Inleiding

Op zondag 25 september, 29 n.Chr., kwamen de apostelen en evangelisten bijeen in Magadan. Na een lange bijeenkomst die avond met zijn metgezellen verraste Jezus iedereen door aan te kondigen dat hij en de twaalf apostelen de volgende dag vroeg naar Jeruzalem zouden vertrekken om het Loofhuttenfeest bij te wonen. Hij gaf opdracht dat de evangelisten de gelovigen in Galilea zouden bezoeken en dat het vrouwenkorps even naar Bethsaida zou terugkeren.

Toen het tijd werd om naar Jeruzalem te vertrekken, waren Nathanaël en Thomas nog in gesprek met Rodan van Alexandrië, en ze kregen toestemming van de Meester om een paar dagen in Magadan te blijven. Terwijl Jezus en de tien anderen op weg waren naar Jeruzalem, waren Nathanaël en Thomas in een heftig debat verwikkeld met Rodan. De week ervoor, waarin Rodan zijn filosofie had uiteengezet, hadden Thomas en Nathanaël om de beurt het evangelie van het koninkrijk aan de Griekse filosoof gepresenteerd. Rodan ontdekte dat hij goed was onderwezen in de leringen van Jezus door een van de voormalige apostelen van Johannes de Doper, die zijn leraar in Alexandrië was geweest.


Noot: Er zijn twee papers uit de originele Engelse tekst weggelaten in dit verhaal, namelijk de papers 160 en 161. Je kunt via de links alsnog naar deze papers, als achtergrond-informatie.


Toen Jezus met de tien apostelen naar Jeruzalem vertrok, was hij van plan om via Samaria te reizen, omdat dat de kortste route was. Daarom trokken ze langs de oostelijke oever van het meer en bereikten via Scythopolis de grenzen van Samaria. Tegen de avond stuurde Jezus Philippus en Mattheus naar een dorp op de oostelijke hellingen van de berg Gilboa om onderdak te regelen voor het gezelschap. Het bleek dat deze dorpelingen een sterke vooringenomenheid tegen de Joden hadden, zelfs meer dan de gemiddelde Samaritaan, en deze gevoelens werden juist op dat moment versterkt, omdat zovelen op weg waren naar het Loofhuttenfeest. Deze mensen wisten heel weinig over Jezus en weigerden hem onderdak te verlenen omdat hij en zijn metgezellen Joden waren. Toen Mattheus en Philippus verontwaardigd reageerden en deze Samaritanen vertelden dat ze weigerden de ‘Heilige van Israël’ te ontvangen, joegen de woedende dorpelingen hen met stokken en stenen het stadje uit.

Nadat Philippus en Mattheus naar hun metgezellen waren teruggekeerd en hadden verteld hoe ze uit het dorp waren verdreven, liepen Jacobus en Johannes naar Jezus toe en zeiden: “Meester, wij bidden u, geef ons toestemming om vuur uit de hemel te laten neerdalen om deze onbeschaamde Samaritanen zonder berouw te verslinden.” Maar toen Jezus deze wraakwoorden hoorde, keerde hij zich tegen de zonen van Zebedeüs en bestrafte hen streng: “Jullie weten niet welke houding jullie nu aan de dag leggen. Wraak heeft geen enkele smaak van het vooruitzicht op het hemelse koninkrijk. Laten we, in plaats van te redetwisten, naar het dorpje bij de Jordaan gaan.” Zo ontzegden deze Samaritanen zichzelf, uit sektarisch vooroordeel, de eer om gastvrijheid te bewijzen aan de Schepper-Zoon van een lokaal universum.

Jezus en de tien stopten voor de nacht in het dorp bij de Jordaan. De volgende dag staken ze vroeg de rivier over en vervolgden hun reis naar Jeruzalem via de oostelijke Jordaanweg. Ze kwamen woensdagavond laat in Bethanië aan. Thomas en Nathanaël arriveerden op vrijdag, na vertraging door hun gesprekken met Rodan.

Jezus en de twaalf bleven in de buurt van Jeruzalem tot het einde van de volgende maand (oktober), ongeveer vierenhalve week. Jezus zelf ging slechts een paar keer naar de stad, en deze korte bezoeken vonden plaats tijdens de dagen van het Loofhuttenfeest. Hij bracht een aanzienlijk deel van oktober door met Abner en zijn metgezellen in Bethlehem.

De gevaren van het bezoek aan Jeruzalem

Lang voordat ze uit Galilea vluchtten, hadden de volgelingen van Jezus hem gesmeekt om naar Jeruzalem te gaan om het evangelie van het koninkrijk te verkondigen, zodat zijn boodschap het prestige zou hebben van een prediking in het centrum van de Joodse cultuur en wetenschap. Maar nu hij daadwerkelijk naar Jeruzalem was gekomen om te onderwijzen, vreesden ze voor zijn leven. Wetende dat het Sanhedrin had geprobeerd Jezus naar Jeruzalem te brengen voor een proces, en zich de recent herhaalde verklaringen van de Meester herinnerend dat hij ter dood veroordeeld moest worden, waren de apostelen letterlijk verbijsterd door zijn plotselinge besluit om het Loofhuttenfeest bij te wonen. Op al hun eerdere smeekbeden om naar Jeruzalem te gaan, had hij geantwoord: “Het uur is nog niet gekomen.” Nu, op hun protesten van angst, antwoordde hij alleen: “Maar het uur is gekomen.”

Tijdens het Loofhuttenfeest ging Jezus verschillende keren vrijmoedig Jeruzalem binnen en onderwees hij in het openbaar in de tempel. Dit deed hij ondanks de pogingen van zijn apostelen om hem daarvan af te brengen. Hoewel ze hem al lang hadden aangespoord zijn boodschap in Jeruzalem te verkondigen, vreesden ze nu om hem op dit moment de stad te zien binnenkomen, wetende dat de schriftgeleerden en Farizeeën vastbesloten waren zijn dood te bewerkstelligen.

De dappere verschijning van Jezus in Jeruzalem bracht zijn volgelingen meer dan ooit in verwarring. Veel van zijn discipelen, en zelfs Judas Iscariot, de apostel, hadden het gewaagd te denken dat Jezus overhaast naar Phenicia was gevlucht omdat hij bang was voor de Joodse leiders en Herodes Antipas. Ze begrepen de betekenis van de bewegingen van de Meester niet. Zijn aanwezigheid in Jeruzalem tijdens het Loofhuttenfeest, zelfs tegen het advies van zijn volgelingen in, was voldoende om voor altijd een einde te maken aan alle gefluister over angst en lafheid.

Tijdens het Loofhuttenfeest zagen duizenden gelovigen uit alle delen van het Romeinse Rijk Jezus, hoorden hem onderwijzen en velen reisden zelfs naar Bethanië om met hem te overleggen over de voortgang van het koninkrijk in hun thuisdistricten.

Er waren vele redenen waarom Jezus gedurende de dagen van het feest in het openbaar in de tempelhoven kon prediken, en de belangrijkste daarvan was de angst die de beambten van het Sanhedrin had bevangen als gevolg van de geheime verdeeldheid in hun eigen gelederen. Het was een feit dat veel leden van het Sanhedrin heimelijk in Jezus geloofden of er anderszins absoluut afkerig van waren hem tijdens het feest te arresteren, terwijl er zoveel mensen in Jeruzalem aanwezig waren, van wie velen OF in hem geloofden OF op zijn minst welwillend stonden tegenover de spirituele beweging die hij sponsorde.

De inspanningen van Abner en zijn metgezellen in heel Judea hadden er ook veel aan bijgedragen dat de gevoelens ten gunste van het koninkrijk werden versterkt, zozeer zelfs dat de vijanden van Jezus niet al te openlijk hun verzet durfden te uiten. Dit was een van de redenen waarom Jezus Jeruzalem publiekelijk kon bezoeken en levend kon vertrekken. Een of twee maanden daarvoor zou hij zeker ter dood zijn gebracht.

Maar de gewaagde dapperheid van Jezus om publiekelijk in Jeruzalem te verschijnen, intimideerde zijn vijanden. Ze waren niet voorbereid op zo’n gedurfde uitdaging. Verschillende keren gedurende deze maand deed het Sanhedrin zwakke pogingen om de Meester te arresteren, maar daar kwam niets van terecht. Zijn vijanden waren zo verrast door de onverwachte publieke verschijning van Jezus in Jeruzalem dat ze vermoedden dat hem door de Romeinse autoriteiten bescherming beloofd moest zijn. Wetende dat Philippus (de broer van Herodes Antipas) bijna een volgeling van Jezus was, speculeerden de leden van het Sanhedrin dat Philippus voor Jezus beloften van bescherming tegen zijn vijanden had weten te verkrijgen. Jezus had hun rechtsgebied verlaten voordat ze tot het besef kwamen dat ze zich hadden vergist en dat zijn plotselinge en dappere verschijning in Jeruzalem helemaal niet te danken was aan een geheime afspraak met de Romeinse functionarissen.

Alleen de twaalf apostelen wisten dat Jezus van plan was het Loofhuttenfeest bij te wonen toen ze Magadan verlieten. De andere volgelingen van de Meester waren zeer verbaasd toen hij in de tempelhoven verscheen en in het openbaar begon te onderwijzen, en de Joodse autoriteiten waren onuitsprekelijk verrast toen werd gemeld dat hij in de tempel onderwees.

Hoewel zijn discipelen niet hadden verwacht dat Jezus het feest zou bijwonen, koesterde de overgrote meerderheid van de pelgrims die van ver kwamen, en over hem hadden gehoord, de hoop hem in Jeruzalem te zien. En ze werden niet teleurgesteld, want bij verschillende gelegenheden onderwees hij in de Zuilengang van Salomo en elders in de tempelhoven. Deze leringen vormden in feite de officiële of formele aankondiging van de goddelijkheid van Jezus aan het Joodse volk en aan de hele wereld.

De menigten die naar de leringen van de Meester luisterden, waren verdeeld in hun meningen. Sommigen zeiden dat hij een goed mens was; sommigen een profeet; sommigen dat hij werkelijk de Messias was; anderen zeiden dat hij een ondeugende bemoeial was, dat hij het volk op een dwaalspoor bracht met zijn vreemde leerstellingen. Zijn vijanden aarzelden om hem openlijk te veroordelen uit angst voor zijn vriendelijke gelovigen, terwijl zijn vrienden bang waren om hem openlijk te erkennen uit angst voor de Joodse leiders, wetende dat het Sanhedrin vastbesloten was hem ter dood te brengen. Maar zelfs zijn vijanden verwonderden zich over zijn leer, wetende dat hij niet was onderwezen in de scholen van de rabbijnen.

Telkens wanneer Jezus naar Jeruzalem ging, waren zijn apostelen vervuld van angst. Ze waren des te banger naarmate ze dag in dag uit luisterden naar zijn steeds meer dapper wordende uitspraken over de aard van zijn missie op aarde. Ze waren het niet gewend om Jezus zulke positieve beweringen en zulke verbazingwekkende uitspraken te horen doen, zelfs niet wanneer hij onder zijn vrienden predikte.

De eerste toespraak in de tempel

De eerste middag dat Jezus in de tempel onderwees, zat er een aanzienlijk gezelschap te luisteren naar zijn woorden over de vrijheid van het nieuwe evangelie en de vreugde van hen die het goede nieuws geloven. Toen onderbrak een nieuwsgierige luisteraar hem en vroeg: “Meester, hoe kunt u de Schriften citeren en de mensen zo vloeiend onderwijzen, terwijl mij is verteld dat u niet bent onderwezen in de leer van de rabbijnen?”

Jezus antwoordde: “Niemand heeft mij de waarheden geleerd die ik jullie verkondig. En deze leer is niet van mij, maar van Hem die mij gezonden heeft. Als iemand werkelijk de wil van mijn Vader wil doen, zal hij zeker weten of mijn leer van God komt of dat ik namens mijzelf spreek. Wie namens zichzelf spreekt, zoekt zijn eigen eer, maar wanneer ik de woorden van de Vader verkondig, zoek ik daarmee de eer van Hem die mij gezonden heeft. Maar voordat u probeert het nieuwe licht binnen te gaan, zou u dan niet beter het licht moeten volgen dat u al hebt? Mozes gaf u de wet, maar hoeveel van u proberen eerlijk aan de eisen ervan te voldoen? Mozes legt u in deze wet het volgende op: ‘U zult niet doden’; ondanks dit gebod proberen sommigen van u de MensenZoon te doden.”

Toen de menigte deze woorden hoorde, ontstond er ruzie onder elkaar. Sommigen zeiden dat hij gek was; anderen dat hij een duivel had. Anderen zeiden dat dit inderdaad de profeet van Galilea was, die de schriftgeleerden en Farizeeën al lang probeerden te doden. Sommigen zeiden dat de religieuze autoriteiten bang waren hem aan te vallen; anderen dachten dat ze hem niet hadden aangeraakt omdat ze in hem waren gaan geloven. Na een uitvoerige discussie stapte iemand uit de menigte naar voren en vroeg Jezus: “Waarom proberen de leiders u te doden?”

En hij antwoordde: “De heersers proberen mij te doden omdat ze mijn leer over het goede nieuws van het koninkrijk verafschuwen, een evangelie dat mensen bevrijdt van de belastende tradities van een formele religie van ceremonies die deze leraren koste wat kost hoog willen houden. Ze besnijden volgens de wet op de sabbath, maar ze zouden me doden omdat ik ooit op de sabbath een man bevrijdde die in slavernij van ellende zat. Ze volgen me op de sabbath om me te bespioneren, maar zouden me doden omdat ik er bij een andere gelegenheid voor koos om een zwaar getroffen man op de sabbath volledig te genezen. Ze proberen me te doden omdat ze heel goed weten dat, als jullie eerlijk geloven en mijn leer durven te aanvaarden, hun systeem van traditionele religie omvergeworpen zal worden, voor altijd vernietigd. Zo zullen ze beroofd worden van hun gezag over datgene waaraan ze hun leven hebben gewijd, omdat ze standvastig weigeren dit nieuwe en glorieuzere evangelie van het koninkrijk van God te aanvaarden. En nu doe ik een beroep op ieder van jullie: oordeel niet naar de uiterlijke schijn, maar oordeel liever naar de ware spirit van deze leringen; oordeel rechtvaardig.”

Toen zei een andere vragensteller: “Ja, Meester, wij zoeken de Messias, maar wanneer hij komt, weten we dat zijn verschijning een mysterie zal zijn. Wij weten waar u vandaan komt. U bent vanaf het begin onder uw broeders geweest. De Verlosser zal met macht komen om de troon van Davids koninkrijk te herstellen. Beweert u werkelijk de Messias te zijn?”

En Jezus antwoordde: “U beweert mij te kennen en te weten waar ik vandaan kom. Ik zou willen dat uw beweringen waar waren, want dan zou u inderdaad overvloedig leven vinden in die kennis. Maar ik verklaar dat ik niet voor mijzelf tot u ben gekomen; ik ben door de Vader gezonden, en Hij die mij gezonden heeft, is waarachtig en getrouw. Door te weigeren naar mij te luisteren, weigert u Hem te ontvangen die mij zendt. Als u dit evangelie wilt aannemen, zult u Hem leren kennen die mij gezonden heeft. Ik ken de Vader, want ik ben van de Vader gekomen om Hem aan u te verkondigen en te openbaren.”

De handlangers van de schriftgeleerden wilden hem de hand opleggen, maar ze vreesden de menigte, want velen geloofden in hem. Het werk van Jezus sinds zijn doop was bij alle Joden bekend geworden, en toen velen van hen deze dingen vertelden, zeiden ze onder elkaar: “Ook al komt deze leraar uit Galilea, en ook al voldoet hij niet aan al onze verwachtingen van de Messias, vragen we ons toch af of de Verlosser, wanneer hij komt, werkelijk iets wonderbaarlijkers zal doen dan wat Jezus van Nazareth al gedaan heeft.”

Toen de Farizeeën en hun handlangers het volk zo hoorden praten, overlegden ze met hun leiders en besloten dat er onmiddellijk iets gedaan moest worden om een einde te maken aan deze openbare verschijningen van Jezus in de tempelhoven. De Joodse leiders waren over het algemeen geneigd een botsing met Jezus te vermijden, in de veronderstelling dat de Romeinse autoriteiten hem onschendbaarheid hadden beloofd. Ze konden zijn dapperheid om op dat moment naar Jeruzalem te komen, niet anders verklaren. Maar de officieren van het Sanhedrin geloofden dit gerucht niet helemaal. Ze redeneerden dat de Romeinse heersers zoiets niet in het geheim en zonder medeweten van het hoogste bestuursorgaan van het Joodse volk zouden doen.

Daarom werd Eber, de bevoegde officier van het Sanhedrin, met twee assistenten eropuit gestuurd om Jezus te arresteren. Terwijl Eber naar Jezus toe liep, zei de Meester: “Wees niet bang om mij te naderen. Kom dichterbij terwijl u naar mijn onderricht luistert. Ik weet dat u bent gestuurd om mij te arresteren, maar u moet begrijpen dat de MensenZoon niets zal overkomen totdat zijn uur komt. U bent niet tegen mij; u komt alleen om de bevelen van uw meesters uit te voeren, en zelfs deze Joodse heersers denken werkelijk dat ze God dienen wanneer ze in het geheim mijn ondergang zoeken.”

“Ik draag geen enkele wrok tegen u. De Vader heeft u lief, en daarom verlang ik naar uw bevrijding uit de slavernij van vooroordelen en de duisternis van traditie. Ik bied u de vrijheid van het leven en de vreugde van de verlossing. Ik verkondig de nieuwe en levende weg, de bevrijding van het kwaad en het verbreken van de slavernij van de zonde. Ik ben gekomen opdat u leven zou hebben, en wel voor eeuwig. U wilt van mij en mijn verontrustende leringen af. Als jullie maar konden beseffen dat ik maar even bij jullie zal zijn! Binnenkort ga ik naar Hem die mij naar deze wereld heeft gezonden. En dan zullen velen van jullie mij ijverig zoeken, maar jullie zullen mijn aanwezigheid niet ontdekken, want waar ik op het punt sta heen te gaan, kunnen jullie niet komen. Maar allen die mij oprecht zoeken, zullen ooit het leven bereiken dat leidt naar de aanwezigheid van mijn Vader.”

Sommige spotters zeiden onder elkaar: “Waar zal deze man heengaan die wij hem niet kunnen vinden? Zal hij onder de Grieken gaan wonen? Zal hij zichzelf vernietigen? Wat kan hij bedoelen als hij verklaart dat hij ons spoedig zal verlaten en dat wij niet kunnen gaan waar hij heengaat?”

Eber en zijn helpers weigerden Jezus te arresteren. Ze keerden zonder hem terug naar hun ontmoetingsplaats. Toen de hogepriesters en de Farizeeën Eber en zijn helpers daarom berispten omdat ze Jezus niet hadden meegenomen, antwoordde Eber alleen: “Wij waren bang hem te midden van de menigte te arresteren, omdat velen in hem geloven. Bovendien hebben we nog nooit iemand zo horen spreken. Er is iets ongewoons aan deze leraar. Jullie zouden er allemaal goed aan doen om naar hem te gaan luisteren.” En toen de oversten deze woorden hoorden, waren ze verbaasd en spraken spottend tot Eber: “Bent u ook op een dwaalspoor gebracht? Bent u van plan in deze bedrieger te geloven? Hebt u gehoord dat een van onze geleerden of een van de oversten in hem heeft geloofd? Zijn een van de schriftgeleerden of de Farizeeën door zijn slimme leringen misleid? Hoe komt het dat u beïnvloed wordt door het gedrag van deze onwetende menigte die de wet of de profeten niet kent? Weet u dan niet dat zulke ongeleerde mensen vervloekt zijn?” En toen antwoordde Eber: “Toch wel, mijn meesters, maar deze man spreekt tot de menigte woorden van genade en hoop. Hij bemoedigt de terneergeslagenen, en zijn woorden waren zelfs voor onze zielen troostend. Wat kan er mis zijn met deze leringen, ook al is hij misschien niet de Messias van de Schrift? En vereist onze wet dan geen eerlijkheid? Veroordelen we iemand voordat we naar hem hebben geluisterd?” En de leider van het Sanhedrin was woedend op Eber en, zich tot hem wendend, zei: “Bent u gek geworden? Komt u soms ook uit Galilea? Onderzoek de Schriften en u zult ontdekken dat uit Galilea geen profeet opstaat, laat staan de Messias.”

Het Sanhedrin ging in verwarring uiteen en Jezus trok zich voor de nacht terug in Bethanië.

De vrouw betrapt op overspel

Tijdens dit bezoek aan Jeruzalem had Jezus te maken met een vrouw met een slechte reputatie die door haar aanklagers en vijanden voor hem was gebracht. Het verdraaide verslag dat u van deze gebeurtenis hebt, suggereert dat deze vrouw door de schriftgeleerden en Farizeeën voor Jezus was gebracht, en dat Jezus hen zo behandelde dat het erop wees dat deze religieuze leiders van de Joden zich mogelijk zelf schuldig hadden gemaakt aan immoraliteit. Jezus wist heel goed dat, hoewel deze schriftgeleerden en Farizeeën spiritueel blind en intellectueel bevooroordeeld waren door hun loyaliteit aan de traditie, zij tot de meest morele mannen van die tijd en generatie gerekend moesten worden.

Wat er werkelijk gebeurde, was dit: Vroeg op de derde ochtend van het feest, toen Jezus de tempel naderde, werd hij opgewacht door een groep huurlingen van het Sanhedrin die een vrouw met zich meesleepten. Toen ze dichterbij kwamen, zei de woordvoerder: “Meester, deze vrouw is op heterdaad betrapt op overspel. Nu gebiedt de wet van Mozes dat we zo’n vrouw moeten stenigen. Wat zeg je dat er met haar moet gebeuren?”

Het was het plan van de vijanden van Jezus om, als hij de wet van Mozes zou handhaven die eiste dat de zelfbekennende overtreder gestenigd zou worden, hem in moeilijkheden te brengen met de Romeinse heersers, die de Joden het recht hadden ontzegd de doodstraf op te leggen zonder de goedkeuring van een Romeinse rechtbank. Als hij het stenigen van de vrouw zou verbieden, zouden ze hem voor het Sanhedrin beschuldigen van het zich verheffen boven Mozes en de Joodse wet. Als hij zou zwijgen, zouden ze hem van lafheid beschuldigen. Maar de Meester beheerste de situatie zo dat het hele complot in duigen viel door zijn eigen verachtelijke gewicht.

Deze vrouw, ooit bevallig, was de echtgenote van een laag in aanzien staande burger van Nazareth, een man die gedurende zijn jeugd een onruststoker voor Jezus was geweest. De man, die met deze vrouw getrouwd was, dwong haar op zeer schandelijke wijze om hun brood te verdienen door handel met haar lichaam te drijven. Hij was naar het feest in Jeruzalem gekomen zodat zijn vrouw haar lichamelijke charmes kon gebruiken voor financieel gewin. Hij had een overeenkomst gesloten met de huurlingen van de Joodse leiders om zijn eigen vrouw te verraden in haar commerciële ondeugd. En dus kwamen ze met de vrouw en met haar medeplichtige in de overtreding, om Jezus ertoe te verleiden een verklaring af te leggen die tegen hem gebruikt kon worden in geval van zijn arrestatie.

Jezus, die over de menigte uitkeek, zag haar echtgenoot achter de anderen staan. Hij wist wat voor man hij was en merkte dat hij betrokken was bij de verachtelijke transactie. Jezus liep eerst om naar de plek waar deze ontaarde echtgenoot stond en schreef een paar woorden in het zand, waardoor hij haastig vertrok. Toen kwam hij terug bij de vrouw en schreef opnieuw op de grond ten behoeve van haar vermeende aanklagers; en toen ze zijn woorden lazen, gingen ook zij één voor één weg. En toen de Meester voor de derde keer in het zand had geschreven, nam de metgezel van de vrouw in het kwaad afscheid, zodat de Meester, toen hij opstond van dit schrijven, de vrouw alleen voor zich zag staan. Jezus zei: “Vrouw, waar zijn uw aanklagers? Is er niemand overgebleven om u te stenigen?” En de vrouw, haar ogen opslaand, antwoordde: “Niemand, Heer.” En toen zei Jezus: “Ik weet van u; ik veroordeel u ook niet. Ga heen in vrede.” En deze vrouw, Hildana, verliet haar slechte echtgenoot en sloot zich aan bij de discipelen van het koninkrijk.

Het Loofhuttenfeest

De aanwezigheid van mensen uit de hele bekende wereld, van Spanje tot India, maakte het Loofhuttenfeest een ideale gelegenheid voor Jezus om voor het eerst publiekelijk zijn volledige evangelie in Jeruzalem te verkondigen. Op dit feest leefden de mensen grotendeels in de open lucht, in hutten van natuurlijk materiaal, zoals takken en bladeren [ vergelijk het Engelse woord: leaf ]. Het was het feest van de oogst, en omdat het viel in de koelte van de herfstmaanden, werd het meer algemeen door de Joden van de wereld bijgewoond dan het Pascha aan het einde van de winter of Pinksteren aan het begin van de zomer. De apostelen zagen eindelijk hun Meester, als het ware, de dappere aankondiging van zijn missie op aarde doen voor de hele wereld.

Dit was het feest der feesten, omdat elk offer dat niet op de andere feesten werd gebracht, op dit tijdstip gebracht kon worden. Dit was de gelegenheid voor de ontvangst van de tempeloffers; het was een combinatie van vakantieplezier met de plechtige riten van religieuze eredienst. Dit was een tijd van raciale vreugde, vermengd met offers, Levitische gezangen en de plechtige stoten op de zilveren trompetten van de priesters. ’s Nachts werd het indrukwekkende schouwspel van de tempel en zijn pelgrimsmenigte schitterend verlicht door de grote kandelaars die helder brandden in de voorhof van de vrouwen, evenals door de schittering van tientallen fakkels die rondom de tempelhoven stonden. De hele stad was vrolijk versierd, behalve het Romeinse kasteel Antonia, dat in grimmig contrast neerkeek op dit feestelijke en eerbiedige tafereel. En wat hadden de Joden een hekel aan deze alomtegenwoordige herinnering aan de Romeinse onderdrukking!

Tijdens het feest werden zeventig stieren geofferd, het symbool van de zeventig heidense volken. De ceremonie van de uitstorting van het water symboliseerde de uitstorting van de goddelijke spirit. Deze ceremonie van het water volgde op de zonsopgang-processie van de priesters en Levieten. De aanbidders liepen de trappen af die van het voorhof van Israël naar het voorhof van de vrouwen leidden, terwijl er achtereenvolgende stoten uit de zilveren trompetten klonken. Vervolgens marcheerden de gelovigen verder naar de Schone Poort, die uitkwam op het voorhof van de niet-Joden. Hier keerden ze zich om naar het westen, herhaalden hun gezangen en zetten hun mars naar het symbolische water voort.

Op de laatste dag van het feest verrichtten bijna vierhonderdvijftig priesters met een overeenkomstig aantal Levieten hun dienst. Bij het aanbreken van de dag verzamelden de pelgrims zich uit alle delen van de stad, elk met een bundel mirte-, wilgen- en palmtakken in de rechterhand, terwijl elk in de linkerhand een tak van de paradijsappel – de ‘citron’, sukadeboom, of de “verboden vrucht” – droeg [niet te verwarren met “citroen”, zie citron ]. Deze pelgrims verdeelden zich in drie groepen voor deze ochtendceremonie. Eén groep bleef bij de tempel om de ochtendoffers bij te wonen; een andere groep marcheerde beneden Jeruzalem naar Maza om de wilgentakken te snijden voor de versiering van het offeraltaar, terwijl de derde groep een processie vormde om vanuit de tempel achter de waterpriester aan te marcheren. Deze droeg, onder het geluid van de zilveren trompetten, de gouden kruik met het symbolische water via Ophel tot nabij Siloam, waar de bronpoort zich bevond. Nadat de gouden kruik bij de vijver van Siloam was gevuld, marcheerde de processie terug naar de tempel. Ze kwamen binnen via de waterpoort en gingen direct naar het voorhof van de priesters. Daar voegde de priester die de waterkruik droeg zich bij de priester die de wijn voor het drankoffer droeg. Deze twee priesters begaven zich vervolgens naar de zilveren trechters die naar de voet van het altaar leidden en goten de inhoud van de kruiken daarin. De uitvoering van deze rite van het uitgieten van de wijn en het water was het signaal voor de verzamelde pelgrims om te beginnen met het zingen van de Psalmen 113 tot en met 118, afgewisseld met de Levieten. Terwijl ze deze regels herhaalden, zwaaiden ze met hun takken naar het altaar. Daarna volgden de offers voor die dag, verbonden met het herhalen van de psalm voor die dag. De psalm voor de laatste dag van het feest was de tweeëntachtigste, beginnend met het vijfde vers. [ Psalm 82, eerste vijf verzen: (1) God neemt plaats in de goddelijke vergadering; onder de goddelijke wezens velt hij het oordeel: (2) “Hoe lang zult u nog gedeeltelijk oordelen door de goddelozen gunstig te stemmen? (3) “Verdedig de armen en de wezen. Verleen recht aan de verdrukten en de armen. (4) Red de armen en de behoeftigen, bevrijd hen uit de macht van de goddelozen. (5) Zij weten het niet en begrijpen het niet; zij dwalen rond in het donker, terwijl alle fundamenten van de aarde wankelen. ]

Preek over het Licht van de Wereld

Op de avond van de voorlaatste dag van het feest, toen het tafereel schitterend verlicht werd door de lichten van de kandelaars en de fakkels, stond Jezus op te midden van de verzamelde menigte en zei:

“Ik ben het licht van de wereld. Wie mij volgt, zal niet in het donker ronddwalen, maar zal het licht van leven hebben. U durft mij terecht te stellen en u durft als mijn rechters te zitten, en u verklaart dat, als ik van mijzelf getuig, mijn getuigenis niet waar kan zijn. Maar het schepsel kan nooit over de Schepper oordelen. Zelfs als ik van mijzelf getuig, is mijn getuigenis eeuwig waar, want ik weet waar ik vandaan kom, wie ik ben en waar ik heen ga. U die de MensenZoon zou willen doden, weet niet waar ik vandaan kom, wie ik ben of waar ik heen ga. U oordeelt slechts naar de schijn van een sterfelijk lichaam; je neemt de werkelijkheden van de spirit niet waar. Ik oordeel over niemand, zelfs niet over mijn aartsvijand. Maar als ik ervoor zou kiezen om te oordelen, zou mijn oordeel waarachtig en rechtvaardig zijn, want ik zou niet alleen oordelen, maar in samenwerking met mijn Vader, die mij in de wereld heeft gezonden en die de bron is van alle ware oordeel. Je staat zelfs toe dat de getuigenis van twee betrouwbare personen aanvaard kan worden – welnu, dan getuig ik van deze waarheden; zo ook mijn Vader in de hemel. En toen ik je dit gisteren vertelde, vroeg je me in je duisternis: ‘Waar is je Vader?’ Waarlijk, je kent noch mij, noch mijn Vader, want als je mij had gekend, zou je ook de Vader hebben gekend.”

“Ik heb je al verteld dat ik wegga, en dat je me zult zoeken en niet zult vinden, want waar ik heenga, kun je niet komen. Jullie die dit licht zouden verwerpen, zijn van beneden; ik ben van boven. Jullie die liever in duisternis zitten, zijn van deze wereld; ik ben niet van deze wereld en leef in het eeuwige licht van de Vader der lichten. Jullie hebben allen ruimschoots de gelegenheid gehad om te leren wie ik ben, maar jullie zullen nog meer bewijs hebben dat de identiteit van de MensenZoon bevestigt. Ik ben het licht van leven, en ieder die dit reddende licht opzettelijk en met begrip verwerpt, zal in zijn zonden sterven. Veel heb ik jullie te vertellen, maar jullie kunnen mijn woorden niet ontvangen. Hij die mij gezonden heeft, is echter waarachtig en getrouw; mijn Vader heeft zelfs zijn dwalende kinderen lief. En alles wat mijn Vader gesproken heeft, verkondig ik ook aan de wereld.”

“Wanneer de MensenZoon weer opgetild zal zijn, dan zullen jullie allen weten dat ik het ben, en dat ik niets uit mijzelf heb gedaan, maar alleen zoals de Vader mij heeft geleerd. Ik spreek deze woorden tot jullie en tot jullie kinderen. En Hij die mij gezonden heeft, is nu bij mij; Hij heeft mij niet alleen gelaten, want ik doe altijd wat Hem welgevallig is.”

Terwijl Jezus de pelgrims in de tempelhoven aldus onderwees, geloofden velen. En niemand durfde hem met ook maar een vinger aan te raken.

Verhandeling over het Water van Leven

Op de laatste dag, de grote dag van het feest, toen de processie vanuit het badwater van Siloam door de tempelhoven trok, en vlak nadat het water en de wijn door de priesters op het altaar waren uitgegoten, zei Jezus, staande te midden van de pelgrims: “Als iemand dorst heeft, laat hij dan tot mij komen en drinken. Van de Vader boven breng ik het water van leven naar deze wereld. Wie mij gelooft, zal vervuld worden met de spirit die dit water vertegenwoordigt, want zelfs de Schriften hebben gezegd: ‘Uit Hem zullen stromen van levend water vloeien.’ Wanneer de MensenZoon zijn werk op aarde heeft voltooid, zal over alle sterfelijke lichamen de levende Spirit van Waarheid worden uitgestort. Zij die deze spirit ontvangen, zullen nooit spirituele dorst kennen.”

Jezus onderbrak de dienst niet om deze woorden te spreken. Hij sprak de gelovigen toe direct na het zingen van de Hallel, het beantwoorden van de Psalmen, begeleid door het zwaaien van de takken voor het altaar. Juist hier was er een pauze terwijl de offers werden voorbereid, en het was op dit moment dat de pelgrims de fascinerende stem van de Meester hoorden verklaren dat hij de gever van levend water was aan elke spirit-dorstige ziel.

Aan het einde van deze dienst in de vroege ochtend vervolgde Jezus zijn onderricht aan de menigte, zeggende: “Hebt u niet in de Schrift gelezen: ‘Zie, zoals het water wordt uitgestort op het droge en zich verspreidt over de dorre grond, zo zal Ik de Spirit van heiligheid geven om te worden uitgestort op uw kinderen als een zegen, zelfs voor uw kindskinderen’? Waarom zult u dorsten naar de dienstverlening door de spirit terwijl u probeert uw ziel te bevochtigen met de tradities van mensen, uitgegoten uit de gebroken kruiken van ceremoniële diensten? Wat u in deze tempel ziet gebeuren, is de manier waarop uw voorouders de schenking van de goddelijke spirit aan de kinderen van het geloof probeerden te symboliseren, en u hebt er goed aan gedaan deze symbolen tot op de dag van vandaag in stand te houden. Maar nu is tot deze generatie de openbaring van de Vader van alle Spirits gekomen door de schenking van Zijn Zoon, en dit alles zal zeker gevolgd worden door de schenking van de Spirit van de Vader en de Zoon aan de mensenkinderen. Voor een ieder die gelooft, zal deze gift van de Spirit de ware leraar worden van de weg die leidt tot het eeuwige leven, tot de ware wateren van leven in het hemelse koninkrijk op aarde en in het paradijs van de Vader aldaar.”

En Jezus ging verder met het beantwoorden van de vragen van zowel de menigte als de Farizeeën. Sommigen dachten dat hij een profeet was; sommigen geloofden dat hij de Messias was; anderen zeiden dat hij de Christus niet kon zijn, aangezien hij uit Galilea kwam en dat de Messias Davids troon moest herstellen. Toch durfden ze hem niet te arresteren.

De verhandeling over spirituele vrijheid

Op de middag van de laatste dag van het feest, nadat de apostelen er niet in waren geslaagd hem over te halen uit Jeruzalem te vluchten, ging Jezus opnieuw de tempel in om te onderwijzen. Toen hij een grote groep gelovigen in de zuilengang van Salomo aantrof, sprak hij hen toe en zei:

“Als mijn woorden in u blijven en u bereid bent de wil van mijn Vader te doen, dan bent u waarlijk mijn discipelen. U zult de waarheid kennen, en de waarheid zal u vrijmaken. Ik weet hoe u mij zult antwoorden: wij zijn kinderen van Abraham en wij zijn van niemand slaven; hoe zullen wij dan vrijgemaakt worden? Toch spreek ik niet over uiterlijke onderwerping aan de heerschappij van een ander; ik doel op de vrijheden van de ziel. Voorwaar, voorwaar, ik zeg u, ieder die zonde begaat, is een slaaf van de zonde. En u weet dat de slaaf waarschijnlijk niet eeuwig in het huis van zijn meester zal blijven. U weet ook dat de zoon in het huis van zijn vader blijft. Als de Zoon u dan vrijmaakt, u tot zonen maakt, zult u werkelijk vrij zijn.”

“Ik weet dat jullie Abrahams zaad zijn, maar toch proberen jullie leiders mij te doden omdat mijn woord niet de transformerende invloed in hun harten heeft mogen hebben. Hun zielen zijn verzegeld door vooroordeel en verblind door de trots van wraak. Ik verklaar jullie de waarheid die de eeuwige Vader mij toont, terwijl deze misleide leraren de dingen proberen te doen die ze alleen van hun tijdelijke vaders hebben geleerd. En wanneer jullie antwoorden dat Abraham jullie vader is, dan zeg ik jullie dat, als jullie de kinderen van Abraham waren, jullie de werken van Abraham zouden doen. Sommigen van jullie geloven mijn leer, maar anderen proberen mij te vernietigen omdat ik jullie de waarheid heb verteld die ik van God heb ontvangen. Maar Abraham heeft de waarheid van God niet zo behandeld. Ik zie dat sommigen onder jullie vastbesloten zijn de werken van het kwaad te doen. Als God jullie Vader was, zouden jullie mij kennen en de waarheid liefhebben die ik openbaar. Willen jullie niet zien dat ik van de Vader kom, dat ik door God gezonden ben, dat ik dit werk niet uit mezelf doe? Waarom begrijpen jullie mijn woorden niet? Is het omdat jullie ervoor gekozen hebben om kinderen van het kwaad te worden? Als jullie kinderen van de duisternis zijn, zullen jullie nauwelijks wandelen in het licht van de waarheid die ik openbaar. De kinderen van het kwaad volgen slechts de wegen van hun vader, die een bedrieger was en niet voor de waarheid opkwam, omdat er geen waarheid in hem was. Maar nu komt de MensenZoon, die de waarheid spreekt en leeft, en velen van jullie weigeren te geloven.”

“Wie van jullie veroordeelt mij vanwege een zonde? Als ik dan de waarheid verkondig en leef die mij door de Vader is getoond, waarom geloven jullie dan niet? Hij die uit God is, hoort graag de woorden van God; daarom horen velen van jullie mijn woorden niet, omdat jullie niet uit God zijn. Jullie leraren hebben zelfs beweerd dat ik mijn werken doe door de macht van de leider van de duivels. Iemand in de buurt heeft zojuist gezegd dat ik een duivel heb, dat ik een kind van de duivel ben. Maar jullie allen die eerlijk met jullie eigen ziel omgaan, weten heel goed dat ik geen duivel ben. Jullie weten dat ik de Vader eer, zelfs terwijl jullie mij zouden onteren. Ik zoek niet mijn eigen glorie, alleen de glorie van mijn Paradijs-Vader. En ik oordeel jullie niet, want er is er één die voor mij oordeelt.”

“Voorwaar, voorwaar, ik zeg jullie die het evangelie geloven: als iemand dit woord van waarheid levend in zijn hart houdt, zal hij de dood nooit proeven. En nu, vlak naast mij, zegt een schriftgeleerde dat deze bewering bewijst dat ik een duivel heb, aangezien Abraham dood is, en ook de profeten. En hij vraagt: ‘Bent u zoveel groter dan Abraham en de profeten dat u hier durft te staan en te zeggen dat wie uw woord houdt, de dood niet zal proeven? Wie beweert u te zijn dat u zulke godslasteringen durft uit te spreken?’ En ik zeg tot allen dat, indien ik mijzelf verheerlijk, mijn heerlijkheid niets is. Maar het is de Vader die mij zal verheerlijken, ja, dezelfde Vader die u God noemt. Maar u hebt Deze, uw God en mijn Vader, niet gekend, en ik ben gekomen om u bijeen te brengen; om u te laten zien hoe u waarlijk kinderen van God kunt worden. Hoewel u de Vader niet kent, ken ik Hem waarlijk. Zelfs Abraham verheugde zich om mijn dag te zien, en door het geloof zag hij die en was verheugd.”

Toen de ongelovige Joden en de agenten van het Sanhedrin, die zich inmiddels verzameld hadden, deze woorden hoorden, ontstond er tumult en ze riepen: “Jullie zijn nog geen vijftig jaar oud, en toch spreken jullie over het zien van Abraham; Je bent een kind van de duivel!” Jezus kon zijn toespraak niet voortzetten. Hij zei alleen bij zijn vertrek: “Voorwaar, voorwaar, ik zeg u: vóór Abraham geboren was, ben Ik.” Veel ongelovigen stormden naar voren om stenen te halen om naar hem te gooien, en de agenten van het Sanhedrin probeerden hem te arresteren, maar de Meester baande zich snel een weg door de tempelgangen en ontsnapte naar een geheime ontmoetingsplaats in de buurt van Bethanië, waar Martha, Maria en Lazarus hem opwachtten.

Het bezoek aan Martha en Maria

Er was afgesproken dat Jezus bij Lazarus en zijn zussen in het huis van een vriend zou logeren, terwijl de apostelen in kleine groepjes her en der verspreid waren. Deze voorzorgsmaatregelen werden genomen omdat de Joodse autoriteiten opnieuw stevige plannen kregen om hem te arresteren.

Jarenlang was het de gewoonte geweest dat deze drie alles lieten vallen en naar Jezus luisterden, onderwijzend wanneer hij hen toevallig bezocht. Na het verlies van hun ouders had Martha de verantwoordelijkheden van het huiselijk leven op zich genomen, en dus maakte Martha zich bij deze gelegenheid, terwijl Lazarus en Maria aan de voeten van Jezus zaten en zijn verfrissende onderricht dronken, gereed om de avondmaaltijd te serveren. Het moet worden uitgelegd dat Martha onnodig werd afgeleid door talloze nutteloze taken en dat ze werd belast door vele triviale zorgen; dat was haar aard.

Terwijl Martha zich bezighield met al deze veronderstelde taken, raakte ze van streek omdat Maria niets deed om te helpen. Daarom ging ze naar Jezus en zei: “Meester, kan het u niet schelen dat mijn zuster mij alleen laat om al het werk te doen? Wilt u haar niet vragen om mij te komen helpen?” Jezus antwoordde: “Martha, Martha, waarom maak je je altijd zorgen over zoveel dingen en word je gekweld door zoveel kleinigheden? Slechts één ding is echt de moeite waard, en aangezien Maria dit goede en noodzakelijke deel heeft uitgekozen, zal ik het haar niet ontnemen. Maar wanneer zullen jullie beiden leren leven zoals ik jullie heb geleerd: beiden dienend in samenwerking en beiden gezamenlijk jullie ziel verfrissend? Kun je niet leren dat er voor alles een tijd is, dat de kleinere zaken van het leven plaats moeten maken voor de grotere dingen van het hemelse koninkrijk?”

In Bethlehem met Abner

Gedurende de week na het Loofhuttenfeest kwamen tientallen gelovigen bijeen in Bethanië en ontvingen onderricht van de twaalf apostelen. Het Sanhedrin deed geen enkele poging om deze bijeenkomsten te verstoren, aangezien Jezus er niet bij was. Hij werkte al die tijd samen met Abner en zijn metgezellen in Bethlehem. De dag na afloop van het feest was Jezus naar Bethanië vertrokken en hij gaf tijdens dit bezoek aan Jeruzalem geen onderricht meer in de tempel.

In die tijd vestigde Abner zijn hoofdkwartier in Bethlehem, en vanuit dat centrum waren vele werkers naar de steden van Judea en Zuid-Samaria en zelfs naar Alexandrië gestuurd. Binnen enkele dagen na zijn aankomst voltooiden Jezus en Abner de voorbereidingen voor de consolidatie van het werk van de twee groepen apostelen.

Gedurende zijn bezoek aan het Loofhuttenfeest had Jezus zijn tijd ongeveer gelijk verdeeld tussen Bethanië en Bethlehem. In Bethanië bracht hij aanzienlijke tijd door met zijn apostelen; in Bethlehem gaf hij Abner en de andere voormalige apostelen van Johannes veel onderricht. En het was dit intieme contact dat hen er uiteindelijk toe bracht in hem te geloven. Deze voormalige apostelen van Johannes de Doper werden beïnvloed door de moed die hij toonde tijdens zijn openbare onderricht in Jeruzalem, en ook door het sympathieke begrip dat ze hadden ervaren tijdens zijn privé-onderricht in Bethlehem. Deze invloeden overtuigden uiteindelijk elk van Abners metgezellen volledig van een oprechte aanvaarding van het koninkrijk en alles wat zo’n stap inhield.

Voordat hij Bethlehem voor de laatste keer verliet, trof de Meester regelingen zodat zij zich allen bij hem zouden aansluiten in de gezamenlijke inspanning die zou voorafgaan aan het einde van zijn aardse loopbaan in het sterfelijke lichaam. Er werd overeengekomen dat Abner en zijn metgezellen zich in de nabije toekomst bij Jezus en de twaalf zouden voegen in het Magadanpark.

In overeenstemming met deze afspraak sloten Abner en zijn elf metgezellen zich begin november aan bij Jezus en de twaalf en werkten ze als één organisatie met hen samen tot aan de kruisiging.

In de tweede helft van oktober trokken Jezus en de twaalf zich terug uit de directe omgeving van Jeruzalem. Op zondag 30 oktober verlieten Jezus en zijn metgezellen de stad Ephraim, waar hij enkele dagen in rust en afzondering had doorgebracht, en gingen via de westelijke Jordaanweg rechtstreeks naar het Magadanpark, waar ze laat in de middag van woensdag 2 november aankwamen.

De apostelen waren zeer opgelucht dat de Meester weer op bevriende bodem was; ze drongen er niet langer bij hem op aan om naar Jeruzalem te gaan om het evangelie van het koninkrijk te verkondigen.

Kaartje ontleend aan: https://www.urantia.org/in-his-steps/30

Dit hoofdstuk is een nieuwe Nederlandse vertaling gebaseerd op Paper 162 van het Urantia Boek: https://www.urantia.org