gewoonte hun doden te begraven op de dag van hun overlijden. Dit was een noodzakelijke praktijk in zo’n warm klimaat. Het gebeurde vaak dat ze iemand die slechts in coma lag, in het graf legden, zodat zo iemand op de tweede of zelfs de derde dag uit het graf tevoorschijn kwam. Maar de Joden geloofden dat, hoewel de spirit of ziel twee of drie dagen bij het lichaam kon blijven, deze nooit langer dan de derde dag bleef; dat het ontbindingsproces al ver gevorderd was op de vierde dag, en dat niemand na verloop van een dergelijke tijd ooit uit het graf terugkeerde. En het was om deze redenen dat Jezus nog twee volle dagen in Philadelphia bleef voordat hij zich gereedmaakte om naar Bethanië te vertrekken.

Daarom zei hij woensdagochtend vroeg tegen zijn apostelen: “Laten we ons onmiddellijk gereedmaken om weer naar Judea te gaan.” Toen de apostelen hun Meester dit hoorden zeggen, trokken ze zich een tijdje terug om met elkaar te overleggen. Jacobus nam de leiding van de vergadering op zich en ze waren het er allemaal over eens dat het dwaasheid was om Jezus opnieuw naar Judea te laten gaan. Ze kwamen als één man terug en vertelden hem dat. Jacobus zei: “Meester, u was een paar weken geleden in Jeruzalem, en de leiders zochten uw dood, terwijl de mensen van plan waren u te stenigen. Toen hebt u deze mannen de kans gegeven de waarheid te leren kennen, en wij zullen u niet toestaan opnieuw naar Judea te gaan.”

Toen zei Jezus: “Maar begrijpt u dan niet dat er twaalf uren per dag zijn waarin veilig gewerkt kan worden? Als iemand overdag wandelt, struikelt hij niet, omdat hij licht heeft. Als iemand ’s nachts wandelt, struikelt hij, omdat hij geen licht heeft. Zolang mijn dag duurt, vrees ik niet om Judea binnen te gaan. Ik zou nog één machtig werk voor deze Joden willen doen. Ik zou hun nog één kans willen geven om te geloven, zelfs op hun eigen voorwaarden – voorwaarden van uiterlijke glorie en de zichtbare manifestatie van de kracht van de Vader en de liefde van de Zoon. Beseft u bovendien niet dat onze vriend Lazarus is ingeslapen, en ik zou hem uit zijn slaap willen wekken!”

Toen zei een van de apostelen: “Meester, als Lazarus is ingeslapen, zal hij des te zekerder herstellen.” Het was namelijk de gewoonte van de Joden in die tijd om over de dood te spreken als een vorm van slaap, maar omdat de apostelen niet begrepen dat Jezus bedoelde dat Lazarus deze wereld had verlaten, zei hij nu ronduit: “Lazarus is gestorven. En ik verheug mij omwille van jullie, ook al worden de anderen er niet door gered, dat ik er niet was, met de bedoeling dat u nu een nieuwe reden zult hebben om in mij te geloven. En door datgene waarvan jullie nu getuigen zullen zijn, zullen jullie allen gesterkt worden als voorbereiding op de dag dat ik afscheid van jullie neem en naar de Vader ga.”

Toen ze hem er niet van konden overtuigen om niet naar Judea te gaan, en toen sommige apostelen zelfs niet met hem mee wilden gaan, richtte Thomas zich tot zijn medebroeders en zei: “We hebben de Meester verteld dat we bang zijn, maar hij is vastbesloten om naar Bethanië te gaan. Ik ben ervan overtuigd dat dit het einde betekent; ze zullen hem zeker doden, maar als dat de keuze van de Meester is, laten we ons dan gedragen als moedige mannen; laten we ook gaan om met hem te sterven.” En zo ging het altijd; in zaken die weloverwogen en volgehouden moed vereisten, was Thomas altijd de steunpilaar van de twaalf apostelen.

Op weg naar Bethanië

Op weg naar Judea werd Jezus gevolgd door een gezelschap van bijna vijftig van zijn vrienden en vijanden. Op woensdagmiddag sprak hij met zijn apostelen en deze groep volgelingen over de “Voorwaarden voor de verlossing”. Aan het eind van de les vertelde hij de parabel van de Farizeeër en de tollenaar (een belastinginner). Jezus zei: “Jullie zien dus dat de Vader de redding schenkt aan de mensenkinderen, en deze redding is een vrije gift aan allen die het geloof hebben om kind-van-God-zijn in de goddelijke familie te ontvangen. Er is niets wat de mens kan doen om deze redding te verdienen. Werken van zelfingenomenheid [ met of gekenmerkt door de zekerheid, vooral een ongefundeerde zekerheid, dat men volkomen gelijk heeft of moreel superieur is ] kunnen de gunst van God niet kopen, en veel bidden in het openbaar zal het gebrek aan levend geloof in het hart niet goedmaken. Jullie kunnen mensen misleiden door jullie uiterlijke diensten, maar God kijkt in jullie ziel. Wat ik jullie vertel, wordt goed geïllustreerd door twee mannen die de tempel binnengingen om te bidden, de één een Farizeeër en de ander een tollenaar. De Farizeeër stond op en bad in zichzelf: ‘O God, ik dank U dat ik niet ben zoals de rest van de mensen, afpersers, ongeletterden, onrechtvaardigen, overspelers, of zelfs zoals deze tollenaar. Ik vast twee keer per week; ik geef tienden van alles wat ik ontvang.’ Maar de tollenaar bleef op een afstand staan en wilde zelfs zijn ogen niet naar de hemel opheffen, maar sloeg zich op de borst en zei: ‘God, wees mij, zondaar, genadig.’ Ik zeg jullie: de tollenaar ging met Gods goedkeuring naar huis, in plaats van de Farizeeër. Want ieder die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden, maar wie zichzelf vernedert, zal verhoogd worden.”

Die nacht, in Jericho, probeerden de onvriendelijke Farizeeën de Meester in de val te lokken door hem ertoe te brengen over huwelijk en echtscheiding te praten, zoals hun collega’s ooit in Galilea hadden gedaan, maar Jezus vermeed op listige wijze hun pogingen om hem in conflict te brengen met hun wetten betreffende echtscheiding. Zoals de tollenaar en de Farizeeër goede en slechte religie illustreerden, dienden hun echtscheidingspraktijken om de betere huwelijkswetten van de Joodse wet te contrasteren met de schandelijke laksheid van de interpretaties door de Farizeeërs van deze Mozaïsche echtscheidingswetten. De Farizeeër beoordeelde zichzelf naar de laagste maatstaf; de tollenaar richtte zich naar het hoogste ideaal. Devotie was voor de Farizeeër een middel om zelfingenomen inactiviteit en de zekerheid van valse spirituele zekerheid teweeg te brengen; devotie was voor de tollenaar een middel om zijn ziel aan te sporen tot het besef van de noodzaak van berouw, bekentenis en het aanvaarden, door geloof, van barmhartige vergeving. De Farizeeër zocht gerechtigheid; de tollenaar zocht genade. De wet van het universum luidt: vraag en je zult ontvangen; zoek en je zult vinden.

Hoewel Jezus weigerde zich te laten meeslepen in een controverse met de Farizeeën over echtscheiding, verkondigde hij wel een positieve leer van de hoogste idealen met betrekking tot het huwelijk. Hij verheerlijkte het huwelijk als de meest ideale en hoogste van alle menselijke relaties. Evenzo gaf hij blijk van zijn sterke afkeuring van de lakse en oneerlijke echtscheidingspraktijken van de Joden in Jeruzalem, die in die tijd een man toestonden van zijn vrouw te scheiden om de meest onbeduidende redenen, zoals een slechte kok, een gebrekkige huishoudster, of om geen betere reden dan dat hij verliefd was geworden op een knappere vrouw.

De Farizeeën waren zelfs zo ver gegaan te leren dat echtscheiding in deze gemakkelijke vorm een speciale dispensatie was die aan het Joodse volk, in het bijzonder de Farizeeën, werd verleend. En dus, hoewel Jezus weigerde uitspraken te doen over huwelijk en echtscheiding, veroordeelde hij deze schandelijke minachting van de huwelijksrelatie ten zeerste en wees hij op het onrecht dat vrouwen en kinderen ermee werd aangedaan. Hij keurde nooit echtscheidingspraktijken goed die mannen enig voordeel gaven boven vrouwen. De Meester steunde alleen die leringen die vrouwen gelijkstelden aan mannen.

Hoewel Jezus geen nieuwe voorschriften gaf met betrekking tot huwelijk en echtscheiding, drong hij er wel bij de Joden op aan zich te houden aan hun eigen wetten en hogere leringen. Hij beriep zich voortdurend op wat er in de Schriften geschreven was in zijn poging hun praktijken langs deze sociale lijnen te verbeteren. Terwijl hij aldus de hoge en ideale concepten van het huwelijk hoog hield, vermeed Jezus behendig een botsing met zijn ondervragers over de sociale praktijken die werden vertegenwoordigd door hun geschreven wetten of hun gekoesterde echtscheidingsvoorrechten.

Het was voor de apostelen zeer moeilijk om de terughoudendheid van de Meester te begrijpen om positieve uitspraken te doen met betrekking tot wetenschappelijke, sociale, economische en politieke problemen. Ze beseften niet ten volle dat zijn aardse missie uitsluitend gericht was op openbaringen van spirituele en religieuze waarheden.

Nadat Jezus over huwelijk en echtscheiding had gesproken, stelden zijn apostelen later die avond in besloten kring nog vele vragen, en zijn antwoorden op deze vragen verlosten hen van vele misvattingen. Aan het einde van deze bijeenkomst zei Jezus: “Het huwelijk is eerbaar en moet door alle mensen worden begeerd. Het feit dat de MensenZoon zijn aardse missie alleen nastreeft, doet geenszins afbreuk aan de wenselijkheid van het huwelijk. Dat ik zo werk, is de wil van de Vader, maar diezelfde Vader heeft de schepping van man en vrouw geleid, en het is de goddelijke wil dat mannen en vrouwen hun hoogste dienst en daaruit voortvloeiende vreugde vinden in het stichten van een thuis voor de opvang en opvoeding van kinderen, in wiens schepping deze ouders medeplichtigen worden van de Scheppers van hemel en aarde. En om deze reden zal een man zijn vader en moeder verlaten en zich aan zijn vrouw hechten, en zij twee zullen één worden.”

En op deze wijze nam Jezus de gedachten van de apostelen weg van veel zorgen over het huwelijk en ruimde hij veel misverstanden op over echtscheiding; tegelijkertijd deed hij veel om hun idealen van sociale verbondenheid te verheffen en hun respect voor vrouwen en kinderen en voor het gezin te vergroten.

De zegen voor de kleine kinderen

Die avond verspreidde de boodschap van Jezus over het huwelijk en de zegen voor kinderen zich door heel Jericho, zodat de volgende ochtend, lang voordat Jezus en de apostelen zich klaarmaakten om te vertrekken, zelfs vóór het ontbijt, tientallen moeders naar de slaapplaats van Jezus kwamen, hun kinderen in hun armen nemend en aan hun handen leidend, en verlangden dat hij de kleintjes zou zegenen. Toen de apostelen deze bijeenkomst van moeders met hun kinderen gingen bekijken, probeerden ze hen weg te sturen, maar deze vrouwen weigerden te vertrekken totdat de Meester zijn handen op hun kinderen had gelegd en hen had gezegend. En toen de apostelen deze moeders luidkeels berispten, kwam Jezus, die het tumult hoorde, naar buiten en berispte hen verontwaardigd, zeggende: “Laat de kinderen tot mij komen; verhinder ze niet, want voor dezen is het hemelse koninkrijk. Voorwaar, voorwaar, ik zeg u, wie het koninkrijk van God niet ontvangt als een kind, zal moeite hebben om binnen te gaan en op te groeien tot de volle bloei van spirituele volwassenheid.”

En nadat de Meester tot zijn apostelen had gesproken, ontving hij alle kinderen, legde hun de handen op en sprak woorden van bemoediging en hoop tot hun moeders.

Jezus sprak vaak met zijn apostelen over de hemelse woningen en leerde dat de voortschrijdende kinderen van God daar spiritueel moeten opgroeien zoals kinderen fysiek opgroeien op deze aarde. En zo lijkt het heilige vaak het alledaagse te zijn, zoals op deze dag deze kinderen en hun moeders zich er nauwelijks van bewust waren dat de toekijkende intelligenties van Nebadon de kinderen van Jericho zagen spelen met de Schepper van een lokaal universum.

De status van de vrouw in Palestina werd sterk verbeterd door de leer van Jezus. En zo zou het over de hele wereld zijn gegaan als zijn volgelingen niet zo ver waren afgeweken van wat hij hun nauwgezet had geleerd.

Het was ook in Jericho, in verband met de bespreking van de vroege religieuze opvoeding van kinderen in gewoonten van goddelijke aanbidding, dat Jezus zijn apostelen de grote waarde van schoonheid bijbracht als een invloed die leidde tot de drang tot aanbidding, vooral bij kinderen. De Meester onderwees door voorschrift en voorbeeld de waarde van het aanbidden van de Schepper te midden van de natuurlijke omgeving van de schepping. Hij gaf er de voorkeur aan om te communiceren met de hemelse Vader te midden van de bomen en de nederige schepselen van de natuurlijke wereld. Hij verheugde zich erin de Vader te aanschouwen door het inspirerende schouwspel van de sterrenrijken van de Schepper-Zonen.

Wanneer het niet mogelijk is God te aanbidden in de tabernakels van de natuur, zouden mensen hun best moeten doen om huizen van schoonheid te creëren, heiligdommen van aantrekkelijke eenvoud en artistieke verfraaiing, zodat de hoogste menselijke emoties kunnen worden opgewekt in samenhang met de intellectuele benadering van spirituele gemeenschap met God. Waarheid, schoonheid en heiligheid zijn krachtige en effectieve hulpmiddelen voor ware aanbidding. Maar spirituele communicatie wordt niet bevorderd door louter massieve overdaad en overmatige verfraaiing met de tot in allerlei details uitgebreide en opzichtige kunst van de mens. Schoonheid is het meest religieus wanneer ze het meest eenvoudig en natuurlijk is. Hoe ongelukkig is het dat kleine kinderen hun eerste kennismaking met concepten van openbare eredienst krijgen in koude en kale ruimtes, zo verstoken van de aantrekkingskracht van schoonheid en zo leeg van elke suggestie van goede moed en inspirerende heiligheid! Het kind moet kennismaken met de eredienst in de natuur en later zijn ouders vergezellen naar openbare gebouwen waar religieuze bijeenkomsten plaatsvinden, die minstens zo aantrekkelijk en artistiek mooi zijn als het huis waar hij dagelijks verblijft.

Het gesprek over engelen

Terwijl ze de heuvels van Jericho naar Bethanië optrokken, liep Nathanaël het grootste deel van de weg naast Jezus, en hun gesprek over kinderen in relatie tot het hemelse koninkrijk leidde indirect tot een beschouwing over de dienstverlening van engelen. Nathanaël stelde de Meester uiteindelijk deze vraag: “Aangezien de hogepriester een Sadduceeër is, en aangezien de Sadduceeën niet in engelen geloven, wat zullen wij het volk leren over de hemelse dienstverleners?” Toen zei Jezus onder andere:

“De groepen engelen zijn een aparte orde van geschapen wezens. Ze verschillen volledig van de materiële orde van sterfelijke schepselen, en ze functioneren als een aparte groep van universum-intelligenties. Engelen behoren niet tot de groep schepselen die in de Schrift ‘de Zonen van God’ worden genoemd. Ook zijn zij niet de verheerlijkte spirits van sterfelijke mensen die verder zijn gegaan om vooruitgang te boeken door de woningwerelden in de hemel. Engelen zijn een directe schepping en ze planten zichzelf niet voort. De groepen engelen hebben alleen een spirituele verwantschap met het menselijk ras. Naarmate de mens vordert op de reis naar de Vader in het Paradijs, doorloopt hij op een gegeven moment een staat van zijn die analoog is aan de staat van de engelen, maar de sterfelijke mens wordt nooit een engel.”

“Engelen sterven nooit, zoals de mens. Engelen zijn onsterfelijk, tenzij ze zich misschien schuldig maken aan spirituele misdaden. Engelen zijn de spirituele dienstverleners in de hemel, en ze zijn niet al-wijs en ook niet al-machtig. Maar alle loyale engelen zijn waarlijk zuiver en heilig.”

“En herinner je je niet dat ik je eerder al zei: als je spirituele ogen gezalfd waren, dan zou je de hemelen geopend zien en zou je de engelen van God zien opstijgen en neerdalen? Het is door de dienstverlening van de engelen dat de ene wereld in contact kan blijven met andere werelden, want heb ik je niet herhaaldelijk verteld dat ik andere schapen heb die niet tot deze kudde behoren? En deze engelen zijn niet de spionnen van de spirituele wereld die jou in de gaten houden en vervolgens erop uitgaan om de Vader de gedachten van je hart te vertellen en verslag uit te brengen over de daden van het lichaam. De Vader heeft geen behoefte aan een dergelijke dienst, aangezien Zijn eigen Mentor-Spirit in u leeft. Maar deze engel-spirits functioneren wel degelijk om een deel van de hemelse schepping op de hoogte te houden van de handelingen van andere, afgelegen delen van het universum. En veel van de engelen, terwijl zij functioneren in het bestuur van de Vader en de lokale universa van de Zonen, zijn aangesteld om de menselijke rassen te dienen. Toen ik je leerde dat veel van deze serafijnen dienende spirits zijn, sprak ik niet in figuurlijke taal of in poëtische taal. En dit alles is waar, ongeacht de moeite die je hebt om dergelijke zaken te begrijpen.”

“Veel van deze engelen zijn bezig met het werk van het redden van mensen, want heb ik jullie niet verteld over de serafijnse vreugde wanneer een ziel ervoor kiest de zonde te verzaken en de zoektocht naar God te beginnen? Ik heb jullie zelfs verteld over de vreugde in aanwezigheid van de engelen van de hemel over één zondaar die berouw toont, waarmee ik duidde op het bestaan van andere en hogere orden van hemelse wezens die eveneens betrokken zijn bij het spirituele welzijn en de goddelijke vooruitgang van de sterfelijke mens.” [ de vreugde met andere woorden die wordt beleefd door al die andere en hogere orden in aanwezigheid van de engelen, dus niet uitsluitend door de engelen ]

“Ook zijn deze engelen zeer betrokken bij de middelen waardoor de spirit van de mens wordt bevrijd uit het sterfelijke omhulsel, het lichaam, en zijn ziel wordt begeleid naar de woningwerelden in de hemel. Engelen zijn de zekere en hemelse gidsen van de menselijke ziel gedurende die onbekende en onbepaalde tijdsperiode die ligt tussen de dood van het sterfelijke lichaam en het nieuwe leven in de spirituele woningwerelden.

En hij wilde verder met Nathanaël spreken over de missie van engelen, maar hij werd onderbroken door de nadering van Martha, die door vrienden die hem de heuvels in het oosten hadden zien beklimmen, was ingelicht dat de Meester Bethanië naderde. En zij haastte zich nu om hem te begroeten.

Dit hoofdstuk is een nieuwe Nederlandse vertaling gebaseerd op Paper 167 van het Urantia Boek: https://www.urantia.org