Inleiding

Het was bijna zonsondergang op vrijdagmiddag 12 augustus 29 n.Chr., toen Jezus en zijn metgezellen de voet van de berg Hermon bereikten, vlakbij de plek waar de jongen Tiglat ooit had gewacht terwijl de Meester alleen de berg beklom om de spirituele bestemming van de aarde te bepalen [en formeel de opstand van Lucifer te beëindigen]. En hier verbleven ze twee dagen als spirituele voorbereiding op de gebeurtenissen die spoedig zouden volgen.

In grote lijnen wist Jezus van tevoren wat er op de berg zou gebeuren, en hij verlangde er vurig naar dat al zijn apostelen deze ervaring zouden mogen delen. Om hen voor te bereiden op deze openbaring van zichzelf, bleef hij met hen aan de voet van de berg. Maar ze konden die spirituele niveaus niet bereiken die hun blootstelling zouden rechtvaardigen aan de volledige ervaring van het bezoek van de hemelse wezens die zo spoedig op aarde zouden verschijnen. En omdat hij niet al zijn metgezellen mee kon nemen, besloot hij alleen de drie mee te nemen die hem gewoonlijk vergezelden op zulke speciale waken. Dienovereenkomstig deelden alleen Petrus, Jacobus en Johannes zelfs maar een deel van deze unieke ervaring met de Meester.

De Transfiguratie (gedaanteverandering)

Vroeg in de ochtend van maandag 15 augustus begonnen Jezus en de drie apostelen aan de beklimming van de berg Hermon, en dit was zes dagen na de gedenkwaardige belijdenis van Petrus aan de rand van de weg onder de moerbeibomen.

Jezus was opgeroepen om, alleen, de berg op te gaan voor de afhandeling van belangrijke zaken die te maken hadden met de voortgang van zijn missie in het sterfelijke lichaam, aangezien deze ervaring verband hield met het lokale universum van zijn eigen schepping. Het is veelzeggend dat deze buitengewone gebeurtenis plaatsvond terwijl Jezus en de apostelen zich in de niet-Joodse landen bevonden, en dat ze zich in werkelijkheid afspeelden op een berg van de niet-Joden.

Ze bereikten hun bestemming, ongeveer halverwege de berg, kort voor het middaguur, en tijdens de lunch vertelde Jezus de drie apostelen iets over zijn ervaringen in de heuvels ten oosten van de Jordaan, kort na zijn doop, en ook meer over zijn ervaringen op de berg Hermon in verband met zijn eerdere bezoek aan deze eenzame plek van retraite.

Als jongen had Jezus de gewoonte de heuvel in de buurt van zijn huis te beklimmen en te dromen van de veldslagen die door de legers van allerlei naties waren uitgevochten in de vlakte van Esdraelon. Nu beklom hij de berg Hermon om de zaken te ontvangen die nodig waren om hem voor te bereiden op het afdalen naar de vlakten van de Jordaan, om de laatste scènes van het drama van zijn missie op aarde op te voeren. De Meester had de strijd vandaag op de berg Hermon kunnen opgeven en kunnen terugkeren naar zijn heerschappij over de domeinen van het lokale universum, maar hij koos er niet alleen voor om te voldoen aan de eisen van zijn orde van goddelijk zoonschap, zoals vervat in het mandaat van de Eeuwige Zoon op het Paradijs, maar hij verkoos ook om te voldoen aan de laatste en volledige maatstaf van de huidige wil van zijn Paradijsvader. Op deze dag in augustus zagen drie van zijn apostelen hem weigeren bekleed te worden met volledige autoriteit over het universum. Ze keken vol verbazing toe hoe de hemelse boodschappers vertrokken en hem alleen achterlieten om zijn aardse leven te voltooien als de MensenZoon en de Zoon van God.

Het geloof van de apostelen was op een hoogtepunt ten tijde van het voeden van de vijfduizend, en daalde vervolgens snel tot bijna nul. Nu, als gevolg van de erkenning van zijn goddelijkheid door de Meester, steeg het wankelende geloof van de twaalf in de daaropvolgende weken tot een hoogtepunt, om vervolgens geleidelijk af te nemen. De derde herleving van hun geloof vond pas plaats na de opstanding van de Meester.

Het was rond drie uur op deze prachtige middag dat Jezus afscheid nam van de drie apostelen en zei: “Ik ga een tijdje alleen om communicatie te hebben met de Vader en Zijn boodschappers. Ik verzoek jullie hier te blijven en, in afwachting van mijn terugkeer, te bidden dat de wil van de Vader mag geschieden in al jullie ervaringen in verband met de verdere missie van de MensenZoon.” En nadat hij dit tegen hen had gezegd, trok Jezus zich terug voor een lang gesprek met Gabriël en de Vader Melchizedek, en keerde pas rond zes uur terug. Toen Jezus hun bezorgdheid over zijn lange afwezigheid zag, zei hij: “Waarom waren jullie bang? Jullie weten heel goed dat ik bezig moet zijn met de dingen van mijn Vader. Waarom twijfelen jullie als ik niet bij jullie ben? Ik verklaar nu dat de MensenZoon ervoor heeft gekozen om zijn volle leven in jullie midden en als één van jullie door te brengen. Wees van goede moed! Ik zal jullie niet verlaten totdat mijn werk voltooid is.”

Terwijl ze hun karige avondmaal nuttigden, vroeg Petrus aan de Meester: “Hoe lang blijven we nog op deze berg, weg van onze broeders?” En Jezus antwoordde: “Totdat jullie de glorie van de MensenZoon zullen zien en weten dat al wat ik jullie heb verkondigd, waar is.” En ze bespraken diverse aangelegenheden terwijl ze rond de gloeiende sintels van hun vuur zaten, totdat het donker werd en de ogen van de apostelen zwaar werden, want ze waren die ochtend heel vroeg aan hun reis begonnen.

Toen de drie ongeveer een half uur vast in slaap waren, werden ze plotseling gewekt door een knetterend geluid in de buurt, en tot hun grote verbazing en ontsteltenis zagen ze, toen ze om zich heen keken, Jezus in intiem gesprek met twee schitterende wezens, gekleed in de gewaden van het licht van de hemelse wereld. En het gezicht en de gestalte van Jezus straalden met de helderheid van een hemels licht. Deze drie spraken in een vreemde taal, maar op basis van bepaalde woorden vermoedde Petrus ten onrechte dat de wezens die bij Jezus waren Mozes en Elia waren; in werkelijkheid waren het Gabriël en de Vader Melchizedek. Bepaalde fysieke krachten hadden ervoor gezorgd dat de apostelen getuige konden zijn van deze scène, op verzoek van Jezus.

De drie apostelen waren zo erg geschrokken dat ze traag waren met het verzamelen van hun verstand, maar Petrus, die als eerste tot zichzelf kwam, zei, toen het verblindende visioen voor hen verdween en ze Jezus alleen zagen staan: “Jezus, Meester, het is goed dat we hier zijn geweest. We verheugen ons deze glorie te zien. We willen niet terug naar de roemloze wereld. Als u wilt, laten we dan hier blijven, en we zullen drie tenten opzetten, één voor u, één voor Mozes en één voor Elia.” En Petrus zei dit vanwege zijn verwarring, en omdat er op dat moment niets anders in hem opkwam.

Terwijl Petrus nog sprak, kwam er een zilveren wolk dichterbij en overschaduwde hen alle vier. De apostelen werden nu zeer bevreesd, en terwijl ze plat neervielen om te aanbidden, hoorden ze een stem, dezelfde die bij de doop van Jezus had gesproken, zeggen: “Dit is mijn geliefde Zoon; luister goed naar hem!” En toen de wolk verdween, was Jezus weer alleen met de drie, en hij reikte naar beneden en raakte hen aan, zeggende: “Sta op en wees niet bang; jullie zullen grotere dingen zien dan dit.” Maar de apostelen waren werkelijk bang; ze vormden een stil en nadenkend drietal toen ze zich kort voor middernacht gereedmaakten om de berg af te dalen.

De berg afdalen

Ongeveer de helft van de berg werd er geen woord gesproken. Jezus begon het gesprek met de opmerking: “Vertel vooral niemand, zelfs jullie broeders niet, wat je op deze berg hebt gezien en gehoord, voordat de MensenZoon uit de dood is opgestaan.” De drie apostelen waren geschokt en verbijsterd door de woorden van de Meester: ‘Voordat de MensenZoon uit de dood is opgestaan.’ Ze hadden nog maar net hun geloof in hem als de Verlosser, de Zoon van God, bevestigd en hadden hem zojuist voor hun ogen in alle glorie zien veranderen, en nu begon hij te praten over ‘opstaan uit de dood’!

Petrus huiverde bij de gedachte aan de dood van de Meester – het was een te onaangenaam idee om te koesteren – en uit angst dat Jacobus of Johannes een vraag zouden stellen over deze uitspraak, leek het hem het beste een afleidend gesprek te beginnen. Omdat hij niet wist waarover hij anders moest praten, gaf hij uiting aan de eerste gedachte die bij hem opkwam, namelijk: “Meester, waarom zeggen de schriftgeleerden dat Eliah eerst moet komen voordat de Messias verschijnt?” En Jezus, die wist dat Petrus probeerde te vermijden te verwijzen naar zijn dood en opstanding, antwoordde: “Eliah komt inderdaad eerst om de weg te bereiden voor de MensenZoon, die veel moet lijden en tenslotte verworpen zal worden. Maar Ik zeg u dat Eliah al gekomen is, en zij hebben hem niet aangenomen, maar hebben met hem gedaan wat zij wilden.” En toen beseften de drie apostelen dat hij Johannes de Doper Eliah noemde. Jezus wist dat als zij erop stonden hem als de Messias te beschouwen, Johannes dan wel de Eliah uit de profetie moest zijn.

Jezus gebood hen te zwijgen over hun waarneming van dit voorproefje van zijn glorie na de opstanding, omdat hij niet de gedachte wilde voeden dat hij, nu hij als de Messias werd aanvaard, dit in enige mate hun onjuiste opvattingen over een wonderdoenende verlosser zou vervullen. Hoewel Petrus, Jacobus en Johannes hierover nadachten, spraken ze er met niemand over tot na de opstanding van de Meester.

Terwijl ze verder de berg afdaalden, zei Jezus tot hen: “Jullie wilden mij niet ontvangen als de MensenZoon; daarom heb ik ermee ingestemd om ontvangen te worden in overeenstemming met jullie vaste besluit, maar vergis je niet, de wil van mijn Vader moet zegevieren. Als jullie er aldus voor kiezen om de neiging van jullie eigen wil te volgen, moeten jullie je voorbereiden op vele teleurstellingen en beproevingen, maar de training die ik jullie heb gegeven, zal voldoende zijn om jullie zelfs door deze smarten van jullie eigen keuze triomfantelijk heen te leiden.”

Jezus nam Petrus, Jacobus en Johannes niet mee naar de berg van de gedaanteverandering omdat ze in enig opzicht beter voorbereid waren dan de andere apostelen om getuige te zijn van wat er gebeurde, of omdat ze spiritueel geschikter waren om zo’n zeldzaam voorrecht te genieten. Helemaal niet. Hij wist heel goed dat geen van de twaalf spiritueel gekwalificeerd was voor deze ervaring. Daarom nam hij alleen de drie apostelen mee die waren aangewezen om hem te vergezellen op de momenten dat hij alleen wilde zijn om in afzondering communicatie te hebben.

Betekenis van de Transfiguratie

Wat Petrus, Jacobus en Johannes zagen op de berg van de Transfiguratie was maar een vluchtige glimp van een hemels schouwspel dat zich die gedenkwaardige dag op de berg Hermon afspeelde. De Transfiguratie was de aanleiding voor:

  1. De aanvaarding van de volheid / compleetheid van de missie van het geïncarneerde leven van Michael op aarde door de Eeuwige Moeder-Zoon van het Paradijs. Wat de eisen van de Eeuwige Zoon betreft, had Jezus nu de verzekering ontvangen dat ze vervuld waren. En Gabriël bracht Jezus die verzekering.
  2. De getuigenis van de voldoening van de Oneindige Spirit over de volheid / compleetheid van de missie op aarde in de vorm van een sterfelijk lichaam. De vertegenwoordigster van de Oneindige Spirit in het lokale universum, de directe metgezel van Michael op Salvington en zijn daar immer aanwezige partner, sprak bij deze gelegenheid door middel van de Vader Melchizedek.

Jezus verwelkomde deze getuigenis over het succes van zijn aardse missie, gepresenteerd door de boodschappers van de Eeuwige Zoon en de Oneindige Spirit, maar hij merkte op dat zijn Vader niet aangaf dat de missie op aarde voltooid was. Alleen de onzichtbare aanwezigheid van de Vader getuigde door middel van de Gepersonaliseerde Mentor-Spirit van Jezus, die zei: “Dit is mijn geliefde Zoon; luister goed naar hem.” En dit werd gesproken in woorden die ook door de drie apostelen gehoord konden worden.

Na dit hemelse bezoek wilde Jezus de wil van zijn Vader leren kennen en besloot hij de sterfelijke missie tot het natuurlijke einde te volbrengen. Dit was de betekenis van de transfiguratie -de gedaanteverandering- voor Jezus. Voor de drie apostelen was het een gebeurtenis die de intrede van de Meester markeerde in de laatste fase van zijn aardse loopbaan als Zoon van God en MensenZoon.

Na het formele bezoek van Gabriël en Vader Melchizedek voerde Jezus nog een informeel gesprek met hen, zijn dienstbare Zonen, en sprak met hen over de aangelegenheden van het lokale universum.

De epileptische jongen

Het was kort voor het ontbijt op deze dinsdagochtend toen Jezus en zijn metgezellen bij het apostolische kamp aankwamen. Toen ze dichterbij kwamen, zagen ze een aanzienlijke menigte rond de apostelen verzameld en al snel hoorden ze de luide woorden van discussie en twist van deze groep van ongeveer vijftig personen, die bestond uit de negen apostelen en een groep die gelijk verdeeld was tussen schriftgeleerden uit Jeruzalem en gelovige discipelen die Jezus en zijn metgezellen op hun reis vanuit Magadan hadden gevolgd.

Hoewel de menigte in talloze discussies verwikkeld raakte, ging de belangrijkste controverse over een zekere burger van Tiberias die de vorige dag was aangekomen om Jezus te zoeken. Deze man, Jacobus van Safed, had een zoon van ongeveer veertien jaar oud, een enig kind, die ernstig leed aan epilepsie. Naast deze zenuwziekte was deze jongen bezeten door een van die zwervende, kwaadaardige en opstandige middenwezens die toen op aarde aanwezig waren en niet onder controle stonden, zodat de jongeman zowel epileptisch als door demonen bezeten was.

Bijna twee weken lang had deze bezorgde vader, een lagere ambtenaar van Herodes Antipas, rondgezworven langs de westelijke grenzen van het gebied van Tetrarch Philippus, op zoek naar Jezus, die hij zou smeken om zijn zieke zoon te genezen. En hij haalde de apostelen pas rond het middaguur van die dag in, toen Jezus met de drie apostelen op de berg was.

De negen apostelen waren zeer verrast en behoorlijk van streek toen deze man, vergezeld door bijna veertig andere personen die Jezus zochten, hen plotseling tegenkwam. Toen deze groep arriveerde, waren de negen apostelen, althans de meesten van hen, bezweken voor hun oude verleiding: discussiëren over wie de grootste zou zijn in het komende koninkrijk. Ze waren druk aan het discussiëren over de waarschijnlijke posities die de individuele apostelen zouden krijgen. Ze konden zich eenvoudigweg niet volledig losmaken van het lang gekoesterde idee van de materiële missie van de Messias. En nu Jezus zelf hun bekentenis had aanvaard dat hij inderdaad de Verlosser was -in ieder geval had hij het feit van zijn goddelijkheid erkend– wat was dan natuurlijker dan dat ze, gedurende deze periode van scheiding van de Meester, zouden vervallen tot praten over de hoop en ambities die het meest in hun hart leefden. En ze waren verwikkeld in deze discussies toen Jacobus van Safed en zijn mede-zoekers naar Jezus hen tegenkwamen.

Andreas kwam naar voren om deze vader en zijn zoon te begroeten en zei: “Wie zoeken jullie?” Jacobus van Safed zei: “Mijn beste man, ik zoek uw Meester. Ik zoek genezing voor mijn gekwelde zoon. Ik zou willen dat Jezus deze duivel die mijn kind bezeten heeft, uitdrijft.” En toen vertelde de vader aan de apostelen hoe zijn zoon zo gekweld was dat hij vele malen bijna het leven had verloren als gevolg van deze kwaadaardige aanvallen.

Terwijl de apostelen luisterden, stapten Simon Zelotes en Judas Iscariot in de aanwezigheid van de vader en zeiden: “Wij kunnen hem genezen. U hoeft niet te wachten op de terugkeer van de Meester. Wij zijn ambassadeurs van het koninkrijk. Wij houden deze dingen niet langer geheim. Jezus is de Verlosser, en de sleutels van het koninkrijk zijn ons overhandigd.”

Tegen die tijd waren Andreas en Thomas aan één kant in overleg. Nathanaël en de anderen keken verbaasd toe. Ze waren allemaal verbijsterd door de plotselinge brutaliteit, zo niet aanmatiging, van Simon en Judas. Toen zei de vader: “Als het u gegeven is deze werken te doen, bid ik dat u de woorden spreekt die mijn kind uit deze slavernij zullen verlossen.” Simon stapte naar voren, legde zijn hand op het hoofd van het kind, keek hem recht in de ogen en beval: “Ga uit hem weg, onreine geest; gehoorzaam mij in de naam van Jezus.” Maar de jongen kreeg slechts een hevigere aanval, terwijl de schriftgeleerden de apostelen bespotten en de teleurgestelde gelovigen de hoon van deze vijandige critici moesten ondergaan.

Andreas was diep geërgerd door deze onverstandige poging en de jammerlijke mislukking ervan. Hij riep de apostelen apart voor overleg en gebed. Na deze periode van meditatie, terwijl hij de pijn van hun nederlaag scherp voelde en de vernedering die op hen allen rustte, probeerde Andreas in een tweede poging de demon uit te drijven, maar zijn inspanningen leidden alleen tot mislukking. Andreas gaf openlijk zijn nederlaag toe en verzocht de vader om de nacht of tot de terugkeer van Jezus bij hen te blijven. Hij zei: “Misschien gaat dit soort [ dit soort ‘boze geest’ ] alleen eruit op bevel van de Meester.”

En terwijl Jezus de berg afdaalde met de uitgelaten en extatische Petrus, Jacobus en Johannes, waren hun negen broeders eveneens slapeloos van verwarring en terneergeslagen vernedering. Ze vormden een verslagen en gekwelde groep. Maar Jacobus van Safed wilde niet opgeven. Hoewel ze hem geen idee konden geven wanneer Jezus zou terugkeren, besloot hij te blijven tot de Meester terugkwam.

Jezus geneest de jongen

Toen Jezus naderde, waren de negen apostelen meer dan opgelucht hem te mogen verwelkomen, en ze waren zeer bemoedigd door de goede moed en het ongewone enthousiasme die de gezichten van Petrus, Jacobus en Johannes tekenden. Ze renden allemaal naar voren om Jezus en hun drie broers te begroeten. Terwijl ze elkaar begroetten, kwam de menigte naar voren en Jezus vroeg: “Waarover hadden jullie het toen we dichterbij kwamen?” Maar voordat de onthutste en vernederde apostelen de vraag van de Meester konden beantwoorden, stapte de bezorgde vader van de bedroefde jongen naar voren en knielde aan de voeten van Jezus neer. Hij zei: “Meester, ik heb een zoon, een enig kind, die bezeten is door een boze geest. Niet alleen schreeuwt hij het uit van angst, staat hem schuim op de mond en valt hij als een dode neer op het moment van de aanval, maar vaak verscheurt deze boze geest die hem bezeten heeft hem met stuiptrekkingen en werpt hem soms in het water en zelfs in het vuur. Met veel tandenknarsen en als gevolg van vele kneuzingen kwijnt mijn kind weg. Zijn leven is erger dan de dood; zijn moeder en ik zijn bedroefd van hart en mentaal gebroken. Gisteren rond het middaguur, toen ik U zocht, trof ik Uw discipelen aan, en terwijl we wachtten, probeerden Uw apostelen deze demon uit te drijven, maar ze slaagden er niet in. En nu, Meester, wilt U dit voor ons doen, wilt U mijn zoon genezen?”

Toen Jezus naar dit verhaal had geluisterd, raakte hij de knielende vader aan en beval hem op te staan terwijl hij de apostelen die erbij stonden een onderzoekende blik gaf. Toen zei Jezus tegen allen die voor hem stonden: “O ongelovig en verdorven geslacht, hoe lang zal ik jullie nog verdragen? Hoe lang zal ik nog bij jullie zijn? Hoe lang zal het duren voordat jullie leren dat de werken van geloof niet voortkomen uit de drang van twijfelend ongeloof?” En toen, wijzend naar de verbijsterde vader, zei Jezus: “Breng uw zoon hier.” En toen Jacobus de jongen bij Jezus had gebracht, vroeg hij: “Hoe lang wordt de jongen al op deze manier gekweld?” De vader antwoordde: “Sinds hij een heel klein kind was.” En terwijl ze praatten, werd de jongeman door een hevige aanval overvallen en viel hij midden in hen neer, tandenknarsend en met schuim op de mond. Na een reeks hevige stuiptrekkingen lag hij daar als een dode voor hen. Nu knielde de vader opnieuw aan de voeten van Jezus, terwijl hij de Meester smeekte: “Als u hem kunt genezen, smeek ik u om medelijden met ons te hebben en ons van deze kwaal te verlossen.” En toen Jezus deze woorden hoorde, keek hij neer in het bezorgde gezicht van de vader en zei: “Twijfel niet aan de kracht van de liefde van mijn Vader, maar alleen aan de oprechtheid en reikwijdte van uw geloof. Alles is mogelijk voor hem die werkelijk gelooft.” En toen sprak Jacobus van Safed die lang te memoreren woorden van vermenging van geloof en twijfel:

“Heer, ik geloof. Ik bid dat u mijn ongeloof te hulp komt.”

Toen Jezus deze woorden hoorde, stapte hij naar voren, nam de jongen bij de hand en zei: “Ik zal dit doen in overeenstemming met de wil van mijn Vader en ter ere van het levende geloof. Mijn zoon, sta op! Ga uit hem weg, ongehoorzame geest, en keer niet terug in hem.” En Jezus legde de hand van de jongen in de hand van de vader en zei: “Ga heen. De Vader heeft het verlangen van uw ziel vervuld.” En allen die aanwezig waren, zelfs de vijanden van Jezus, waren verbaasd over wat ze zagen.

Het was inderdaad een desillusie voor de drie apostelen, die nog maar zo kort geleden hadden genoten van de spirituele extase van de taferelen en ervaringen van de gedaanteverandering, om zo spoedig terug te keren naar deze scène van nederlaag en ontreddering van hun mede-apostelen. Maar zo was het ook met deze twaalf ambassadeurs van het koninkrijk. Ze wisselden in hun levenservaringen steeds weer verhevenheid en vernedering af.

Dit was een ware genezing van een dubbele aandoening, een lichamelijke kwaal en een mentale ziekte. En vanaf dat moment was de jongen blijvend genezen. Toen Jacobus van Safed met zijn herstelde zoon was vertrokken, zei Jezus: “We gaan nu naar Caesarea-Philippi; maak je meteen klaar.” Het was een rustige groep die zuidwaarts reisde, terwijl de menigte hen volgde.

In de tuin van Celsus

Ze overnachtten bij Celsus, en die avond in de tuin, nadat ze gegeten en gerust hadden, verzamelden de twaalf zich rond Jezus. Thomas zei: “Meester, hoewel wij, die achterbleven, nog steeds onwetend zijn van wat er zich boven op de berg heeft afgespeeld en wat onze broeders die bij u waren zozeer heeft opgevrolijkt, willen we graag dat u met ons spreekt over onze nederlaag en ons hierover onderricht, aangezien de gebeurtenissen op de berg op dit moment niet onthuld kunnen worden.”

En Jezus antwoordde Thomas en zei: “Alles wat je broeders op de berg hebben gehoord, zal je te zijner tijd worden geopenbaard. Maar ik zal je nu de oorzaak laten zien van je nederlaag in datgene wat je zo onverstandig hebt geprobeerd. Terwijl je Meester en zijn metgezellen, jouw broeders, gisteren die berg beklommen om een grotere kennis van de wil van de Vader te zoeken en om te vragen om een rijkere gift van wijsheid om die goddelijke wil effectief uit te voeren, hebben jullie, die hier op wacht bleven met de opdracht om te streven naar het verkrijgen van spiritueel inzicht en om met ons te bidden voor een vollediger openbaring van de wil van de Vader, nagelaten het geloof te oefenen dat aan jullie ter beschikking stond. In plaats daarvan gaven jullie toe aan de verleiding en vielen jullie terug in je oude, kwade neigingen om voor jezelf bevoorrechte plaatsen te zoeken in het hemelse koninkrijk -maar dan het materiële en tijdelijke koninkrijk waar je steeds naar blijft kijken. En jullie klampen je vast aan deze onjuiste opvattingen, ondanks de herhaalde verklaring dat mijn koninkrijk niet van deze wereld is.”

“Zodra je geloof de identiteit van de MensenZoon begrijpt, sluipt je zelfzuchtige verlangen naar wereldse voorrang weer bij je terug naar binnen, en vervallen jullie tot discussie onder elkaar over wie de grootste zou moeten zijn in het hemelse koninkrijk, een koninkrijk dat, zoals jullie het je blijven voorstellen, niet bestaat en ook nooit zal bestaan. Heb ik je niet gezegd dat hij die de grootste wil zijn in het koninkrijk van de spirituele broederschap van mijn Vader, klein moet worden in zijn eigen ogen en zo de dienaar van zijn broeders moet worden? Spirituele grootheid bestaat in een begripvolle liefde die goddelijk is en niet in het genieten van de uitoefening van materiële macht ter verheffing van jezelf.”

“In wat je probeerde, waarin je zo volkomen faalde, was je doel niet zuiver. Je motief was niet goddelijk. Je ideaal was niet spiritueel. Je ambitie was niet altruïstisch. Je handelwijze was niet gebaseerd op liefde, en je doel was niet de wil van de Vader in de hemel.”

“Hoe lang zal het duren voordat je leert dat je de loop van gevestigde natuurlijke verschijnselen niet kunt verkorten, behalve wanneer zulke dingen in overeenstemming zijn met de wil van de Vader? Je kunt ook geen spiritueel werk doen zonder spirituele kracht. En je kunt geen van beide doen, zelfs niet wanneer hun potentieel aanwezig is, zonder het bestaan van die derde en essentiële menselijke factor, de persoonlijke ervaring van het bezit van levend geloof. Moet je altijd materiële manifestaties hebben als een aantrekkingskracht voor de spirituele realiteiten van het koninkrijk? Kun je de spirituele betekenis van mijn missie niet vatten zonder de zichtbare vertoning van ongewone werken? Wanneer kan er op jou vertrouwd worden, dat je je zult houden aan de hogere en spirituele realiteiten van het koninkrijk, ongeacht de uiterlijke schijn van alle materiële manifestaties?”

Toen Jezus aldus tot de twaalf had gesproken, voegde hij eraan toe: “En ga nu rusten, want morgen keren we terug naar Magadan en beraadslagen we over onze missie naar de steden en dorpen van de Dekapolis. En tot slot van de ervaring van vandaag wil ik aan ieder van jullie vertellen wat ik tot jullie broeders op de berg heb gesproken, en laten deze woorden diep in jullie harten wortel schieten: De MensenZoon begint nu aan de laatste fase van zijn missie. We staan op het punt te beginnen aan de werkzaamheden die spoedig zullen leiden tot de grote en laatste beproeving van jullie geloof en toewijding, wanneer ik zal worden overgeleverd in de handen van de mannen die mijn vernietiging zoeken. En onthoud wat ik jullie zeg: De MensenZoon zal ter dood worden gebracht, maar hij zal opstaan.”

Ze trokken zich bedroefd terug voor de nacht. Ze waren verbijsterd. Ze konden deze woorden niet begrijpen. En hoewel ze bang waren om iets te vragen over wat hij had gezegd, herinnerden ze zich alles na zijn opstanding.

Het protest van Petrus

Vroeg op woensdagochtend vertrokken Jezus en de twaalf vanuit Caesarea-Philippi naar het Magadanpark, nabij Bethsaida-Julias. De apostelen hadden die nacht weinig geslapen, dus ze waren vroeg op en klaar om te vertrekken. Zelfs de stugge Alpheus-tweeling was geschokt door dit gepraat over de dood van Jezus. Terwijl ze naar het zuiden reisden, kwamen ze net voorbij de wateren van Merom bij de weg naar Damascus. Omdat ze de schriftgeleerden en anderen wilden ontwijken, van wie Jezus wist dat ze hen spoedig zouden volgen, gaf hij hen opdracht om verder te gaan naar Capernaum via de weg naar Damascus, die door Galilea loopt. En hij deed dit omdat hij wist dat degenen die hem volgden, verder zouden gaan over de oostelijke Jordaanweg, omdat ze ervan uitgingen dat Jezus en de apostelen bang zouden zijn om door het gebied van Herodes Antipas te trekken. Jezus probeerde zijn critici en de menigte die hem volgde te ontwijken, zodat hij vandaag alleen met zijn apostelen zou zijn.

Ze reisden verder door Galilea tot ver na de lunchtijd, toen ze in de schaduw stopten om zich te verfrissen. En nadat ze gegeten hadden, zei Andreas tegen Jezus: “Meester, mijn broeders begrijpen uw diepe woorden niet. We zijn er volledig van overtuigd dat u de Zoon van God bent, en nu horen we deze vreemde woorden over ons verlaten, over sterven. We begrijpen uw leer niet. Spreekt u tot ons in parabels? We bidden u om rechtstreeks en onverbloemd tot ons te spreken.”

In antwoord op Andreas zei Jezus: “Broeders, omdat jullie hebben beleden dat ik de Zoon van God ben, voel ik mij genoodzaakt jullie de waarheid te gaan onthullen over het einde van de missie van de MensenZoon op aarde. Jullie blijven vasthouden aan het geloof dat ik de Messias ben, en jullie willen de gedachte niet loslaten dat de Messias op een troon in Jeruzalem moet zitten. Daarom blijf ik jullie vertellen dat de MensenZoon binnenkort naar Jeruzalem moet gaan, veel moet lijden, verworpen moet worden door de schriftgeleerden, de oudsten en de hogepriesters, en na dit alles gedood en uit de dood opgewekt moet worden. En ik vertel jullie geen parabel; ik vertel jullie de waarheid, zodat jullie voorbereid mogen zijn op deze gebeurtenissen wanneer ze ons plotseling overkomen.” Terwijl hij nog sprak, snelde Simon Petrus onstuimig op hem af, legde zijn hand op de schouder van de Meester en zei: “Meester, het zij verre van ons om met u te twisten, maar ik zeg u dat u zoiets nooit zal overkomen.”

Petrus sprak zo omdat hij Jezus liefhad; maar de menselijke natuur van de Meester herkende in deze woorden van goedbedoelde genegenheid de subtiele suggestie van verleiding om zijn beleid te veranderen: het beleid om zijn aardse schenking tot het einde toe na te streven in overeenstemming met de wil van zijn Paradijsvader. En omdat hij het gevaar bespeurde dat hij aan de suggesties van zelfs zijn liefhebbende en loyale vrienden zou toegeven, keerde hij zich tot Petrus en de andere apostelen en zei: “Ga achter mij  en verleid me niet! Ik ruik de spirit van de tegenstander, de verleider. Wanneer jullie zo praten, staan jullie niet aan mijn kant, maar aan de kant van onze vijand. Zo maken jullie je liefde voor mij tot een struikelblok voor het doen van de wil van de Vader. Let niet op de wegen van mensen, maar op de wil van God.”

Nadat ze bekomen waren van de eerste schok van de pijnlijke berisping door Jezus, en voordat ze hun reis hervatten, sprak de Meester verder: “Als iemand achter mij aan wil komen, laat hij zichzelf dan vergeten, dagelijks zijn verantwoordelijkheden op zich nemen en mij volgen. Want wie zijn leven zelfzuchtig wil redden, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest omwille van mij en het evangelie, zal het behouden. Wat baat het een mens om de hele wereld te winnen en zijn eigen ziel te verliezen? Wat zou een mens geven in ruil voor het eeuwige leven? Schaam je niet voor mij en mijn woorden in deze zondige en huichelachtige generatie, zoals ik mij ook niet zal schamen om jullie te erkennen wanneer ik in volle glorie voor mijn Vader verschijn in de tegenwoordigheid van alle hemelse legioenen. Niettemin zullen velen van jullie die nu voor mij staan, de dood niet smaken totdat je dit koninkrijk van God met kracht ziet komen.”

En zo maakte Jezus de twaalf duidelijk welk pijnlijk en tegenstrijdig pad ze moesten bewandelen als ze hem wilden volgen. Wat een schok waren deze woorden voor deze Galilese vissers, die bleven dromen van een aards koninkrijk met ereposities voor henzelf! Maar hun loyale harten werden geraakt door deze moedige oproep, en niemand van hen was van plan hem te verlaten. Jezus stuurde hen niet alleen de strijd in; hij leidde hen. Hij vroeg alleen dat ze hem moedig zouden volgen.

Langzaam begonnen de twaalf te beseffen dat Jezus hun iets vertelde over de mogelijkheid van zijn dood. Ze begrepen slechts vaag wat hij over zijn dood zei, terwijl zijn uitspraak over zijn opstanding uit de dood hen volkomen ontging. Naarmate de dagen verstreken, kwamen Petrus, Jacobus en Johannes, terugdenkend aan hun ervaring op de berg van de gedaanteverandering, tot een vollediger begrip van bepaalde van deze zaken.

In de hele omgang van de twaalf met hun Meester zagen ze slechts een paar keer dat flitsende oog en hoorden ze zulke snelle berispende woorden als die welke Petrus en de rest van hen bij deze gelegenheid ten deel vielen. Jezus was altijd geduldig geweest met hun menselijke tekortkomingen, maar niet toen hij geconfronteerd werd met een mogelijke bedreiging voor het plan om impliciet de wil van zijn Vader uit te voeren met betrekking tot de rest van zijn aardse loopbaan. De apostelen waren letterlijk verbijsterd. Ze waren verbaasd en geschokt. Ze konden geen woorden vinden om hun verdriet uit te drukken. Langzaam begonnen ze te beseffen wat de Meester moest doorstaan, en dat ze deze ervaringen met hem moesten doormaken, maar pas lang na deze vroege aanwijzingen voor de dreigende tragedie van zijn laatste dagen ontwaakten ze tot de realiteit van deze komende gebeurtenissen.

In stilte vertrokken Jezus en de twaalf naar hun kamp in het Magadanpark, via Capernaum. Naarmate de middag vorderde, spraken ze niet meer met Jezus, maar ze praatten wel veel onder elkaar, terwijl Andreas met de Meester sprak.

Bij Petrus thuis

Toen ze bij schemering Capernaum binnen kwamen, liepen ze over weinig bezochte wegen rechtstreeks naar het huis van Simon Petrus voor hun avondmaaltijd. Terwijl David Zebedeüs zich gereedmaakte om hen over het meer te brengen, bleven ze nog even in Simons huis. Jezus keek Petrus en de andere apostelen aan en vroeg: “Waarover hebben jullie vanmiddag, toen jullie samen optrokken, zo intens met elkaar gesproken?” De apostelen zwegen, omdat velen van hen de discussie die ze bij de berg Hermon waren begonnen, hadden voortgezet over welke posities ze in het komende koninkrijk zouden bekleden; wie de grootste zou zijn, enzovoort. Jezus, die wist wat hun gedachten die dag bezighield, wenkte een van de kleine kinderen van Petrus, zette het kind tussen hen neer en zei: “Voorwaar, voorwaar, ik zeg jullie, als je je niet bekeert en meer op dit kind gaat lijken, zul je weinig vooruitgang boeken in het hemelse koninkrijk. Wie zich nederig maakt en wordt als dit kleintje, zal de grootste worden in het hemelse koninkrijk. En wie zo’n kleintje ontvangt, ontvangt mij. En wie mij ontvangt, ontvangt ook Hem die mij gezonden heeft. Als je de eerste wilt zijn in het koninkrijk, ga dan deze goede waarheden verkondigen aan je sterfelijke broeders en zusters. Maar wie een van deze kleinen tot struikelen brengt, het zou beter voor hem zijn als er een molensteen om zijn nek werd gehangen en hij in zee werd geworpen. Als de dingen die je met je handen doet of de dingen die je met je ogen ziet, aanstoot geven in de voortgang van het koninkrijk, offer dan deze geliefde afgoden op, want het is beter het koninkrijk binnen te gaan zonder veel van de geliefde dingen van het leven, dan vast te houden aan deze afgoden en jezelf buiten sluiten van het koninkrijk. Maar bovenal, zorg ervoor dat je geen van deze kleinen veracht, want hun engelen zien altijd de gezichten van de hemelse legioenen.”

Toen Jezus uitgesproken was, stapten ze in de boot en voeren naar Magadan.

Dit hoofdstuk is een nieuwe Nederlandse vertaling gebaseerd op Paper 158 van het Urantia Boek: https://www.urantia.org