Inleiding

De dag na de gedenkwaardige toespraak over “Het Hemelse Koninkrijk” kondigde Jezus aan dat hij en de apostelen de volgende dag naar Jeruzalem zouden vertrekken voor het Pascha, waarbij ze onderweg talloze steden in zuidelijk Perea zouden bezoeken.

De toespraak over het koninkrijk en de aankondiging dat hij naar het Pascha zou gaan, brachten al zijn volgelingen ertoe te denken dat hij naar Jeruzalem zou gaan om het tijdelijke koninkrijk van Joodse suprematie te vestigen. Wat Jezus ook zei over het immateriële karakter van het koninkrijk, hij kon de gedachte dat de Messias een soort nationalistische regering zou vestigen met het hoofdkwartier in Jeruzalem, niet volledig uit de gedachten van zijn Joodse toehoorders bannen.

Wat Jezus in zijn sabbathpreek zei, bracht de meerderheid van zijn volgelingen alleen maar in verwarring; slechts weinigen werden verlicht door de toespraak van de Meester. De leiders begrepen iets van zijn leringen over het innerlijke koninkrijk, “het hemelse koninkrijk in u”, maar ze wisten ook dat hij over een ander, toekomstig koninkrijk had gesproken, en zo geloofden ze, dat hij nu naar Jeruzalem zou optrekken om dit koninkrijk te gaan vestigen. Toen ze in deze verwachting teleurgesteld werden, toen hij door de Joden werd verworpen, en later, toen Jeruzalem letterlijk verwoest werd, klampten ze zich nog steeds vast aan deze hoop, oprecht gelovend dat de Meester spoedig in grote macht en majestueuze glorie naar de wereld zou terugkeren om het beloofde koninkrijk te vestigen.

Het was op deze zondagmiddag dat Salome, de moeder van Jacobus en Johannes Zebedeüs, met haar twee apostelzonen naar Jezus kwam en, op de manier waarop men een oosterse potentaat benaderde, probeerde Jezus van tevoren te laten beloven dat hij elk verzoek dat ze zou doen, zou inwilligen. Maar de Meester wilde haar niet beloven; in plaats daarvan vroeg hij haar: “Wat wilt u dat ik voor u doe?” Toen antwoordde Salome: “Meester, nu u naar Jeruzalem gaat om het koninkrijk te vestigen, zou ik u van tevoren willen vragen mij te beloven dat deze mijn zonen de eer zullen hebben bij u te zitten, de een aan uw rechterhand en de ander aan uw linkerhand, in uw koninkrijk.”

Toen Jezus Salome’s verzoek hoorde, zei hij: “Vrouw, u weet niet wat u vraagt.” En toen, recht in de ogen kijkend van de twee eerzoekende apostelen, zei hij: “Omdat ik u al lang ken en liefheb; omdat ik zelfs in het huis van jullie moeder heb gewoond; omdat Andreas jullie heeft aangewezen om altijd bij mij te zijn; daarom staan jullie toe dat je moeder in het geheim naar mij toe komt en dit ongepaste verzoek doet. Maar laat mij jullie vragen: kunnen jullie de beker drinken die ik ga drinken?” En zonder er ook maar een moment over na te denken, antwoordden Jacobus en Johannes: “Ja, Meester, dat kunnen we.” Jezus zei: “Het doet mij verdriet dat jullie niet weten waarom we naar Jeruzalem gaan; het doet mij verdriet dat jullie de aard van mijn koninkrijk niet begrijpen; het stelt mij teleur dat jullie je moeder meenemen om mij dit verzoek te doen; maar ik weet dat jullie mij in jullie hart liefhebben. Daarom verklaar ik dat jullie inderdaad uit mijn beker van bitterheid zullen drinken en in mijn vernedering zullen delen, maar om aan mijn rechter- en aan mijn linkerhand te zitten, is niet aan mij om weg te geven. Zulke eerbewijzen zijn voorbehouden aan hen die door mijn Vader zijn aangewezen.”

Tegen die tijd had iemand Petrus en de andere apostelen over deze bijeenkomst ingelicht, en zij waren zeer verontwaardigd dat Jacobus en Johannes ernaar streefden om vóór hen te worden verkozen en dat ze in het geheim met hun moeder meegingen om een dergelijk verzoek te doen. Toen ze met elkaar in discussie raakten, riep Jezus hen allen bijeen en zei: “Jullie begrijpen heel goed hoe de heersers van de volken hun onderdanen overheersen en hoe de groten hun macht uitoefenen. Maar zo zal het niet zijn in het hemelse koninkrijk. Wie onder jullie groot wil zijn, moet eerst jullie dienaar worden. Wie de eerste wil zijn in het koninkrijk, moet jullie dienaar worden. Ik verklaar jullie dat de MensenZoon niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen. En nu ga ik naar Jeruzalem om mijn leven te geven in het doen van de wil van de Vader en in dienst van mijn broeders.” Toen de apostelen deze woorden hoorden, trokken ze zich terug om te bidden. Die avond, als reactie op de inspanningen van Petrus, boden Jacobus en Johannes passende excuses aan de tien aan en werden ze weer in de gunst van hun broeders gebracht.

Toen de zonen van Zebedeüs om een plaats aan de rechter- en linkerhand van Jezus in Jeruzalem vroegen, beseften ze nauwelijks dat hun geliefde leraar binnen een maand aan een Romeins kruis zou hangen met een stervende dief aan de ene kant en een andere overtreder aan de andere kant. En hun moeder, die bij de kruisiging aanwezig was, herinnerde zich maar al te goed het dwaze verzoek dat ze in Pella aan Jezus had gedaan met betrekking tot de eer die ze zo onverstandig voor haar apostelzonen zocht.

Het vertrek uit Pella

Op maandagochtend 13 maart namen Jezus en zijn twaalf apostelen definitief afscheid van het kamp in Pella en vertrokken naar het zuiden voor hun tocht langs de steden in zuidelijk Perea, waar Abners metgezellen aan het werk waren. Ze brachten meer dan twee weken door met het bezoeken van de zeventig en gingen vervolgens rechtstreeks naar Jeruzalem voor het Pascha.

Toen de Meester Pella verliet, volgden de discipelen die bij de apostelen gelegerd waren, ongeveer duizend in getal, hem. Ongeveer de helft van deze groep verliet hem bij de doorwaadbare plaats van de Jordaan op de weg naar Jericho, toen ze hoorden dat hij naar Heshbon ging en nadat hij de preek over “Het berekenen van de kosten” had gehouden. Ze gingen verder naar Jeruzalem, terwijl de andere helft hem twee weken volgde en de steden in zuidelijk Perea bezocht.

Kaartje ontleend aan: https://www.urantia.org/in-his-steps/32

In grote lijnen begrepen de meeste van de directe volgelingen van Jezus dat het kamp bij Pella verlaten was, maar ze dachten in werkelijkheid dat dit erop duidde dat hun Meester eindelijk van plan was naar Jeruzalem te gaan en Davids troon op te eisen. Een grote meerderheid van zijn volgelingen kon zich nooit een ander concept van het hemelse koninkrijk voorstellen; wat hij hun ook leerde, ze zouden dit Joodse idee van het koninkrijk niet opgeven.

In opdracht van de apostel Andreas sloot David Zebedeüs op woensdag 15 maart het bezoekerskamp bij Pella. Op dat moment verbleven er bijna vierduizend bezoekers, en dit is exclusief de duizend en meer personen die met de apostelen verbleven in wat bekend stond als het kamp van de leraren, en die met Jezus en de twaalf naar het zuiden trokken. Hoewel David dit met tegenzin deed, verkocht hij de hele uitrusting aan talloze kopers en ging met de opbrengst naar Jeruzalem, waarna hij het geld aan Judas Iscariot overhandigde.

David was aanwezig in Jeruzalem tijdens de tragische laatste week en nam zijn moeder na de kruisiging mee terug naar Bethsaida. Terwijl hij op Jezus en de apostelen wachtte, verbleef David bij Lazarus in Bethanië en raakte enorm geïrriteerd door de manier waarop de Farizeeën hem sinds zijn opstanding [de opstanding van Lazarus] begonnen te vervolgen en te kwellen. Andreas had David opgedragen de koeriersdienst te staken; en dit werd door allen uitgelegd als een aanwijzing voor de spoedige vestiging van het koninkrijk in Jeruzalem. David zat zonder werk en had bijna besloten de zelfbenoemde verdediger van Lazarus te worden, toen het voorwerp van zijn verontwaardigde bezorgdheid al snel in allerijl naar Philadelphia vluchtte. Dienovereenkomstig ging David, enige tijd na de opstanding [van Jezus] en ook na de dood van zijn moeder, naar Philadelphia, nadat hij eerst Martha en Maria had geholpen bij het verkopen van hun onroerend goed. En daar bracht hij, in samenwerking met Abner en Lazarus, de rest van zijn leven door, en werd hij de financiële toezichthouder van al die grote belangen van het koninkrijk die tijdens het leven van Abner hun centrum in Philadelphia hadden.

Binnen korte tijd na de verwoesting van Jeruzalem werd Antiochië het hoofdkwartier van het ‘Paulinische’ Christendom terwijl Philadelphia het centrum bleef van het ‘Abneriaanse’ Hemelse Koninkrijk. Vanuit Antiochië verspreidde de Paulinische versie van de leringen van Jezus en over Jezus zich over de hele westerse wereld. Vanuit Philadelphia verspreidden de missionarissen van de Abneriaanse versie van het hemelse koninkrijk zich over Mesopotamië en Arabië, totdat in latere tijden deze compromisloze afgezanten van de leringen van Jezus werden overweldigd door de plotselinge opkomst van de islam.

Over het berekenen van de kosten

Toen Jezus en zijn gezelschap van bijna duizend volgelingen aankwamen bij de oversteekplaats van de Jordaan bij Bethanië, soms Bethabara genoemd, begonnen zijn discipelen te beseffen dat hij niet rechtstreeks naar Jeruzalem ging. Terwijl ze aarzelden en met elkaar discussieerden, klom Jezus op een enorme steen en hield de toespraak die bekend is geworden als “Het berekenen van de kosten”. De Meester zei:

“Jullie die mij vanaf nu willen volgen, moeten bereid zijn de prijs te betalen van oprechte toewijding aan het doen van de wil van mijn Vader. Als jullie mijn discipelen willen zijn, moeten jullie bereid zijn vader, moeder, vrouw, kinderen, broers en zussen te verlaten. Als iemand van jullie nu mijn discipel wil zijn, moet hij bereid zijn zelfs zijn leven op te geven, net zoals de MensenZoon op het punt staat zijn leven op te offeren voor de voltooiing van de missie om de wil van de Vader te doen op aarde en in dit sterfelijk lichaam.”

“Als je niet bereid bent de volle prijs te betalen, kun je moeilijk mijn discipel zijn. Voordat je verder gaat, moet je ieder gaan zitten en de kosten berekenen om mijn discipel te zijn. Wie van jullie zou een wachttoren op zijn land willen bouwen zonder eerst te gaan zitten om de kosten te berekenen om te zien of je genoeg geld hebt om hem te voltooien? Als je de kosten niet op deze manier berekent, nadat je de fundering hebt gelegd, ontdek je misschien dat je niet in staat bent af te maken wat je bent begonnen. Daarom zullen al je buren je bespotten en zeggen: ‘Zie, deze man begon te bouwen, maar kon zijn werk niet afmaken.’ Nogmaals, welke koning, wanneer hij zich voorbereidt om oorlog te voeren tegen een andere koning, gaat dan niet eerst zitten en overlegt of hij met tienduizend man in staat zal zijn om hem te ontmoeten die met twintigduizend man tegen hem optrekt? Als de koning het zich niet kan veroorloven zijn vijand te ontmoeten omdat hij onvoorbereid is, stuurt hij een gezant naar die andere koning, zelfs als deze nog ver weg is, om te vragen naar vredesvoorwaarden.”

“Nu dan, moet ieder van jullie gaan zitten en de kosten berekenen om mijn discipel te zijn. Van nu af aan zullen jullie ons niet meer kunnen volgen, luisterend naar de leer en de werken aanschouwend. Maar jullie zullen bittere vervolgingen moeten doorstaan en getuigen van dit evangelie, ondanks verpletterende teleurstellingen. Als jullie niet bereid zijn om afstand te doen van alles wat jullie zijn en alles wat jullie hebben aan deze zaak op te dragen, dan zijn jullie onwaardig om mijn discipel te zijn. Als je jezelf al in je eigen hart hebt overwonnen, hoef je niet bang te zijn voor de uiterlijke overwinning die je binnenkort zult moeten behalen wanneer de MensenZoon door de hogepriesters en de Sadduceeën wordt verworpen en in de handen van spottende ongelovigen wordt overgeleverd.”

“Onderzoek nu jezelf om je motief te ontdekken om mijn discipel te zijn. Als je eer en glorie zoekt, als je wereldsgezind bent, ben je als het zout dat zijn smaak heeft verloren. En wanneer datgene wat gewaardeerd wordt om zijn zoutheid zijn smaak heeft verloren, waar zal het dan als kruid nog voor dienen? Zo’n kruiderij is nutteloos; het is alleen geschikt om bij het afval te worden gegooid. Nu heb ik je gewaarschuwd om in vrede naar huis terug te keren als je niet bereid bent met mij de beker te drinken die wordt klaargemaakt. Keer op keer heb ik je gezegd dat mijn koninkrijk niet van deze wereld is, maar je wil mij niet geloven. Wie oren heeft om te horen, laat hij horen wat ik zeg.”

Onmiddellijk na deze woorden te hebben gesproken, ging Jezus, aan het hoofd van de twaalf, op weg naar Heshbon, gevolgd door ongeveer vijfhonderd. Na een korte vertraging ging de andere helft van de menigte verder naar Jeruzalem. Zijn apostelen, samen met de leidende discipelen, dachten veel na over deze woorden, maar ze bleven vasthouden aan de overtuiging dat het koninkrijk na deze korte periode van tegenspoed en beproeving zeker enigszins in overeenstemming zou worden gebracht met hun lang gekoesterde verwachtingen.

De reis door Perea

Meer dan twee weken lang reisden Jezus en de twaalf, gevolgd door een menigte van enkele honderden discipelen, door het zuiden van Perea en bezochten alle steden waar de zeventig werkten. Er woonden veel niet-Joden in deze streek, en aangezien er maar weinigen naar het Paschafeest in Jeruzalem gingen, gingen de boodschappers van het koninkrijk gewoon door met hun werk van onderwijzen en prediken.

Jezus ontmoette Abner in Heshbon, en Andreas gaf opdracht dat de werkzaamheden van de zeventig niet onderbroken mochten worden door het Paschafeest. Jezus adviseerde de boodschappers om hun werk voort te zetten, volledig voorbijgaand aan wat er in Jeruzalem zou gebeuren. Hij gaf Abner ook de raad om het vrouwenkorps, althans degenen die dat wensten, naar Jeruzalem te laten gaan voor het Pascha.

En dit was de laatste keer dat Abner Jezus in levende lijve zag. Zijn afscheid van Abner was: “Mijn zoon, ik weet dat je trouw zult zijn aan het koninkrijk, en ik bid de Vader om je wijsheid te schenken, zodat je je broeders kunt liefhebben en begrijpen.

Terwijl ze van stad tot stad trokken, verlieten grote aantallen van hun volgelingen hen om naar Jeruzalem te gaan, zodat tegen de tijd dat Jezus naar het Pascha ging, het aantal van degenen die hem dagelijks volgden, was geslonken tot minder dan tweehonderd.

De apostelen begrepen dat Jezus naar Jeruzalem ging voor het Pascha. Ze wisten dat het Sanhedrin een boodschap aan heel Israël had uitgezonden dat hij ter dood was veroordeeld en dat iedereen die wist waar hij was, het Sanhedrin moest inlichten. En toch, ondanks dit alles, waren ze niet zo ongerust als toen hij hun in Philadelphia had aangekondigd dat hij naar Bethanië zou gaan om Lazarus te bezoeken. Deze verandering van houding, van intense angst naar een staat van stille verwachting, was grotendeels te danken aan de opstanding van Lazarus. Ze waren tot de conclusie gekomen dat Jezus in geval van nood zijn goddelijke macht zou kunnen laten gelden en zijn vijanden te schande zou kunnen maken. Deze hoop, gekoppeld aan hun diepere en rijpere geloof in de spirituele suprematie van hun Meester, verklaarde de uiterlijke moed van zijn directe volgelingen, die zich nu gereedmaakten om hem naar Jeruzalem te volgen, juist ondanks de openlijke verklaring van het Sanhedrin dat hij moest sterven.

De meerderheid van de apostelen en veel van zijn nauwste discipelen geloofden niet dat Jezus kon sterven. Zij, die geloofden dat hij “de opstanding en het leven” was, beschouwden hem als onsterfelijk en reeds triomfantelijk over de dood.

Onderricht te Livias

Op woensdagavond 29 maart sloegen Jezus en zijn volgelingen hun kamp op in Livias op weg naar Jeruzalem, nadat ze hun tocht door de steden van zuidelijk Perea hadden voltooid. Het was tijdens deze nacht in Livias dat Simon Zelotes en Simon Petrus, die hadden samengespannen dat op deze plaats meer dan honderd zwaarden aan hen overhandigd zouden worden, deze wapens in ontvangst namen en uitdeelden aan allen die ze wilden aannemen en ze verborgen onder hun mantels wilden dragen. Simon Petrus droeg zijn zwaard nog steeds in de nacht van het verraad van de Meester in de tuin.

Vroeg op donderdagochtend, voordat de anderen wakker waren, riep Jezus Andreas en zei: “Word wakker, broeders! Ik heb hun iets te zeggen.” Jezus wist van de zwaarden en welke van zijn apostelen deze wapens hadden ontvangen en droegen, maar hij onthulde hun nooit dat hij hiervan op de hoogte was. Toen Andreas zijn metgezellen had gewekt en ze zich hadden verzameld, zei Jezus: “Mijn kinderen, jullie zijn al een hele tijd bij mij en ik heb jullie veel geleerd wat nodig is voor deze tijd, maar ik wil jullie nu waarschuwen om je vertrouwen niet te stellen in de onzekerheden van het lichaam, noch in de zwakheden van de menselijke verdediging tegen de test en beproeving die voor ons liggen. Ik heb jullie hier apart geroepen, zodat ik jullie nogmaals duidelijk kan vertellen dat we naar Jeruzalem gaan, waar, zoals jullie weten, de MensenZoon al ter dood is veroordeeld. Ik zeg jullie nogmaals dat de MensenZoon zal worden overgeleverd in de handen van de hogepriesters en de religieuze leiders; dat zij hem zullen veroordelen en hem vervolgens zullen overleveren aan de niet-Joden. En zo zullen ze de MensenZoon bespotten, zelfs op hem spugen en hem geselen, en ze zullen hem overleveren aan de dood. En wanneer ze de MensenZoon doden, wees dan niet ontsteld, want ik verkondig dat hij op de derde dag zal opstaan. Let op jezelf en bedenk dat ik jullie gewaarschuwd heb.”

Opnieuw waren de apostelen verbaasd, verbijsterd; maar ze konden er niet toe komen zijn woorden letterlijk te nemen; ze konden niet begrijpen dat de Meester precies bedoelde wat hij zei. Ze waren zo verblind door hun aanhoudende geloof in het tijdelijke koninkrijk op aarde, met hoofdkwartier in Jeruzalem, dat ze het zich eenvoudigweg niet konden veroorloven de woorden van Jezus letterlijk te nemen. Ze dachten de hele dag na over wat de Meester met zulke vreemde uitspraken kon bedoelen. Maar niemand van hen durfde hem een vraag te stellen over deze uitspraken. Pas na zijn dood ontwaakten deze verbijsterde apostelen tot het besef dat de Meester duidelijk en rechtstreeks tot hen had gesproken in afwachting van zijn kruisiging.

Het was hier in Livias, vlak na het ontbijt, dat enkele vriendelijke Farizeeën naar Jezus kwamen en zeiden: “Vlucht snel uit deze streken, want Herodes, net zoals hij Johannes zocht, wil nu u doden. Hij vreest een volksopstand en heeft besloten u te doden. Wij brengen u deze waarschuwing opdat u kunt ontkomen.”

En dit was gedeeltelijk waar. De opstanding van Lazarus beangstigde en alarmeerde Herodes, en wetende dat het Sanhedrin het had gewaagd Jezus te veroordelen, zelfs vóórdat er een proces had plaatsgevonden, besloot Herodes Jezus te doden of hem uit zijn gebied te verdrijven. Hij wilde dat laatste echt doen, omdat hij hem zo vreesde dat hij hoopte dat hij niet gedwongen zou worden hem ter dood te brengen.

Toen Jezus hoorde wat de Farizeeën te zeggen hadden, antwoordde hij: “Ik weet heel goed wat Herodes bedoelde en hoe bang hij was voor dit evangelie van het koninkrijk. Maar vergis u niet, hij zou veel liever willen dat de MensenZoon naar Jeruzalem zou gaan om te lijden en te sterven door toedoen van de hogepriesters. Hij is er niet op gebrand, nu hij zijn handen met het bloed van Johannes heeft bevlekt, verantwoordelijk te worden gesteld voor de dood van de MensenZoon. Ga jij die vos maar vertellen dat de MensenZoon vandaag in Perea predikt, morgen naar Judea gaat en over een paar dagen volmaakt zal zijn in zijn missie op aarde en gereed zal zijn om op te stijgen naar de Vader.”

Toen wendde Jezus zich tot zijn apostelen en zei: “Van oudsher zijn de profeten in Jeruzalem omgekomen, en het is niet meer dan passend dat de MensenZoon opgaat naar de stad van het huis van de Vader om geofferd te worden als de prijs voor menselijke onverdraagzaamheid en als het gevolg van religieus vooroordeel en spirituele blindheid. O Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt en de leraren van de waarheid stenigt! Hoe vaak heb ik uw kinderen willen vergaren zoals een hen haar kuikens onder haar vleugels vergaart, maar u hebt mij dat niet laten doen! Zie, uw huis zal u binnenkort worden achtergelaten, verlaten! U zult er vaak naar verlangen mij te zien, maar u zult het niet vinden. U zult mij dan zoeken, maar niet vinden.” En toen hij gesproken had, wendde hij zich tot degenen om hem heen en zei: “Laten we toch naar Jeruzalem gaan om het Pascha bij te wonen en te doen wat ons past bij het vervullen van de wil van de Vader in de hemel.”

Het was een verwarde en verbijsterde groep gelovigen die Jezus die dag naar Jericho volgde. De apostelen konden in de uitspraken van Jezus over het koninkrijk alleen de zekere toon van de uiteindelijke triomf onderscheiden. Ze konden zichzelf er gewoon niet toe brengen de waarschuwingen voor de dreigende tegenslag te begrijpen. Toen Jezus sprak over “opstaan op de derde dag”, grepen ze deze uitspraak aan als een aanduiding voor een zekere triomf van het koninkrijk, direct na een onaangename voorafgaande schermutseling met de Joodse religieuze leiders. De “derde dag” was een gebruikelijke Joodse uitdrukking die “binnenkort” of “spoedig daarna” betekende. Toen Jezus sprak over “opstaan”, dachten ze dat hij doelde op “het koninkrijk zal opstaan”.

Jezus was door deze gelovigen aanvaard als de Messias, en de Joden wisten weinig of niets over een lijdende Messias. Ze begrepen niet dat Jezus door zijn dood veel dingen tot stand zou brengen die nooit door zijn leven tot stand gebracht hadden kunnen worden. Hoewel het de opstanding van Lazarus was die de apostelen de moed gaf om Jeruzalem binnen te gaan, was het de herinnering aan de gedaanteverandering die de Meester in deze moeilijke periode van zijn missie staande hield.

De blinde man in Jericho

Laat in de middag van donderdag 30 maart naderden Jezus en zijn apostelen, aan het hoofd van een groep van ongeveer tweehonderd volgelingen, de muren van Jericho. Toen ze de stadspoort naderden, troffen ze een menigte bedelaars aan, waaronder een zekere Bartimeüs, een oudere man die al vanaf zijn jeugd blind was. Deze blinde bedelaar had veel over Jezus gehoord en wist alles over zijn genezing van de blinde Josiah in Jeruzalem. Hij had niets gehoord over het laatste bezoek van Jezus aan Jericho totdat hij naar Bethanië was gegaan. Bartimeüs had zich voorgenomen dat hij Jezus nooit meer Jericho zou laten bezoeken zonder hem om herstel van zijn gezichtsvermogen te vragen.

Het nieuws van de nadering van Jezus was door heel Jericho verkondigd en honderden inwoners stroomden toe om hem te ontmoeten. Toen deze grote menigte met de Meester de stad in terugkeerde, wist Bartimeüs, die het zware gedreun van de menigte hoorde, dat er iets ongewoons gebeurde, en dus vroeg hij degenen die bij hem stonden wat er aan de hand was. En een van de bedelaars antwoordde: “Jezus van Nazareth komt voorbij.” Toen Bartimeüs hoorde dat Jezus nabij was, verhief hij zijn stem en begon luid te roepen: “Jezus, Jezus, wees mij genadig!” En terwijl hij steeds luider bleef roepen, kwamen sommigen van degenen die bij Jezus in de buurt waren naar hem toe en bestraften hem met het verzoek te zwijgen. Maar het hielp niet. Hij riep alleen maar harder en luider.

Toen Jezus de blinde man hoorde roepen, bleef hij staan. En toen hij hem zag, zei hij tegen zijn vrienden: “Breng de man bij mij.” En toen gingen ze naar Bartimeüs en zeiden: “Wees van goede moed en kom met ons mee, want de Meester roept je.” Toen Bartimeüs deze woorden hoorde, wierp hij zijn mantel af en sprong naar voren in de richting van het midden van de weg, terwijl de mensen die in de buurt waren hem naar Jezus leidden. Jezus richtte zich tot Bartimeüs en zei: “Wat wilt u dat ik voor u doe?” Toen antwoordde de blinde: “Ik wil graag dat mijn zicht wordt hersteld.” Toen Jezus dit verzoek hoorde en zijn geloof zag, zei hij: “U zult weer kunnen zien; ga heen; uw geloof heeft u genezen.” Onmiddellijk kon hij weer zien en bleef hij bij Jezus, God verheerlijkend, totdat de Meester de volgende dag naar Jeruzalem vertrok. Toen ging hij voor de menigte uit en vertelde aan iedereen hoe zijn zicht in Jericho was hersteld.

Het bezoek aan Zaccheus

Toen de stoet van de Meester Jericho binnenkwam, liep het tegen zonsondergang en hij was van plan daar te overnachten. Toen Jezus langs het tolhuis liep, was Zaccheus, de oppertollenaar, daar toevallig aanwezig en hij verlangde er sterk naar Jezus te zien. Deze oppertollenaar was zeer rijk en had veel over deze profeet uit Galilea gehoord. Hij had zich voorgenomen om te zien wat voor een man Jezus was de volgende keer dat hij Jericho bezocht. Daarom probeerde Zaccheus zich door de menigte heen te dringen, maar die was te groot en omdat hij klein van postuur was, kon hij niet over hun hoofden heen kijken. Daarom volgde de oppertollenaar de menigte tot ze het centrum van de stad naderden, niet ver van waar hij woonde. Toen hij zag dat hij zich niet door de menigte heen zou kunnen worstelen, en denkend dat Jezus misschien wel dwars door de stad zou lopen zonder te stoppen, rende hij vooruit en klom in een vijgenboom waarvan de wijdverspreide takken over de weg hingen. Hij wist dat hij op deze manier een goed zicht op de Meester zou krijgen als hij voorbijliep. En hij werd niet teleurgesteld, want toen Jezus voorbijliep, bleef hij staan en, terwijl hij naar Zaccheus opkeek, zei hij: “Kom snel naar beneden, Zaccheus, want vannacht moet ik in jouw huis verblijven.” En toen Zaccheus deze verbazingwekkende woorden hoorde, viel hij bijna uit de boom in zijn haast om naar beneden te klimmen. Hij ging naar Jezus toe en uitte zijn grote vreugde dat de Meester bereid was bij hem thuis te blijven.

Ze gingen meteen naar het huis van Zaccheus, en de inwoners van Jericho waren zeer verbaasd dat Jezus ermee instemde om bij de oppertollenaar te logeren. Zelfs terwijl de Meester en zijn apostelen nog bij Zaccheus voor de deur van zijn huis stonden, zei een van de Farizeeën uit Jericho, die erbij stond: “Jullie zien hoe deze man bij een zondaar is gaan logeren, een afvallige zoon van Abraham, een afperser en een rover van zijn eigen volk.” En toen Jezus dit hoorde, keek hij op Zaccheus neer en glimlachte. Toen ging Zaccheus op een kruk staan en zei: “Mannen van Jericho, luister naar mij! Ik ben misschien een tollenaar en een zondaar, maar de grote Leraar is gekomen om in mijn huis te verblijven; en voordat hij naar binnen gaat, zeg ik jullie dat ik de helft van al mijn bezittingen aan de armen zal schenken, en vanaf morgen, als ik iemand onterecht iets heb afgeperst, zal ik het viervoudig vergoeden. Ik zal met heel mijn hart redding zoeken en leren gerechtigheid te doen voor Gods aangezicht.”

Toen Zaccheus uitgesproken was, zei Jezus: “Vandaag is er redding gekomen in dit huis, en jullie zijn werkelijk een zoon van Abraham geworden.” En zich wendend tot de menigte die om hen heen was verzameld, zei Jezus: “En verwonder je niet over wat ik zeg en neem geen aanstoot aan wat we doen, want ik heb al die tijd al verkondigd dat de MensenZoon gekomen is om te zoeken en te redden wat verloren is.”

Ze overnachtten bij Zaccheus. De volgende dag stonden ze op en namen de “weg van de rovers” naar Bethanië, op weg naar het Pascha in Jeruzalem.

“Terwijl Jezus voorbijging”

Jezus verspreidde overal waar hij kwam goede moed [ ‘good cheer’ ]. Hij was vol genade en waarheid. Zijn metgezellen verwonderden zich voortdurend over de vriendelijke woorden die uit zijn mond kwamen. Je kunt uiterlijk gracieus zijn en dit cultiveren, maar genade [grace] is de geur van vriendelijkheid die uitgaat van een met liefde doordrenkte ziel.

Goedheid dwingt altijd respect af, maar wanneer ze verstoken is van genade, stoot ze vaak genegenheid af. Goedheid is alleen universeel aantrekkelijk als ze genadig is. Goedheid is alleen effectief als ze aantrekkelijk is.

Jezus begreep mensen werkelijk; daarom kon hij oprechte sympathie tonen en oprecht mededogen tonen. Maar hij gaf zich zelden over aan medelijden. Hoewel zijn mededogen grenzeloos was, was zijn sympathie praktisch, persoonlijk en constructief. Zijn vertrouwdheid met lijden wekte nooit onverschilligheid op, en hij was in staat noodlijdende zielen bij te staan zonder hun zelfmedelijden te vergroten.

Jezus kon mensen zoveel helpen omdat hij zo oprecht van hen hield. Hij hield werkelijk van elke man, elke vrouw en elk kind. Hij kon zo’n ware vriend zijn vanwege zijn opmerkelijke inzicht – hij wist zo goed wat er in het hart en de mind van de mens omging. Hij was een geïnteresseerde en scherpe waarnemer. Hij was een expert in het begrijpen van menselijke behoeften, bedreven in het detecteren van menselijke verlangens.

Jezus had nooit haast. Hij had tijd om zijn medemensen te troosten “terwijl hij voorbijging”. En hij stelde zijn vrienden altijd op hun gemak. Hij was een charmante luisteraar. Hij hield zich nooit bezig met bemoeizuchtig zielenonderzoek van zijn metgezellen. Terwijl hij hongerige minds troostte en dorstige zielen bijstond, hadden de ontvangers van zijn genade niet zozeer het gevoel dat ze iets aan hem opbiechtten, maar dat ze met hem overlegden. Ze hadden een grenzeloos vertrouwen in hem omdat ze zagen dat hij zoveel vertrouwen in hen had.

Hij leek nooit nieuwsgierig naar mensen te zijn en hij toonde nooit de wens om hen te leiden, te managen of te volgen. Hij inspireerde diep zelfvertrouwen en krachtige moed in allen die van zijn gezelschap genoten. Wanneer hij naar een mens glimlachte, ervoer die sterveling een toegenomen vermogen om zijn vele problemen op te lossen.

Jezus hield zo veel en zo wijs van mensen dat hij nooit aarzelde streng tegen hen te zijn wanneer de gelegenheid zo’n discipline vereiste. Hij probeerde vaak iemand te helpen door om hulp te vragen. Op die manier wekte hij interesse en deed hij een beroep op de betere dingen in de menselijke natuur.

De Meester kon reddend geloof onderscheiden in het grove bijgeloof van de vrouw die genezing zocht door de zoom van zijn kleed aan te raken. Hij was altijd bereid om een preek te onderbreken of een menigte op te houden terwijl hij in de behoeften van één persoon voorzag, zelfs van een klein kind. Grote dingen gebeurden niet alleen omdat mensen geloof in Jezus hadden, maar ook omdat Jezus zoveel vertrouwen in hen had.

De meeste werkelijk belangrijke dingen die Jezus zei of deed, leken terloops te gebeuren, “terwijl hij voorbijging”. Er was zo weinig van het professionele, het weldoordachte of het voorbedachte in de aardse dienstverlening van de Meester. Hij deelde op natuurlijke en gracieuze wijze gezondheid uit en verspreidde geluk terwijl hij door het leven reisde. Het was letterlijk waar: “Hij ging rond en deed goed.”

En het is goed voor de volgelingen van de Meester in alle tijden om te leren dienen terwijl “zij voorbijgaan” – om onzelfzuchtig goed te doen terwijl ze hun dagelijkse taken uitvoeren.

De parabel van de ponden

Ze vertrokken pas tegen het middaguur uit Jericho, omdat ze de avond ervoor laat waren opgebleven terwijl Jezus Zaccheus en zijn gezin het evangelie van het koninkrijk onderwees. Ongeveer halverwege de opgaande weg naar Bethanië pauzeerde het gezelschap voor de lunch, terwijl de menigte doorreisde naar Jeruzalem, niet wetende dat Jezus en de apostelen die nacht op de Olijfberg zouden overnachten.

De parabel van de ponden, in tegenstelling tot de parabel van de talenten, die voor alle discipelen bedoeld was, werd meer uitsluitend aan de apostelen verteld en was grotendeels gebaseerd op de ervaring van Archelaus en zijn vergeefse poging om de heerschappij over het koninkrijk Judea te verwerven. Dit is een van de weinige parabels van de Meester die gebaseerd is op een daadwerkelijk historisch personage. Het was niet vreemd dat ze Archelaus in gedachten hadden, aangezien het huis van Zaccheus in Jericho vlakbij het rijkversierde paleis van Archelaus lag, en zijn aquaduct langs de weg liep waarlangs ze Jericho waren verlaten.

Jezus zei: “Jullie denken dat de MensenZoon naar Jeruzalem gaat om een koninkrijk te ontvangen, maar ik verklaar dat jullie tot teleurstelling gedoemd zijn. Herinneren jullie je niet van een zekere vorst die naar een ver land ging om voor zichzelf een koninkrijk te ontvangen, maar nog voordat hij kon terugkeren, stuurden de burgers van zijn provincie, die hem in hun hart al hadden verworpen, een gezant achter hem aan, zeggende: ‘Wij willen niet dat deze man over ons regeert’? Zoals deze koning werd verworpen in de wereldlijke heerschappij, zo zal de MensenZoon worden verworpen in de spirituele heerschappij. Nogmaals verklaar ik dat mijn koninkrijk niet van deze wereld is; maar als de MensenZoon de spirituele heerschappij over zijn volk was toegekend, zou hij zo’n koninkrijk van mensenzielen hebben aanvaard en zou hij hebben geregeerd over zo’n domein van menselijke harten. Maar ook al verwerpen zij mijn spirituele heerschappij over hen, ik zal terugkeren om van anderen zo’n spiritueel koninkrijk te ontvangen als mij nu wordt ontzegd. Jullie zullen zien dat de MensenZoon nu wordt verworpen, maar in een ander tijdperk zal al wat de kinderen van Abraham nu verwerpen, worden ontvangen en verheven.”

“En nu, als de verworpen edelman uit deze parabel, zou ik mijn twaalf dienaren, als speciale rentmeesters, voor mij willen roepen en in ieder van jullie handen de som van één pond geven. En dan zou ik ieder willen aansporen mijn instructies goed op te volgen zodat jullie zorgvuldig handelen met jullie wat aan jullie is toevertrouwd terwijl ik weg ben. Zodat jullie over de middelen beschikken om jullie rentmeesterschap te rechtvaardigen wanneer ik terugkom, wanneer er een afrekening van jullie zal worden geëist.”

“En zelfs als deze verworpen Zoon niet zou terugkeren, zal er een andere Zoon worden gezonden om dit koninkrijk te ontvangen, en deze Zoon zal dan jullie allen ontbieden om jullie verslag van het rentmeesterschap te ontvangen en blij te zijn met jullie winsten.”

“En toen deze rentmeesters later bijeen werden geroepen voor een verantwoording, kwam de eerste naar voren en zei: ‘Heer, met uw pond heb ik tien ponden extra verdiend.’ En zijn heer zei tegen hem: ‘Goed gedaan; u bent een goede dienaar; omdat u in deze zaak trouw bent gebleken, zal ik u gezag geven over tien steden.’ En de tweede kwam en zei: ‘Uw pond dat ik bij mij heb achtergelaten, Heer, heeft vijf pond opgeleverd.’ En de heer zei: ‘Ik zal u daarom over vijf steden aanstellen.’ En zo ging het door met de anderen, totdat de laatste van de dienaren, toen hij ter verantwoording werd geroepen, meldde: ‘Heer, zie, hier is uw pond, dat ik veilig opgeborgen in deze servet heb bewaard. En dit deed ik omdat ik bang voor u was; ik geloofde dat u onredelijk was, aangezien u opneemt waar u niet hebt neergelegd en u probeert te oogsten waar u niet hebt gezaaid.’ Toen zei zijn heer: ‘Jij nalatige en ontrouwe dienaar, ik zal je naar eigen goeddunken veroordelen. Je wist dat ik oogst waar ik ogenschijnlijk niet heb gezaaid; daarom wist je dat deze afrekening van je verwacht zou worden. Dit wetende, had je tenminste mijn geld aan de bankier moeten geven, zodat ik het bij mijn komst met de juiste rente had kunnen ontvangen.’

“En toen zei deze heerser tegen degenen die erbij stonden: ‘Neem het geld van deze luie dienaar af en geef het aan hem die tien pond heeft.’ En toen ze de meester eraan herinnerden dat zo iemand al tien pond had, zei hij: ‘Aan ieder die heeft, zal gegeven worden, maar van hem die niet heeft, zal zelfs wat hij heeft, afgenomen worden.’

Vervolgens probeerden de apostelen het verschil te weten te komen tussen de betekenis van deze parabel en die van de eerdere parabel van de talenten, maar Jezus zei alleen, in antwoord op hun vele vragen: “Overweeg deze woorden goed in uw hart, terwijl ieder van u de ware betekenis ervan ontdekt.”

Het was Nathanaël die de betekenis van deze twee parabels in de jaren daarna zo goed onderwees, en zijn leringen samenvatte in de volgende conclusies:

  1. Bekwaamheid is de praktische maatstaf voor de kansen in het leven. Je zult nooit verantwoordelijk worden gehouden voor het bereiken van iets wat je mogelijkheden te boven gaat.
  2. Trouw is de onfeilbare maatstaf voor menselijke betrouwbaarheid. Wie trouw is in kleine dingen, zal waarschijnlijk ook trouw tonen in alles wat in overeenstemming is met zijn gaven.
  3. De Meester schenkt een geringere beloning voor geringere trouw wanneer er een gelijke gelegenheid [bekwaamheid] is.
  4. Hij schenkt een gelijke beloning voor gelijke trouw wanneer er een geringere gelegenheid [ bekwaamheid ] is.

Toen ze klaar waren met hun lunch, en nadat de menigte volgelingen naar Jeruzalem was gegaan, stond Jezus daar voor de apostelen in de schaduw van een overhangende rots langs de weg, met opgewekte waardigheid en een genadige majesteit, en wees hij met zijn vinger naar het westen en zei: “Kom, mijn broeders, laten we naar Jeruzalem gaan om daar te ontvangen wat ons wacht. Zo zullen wij in alle dingen de wil van de hemelse Vader vervullen.”

En zo hervatten Jezus en zijn apostelen deze laatste reis van de Meester naar Jeruzalem in het lichaam van een sterfelijke mens.

Dit hoofdstuk is een nieuwe Nederlandse vertaling gebaseerd op Paper 171 van het Urantia Boek: https://www.urantia.org