Inleiding
Kort na de begrafenis van Jezus op vrijdagmiddag (kwam) het advies van Gabriël, die hun instrueerde dat, aangezien Michael “zijn leven uit eigen vrije wil had afgelegd, hij ook de macht had om het weer op te nemen overeenkomstig zijn eigen besluit.” Kort (daarna) sprak (ook) de Gepersonaliseerde Mentor-Spirit van Jezus, die persoonlijk het bevel voerde over de verzamelde hemelse heerscharen die toen op aarde waren, de volgende woorden tot de bezorgde wachtende toeschouwers:
“Niemand van jullie kan ook maar iets doen om jullie Schepper-vader te helpen bij de terugkeer naar het leven. Als sterveling van zijn universum heeft hij de sterfelijke dood ervaren; als Soeverein van een universum leeft hij nog steeds. Wat jullie waarnemen, is de sterfelijke overgang van Jezus van Nazareth van het leven in het lichaam naar het leven in de morontia [morontia = tussen-stadium tussen lichaam en spirit]. De spirit-overgang van deze Jezus werd voltooid toen ik mij losmaakte van zijn persoonlijkheid en jullie tijdelijke leider werd. Jullie Schepper-vader heeft ervoor gekozen om de gehele ervaring van zijn sterfelijke schepselen te doorlopen, vanaf de geboorte op de materiële werelden, via de natuurlijke dood en de opstanding in de morontia-fase, tot de status van werkelijk spirit-bestaan. Een bepaalde fase van deze ervaring staat u op het punt te aanschouwen, maar u mag er niet aan deelnemen. De dingen die u gewoonlijk voor het schepsel doet, mag u niet voor de Schepper doen. Een Schepperzoon heeft in zichzelf de macht om zichzelf in de gelijkenis van een van zijn geschapen zonen te tonen; hij heeft in zichzelf de macht om zijn waarneembare leven af te leggen en het weer op te nemen; en hij heeft deze macht vanwege het directe bevel van de Paradijs-Vader, en Ik weet waarover Ik spreek.
Toen ze de Gepersonaliseerde Richter zo hoorden spreken, namen ze allemaal een houding van zenuwachtige verwachting aan, van Gabriël tot de meest nederige cherubijnen. Ze zagen het sterfelijke lichaam van Jezus in het graf; ze ontdekten bewijzen van de universumactiviteit van hun geliefde Soeverein; en omdat ze dergelijke verschijnselen niet begrepen, wachtten ze geduldig op de ontwikkelingen.
De Morontia-overgang
Zondagochtend om kwart voor drie arriveerde de Paradijs incarnatiecommissie, bestaande uit zeven niet-geïdentificeerde Paradijs-persoonlijkheden, ter plaatse en stelde zich onmiddellijk op rond het graf. Om tien minuten voor drie begonnen intense vibraties van een mix van materiële- en morontia-activiteiten uit Jozefs nieuwe graf te komen, en om twee minuten over drie, deze zondagochtend, 9 april, 30 n.Chr., kwam de herrezen morontia-gedaante en persoonlijkheid van Jezus van Nazareth uit het graf tevoorschijn.
Nadat de opgestane Jezus uit zijn graf was gekomen, lag het vleselijke lichaam waarin hij bijna zesendertig jaar op aarde had geleefd en gewerkt, nog steeds in de nis van het graf, onaangeroerd en gewikkeld in het linnen laken, precies zoals het vrijdagmiddag door Jozef en zijn metgezellen ter ruste was gelegd. Ook de steen voor de ingang van het graf was op geen enkele manier verstoord; het zegel van Pilatus was nog steeds ongeschonden; de soldaten stonden nog steeds op wacht. De tempelwachters waren onafgebroken in dienst; de Romeinse wacht was om middernacht gewisseld. Geen van deze wachters vermoedde dat het object van hun wake was opgestaan tot een nieuwe en hogere vorm van bestaan, en dat het lichaam dat ze bewaakten nu een afgelegde buitenste laag was die geen verdere verbinding had met de verloste en opgestane morontia-persoonlijkheid van Jezus.
De mensheid beseft maar langzaam dat materie, in alles wat persoonlijk is, het skelet van morontia is, en dat beide de weerspiegelde schaduw van de blijvende spirituele werkelijkheid zijn. Hoe lang duurt het nog voordat u de tijd zult beschouwen als het bewegende beeld van de eeuwigheid en de ruimte als de vluchtige schaduw van de paradijselijke werkelijkheid?
Voor zover wij kunnen beoordelen, had geen enkel schepsel van dit universum, noch enige persoonlijkheid uit een ander universum, iets te maken met deze morontia-opstanding van Jezus van Nazareth. Op vrijdag legde hij zijn leven af als een sterveling van deze werelden; op zondagochtend nam hij het weer op als een morontia-wezen. Er is veel aan de opstanding van Jezus dat wij niet begrijpen. Maar we weten dat het gebeurde zoals we hebben aangegeven en rond het aangegeven tijdstip. We kunnen ook vastleggen dat alle bekende verschijnselen die verband houden met deze sterfelijke overgang, of morontia-opstanding, zich precies daar in Jozefs nieuwe graf afspeelden, waar de sterfelijke stoffelijke resten van Jezus in lijkwaden gewikkeld lagen.
We weten dat geen enkel schepsel uit het lokale universum deelnam aan dit morontia-ontwaken. We zagen de zeven persoonlijkheden uit het Paradijs rond het graf, maar we zagen hen niets doen in verband met het ontwaken van de Meester. Zodra Jezus naast Gabriël verscheen, vlak boven het graf, gaven de zeven persoonlijkheden uit het Paradijs te kennen dat ze van plan waren onmiddellijk te vertrekken.
Laten we het concept van de opstanding van Jezus voorgoed verduidelijken door de volgende uitspraken te doen:
- Zijn materiële of fysieke lichaam maakte geen deel uit van de opgestane persoonlijkheid. Toen Jezus uit het graf tevoorschijn kwam, bleef zijn vleselijke lichaam onaangeroerd in het graf. Hij kwam uit het graf zonder de stenen voor de ingang te verplaatsen en zonder de zegels van Pilatus te verbreken.
- Hij kwam niet uit het graf als een spirit, en ook niet als Michaël van Nebadon; hij verscheen niet in de gedaante van de Schepper-Soeverein, zoals hij die had vóór zijn incarnatie in de gelijkenis van een sterfelijk lichaam op aarde.
- Hij kwam uit dit graf van Jozef tevoorschijn in de gelijkenis van de morontia-persoonlijkheden van hen die, als opgestane morontia-opklimmende wezens, tevoorschijn komen uit de opstandingszalen van de eerste woningwereld van dit lokale stelsel (van bewoonde werelden). En de aanwezigheid van het Michael-gedenkteken in het midden van de uitgestrekte hof van de opstandingshallen van woningwereld nummer één doet ons vermoeden dat de opstanding van de Meester op aarde op de een of andere manier werd bevorderd op deze, de eerste van de woningwerelden van het stelsel.
De eerste daad van Jezus na zijn opstanding uit het graf was het begroeten van Gabriël en hem te instrueren om de uitvoerende leiding van de universumzaken onder Immanuel voort te zetten. En zich wendend tot de verzamelde morontia-groepen van de zeven woningwerelden, die hier bijeen waren om hun Schepper te begroeten en te verwelkomen als een schepsel van hun orde, sprak Jezus de eerste woorden van zijn postmortale loopbaan. De morontia-Jezus zei: “Nu ik mijn leven in het lichaam heb beëindigd, wil ik hier nog een korte tijd in overgangsvorm verblijven om het leven van mijn opklimmende schepselen vollediger te leren kennen en de wil van mijn Vader in het Paradijs verder te openbaren.”
Nadat Jezus had gesproken, gaf hij een teken aan de Gepersonaliseerde Mentor-Spirit, en alle universum-intelligenties die op aarde waren verzameld om getuige te zijn van de opstanding, werden onmiddellijk naar hun respectieve universum-bestemmingen gestuurd.
Jezus begon nu met de contacten op het morontia-niveau en werd, als schepsel in deze overgangsvorm (tussen materieel en spirit), ingeleid in de vereisten van het leven dat hij had gekozen om korte tijd op aarde te leven. Deze inwijding in de morontia-wereld vergde meer dan een uur aardse tijd en werd tweemaal onderbroken door zijn verlangen om te communiceren met zijn vroegere lichamelijke metgezellen toen zij vol verwondering uit Jeruzalem kwamen om in het lege graf te gluren om te ontdekken wat zij als bewijs van zijn opstanding beschouwden.
Nu is de sterfelijke overgang van Jezus – de morontia-opstanding van de MensenZoon – voltooid. De voorbijgaande ervaring van de Meester als een persoonlijkheid halverwege tussen het materiële en het spirituele is begonnen. En hij heeft dit alles gedaan door de kracht die inherent in hemzelf is; geen enkele persoonlijkheid heeft hem enige hulp verleend. Hij leeft nu als ‘Jezus van morontia’, en terwijl hij dit morontia-leven begint, ligt het materiële lichaam van vlees daar ongestoord in het graf. De soldaten staan nog steeds op wacht en het zegel van de gouverneur op de rotsen is nog niet verbroken.
Het stoffelijke lichaam van Jezus
Om tien minuten over drie (’s ochtends), terwijl de verrezen Jezus zich verbroederde met de verzamelde morontia-persoonlijkheden van de zeven woningwerelden van het plaatselijke stelsel van bewoonde werelden, benaderde de leider van de aartsengelen – de engelen van de opstanding – Gabriël en vroeg om het sterfelijke lichaam van Jezus. De leider van de aartsengelen zei: “Wij mogen niet deelnemen aan de morontia-opstanding van de missie van onze soeverein Michaël, maar we zouden graag zien dat zijn sterfelijke stoffelijk overschot aan ons wordt toevertrouwd voor onmiddellijke ontbinding. We stellen niet voor onze dematerialisatietechniek te gebruiken; we willen slechts het proces van versnelde tijd aanroepen. Het is voldoende dat we de Soeverein hebben zien leven en sterven op aarde; de hemelse heerscharen zou de herinnering bespaard blijven aan het verdragen van de aanblik van het langzame verval van de menselijke vorm van de Schepper en Handhaver van een lokaal universum. In naam van de hemelse intelligenties van heel Nebadon vraag ik om een mandaat dat mij de zorg geeft over het sterfelijke lichaam van Jezus van Nazareth en ons de bevoegdheid geeft om over te gaan tot de onmiddellijke ontbinding ervan.”
En nadat Gabriël had overlegd met andere hoge verantwoordelijken, kreeg de aartsengel, woordvoerder van de hemelse heerscharen, toestemming om over het stoffelijk overschot van Jezus te beschikken zoals hij dat wenste.
Nadat dit verzoek van de leider van de aartsengelen was ingewilligd, riep hij vele van zijn metgezellen te hulp, en vervolgens nam hij bezit van het fysieke lichaam van Jezus. Dit dode lichaam was een zuiver materiële schepping; het was fysiek en letterlijk; het kon niet uit het graf worden verwijderd, zoals de morontia-vorm van de opstanding uit het verzegelde graf was ontsnapt. Met behulp van bepaalde morontia-hulp-persoonlijkheden kan de morontia-vorm namelijk de ene keer als van de spirit worden gemaakt, zodat deze ongevoelig wordt voor gewone materie, terwijl deze op een ander moment waarneembaar en contacteer-baar kan worden voor materiële wezens, zoals de stervelingen van de werelden.
Terwijl zij zich gereedmaakten om het lichaam van Jezus uit het graf te halen ter voorbereiding op de waardige en eerbiedige behandeling van een bijna onmiddellijke ontbinding, kregen bepaalde wezens de opdracht de stenen voor de ingang van het graf weg te rollen. De grootste van deze twee stenen was een enorm cirkelvormig ding, vergelijkbaar met een molensteen, en bewoog in een groef die in de rots was gehouwen, zodat hij heen en weer gerold kon worden om het graf te openen of te sluiten. Toen de Joodse wachters en de Romeinse soldaten in het schemerige ochtendlicht zagen hoe deze enorme steen van de ingang van het graf begon weg te rollen, ogenschijnlijk uit zichzelf – zonder enig zichtbaar middel om deze beweging te verklaren – werden ze overmand door angst en paniek en vluchtten ze haastig weg van de plaats des onheils. De Joden vluchtten naar huis en gingen daarna terug om deze gebeurtenissen aan hun hoofdman in de tempel te melden. De Romeinen vluchtten naar het fort Antonia en rapporteerden wat ze hadden gezien aan de centurion zodra hij op zijn post arriveerde.
De Joodse leiders begonnen aan de smerige zaak om zogenaamd van Jezus af te komen door steekpenningen aan te bieden aan de verraderlijke Judas. Geconfronteerd met deze gênante situatie, namen ze, in plaats van eraan te denken de wachters die hun post hadden verlaten te straffen, hun toevlucht tot het omkopen van deze wachters en de Romeinse soldaten. Ze betaalden elk van deze twintig mannen een som geld en droegen hen op om tegen allen te zeggen: “Terwijl wij ’s nachts sliepen, kwamen zijn discipelen naar ons toe en namen het lichaam weg.” En de Joodse leiders deden de soldaten plechtige beloften om hen voor Pilatus te verdedigen, mocht de gouverneur ooit te weten komen dat ze steekpenningen hadden aangenomen.
Het christelijke geloof in de opstanding van Jezus is gebaseerd op het feit van het “lege graf”. Het was inderdaad een FEIT dat het graf leeg was, maar dit is niet de WAARHEID van de opstanding. Het graf was werkelijk leeg toen de eerste gelovigen arriveerden, en dit feit, in combinatie met dat van de onmiskenbare opstanding van de Meester, leidde tot de formulering van een geloof dat niet waar was: de leer dat het materiële en sterfelijke LICHAAM van Jezus uit het graf was opgestaan. Waarheid die te maken heeft met spirituele realiteiten en eeuwige waarden kan niet altijd worden opgebouwd door een combinatie van schijnbare feiten. Hoewel individuele feiten materieel waar kunnen zijn, volgt daaruit niet dat de associatie van een groep feiten noodzakelijkerwijs tot waarheidsgetrouwe spirituele conclusies moet leiden. [ !! ]
Het graf van Jozef was leeg, niet omdat het lichaam van Jezus was gerehabiliteerd of opgewekt, maar omdat het verzoek van de hemelse helpers was ingewilligd om het lichaam een speciale en unieke ontbinding te schenken, een terugkeer van ‘stof tot stof’, zonder tussenkomst van de vertragingen van de tijd en zonder de werking van de gewone en zichtbare processen van sterfelijk verval en materieel bederf.
Het stoffelijk overschot van Jezus onderging hetzelfde natuurlijke proces van elementaire desintegratie dat alle menselijke lichamen op aarde kenmerkt, behalve dat deze natuurlijke wijze van ontbinding in de tijd sterk versneld werd, tot het punt waarop het bijna ogenblikkelijk plaatsvond.
De ware bewijzen van de opstanding van Michael zijn spiritueel van aard, hoewel deze leer wordt bevestigd door de getuigenis van vele stervelingen in de wereld die de opgestane morontia-Meester ontmoetten, herkenden en met hem communiceerden. Hij maakte deel uit van de persoonlijke ervaring van bijna duizend mensen voordat hij uiteindelijk afscheid nam van de aarde.
En dit is het verslag van de gebeurtenissen van de opstanding van Jezus, zoals waargenomen door degenen die ze zagen zoals ze werkelijk plaatsvonden, vrij van de beperkingen van een gedeeltelijke en beperkte menselijke visie.
De ontdekking van het lege graf
Nu we de tijd van de opstanding van Jezus op deze vroege zondagochtend naderen, moeten we ons herinneren dat de tien apostelen verbleven in het huis van Elijah en Maria Marcus, waar ze sliepen in de bovenzaal, rustend op dezelfde banken als waarop ze tijdens het laatste avondmaal met hun Meester hadden gelegen. Deze zondagochtend waren ze daar allemaal bijeen, behalve Thomas. Thomas was laat op zaterdagavond een paar minuten bij hen toen ze voor het eerst bijeenkwamen, maar de aanblik van de apostelen, gecombineerd met de gedachte aan wat er met Jezus was gebeurd, was hem te veel. Hij bekeek zijn metgezellen en verliet onmiddellijk de kamer, op weg naar het huis van Simon in Bethpage, waar hij in eenzaamheid over zijn problemen wilde treuren. De apostelen leden allemaal, niet zozeer door twijfel en wanhoop als wel door angst, verdriet en schaamte.
In het huis van Nicodemus waren, samen met David Zebedeüs en Jozef van Arimathea, zo’n twaalf tot vijftien van de meest vooraanstaande discipelen van Jezus uit Jeruzalem bijeen. In het huis van Jozef van Arimathea waren zo’n vijftien tot twintig vooraanstaande vrouwelijke gelovigen. Alleen deze vrouwen verbleven in Jozefs huis en ze waren binnen gebleven tijdens de uren van de sabbathdag en de avond na de sabbath, zodat ze niet wisten dat er een militaire wacht bij het graf stond. Ze wisten ook niet dat er een tweede steen voor het graf was gerold en dat beide stenen onder het zegel van Pilatus waren geplaatst.
Iets voor drie uur deze zondagochtend, toen de eerste tekenen van de dag in het oosten begonnen te verschijnen, gingen vijf vrouwen op weg naar het graf van Jezus. Ze hadden een overvloed aan speciale balsemlotions bereid en hadden veel linnen windsels bij zich. Het was hun doel om het lichaam van Jezus grondiger zijn zalving te geven en het zorgvuldiger in de nieuwe windsels te wikkelen.
De vrouwen die deze missie van het zalven van het lichaam van Jezus uitvoerden, waren: Maria Magdalena, Maria de moeder van de tweeling Alpheus, Salome de moeder van de broers Zebedeüs, Johanna de vrouw van Chuza, en Susanna de dochter van Ezra uit Alexandrië.
Het was ongeveer half vier toen de vijf vrouwen, met hun lading zalven, voor het lege graf arriveerden. Toen ze de Damascuspoort uitliepen, troffen ze een aantal soldaten aan die min of meer in paniek de stad in vluchtten, en dit deed hen een paar minuten stilstaan. Maar toen er verder niets gebeurde, hervatten ze hun reis.
Ze waren zeer verbaasd toen ze zagen dat de steen van de ingang van het graf weggerold was, aangezien ze op weg naar buiten tegen elkaar hadden gezegd: “Wie helpt ons de steen wegrollen?” Ze legden hun lasten neer en begonnen elkaar angstig en met grote verbazing aan te kijken. Terwijl ze daar stonden, bevend van angst, waagde Maria Magdalena zich om de kleinere steen heen en durfde het open graf binnen te gaan. Dit graf van Jozef bevond zich in zijn tuin op de heuvelhelling aan de oostkant van de weg, en het was ook naar het oosten gericht. Op dat moment was de dageraad van een nieuwe dag net genoeg om Maria in staat te stellen terug te kijken naar de plek waar het lichaam van de Meester had gelegen en te zien dat het verdwenen was. In de nis van de steen waar ze Jezus hadden neergelegd, zag Maria alleen de gevouwen servet waar zijn hoofd had gelegen en de windsels waarin hij gewikkeld was, intact liggend, zoals ze op de steen hadden gerust voordat de hemelse helpers het lichaam weghaalden. Het dekkleed lag aan de voet van de grafnis.
Nadat Maria enkele ogenblikken in de ingang van het graf had vertoefd (ze zag niet duidelijk toen ze het graf voor het eerst binnenging), zag ze dat het lichaam van Jezus verdwenen was en dat in plaats daarvan alleen deze grafdoeken lagen, en ze slaakte een kreet van angst en vrees. Alle vrouwen waren buitengewoon nerveus. Ze waren al gespannen sinds ze de paniekerige soldaten bij de stadspoort waren tegengekomen, en toen Maria deze angstkreet slaakte, waren ze doodsbang en vluchtten ze in grote haast. En ze stopten pas toen ze helemaal naar de Damascuspoort waren gerend. Tegen die tijd had Johanna spijt dat ze Maria in de steek hadden gelaten; ze verzamelde haar metgezellen en ze gingen terug naar het graf.
Toen ze het graf naderden, snelde de angstige Maria Magdalena, die nog meer in paniek was geraakt toen ze haar zusters niet zag wachten toen ze uit het graf kwam, naar hen toe en riep opgewonden uit: ‘Hij is er niet! Ze hebben hem meegenomen!’ En ze leidde hen terug naar het graf, en ze gingen er allemaal naar binnen en zagen dat het leeg was.
Alle vijf de vrouwen gingen vervolgens op de steen bij de ingang zitten en bespraken de situatie. Het was nog niet bij hen opgekomen dat Jezus was opgestaan. Ze waren tijdens de sabbath alleen geweest en vermoedden dat het lichaam naar een andere rustplaats was verplaatst. Maar toen ze over een dergelijke oplossing voor hun dilemma nadachten, wisten ze niet hoe ze de ordelijke indeling van de grafdoeken moesten verklaren. Hoe kon het lichaam verwijderd zijn, aangezien de zwachtels waarin het gewikkeld was, op hun plaats en schijnbaar intact op de grafbank waren achtergelaten?
Terwijl deze vrouwen daar zaten in de vroege uren van de dageraad van deze nieuwe dag, keken ze opzij en zagen een stille, roerloze vreemdeling. Even waren ze weer bang, maar Maria Magdalena snelde naar hem toe en sprak hem aan alsof ze dacht dat hij de tuinman was. Ze zei: “Waar hebben jullie de Meester heen gebracht? Waar hebben ze hem neergelegd? Zeg het ons, zodat we hem kunnen gaan halen.” Toen de vreemdeling Maria niet antwoordde, begon ze te huilen.
Toen sprak Jezus tot hen en zei: “Wie zoeken jullie?”
Maria antwoordde: “We zoeken Jezus, die in het graf van Jozef begraven ligt, maar hij is weg. Weten jullie waar ze hem heen hebben gebracht?”
Toen zei Jezus: “Heeft deze Jezus jullie niet al in Galilea verteld dat hij zou sterven, maar dat hij weer zou opstaan?”
Deze woorden schokten de vrouwen, maar de Meester was zo veranderd dat ze hem nog niet herkenden, met zijn rug naar het schemerige licht. En terwijl ze over zijn woorden nadachten, sprak hij Maria Magdalena met een vertrouwde stem aan en zei: “Maria.”
En toen ze dat woord van welbekende sympathie en hartelijke groet hoorde, wist ze dat het de stem van de Meester was, en ze snelde naar zijn voeten om neer te knielen terwijl ze uitriep: “Mijn Heer, en mijn Meester!”
En alle andere vrouwen herkenden dat het de Meester was die in verheerlijkte vorm voor hen stond, en ze knielden snel voor hem neer.
(Deze menselijke ogen waren in staat de morontia-gedaante van Jezus te zien dankzij de bijzondere diensten van de transformeerders en de middenwezens in samenwerking met bepaalde morontia-persoonlijkheden die Jezus toen vergezelden.)
Terwijl Maria zijn voeten probeerde te omhelzen, zei Jezus: “Raak mij niet aan, Maria, want ik ben niet zoals je mij in het lichaam kende. In deze gedaante zal ik nog een tijdje bij jullie blijven voordat ik opstijg naar de Vader. Maar ga nu allemaal naar mijn apostelen -en Petrus- en vertel hen dat ik ben opgestaan en dat jullie met mij gesproken hebben.”
Nadat deze vrouwen van de schok van hun verbazing bekomen waren, haastten ze zich terug naar de stad en naar het huis van Elijah Marcus, waar ze de tien apostelen alles vertelden wat hun was overkomen. Maar de apostelen waren niet geneigd hen te geloven. Ze dachten eerst dat de vrouwen een visioen hadden gezien, maar toen Maria Magdalena de woorden herhaalde die Jezus tot hen had gesproken, en Petrus zijn naam hoorde, snelde hij de bovenzaal uit, op de voet gevolgd door Johannes, in grote haast om het graf te bereiken en deze dingen zelf te zien.
De vrouwen vertelden het verhaal van hun gesprek met Jezus aan de andere apostelen, maar ze wilden het niet geloven; en ze wilden het niet zelf gaan ontdekken zoals Petrus en Johannes.
Petrus en Johannes bij het graf
Terwijl de twee apostelen naar Golgotha en het graf van Jozef renden, wisselden de gedachten van Petrus af tussen angst en hoop. Hij had angst om de Meester te ontmoeten, maar zijn hoop werd gewekt door het verhaal dat Jezus hem een speciaal bericht had gestuurd. Hij was er half van overtuigd dat Jezus echt leefde. Hij herinnerde zich de belofte om op de derde dag op te staan. Vreemd genoeg was deze belofte hem sinds de kruisiging niet te binnen geschoten, tot op dit moment, terwijl hij zich door Jeruzalem naar het noorden haastte.
Terwijl Johannes de stad uit haastte, welde een vreemde extase van vreugde en hoop in zijn ziel op. Hij was er half van overtuigd dat de vrouwen de verrezen Meester werkelijk hadden gezien.
Johannes, die jonger was dan Petrus, rende hem voorbij en kwam als eerste bij het graf aan. Johannes bleef bij de ingang staan en bekeek het graf, en het was precies zoals Maria het had beschreven. Al snel kwam Simon Petrus naar voren en zag, toen hij binnenkwam, hetzelfde lege graf met de zo merkwaardig gerangschikte grafdoeken. En toen Petrus naar buiten was gekomen, ging ook Johannes naar binnen en bekeek het allemaal zelf, en toen gingen ze op de steen zitten om na te denken over de betekenis van wat ze hadden gezien en gehoord. En terwijl ze daar zaten, overdachten ze alles wat hun over Jezus was verteld, maar ze konden niet duidelijk bevatten wat er was gebeurd.
Petrus opperde aanvankelijk dat het graf geplunderd was, dat vijanden het lichaam hadden gestolen en misschien de bewakers hadden omgekocht. Maar Johannes redeneerde dat het graf nauwelijks zo ordelijk achtergelaten zou kunnen zijn als het lichaam gestolen was, en hij wierp ook de vraag op hoe de verbanden achtergelaten konden worden, en zo schijnbaar intact. En opnieuw gingen ze beiden het graf in, om de grafdoeken nader te onderzoeken. Toen ze voor de tweede keer uit het graf kwamen, troffen ze Maria Magdalena aan, teruggekeerd en wenend voor de ingang. Maria was naar de apostelen gegaan in de overtuiging dat Jezus uit het graf was opgestaan, maar toen ze allemaal weigerden haar bericht te geloven, werd ze terneergeslagen en wanhopig. Ze verlangde ernaar terug te keren naar het graf, waar ze dacht de vertrouwde stem van Jezus te hebben gehoord.
Terwijl Maria na het vertrek van Petrus en Johannes nog even bleef, verscheen de Meester opnieuw aan haar en zei: “Twijfel niet; heb de moed om te geloven wat je hebt gezien en gehoord. Ga terug naar mijn apostelen en vertel hun opnieuw dat ik ben opgestaan, dat ik aan hen zal verschijnen en dat ik hen spoedig voor zal gaan naar Galilea, zoals ik heb beloofd.”
Maria haastte zich terug naar huize-Marcus en vertelde de apostelen dat ze opnieuw met Jezus had gesproken, maar ze wilden haar niet geloven. Maar toen Petrus en Johannes terugkeerden, hielden ze op met spotten en werden ze vervuld van angst en bezorgdheid.
Dit hoofdstuk is een nieuwe Nederlandse vertaling gebaseerd op Paper 189 van het Urantia Boek: https://www.urantia.org
