Inleiding
Jezus had zich volledig en definitief losgemaakt van het beheer van de huishoudelijke aangelegenheden van de familie in Nazareth en van de directe leiding van de gezinsleden. Hij bleef, tot aan zijn doop, bijdragen aan de financiën van het gezin en een grote persoonlijke belangstelling tonen voor het geestelijk welzijn van ieder van zijn broers en zussen. En altijd was hij bereid alles te doen wat menselijkerwijs mogelijk was voor het comfort en geluk van zijn weduwe-moeder. De MensenZoon had nu alle voorbereidingen getroffen om zich permanent los te maken van zijn huis in Nazareth; en dit was niet gemakkelijk voor hem. Jezus hield van nature van zijn volk; hij hield van zijn familie, en deze natuurlijke genegenheid was enorm versterkt door zijn buitengewone toewijding aan hen. Hoe meer we ons aan onze medemensen geven, hoe meer we van hen gaan houden. En omdat Jezus zich zo volledig aan zijn familie had gegeven, hield hij van hen met een grote en vurige genegenheid. Het hele gezin was langzaam tot het besef gekomen dat Jezus zich gereedmaakte om hen te verlaten. Het verdriet over de verwachte scheiding werd slechts getemperd door deze geleidelijke methode om hen voor te bereiden op de aankondiging van zijn voorgenomen vertrek. Meer dan vier jaar lang beseften ze dat hij deze uiteindelijke scheiding plande.
Het zevenentwintigste jaar (21 n.Chr.)
In januari van dit jaar, 21 n.Chr., op een regenachtige zondagochtend, nam Jezus zonder pardon afscheid van zijn gezin. Hij legde alleen uit dat hij naar Tiberias ging en vervolgens andere steden rond het Meer van Galilea zou bezoeken. En zo verliet hij hen, om nooit meer een vast lid van dat huishouden te zijn.
Hij bracht een week door in Tiberias, de nieuwe stad die spoedig Sepphoris zou opvolgen als hoofdstad van Galilea. En omdat hij niets vond wat hem interesseerde, reisde hij achtereenvolgens via Magdala en Bethsaïda naar Capernaum, waar hij stopte om een bezoek te brengen aan Zebedeüs, de vriend van zijn vader. De zonen van Zebedeüs waren vissers; Zebedeüs zelf was botenbouwer. Jezus van Nazareth was een expert in zowel ontwerpen als bouwen. Hij was een meester in het werken met hout. En Zebedeüs kende de vaardigheid van de ambachtsman uit Nazareth al lang. Zebedeüs had er al lange tijd over nagedacht om verbeterde boten te bouwen. Hij legde nu zijn plannen aan Jezus voor en nodigde de bezoekende timmerman uit om zich bij hem aan te sluiten, en Jezus stemde daar graag mee in.
Jezus werkte slechts iets meer dan een jaar met Zebedeüs, maar gedurende die tijd creëerde hij een nieuw type boot en introduceerde hij geheel nieuwe methoden voor het bouwen van boten. Door superieure techniek en sterk verbeterde methoden voor het stomen van de planken begonnen Jezus en Zebedeüs boten te bouwen van een zeer superieur type, vaartuigen die veel veiliger waren om op het meer te varen dan de oudere typen. Jarenlang had Zebedeüs meer werk met het produceren van deze nieuwe boten dan zijn kleine bedrijf aankon. In minder dan vijf jaar waren vrijwel alle vaartuigen op het meer gebouwd in de werkplaats van Zebedeüs in Capernaum. Jezus werd bekend bij de Galilese vissers als de ontwerper van de nieuwe boten.
Zebedeüs was een redelijk welgesteld man. Zijn scheepswerven bevonden zich aan het meer, ten zuiden van Capernaum, en zijn huis lag aan de oever van het meer, vlakbij het vissershoofdkwartier van Bethsaïda. Jezus woonde het hele jaar in het huis van Zebedeüs en bleef langer in Capernaum. Hij had lange tijd alleen in de wereld gewerkt, dat wil zeggen, zonder vader, en genoot enorm van deze periode waarin hij met een vader-partner samenwerkte.
De vrouw van Zebedeüs, Salome, was een familielid van Annas, voormalig hogepriester in Jeruzalem, en nog steeds de meest invloedrijke van de Sadduceeën, nadat hij slechts acht jaar eerder was afgezet. Salome werd een grote bewonderaar van Jezus. Ze hield van hem zoals ze van haar eigen zonen, Jacobus, Johannes en David, hield, terwijl haar vier dochters Jezus als hun oudere broer beschouwden. Jezus ging vaak vissen met Jacobus, Johannes en David, en ze leerden dat hij een ervaren visser was en een expert in boten bouwen.
Het hele jaar door stuurde Jezus elke maand geld naar zijn broer Jacobus. Hij keerde in oktober terug naar Nazareth om de bruiloft van Martha bij te wonen, en was daarna meer dan twee jaar niet meer in Nazareth, toen hij vlak voor de dubbele bruiloft van Simon en Judas terugkeerde.
Gedurende dit jaar bouwde Jezus boten en bleef hij observeren hoe de mensen op aarde leefden. Regelmatig ging hij naar de rustplaats van de karavanen, aangezien Capernaum op de directe reisroute van Damascus naar het zuiden lag. Capernaum was een sterke Romeinse militaire post, en de bevelhebber van het garnizoen was een niet-Jood die in Jahweh geloofde, ‘een vroom man’ zoals de Joden zulke proselieten plachten te noemen. Deze officier behoorde tot een rijke Romeinse familie en hij nam het op zich om een prachtige synagoge te bouwen in Capernaum, die kort voordat Jezus bij Zebedeüs kwam wonen, aan de Joden was geschonken. Jezus leidde dit jaar meer dan de helft van de tijd de diensten in deze nieuwe synagoge, en sommige van de karavaan-mensen die toevallig aanwezig waren, herinnerden zich hem als de timmerman uit Nazareth.
Toen het op het betalen van belastingen aankwam, liet Jezus zich registreren als een ‘bekwame ambachtsman van Capernaum’. Vanaf die dag tot aan het einde van zijn aardse leven stond hij bekend als een inwoner van Capernaum. Hij claimde nooit een andere wettelijke woonplaats, hoewel hij om verschillende redenen wel toestond dat anderen zijn woonplaats toewezen aan Damascus, Bethanië, Nazareth en zelfs Alexandrië.
In de synagoge van Capernaum vond hij veel nieuwe boeken in de bibliotheekkisten, en hij bracht minstens vijf avonden per week door met intensieve studie. Eén avond wijdde hij zich aan het sociale leven met de ouderen, en één avond bracht hij door met de jongeren. Er was iets vriendelijks en inspirerends aan de persoonlijkheid van Jezus, waardoor jonge mensen steevast werden aangetrokken. Hij zorgde er altijd voor dat ze zich op hun gemak voelden in zijn aanwezigheid. Misschien bestond zijn grote geheim in de omgang met hen uit het tweeledige feit dat hij altijd geïnteresseerd was in wat ze deden, terwijl hij hun zelden advies gaf, tenzij ze erom vroegen.
De familie van Zebedeüs aanbad Jezus bijna, en ze verzuimden nooit de vraag-en-antwoordgesprekken bij te wonen die hij elke avond na het avondeten hield voordat hij naar de synagoge vertrok om te studeren. De jonge buren kwamen ook vaak langs om deze bijeenkomsten na het avondeten bij te wonen. Aan deze kleine groep gaf Jezus gevarieerde en geavanceerde instructies, zo geavanceerd als ze maar konden begrijpen. Hij sprak vrijuit met hen en uitte zijn ideeën en idealen over politiek, sociologie, wetenschap en filosofie, maar nam nooit de pretentie om met gezaghebbende finaliteit te spreken, behalve wanneer het ging over religie – de relatie van de mens tot God.
Eenmaal per week hield Jezus een bijeenkomst met het hele huishouden, de winkel en de helpers aan de oever, want Zebedeüs had veel werknemers. En het was onder deze arbeiders dat Jezus voor het eerst ‘de Meester’ werd genoemd. Ze hielden allemaal van hem. Hij genoot van zijn werk met Zebedeüs in Capernaum, maar hij miste de kinderen die buiten speelden naast de timmerwerkplaats in Nazareth.
Van de zonen van Zebedeüs was Jacobus het meest geïnteresseerd in Jezus als leraar, als filosoof. Johannes hechtte het meest waarde aan zijn religieuze leer en opvattingen. David respecteerde hem als monteur, maar hechtte weinig waarde aan zijn religieuze opvattingen en filosofische leringen.
Judas kwam vaak op sabbath naar de synagoge om Jezus te horen spreken en bleef dan even bij hem. En hoe meer Judas van zijn oudste broer zag, hoe meer hij ervan overtuigd raakte dat Jezus een waarlijk groot man was.
Dit jaar maakte Jezus grote vorderingen in de toenemende beheersing van zijn menselijke mind en bereikte hij nieuwe en hoge niveaus van bewust contact met de in hem wonende Mentor-Spirit.
Dit was het laatste jaar van zijn vaste leven. Nooit meer bracht Jezus een heel jaar op één plaats of bij één onderneming door. De dagen van zijn aardse pelgrimstochten kwamen snel dichterbij. Perioden van intense activiteit lagen niet ver meer in de toekomst. Maar er zouden nu eerst enkele jaren komen van uitgebreid reizen en zeer gevarieerde persoonlijke activiteit. Die jaren kwamen dus tussen zijn eenvoudige maar intens actieve leven van vroeger en zijn latere nog intensievere en inspannende openbare missie. Zijn opleiding tot een man van de menselijke werelden moest worden voltooid, voordat hij zijn loopbaan van onderwijzer en prediker kon beginnen als de vervolmaakte God-mens.
Het achtentwintigste jaar (22 n.Chr.)
In maart 22 n.Chr. nam Jezus afscheid van Zebedeüs en Capernaum. Hij vroeg om een klein bedrag om zijn onkosten naar Jeruzalem te dekken. Tijdens zijn werk met Zebedeüs had hij slechts kleine bedragen opgenomen, die hij elke maand naar zijn familie in Nazareth stuurde. De ene maand kwam Jozef naar Capernaum om het geld te halen; de volgende maand kwam Judas naar Capernaum, haalde het geld bij Jezus op en bracht het naar Nazareth. Het hoofdkwartier van Judas voor de visserij lag slechts een paar kilometer ten zuiden van Capernaum.
Toen Jezus afscheid nam van de familie van Zebedeüs, stemde hij ermee in om in Jeruzalem te blijven tot het Pascha, en ze beloofden allemaal aanwezig te zijn bij die gebeurtenis. Ze spraken zelfs af om samen het Pascha te vieren. Ze waren allemaal verdrietig toen Jezus hen verliet, vooral de dochters van Zebedeüs.
Voordat Jezus Capernaum verliet, had hij een lang gesprek met zijn nieuwe vriend en goede metgezel, Johannes (zoon van) Zebedeüs. Hij vertelde Johannes dat hij overwoog om veel te reizen totdat ’mijn uur zal komen’ en vroeg Johannes om in zijn plaats te handelen door maandelijks wat geld naar de familie in Nazareth te sturen totdat het hem verschuldigde geld op zou zijn. En Johannes deed hem deze belofte: ’Mijn Meester, ga aan de slag met je eigen zaken, doe je werk in de wereld; ik zal voor je optreden in deze of elke andere zaak, en ik zal over je familie waken zoals ik mijn eigen moeder zou verzorgen en voor mijn eigen broers en zussen zou zorgen. Ik zal je geld, dat mijn vader bezit, uitgeven zoals je hebt opgedragen en naar gelang het nodig is, en als je geld op is en ik niet meer van je ontvang, en als je moeder in nood verkeert, zal ik mijn eigen verdiensten met haar delen. Ga heen in vrede. Ik zal in al deze zaken in jouw plaats handelen.’
Daarom, nadat Jezus naar Jeruzalem was vertrokken, raadpleegde Johannes zijn vader, Zebedeüs, over het geld dat nog aan Jezus verschuldigd was. En hij was verbaasd dat het zo’n groot bedrag was. Omdat Jezus de zaak zo volledig aan hen had overgelaten, kwamen ze overeen dat het een beter plan zou zijn om dit geld in onroerend goed te investeren en de inkomsten daaruit te gebruiken om het gezin in Nazareth te helpen. Omdat Zebedeüs een klein huis in Capernaum kende dat met een hypotheek was bezwaard en te koop stond, gaf hij Johannes opdracht dit huis met het geld van Jezus te kopen en de titel “in trust” te houden voor zijn vriend. En Johannes deed wat zijn vader hem had aangeraden. Twee jaar lang werd de huur van dit huis gebruikt voor aflossing van de hypotheek, en dit, aangevuld met een bepaald groot fonds dat Jezus kort daarna naar Johannes stuurde om naar behoefte door het gezin te worden gebruikt, was bijna gelijk aan het bedrag van deze hypotheek-verplichting. Zebedeüs betaalde het laatste verschil, zodat Johannes het resterende deel van de hypotheek kon afbetalen toen die verschuldigd was, en daarmee het volledige -onbezwaarde- eigendomsrecht op dit huis met twee kamers verkreeg. Op deze manier werd Jezus eigenaar van een huis in Capernaum, maar hij was daar niet van op de hoogte gesteld.
Toen het gezin in Nazareth hoorde dat Jezus uit Capernaum was vertrokken, geloofden ze, niet wetende van deze financiële overeenkomst met Johannes, dat de tijd gekomen was om het zonder verdere hulp van Jezus te stellen. Jacobus herinnerde zich zijn contract met Jezus en nam, met de hulp van zijn broers, onmiddellijk de volledige verantwoordelijkheid voor de zorg voor het gezin op zich.
Maar laten we teruggaan om Jezus in Jeruzalem te observeren. Bijna twee maanden lang bracht hij het grootste deel van zijn tijd door met het luisteren naar de tempelgesprekken en af en toe met bezoeken aan de verschillende rabbijnenscholen. De meeste sabbathdagen bracht hij door in Bethanië.
Jezus had een brief van Salome, de vrouw van Zebedeüs, met zich meegebracht naar Jeruzalem, waarin hij werd geintroduceerd aan de voormalige hogepriester Annas, als ‘dezelfde als mijn eigen zoon’. Annas bracht veel tijd met hem door en nam hem persoonlijk mee naar de vele academies van de godsdienstleraren in Jeruzalem. Hoewel Jezus deze scholen grondig inspecteerde en hun onderwijsmethoden zorgvuldig observeerde, stelde hij in het openbaar nooit ook maar één vraag. Hoewel Annas Jezus als een groot man beschouwde, wist hij niet goed hoe hij hem moest adviseren. Hij zag in hoe dwaas het was om hem voor te stellen student te worden aan een van de scholen van Jeruzalem. En ook wist hij heel goed dat Jezus nooit de status van een reguliere leraar zou krijgen, aangezien hij nooit in deze scholen was opgeleid.
Al snel naderde de tijd van het Pascha, en samen met de menigten uit alle hoeken van de wereld kwamen ook Zebedeüs en zijn hele familie uit Capernaum in Jeruzalem aan. Ze stopten allemaal bij het ruime huis van Annas, waar ze het Pascha vierden als één gelukkig gezin.
Vóór het einde van deze Paschaweek ontmoette Jezus, ogenschijnlijk toevallig, een rijke reiziger en zijn zoon, een jongeman van ongeveer zeventien jaar oud. Deze reizigers kwamen uit India en waren onderweg om Rome en verschillende andere plaatsen aan de Middellandse Zee te bezoeken. Ze hadden afgesproken om tijdens het Pascha in Jeruzalem aan te komen, in de hoop iemand te vinden die ze konden inhuren als tolk voor beiden en als leraar voor de zoon. De vader stond erop dat Jezus ermee instemde met hen mee te reizen. Jezus vertelde hem over zijn familie en dat het nauwelijks eerlijk was om bijna twee jaar weg te gaan, gedurende welke tijd ze in nood zouden kunnen komen. Hierop stelde deze reiziger uit het Oosten voor om Jezus een jaarloon voor te schieten, zodat hij dit geld aan zijn vrienden kon toevertrouwen om zijn familie tegen armoede te beschermen. En Jezus stemde ermee in de reis te maken.
Jezus gaf dit grote bedrag aan Johannes, de zoon van Zebedeüs. En hierboven is je al verteld hoe Johannes dit geld gebruikte voor de aflossing van de hypotheek op het eigendom in Capernaum. Jezus nam Zebedeüs volledig in vertrouwen met betrekking tot de aanstaande reis door het Middellandse-Zeegebied, maar hij beval hem om het aan niemand te vertellen, zelfs niet aan zijn eigen vlees en bloed. En Zebedeüs onthulde nooit zijn kennis over de verblijfplaats van Jezus gedurende deze lange periode van bijna twee jaar. Voordat Jezus van deze reis terugkeerde, had de familie in Nazareth hem bijna opgegeven als dood. Alleen de verzekeringen van Zebedeüs, die meerdere keren met zijn zoon Johannes naar Nazareth was gegaan, hielden de hoop levend in Maria’s hart.
Gedurende deze tijd had de familie in Nazareth het erg goed. Judas had zijn bijdrage aanzienlijk verhoogd en bleef deze extra bijdrage leveren tot hij trouwde. Hoewel ze weinig hulp nodig hadden, was het de gewoonte van Johannes Zebedeüs om elke maand geschenken te brengen aan Maria en Ruth, zoals Jezus hem had opgedragen.
Het negenentwintigste jaar (23 n.Chr.)
Het hele negenentwintigste jaar van Jezus werd besteed aan het voltooien van zijn reis door het Middellandse-Zeegebied. De belangrijkste gebeurtenissen, voor zover we toestemming hebben om deze ervaringen te onthullen, vormen het onderwerp van de verhalen in een volgend hoofdstuk.
Gedurende deze reis door de Romeinse wereld stond Jezus om vele redenen bekend als de ‘Schrijver van Damascus’. In Korinthe en andere plaatsen op de terugreis stond hij echter bekend als ‘de Joodse leraar’.
Dit was een bewogen periode in het leven van Jezus. Tijdens deze reis maakte hij veel contact met zijn medemensen, maar deze ervaring is een fase in zijn leven die hij nooit aan een lid van zijn familie of aan een van de apostelen onthulde. Jezus leefde zijn leven in een lichaam en verliet onze wereld zonder dat iemand (behalve Zebedeüs van Bethsaida) wist dat hij deze uitgebreide reis had gemaakt. Sommige van zijn vrienden dachten dat hij naar Damascus was teruggekeerd. Anderen dachten dat hij naar India was gegaan. Zijn eigen familie neigde ertoe te geloven dat hij in Alexandrië was, omdat ze wisten dat hij ooit was uitgenodigd om daarheen te gaan met het doel assistent-chazan te worden.
Toen Jezus naar Palestina terugkeerde, deed hij niets om de mening van zijn familie te veranderen dat hij van Jeruzalem naar Alexandrië was gegaan. Hij liet hen in de overtuiging dat hij al de tijd dat hij afwezig was in Palestina, had doorgebracht in die stad van geleerdheid en cultuur. Alleen Zebedeüs, de scheepsbouwer van Bethsaida, kende de feiten over deze zaken, en Zebedeüs vertelde het aan niemand.
Bij al je pogingen om de betekenis van het leven van Jezus op deze wereld te ontcijferen, moet je rekening houden met de motivatie achter de missie van Michael. Als je de betekenis van veel van zijn ogenschijnlijk vreemde daden wilt begrijpen, moet je het doel van zijn verblijf op de wereld onderscheiden. Hij was er consequent voorzichtig mee om geen al te aantrekkelijke en aandacht-verslindende persoonlijke carrière op te bouwen. Hij wilde geen ongewone of overweldigende aantrekkingskracht op zijn medemensen uitoefenen. Hij wijdde zich aan het werk om de hemelse Vader aan zijn medemensen te openbaren en was tegelijkertijd toegewijd aan de verheven taak om zijn sterfelijke aardse leven te leiden, steeds onderworpen aan de wil van dezelfde Paradijs-Vader.
Het zal ook altijd nuttig zijn voor het begrip van het leven van Jezus op aarde als alle sterfelijke studenten van deze goddelijke missie zich herinneren dat, hoewel hij dit leven van incarnatie op de planeet “Aarde” leefde, hij het voor zijn hele lokale universum leefde. Er was voor elke afzonderlijke bewoonde wereld in het hele lokale universum iets speciaals en inspirerends verbonden aan het leven dat hij leidde in zijn sterfelijke lichaam. Hetzelfde geldt ook voor al die werelden die bewoonbaar zijn geworden sinds de bewogen tijden van zijn verblijf op Aarde. En het zal eveneens evenzeer gelden voor alle werelden die in de toekomstige geschiedenis van dit lokale universum door wilsschepselen bewoond zullen worden.
De MensenZoon voltooide, gedurende de tijd en door de ervaringen van deze reis door de Romeinse wereld, praktisch zijn opleiding en contact-training met de diverse volkeren van de wereld van zijn tijd en generatie. Tegen de tijd dat hij terugkeerde naar Nazareth, had hij door middel van de training tijdens deze reis geleerd hoe de mens leefde en zijn bestaan op Aarde vormgaf. Het werkelijke doel van zijn reis rond het Middellandse-Zeegebied was om mensen te leren kennen. Hij kwam op deze reis heel dicht bij honderden mensen. Hij ontmoette en hield van allerlei soorten mensen, rijk en arm, hoog en laag, zwart en wit, ontwikkeld en onontwikkeld, beschaafd en onbeschaafd, animalistisch en spiritueel, religieus en onreligieus, moreel en immoreel.
Tijdens deze reis door het Middellandse-Zeegebied maakte Jezus grote vorderingen in zijn menselijke taak om het materiële en sterfelijke bewustzijn te beheersen, en zijn inwonende Mentor-Spirit boekte grote vooruitgang in de verhoging en spirituele verovering van ditzelfde menselijke intellect. Aan het einde van deze reis wist Jezus vrijwel zeker – met alle menselijke (on)zekerheid – dat hij een Zoon van God was, een Schepper-Zoon van de Universele Vader. De bij hem inwonende Mentor-Spirit was steeds beter in staat om in de mind van de MensenZoon vage herinneringen op te roepen aan zijn Paradijservaring in samenwerking met zijn goddelijke Vader, voordat hij ooit dit lokale universum Nebadon ging organiseren en besturen. Zo bracht de goddelijke Mentor-Spirit, beetje bij beetje, in het menselijk bewustzijn van Jezus die noodzakelijke herinneringen aan zijn vroegere en goddelijke bestaan in de verschillende tijdperken van het welhaast eeuwige verleden. De laatste episode van zijn pre-menselijke ervaring die de Mentor-Spirit teweegbracht, was zijn afscheidsgesprek met Immanuel van Salvington, vlak voordat hij zijn bewuste persoonlijkheid overgaf om aan de incarnatie op deze Aarde te beginnen. En dit laatste herinneringsbeeld van het pre-menselijke bestaan werd duidelijk in het bewustzijn van Jezus op de dag van zijn doop door Johannes in de Jordaan.
De Menselijke Jezus
Voor alle toekijkende wezens in het hele lokale universum was deze reis door het Middellandse-Zeegebied de meest boeiende van alle aardse ervaringen van Jezus, althans van zijn hele loopbaan tot aan zijn kruisiging en sterfelijke dood. Dit was de fascinerende periode van zijn persoonlijke dienstverlening, in tegenstelling tot de spoedig daaropvolgende periode van zijn openbare dienstverlening. Deze unieke episode was des te boeiender omdat hij op dat moment nog steeds de timmerman van Nazareth was, de scheepsbouwer van Capernaum, de schrijver van Damascus. Hij was nog steeds de MensenZoon. Hij had zijn menselijke mind/verstand nog niet volledig onder de knie. De in zijn mind wonende Mentor-Spirit beheerste de sterfelijke identiteit van Jezus nog niet volledig en er was dus nog geen meer goddelijke tegenhanger naast geplaatst. Hij was nog steeds een mens onder de mensen.
De puur menselijke religieuze ervaring – de persoonlijke spirituele groei – van de MensenZoon bereikte in dit, het negenentwintigste jaar, bijna het hoogtepunt van zijn kunnen. Deze ervaring van spirituele ontwikkeling was een consequent geleidelijke groei vanaf het moment dat de Spirit in hem kwam wonen tot de dag van de voltooiing en bevestiging van die voor alle mensen natuurlijke en normale relatie tussen het materiële verstand van de mens en de in dat verstand wonende goddelijke Mentor-Spirit. Het natuurlijke en normale fenomeen van het één worden van deze twee invloeden, de ervaring die de MensenZoon volledig en definitief bereikte, als een geïncarneerde sterveling op een wereld van tijd en ruimte, op de dag van zijn doop in de Jordaan.
Gedurende deze jaren, hoewel hij niet zoveel perioden van formele communicatie met zijn Vader in de hemel leek te hebben, vervolmaakte hij steeds effectievere methoden van persoonlijk communiceren met de inwonende spirituele aanwezigheid van de Paradijs-Vader, zijn Mentor-Spirit. Hij leefde een werkelijk leven, een vol leven, en een waarlijk normaal, natuurlijk en gemiddeld leven in een sterfelijk lichaam. Hij kent nu dus uit eigen persoonlijke ervaring het equivalent van de actualiteit van de gehele som en substantie van het leven van de mens op de materiële werelden van tijd en ruimte.
De MensenZoon had de ervaring van die brede waaier van menselijke emoties die reikt van intense vreugde tot diep verdriet. Hij was een kind van vreugde en een wezen met een zeldzaam goed humeur. Maar net zo goed was hij een ‘man van smarten en vertrouwd met verdriet’. In spirituele zin heeft hij het sterfelijke leven doorgemaakt van onder tot boven, van het begin tot het einde. Vanuit materieel oogpunt lijkt het erop dat hij aan beide sociale uitersten van het menselijk bestaan is ontsnapt, maar intellectueel raakte hij volledig vertrouwd met de gehele en complete ervaring van de mensheid.
Jezus kent de gedachten en gevoelens, de driften en impulsen van de evolutionaire en opklimmende stervelingen van de materiele werelden, van geboorte tot dood. Hij heeft het menselijk leven geleefd vanaf het begin van de fysieke, intellectuele en spirituele individualiteit, via de zuigelingentijd, de kindertijd, de jeugd en de volwassenheid – zelfs tot aan de menselijke ervaring van de dood. Hij heeft niet alleen deze gebruikelijke en vertrouwde menselijke perioden van intellectuele en spirituele vooruitgang doorgemaakt, maar hij heeft ook volledig die hogere en meer gevorderde fasen van verzoening tussen mens en Mentor-Spirit ervaren, die zo weinig stervelingen op Aarde ooit bereiken. En zo heeft hij het volle leven van de sterfelijke mens ervaren, niet alleen zoals het op jouw wereld wordt geleefd, maar ook zoals het wordt geleefd op alle andere evolutionaire werelden in tijd en ruimte, zelfs op de hoogste en meest geavanceerde van alle werelden die in licht en leven zijn bestendigd.
Hoewel dit volmaakte leven dat hij leidde in een sterfelijk lichaam wellicht niet de onvoorwaardelijke en universele goedkeuring ontving van zijn medestervelingen, zij die toevallig zijn tijdgenoten op aarde waren, werd het leven dat Jezus van Nazareth op Aarde leidde, toch volledig en onvoorwaardelijk aanvaard door de Universele Vader. En dit omdat het leven van Jezus op één en hetzelfde moment en in één en hetzelfde persoonlijkheids-leven de volheid vormde van de openbaring van de eeuwige God aan de sterfelijke mens en de presentatie aan God van vervolmaakte menselijke persoonlijkheid tot genoegen van die Universele Vader en Oneindige Schepper.
En dit was zijn ware en allerhoogste doel. Hij kwam niet naar ‘beneden’ om op Aarde te leven als het volmaakte en gedetailleerde voorbeeld voor enig kind of volwassene, enige man of vrouw, in die tijd of enige andere. Het is inderdaad waar dat we in zijn volle, rijke, mooie en nobele leven veel kunnen vinden dat buitengewoon exemplarisch en goddelijk inspirerend is. Maar dit komt omdat hij een waarachtig en oprecht menselijk leven leidde. Jezus leefde zijn leven op aarde niet om een voorbeeld te stellen dat alle andere mensen moeten kopiëren. Hij leefde dit leven in een lichaam vanuit dezelfde genade op basis waarvan jullie allemaal je leven op aarde mogen leiden. En zoals hij zijn sterfelijke leven in zijn tijd leidde en zoals hij was, zo gaf hij daarmee het voorbeeld aan ons allen om zo ons leven in onze eigen tijd te leiden en zoals we zijn. Je streeft er misschien niet naar zijn leven te leiden, maar je kunt besluiten om jouw leven te leiden zoals, en met dezelfde middelen als, hij het zijne leidde. Jezus is misschien niet het technische en gedetailleerde voorbeeld voor alle stervelingen van alle tijden in alle gebieden van dit lokale universum, maar hij is voor eeuwig de inspiratie en gids van alle pelgrims op weg naar het Paradijs; van alle pelgrims die de tocht maken van de aanvangs-werelden door een lokaal universum en door een nog veel groter universum van universums en dan verder, door Havona, naar het Paradijs. Jezus is de nieuwe en levende weg van de mens naar God, van het gedeeltelijke naar het complete, van het imperfecte naar het volmaakte, van het aardse naar het hemelse, van de tijd naar de eeuwigheid.
Tegen het einde van het negenentwintigste jaar had Jezus van Nazareth het leven dat van stervelingen in een lichaam wordt vereist, vrijwel voltooid. Hij kwam op aarde om de volheid van God aan de mens te openbaren; hij was nu nagenoeg de volmaaktheid van de mens geworden, wachtend op de gelegenheid om zich aan God te openbaren. En hij deed dit alles vóór hij dertig jaar oud was.
Dit hoofdstuk is een nieuwe Nederlandse vertaling gebaseerd op Paper 129 van het Urantia Boek: https://www.urantia.org
