Op weg naar Rome

Inleiding

De reis door de Romeinse wereld nam het grootste deel van het achtentwintigste en het gehele negenentwintigste jaar van het leven van Jezus op aarde in beslag. Jezus en de twee inwoners van India – Gonod en zijn zoon Ganid – verlieten Jeruzalem op zondagochtend 26 april 22 n.Chr. Ze reisden volgens schema en Jezus nam op 10 december van het volgende jaar, 23 n.Chr., afscheid van vader en zoon in de stad Charax aan de Perzische Golf.

Vanuit Jeruzalem gingen ze via Joppe naar Caesarea. In Caesarea namen ze een boot naar Alexandrië. Vanuit Alexandrië voeren ze naar Lasea op Kreta. Van Kreta voeren ze naar Carthago en deden Cyrene aan. In Carthago namen ze een boot naar Napels en stopten in Malta, Syracuse en Messina. Van Napels gingen ze naar Capua, vanwaar ze over de Via Appia naar Rome reisden.

Na hun verblijf in Rome gingen ze over land naar Tarente, waar ze naar Athene in Griekenland voeren en stopten in Nicopolis en Korinthe. Vanuit Athene gingen ze via Troas naar Efeze. Vanuit Efeze voeren ze naar Cyprus en legden onderweg aan in Rhodos. Ze brachten geruime tijd door met bezoeken en rusten op Cyprus en voeren vervolgens naar Antiochië in Syrië. Vanuit Antiochië reisden ze zuidwaarts naar Sidon en staken vervolgens over naar Damascus. Vandaar reisden ze per karavaan naar Mesopotamië, waarbij ze Thapsacus en Larissa passeerden. Ze brachten enige tijd door in Babylon, bezochten Ur en andere plaatsen en gingen vervolgens naar Susa. Van Susa reisden ze naar Charax, vanwaar Gonod en Ganid zich inscheepten naar India.

Voor een overzicht van deze reisroute en de genoemde plaatsen is een globaal kaartoverzicht te vinden op:
Urantia Foundation: In His Steps, kaart nr. 13
Hieronder vermelden we bij elke relevante plaats op de route meer informatie in afzonderlijke links.

Tijdens zijn vier maanden durende werk in Damascus had Jezus de beginselen van de taal die Gonod en Ganid spraken, geleerd. Daar had hij veel tijd besteed aan vertalingen uit het Grieks naar een van de talen van India, waarbij hij werd bijgestaan door een inwoner van Gonods geboortestreek. Tijdens deze reis door het Middellandse-Zeegebied besteedde Jezus ongeveer de helft van elke dag aan het onderwijzen van Ganid en het optreden als tolk tijdens Gonod’s zakelijke bijeenkomsten en sociale contacten. De rest van elke dag, die vrij tot zijn beschikking stond, wijdde hij aan het leggen van die nauwe persoonlijke contacten met zijn medemensen, die intieme relaties met de stervelingen van de materiële wereld, die zo kenmerkend waren voor zijn activiteiten in deze jaren die vlak voor zijn openbare optreden lagen.

Door directe observatie en daadwerkelijk contact maakte Jezus zich vertrouwd met het wat hoger ontwikkelde deel van de materiële en intellectuele beschaving van het Westen en de Levant. Van Gonod en zijn briljante zoon leerde hij veel over de beschaving en cultuur van India en China, want Gonod, zelf een burger van India, had drie uitgebreide reizen gemaakt naar het rijk van het gele ras.

Ganid, de jongeman, leerde veel van Jezus tijdens deze lange en intieme relatie. Ze ontwikkelden een grote genegenheid voor elkaar, en de vader van de jongen probeerde Jezus vele malen over te halen om met hen mee terug te keren naar India, maar Jezus weigerde steeds, daarbij wijzend op de noodzaak om terug te keren naar zijn familie in Palestina.

In Joppe. Gesprek over Jonah

Tijdens hun verblijf in Joppa ontmoette Jezus Gadiah, een Filistijnse tolk die werkte voor een zekere Simon, een leerlooier. Gonod’s agenten in Mesopotamië hadden veel zaken gedaan met deze Simon. Daarom wilden Gonod en zijn zoon hem bezoeken op weg naar Caesarea. Tijdens hun verblijf in Joppe werden Jezus en Gadiah goede vrienden. Deze jonge Filistijn was een waarheidszoeker. Jezus was een waarheidsgever. Hij WAS de waarheid voor die generatie op Aarde. Wanneer een groot waarheidszoeker en een groot waarheidsgever elkaar ontmoeten, is het resultaat een grote en bevrijdende verlichting, geboren uit de ervaring van nieuwe waarheid.

Op een dag na de avondmaaltijd wandelden Jezus en de jonge Filistijn langs de zee. Gadiah, die niet wist dat deze ‘schrijver uit Damascus’ zo goed thuis was in de Hebreeuwse tradities, wees Jezus de aanlegsteiger van waaruit Jonah zich naar verluidt had ingescheept voor zijn noodlottige reis naar Tarsis. En toen hij zijn toespraak had beëindigd, stelde hij Jezus deze vraag: “Maar denk je dat de grote vis Jonah werkelijk heeft opgeslokt?” Jezus merkte dat het leven van deze jongeman enorm beïnvloed was door deze traditie, en dat de overdenking ervan hem de dwaasheid had ingeprent om te proberen zijn plicht te ontlopen. Jezus zei daarom niets dat plotseling de fundamenten van Gadiah’s huidige motivatie voor een praktisch leven zou vernietigen. Bij het beantwoorden van deze vraag zei Jezus: “Mijn vriend, wij zijn allemaal Jonah’s met een leven dat wij moeten leiden in overeenstemming met de wil van God. En wanneer wij proberen te ontsnappen aan de huidige levensplicht door weg te rennen naar verleidingen, plaatsen wij onszelf daarmee in de directe controle van die invloeden die niet worden aangestuurd door de krachten van de waarheid en de krachten van de gerechtigheid. De vlucht voor plicht is het opofferen van de waarheid. De ontsnapping aan de service van licht en leven kan alleen maar resulteren in die benauwende conflicten met de lastige walvissen van egoïsme die uiteindelijk leiden tot duisternis en dood. Behalve wanneer zulke God-verlatende Jonah’s in hun hart omkeren, zelfs in de diepste wanhoop, om God en zijn goedheid te zoeken. En wanneer zulke ontmoedigde zielen oprecht God zoeken – met honger naar waarheid en met dorst naar gerechtigheid – is er niets dat hen verder gevangen kan houden. In welke diepe diepten ze ook gevallen zijn, wanneer ze het licht met heel hun hart zoeken, zal de Mentor-Spirit van de Heer God in de hemel hen uit hun gevangenschap bevrijden. De slechte omstandigheden van het leven zullen hen uitspuwen op het droge land van nieuwe kansen voor hernieuwde dienstbaarheid en een wijzer leven.”

Iets meer achtergrond voor het verhaal van Jona(s) en de vis vind je hier.

Gadiah werd enorm geraakt door deze lessen van Jezus, en ze spraken tot diep in de nacht aan de kust. En voordat ze naar hun nachtverblijf gingen, baden ze samen en voor elkaar. Dit was dezelfde Gadiah die naar de latere prediking van Petrus luisterde, een diep gelovige in Jezus van Nazareth werd en op een avond een gedenkwaardig debat met Petrus voerde in het huis van Dorcas. En Gadiah had veel te maken met de uiteindelijke beslissing van Simon, de rijke leerhandelaar, om het christendom te omarmen.

Het laatste bezoek van Jezus aan Gadiah ging over een discussie over goed en kwaad. Deze jonge Filistijn werd zeer geplaagd door een gevoel van onrechtvaardigheid vanwege de aanwezigheid van kwaad in de wereld naast het goede. Hij zei: “Hoe kan God, als hij oneindig goed is, ons toestaan het leed van het kwaad te ondergaan? Want wie zou er nou kwaad willen scheppen?” Velen geloofden in die tijd namelijk nog dat God zowel het goede als het kwade had geschapen, maar Jezus heeft zo’n denkfout nooit onderwezen. Bij het beantwoorden van deze vraag zei Jezus: “Mijn broeder, God is liefde. Daarom moet hij goed zijn, en zijn goedheid is zo groot en werkelijk dat het de kleine en onwerkelijke dingen van het kwaad niet kan bevatten. God is zo positief goed dat er absoluut geen plaats in hem is voor negatief kwaad. Het kwaad is de onvolwassen keuze en de onnadenkende misstap van mensen die zich verzetten tegen het goede, die schoonheid verwerpen en die ontrouw zijn aan de waarheid. Het kwaad is slechts dat je je door onvolwassenheid op de verkeerde manier aanpast aan de wereld. Het kwaad komt door de verstorende en vervormende invloed van onwetendheid. Het kwaad is de onvermijdelijke duisternis die volgt op de onverstandige verwerping van het licht. Kwaad is dat wat duister en onwaar is, en wat, wanneer je het bewust omarmt en moedwillig onderschrijft, zonde wordt.”

“Je Vader in de hemel heeft, door jou te voorzien van de mogelijkheid en de kracht om te kiezen tussen waarheid en fouten, niet alleen de positieve weg van licht en leven geschapen, maar ook de mogelijkheid om te kiezen voor het negatieve. Maar zulke dwalingen, zulke denkfouten van het kwaad bestaan in werkelijkheid niet totdat een intelligent schepsel hun bestaan wil door de weg van het leven verkeerd te kiezen. En dan worden zulke kwaden later soms zelfs verheven tot zonde door de bewuste en weloverwogen keuze van zo’n eigenzinnig en opstandig schepsel. Dit is waarom onze Vader in de hemel toestaat dat het goede en het kwade samengaan tot het einde van het leven. Net zoals de natuur het tarwe en het onkruid naast elkaar laat groeien tot de oogst.”

Gadiah was volledig tevreden met dit antwoord van Jezus op zijn vraag nadat hun daaropvolgende discussie hem de werkelijke betekenis van deze gewichtige uitspraken duidelijk had gemaakt.

In Caesarea

Jezus en zijn vrienden bleven langer in Caesarea dan verwacht, omdat een van de enorme roerbladen van het schip waarop ze zich wilden begeven, dreigde te splijten. De kapitein besloot in de haven te blijven terwijl er een nieuw roerblad werd gemaakt. Er was een tekort aan bekwame houtbewerkers voor deze taak, dus bood Jezus zich vrijwillig aan om te helpen. ’s Avonds wandelden Jezus en zijn vrienden over de prachtige muur die als promenade rond de haven diende. Ganid genoot enorm van de uitleg van Jezus over het watersysteem van de stad en de techniek waarmee de getijden werden gebruikt om de straten en riolen van de stad door te spoelen. Deze jongeman uit India was zeer onder de indruk van de tempel van Augustus, gelegen op een verhoging en bekroond met een kolossaal standbeeld van de Romeinse keizer. De tweede middag van hun verblijf bezochten ze met z’n drieën een voorstelling in het enorme amfitheater met twintigduizend zitplaatsen, en die avond bezochten ze een Grieks toneelstuk in het theater. Dit waren de eerste voorstellingen van deze aard die Ganid ooit had gezien, en hij stelde Jezus er veel vragen over. Op de ochtend van de derde dag brachten ze een officieel bezoek aan het paleis van de gouverneur, want Caesarea was de hoofdstad van Palestina en de residentie van de Romeinse procurator.

In hun herberg verbleef ook een koopman uit Mongolië, en aangezien deze man uit het Verre Oosten redelijk goed Grieks sprak, bracht Jezus hem meerdere lange bezoeken. Deze man was zeer onder de indruk van de levensfilosofie van Jezus en vergat nooit zijn woorden van wijsheid over hoe je “het hemelse leven op aarde kunt leven door middel van dagelijkse onderwerping aan de wil van de hemelse Vader”. Deze koopman was een taoïst en was daardoor een sterk gelovige geworden in de leer van één universele Godheid. Toen hij terugkeerde naar Mongolië, begon hij deze geavanceerde waarheden te onderwijzen aan zijn buren en zakenpartners, en als een direct gevolg van dergelijke activiteiten besloot zijn oudste zoon taoïstisch priester te worden. Deze jongeman oefende gedurende zijn hele leven een grote invloed uit ten behoeve van de verbreiding van de waarheid en werd opgevolgd door een zoon en een kleinzoon die eveneens toegewijd loyaal waren aan de leer van de Ene God – de Opperste Heerser van de Hemel.

Hoewel de oostelijke tak van de vroegchristelijke kerk, met haar hoofdkwartier in Philadelphia, zich getrouwer aan de leringen van Jezus hield dan de broeders in Jeruzalem, was het betreurenswaardig dat er niemand zoals Petrus naar China ging, of zoals Paulus naar India, waar de spirituele bodem toen zo gunstig was voor het planten van het zaad van het nieuwe evangelie van het koninkrijk. Juist deze leringen van Jezus, zoals die door de Philadelphiërs werden aangehangen, zouden net zo’n onmiddellijke en effectieve aantrekkingskracht hebben gehad op het intellect van de spiritueel hongerige Aziatische volkeren als de prediking van Petrus en Paulus in het Westen.

Een van de jongemannen die op een dag met Jezus aan het houten roerblad werkte, raakte zeer geïnteresseerd in de woorden die hij (Jezus) van uur tot uur liet vallen terwijl ze op de scheepswerf zwoegden. Toen Jezus te kennen gaf dat de Vader in de hemel geïnteresseerd was in het welzijn van zijn kinderen op aarde, zei deze jonge Griek, Anaxand: “Als de Goden in mij geïnteresseerd zijn, waarom verwijderen ze dan de wrede en onrechtvaardige voorman van deze werkplaats niet?” Hij stond zeer verbaasd toen Jezus antwoordde: “Aangezien je de wegen van vriendelijkheid kent en die van rechtvaardigheid waardeert, hebben de Goden deze dwalende man misschien dichterbij jou gebracht, zodat jij hem naar deze betere weg kunt leiden. Misschien ben jij het zout dat deze broeder aangenamer moet maken voor alle andere mensen. Dat wil zeggen, als je je smaak niet verloren hebt. Zoals het er nu voor staat, is deze man jouw meester in die zin dat zijn slechte manieren van doen jou ongunstig beïnvloeden. Waarom zou je je beheersing van het kwaad niet laten gelden door de kracht van het goede en zo de meester worden van alle relaties tussen jullie beiden? Ik voorspel dat het goede in jou het kwaad in hem zou kunnen overwinnen als je het een eerlijke en levende kans zou geven. Er is geen avontuur in het sterfelijk bestaan boeiender dan te genieten van het worden van de materiële levenspartner van spirituele energie&goddelijke waarheid in een van hun triomfantelijke worstelingen met dwaling en kwaad. Het is een wonderbaarlijke en transformerende ervaring om het levende kanaal van spiritueel licht te worden voor de sterveling die in spirituele duisternis verkeert. Als jij meer gezegend bent met waarheid dan deze man, zou zijn nood je moeten uitdagen. Je bent toch zeker niet de lafaard die aan de kust zou kunnen toekijken hoe een medemens die niet kan zwemmen, omkomt! En de ziel van deze man die in duisternis spartelt is natuurlijk veel waardevoller dan zijn lichaam dat in water verdrinkt!”

Anaxand was enorm ontroerd door de woorden van Jezus. Kort daarop vertelde hij zijn meerdere wat Jezus had gezegd, en die nacht zochten ze beiden het advies van Jezus over het welzijn van hun ziel. En later, nadat de christelijke boodschap in Caesarea was verkondigd, geloofden deze twee mannen, de één een Griek en de ander een Romein, in de prediking van Filippus en werden ze vooraanstaande leden van de kerk die hij stichtte. Later werd deze jonge Griek aangesteld als rentmeester van een Romeinse hoofdman, Cornelius, die door de missie van Petrus tot gelovige was geworden. Anaxand bleef licht brengen aan hen die in duisternis zaten tot de dagen van de gevangenschap van Paulus in Caesarea, toen hij per ongeluk omkwam in de grote slachting van twintigduizend Joden, terwijl hij de lijdende en stervende mensen bijstond.

Ganid begon inmiddels te begrijpen hoe zijn leermeester zijn vrije tijd doorbracht met deze ongewone persoonlijke dienstverlening aan zijn medemensen, en de jonge Indiër ging op zoek naar het motief voor deze onophoudelijke activiteiten. Hij vroeg: “Waarom houd je je zo voortdurend bezig met deze bezoeken aan vreemden?” En Jezus antwoordde: “Ganid, niemand is een vreemdeling voor iemand die God kent.” In de ervaring van het vinden van de Vader in de hemel ontdek je dat alle mensen je broeders zijn. En lijkt het dan vreemd dat je kunt genieten van de opwinding van het ontmoeten van een nieuw ontdekte broeder? Kennismaken met je broeders en zusters, hun problemen kennen en leren van hen te houden, is de allerhoogste levenservaring.”

Dit was een gesprek dat tot diep in de nacht duurde, waarin de jongeman Jezus vroeg hem het verschil uit te leggen tussen de wil van God en die menselijke verstandelijke handeling van ‘kiezen’, die ook wel wil wordt genoemd. In essentie zei Jezus: “De wil van God is de weg van God, partnerschap met de keuze van God, ondanks alle mogelijke alternatieven. De wil van God doen is daarom de voortgaande ervaring van steeds meer op God gaan lijken, en God is de bron en bestemming van alles wat goed, mooi en waar is. De wil van de mens is de weg van de mens, de som en substantie van wat de sterveling kiest te zijn en te doen. Die menselijke wil is de weloverwogen keuze van een zelfbewust wezen die leidt tot besluitvorming gebaseerd op intelligente reflectie.”

Die middag hadden Jezus en Ganid beiden genoten van het spelen met een zeer intelligente herdershond, en Ganid wilde weten of de hond een ziel had, of hij een wil had, en in antwoord op zijn vragen zei Jezus: “De hond heeft een mind, een vorm van intellect, die de materiële mens, zijn meester, kan kennen, maar God, die spirit is, niet kan kennen. Daarom bezit de hond geen spirituele natuur en kan hij geen spirituele ervaring beleven. De hond kan een wil hebben die voortkomt uit de natuur en versterkt wordt door training, maar zo’n verstandelijk vermogen is geen spirituele kracht. En ook is het niet vergelijkbaar met de menselijke wil, omdat het niet reflectief is. De wil van de hond is niet het resultaat van het onderscheiden van hogere en morele betekenissen, of van het kiezen van spirituele en eeuwige waarden. Het is juist dit bezit van zulke vermogens tot spirituele onderscheiding en waarheidskeuze die de sterfelijke mens tot een moreel wezen maken. De mens is daardoor een schepsel begiftigd met de eigenschappen van spirituele verantwoordelijkheid en het potentieel tot eeuwig overleven.” Jezus legde vervolgens uit dat deze afwezigheid van zulke mentale vermogens in het dier het voor de dierenwereld voor altijd onmogelijk maakt om taal te ontwikkelen of iets te ervaren dat gelijkwaardig is aan persoonlijkheidsoverleving in de eeuwigheid. Als gevolg van de instructie van die dag geloofde Ganid nooit meer in de transmigratie (het overgaan) van de zielen van mensen in de lichamen van dieren.

De volgende dag besprak Ganid dit alles met zijn vader, en in antwoord op Gonod’s vraag legde Jezus uit dat de menselijke wil, als die volledig in beslag wordt genomen door het nemen van alleen tijdelijke beslissingen die te maken hebben met de materiële problemen van een bestaan op een dierlijke niveau, gedoemd is om in de tijd te onder te gaan. Maar degenen die oprechte morele beslissingen nemen en onvoorwaardelijke spirituele keuzes maken, worden aldus steeds meer geïdentificeerd, en gaan steeds meer samen, met de inwonende en goddelijke spirit. En daardoor worden ze steeds meer getransformeerd naar de waarden van eeuwig overleven: oneindige groei van goddelijke dienstverlening.

Het was op diezelfde dag dat we voor het eerst die gewichtige waarheid hoorden die, in moderne termen uitgedrukt, zou betekenen: ‘Wil is die manifestatie van het menselijke verstand die het subjectieve bewustzijn in staat stelt zich objectief uit te drukken en het fenomeen te ervaren van het streven om te zijn zoals God‘ En het is op die zelfde manier dat ieder mens met zelf-reflectie en een spirituele instelling creatief kan worden, in de zin van “scheppend”.

In Alexandrië

Het was een bewogen bezoek aan Caesarea geweest, en toen de boot weer klaar was, vertrokken Jezus en zijn twee vrienden op een dag ’s middags naar Alexandrië in Egypte. De drie genoten van een zeer aangename overtocht naar Alexandrië. Ganid was opgetogen over de reis en hield Jezus bezig met het beantwoorden van vragen. Toen ze de haven van de stad naderden, raakte de jongeman onder de indruk van de grote vuurtoren van Pharos, gelegen op het eiland dat Alexander via een dam met het vasteland had verbonden, waardoor twee prachtige havens ontstonden en Alexandrië het maritieme handelsknooppunt van Afrika, Azië en Europa werd. Deze grote vuurtoren was een van de zeven wereldwonderen en de voorloper van alle volgende vuurtorens. Ze stonden vroeg in de ochtend op om dit prachtige levensreddende bouwsel van de mens te aanschouwen. En te midden van de uitroepen van Ganid zei Jezus: “En jij, mijn zoon, zult als deze vuurtoren zijn wanneer je terugkeert naar India, zelfs nadat je vader begraven is. Je zult als het licht van leven worden voor degenen die in duisternis om je heen zitten, en aan allen die dat wensen de weg wijzen om veilig de haven van verlossing te bereiken.”

En terwijl Ganid in de hand van Jezus kneep, zei hij: “Ik zal het doen.”

En opnieuw merken we op dat de vroege leraren van de christelijke religie een grote fout maakten toen ze hun aandacht zo exclusief richtten op de westerse beschaving van de Romeinse wereld. Want de leringen van Jezus, zoals die werden aangehangen door de westerse gelovigen van de eerste eeuw, zouden gretig zijn aanvaard door de verschillende groepen Aziatische religieuze personen.

Binnen het vierde uur na aankomst in Alexandrië waren ze gevestigd nabij het oostelijke einde van de lange en brede laan, dertig meter breed en acht kilometer lang, die zich uitstrekte tot de westelijke grenzen van deze stad met een miljoen inwoners. Na de eerste inspectie van de belangrijkste attracties van de stad – de universiteit (het museum), de bibliotheek, het koninklijke mausoleum van Alexander, het paleis, de tempel van Neptunus, het theater en het gymnasium – wijdde Gonod zich aan zijn zaken, terwijl Jezus en Ganid naar de bibliotheek gingen, de grootste ter wereld. Hier waren bijna een miljoen manuscripten uit de hele beschaafde wereld verzameld: uit Griekenland, Rome, Palestina, Parthië, India, China en zelfs Japan. In deze bibliotheek zag Ganid de grootste collectie Indiase literatuur ter wereld. En ze brachten hier elke dag enige tijd door tijdens hun verblijf in Alexandrië. Jezus vertelde Ganid over de vertaling van de Hebreeuwse geschriften in het Grieks op deze plek. En ze bespraken keer op keer alle religies van de wereld, waarbij Jezus probeerde deze jonge geest de waarheid in elk ervan te laten zien, en er steeds aan toevoegde: “Maar Jahweh is de God die zich heeft ontwikkeld uit de openbaringen van Melchizedek en het verbond met Abraham. De Joden waren de nakomelingen van Abraham en bewoonden vervolgens het land waar Melchizedek had geleefd en onderwezen, en van waaruit hij leraren naar de hele wereld had gestuurd; en hun religie toonde uiteindelijk een duidelijker erkenning van de Heer God van Israël als de Universele Vader in de hemel dan welke andere wereldreligie ook.”

Onder leiding van Jezus verzamelde Ganid de leringen van alle religies ter wereld die een Universele Godheid erkenden, ook al erkenden ze mogelijk ook meer of minder ondergeschikte godheden. Na veel discussie besloten Jezus en Ganid dat de Romeinen geen echte God in hun religie hadden, dat hun religie nauwelijks meer was dan keizer-verering. De Grieken, zo concludeerden ze, hadden een filosofie, maar nauwelijks een religie met een persoonlijke God. De mysterie-culten verwierpen ze vanwege de verwarring van hun veelsoortigheid, en omdat hun uiteenlopende concepten van Godheid afgeleid leken te zijn van andere en oudere religies.

Hoewel deze vertalingen in Alexandrië werden gemaakt, ordende Ganid deze selecties en voegde hij er zijn eigen persoonlijke conclusies pas aan het einde van hun verblijf in Rome aan toe. Hij was zeer verrast te ontdekken dat de beste auteurs van de heilige literatuur ter wereld allemaal min of meer duidelijk het bestaan van een eeuwige God erkenden en het grotendeels met elkaar eens waren over zijn karakter en zijn relatie met de sterfelijke mens.

Jezus en Ganid brachten veel tijd door in het museum tijdens hun verblijf in Alexandrië. Dit museum was geen verzameling zeldzame voorwerpen, maar eerder een universiteit voor schone kunsten, wetenschap en literatuur. Geleerde professoren gaven hier dagelijks lezingen, en in die tijd was dit het intellectuele centrum van de westerse wereld. Dag in, dag uit interpreteerde Jezus de lezingen aan Ganid. Op een dag in de tweede week riep de jongeman uit: “Meester Joshua, u weet meer dan deze professoren. U moet opstaan en hun de grote dingen vertellen die u mij hebt verteld. Ze zijn vertroebeld door veel nadenken. Ik zal met mijn vader spreken en hem het laten regelen.” Jezus glimlachte en zei: “Je bent een bewonderende leerling, maar deze leraren zijn er niet op uit dat jij en ik hen onderwijzen. De trots van niet-gespiritualiseerde kennis is een verraderlijke zaak in de menselijke ervaring. De ware leraar behoudt zijn intellectuele integriteit door altijd een leerling te blijven.”

Alexandrië was de stad van de mix van culturen van het Westen en was na Rome de grootste en meest magnifieke ter wereld. Hier bevond zich de grootste Joodse synagoge ter wereld, de zetel van de regering van het Sanhedrin (hoogste gerechtshof) van Alexandrië, de zeventig regerende oudsten.

Onder de vele mannen met wie Gonod zaken deed, bevond zich een zekere Joodse bankier, Alexander, wiens broer, Philo, een beroemde religieuze filosoof was in die tijd. Philo hield zich bezig met de prijzenswaardige maar buitengewoon moeilijke taak om de Griekse filosofie en de Hebreeuwse theologie te harmoniseren. Ganid en Jezus spraken veel over de leringen van Philo en verwachtten enkele van zijn lezingen bij te wonen, maar gedurende hun hele verblijf in Alexandrië lag deze beroemde Hellenistische Jood ziek op bed.

Jezus deed veel aanbevelingen aan Ganid over de Griekse filosofie en de stoïcijnse leer, maar hij bracht de jongen de waarheid bij dat deze geloofssystemen, net als de vage leringen van sommigen van zijn eigen volk, alleen maar religies te noemen waren in de zin dat ze mensen ertoe brachten God te vinden en een levende ervaring te beleven in het kennen van de Eeuwige.

Op het eiland Kreta

De reizigers hadden maar één doel toen ze naar Kreta gingen, en dat was om te spelen, over het eiland te wandelen en de bergen te beklimmen. De Kretenzers genoten destijds geen benijdenswaardige reputatie bij de omliggende volken. Toch konden Jezus en Ganid vele zielen verleiden tot hogere niveaus van denken en leven en legden ze zo de basis voor de snelle aanvaarding van de latere evangelie-leringen toen de eerste predikers uit Jeruzalem arriveerden.

Jezus hield van deze Kretenzers, ondanks de harde woorden die Paulus later over hen sprak toen hij Titus naar het eiland stuurde om hun kerken te reorganiseren.

Op de berghelling van Kreta had Jezus zijn eerste lange gesprek met Gonod over religie. En de vader was zeer onder de indruk en zei: “Geen wonder dat de jongen alles gelooft wat je hem vertelt, maar ik wist niet dat ze zelfs in Jeruzalem zo’n religie hadden, laat staan in Damascus.” Het was tijdens hun verblijf op het eiland dat Gonod Jezus voor het eerst voorstelde om met hen terug te gaan naar India, en Ganid was opgetogen bij de gedachte dat Jezus misschien met zo’n regeling zou instemmen.

Toen Ganid op een dag aan Jezus vroeg waarom hij zich niet aan het werk van een openbare leraar had gewijd, zei hij: “Mijn zoon, alles moet wachten tot zijn tijd gekomen is. Je wordt geboren, maar geen enkele angst of uiting van ongeduld zal je helpen volwassen te worden. Je moet in al zulke zaken wachten op de tijd. Alleen de tijd zal de groene vrucht aan de boom laten rijpen. Seizoen volgt seizoen op seizoen en zonsondergang volgt zonsopgang, alleen met het verstrijken van de tijd. Ik ben nu met jou en je vader op weg naar Rome, en dat is voldoende voor vandaag. Mijn morgen ligt volledig in de handen van mijn Vader in de hemel.” En toen vertelde hij Ganid het verhaal van Mozes en de veertig jaar van waakzaam wachten en voortdurende voorbereiding.

Er gebeurde iets tijdens een bezoek aan Kaloi Limenes (“Goede Havens”) dat Ganid nooit zou vergeten. De herinnering aan deze episode deed hem altijd verlangen dat hij iets zou kunnen doen om het kastenstelsel van zijn geboorteland India te veranderen. Een dronken, gedegenereerde man viel een slavin aan op de openbare weg. Toen Jezus de benarde toestand van het meisje zag, snelde hij naar voren en trok het meisje weg van de aanval van de gek. Terwijl het angstige kind zich aan hem vastklampte, hield hij de woedende man op veilige afstand met zijn krachtige, uitgestrekte rechterarm, totdat de arme man uitgeput was van het slaan in de lucht met zijn woedende slagen. Ganid voelde een sterke drang om Jezus te helpen met de zaak, maar zijn vader verbood hem. Hoewel ze de taal van het meisje niet spraken, kon ze hun daad van barmhartigheid begrijpen en gaf ze blijk van haar oprechte waardering toen ze haar alle drie naar huis begeleidden. Dit was waarschijnlijk zo dicht bij een persoonlijke interactie met zijn medemensen als Jezus ooit zou komen in zijn hele leven in een sterfelijk lichaam. Maar hij had die avond de moeilijke taak om Ganid uit te leggen waarom hij de dronken man niet had geslagen. Ganid vond dat deze man minstens zo vaak geslagen had moeten worden als hij het meisje had geslagen.

De jongeman die bang was

Terwijl ze in de bergen waren, had Jezus een lang gesprek met een jongeman die angstig en depressief was. Omdat hij geen troost en moed kon putten uit de omgang met zijn kameraden, had deze jongeman de eenzaamheid van de heuvels opgezocht. Hij was opgegroeid met een gevoel van hulpeloosheid en minderwaardigheid. Deze natuurlijke neigingen waren versterkt door talloze moeilijke omstandigheden die de jongen tijdens zijn jeugd had meegemaakt, met name het verlies van zijn vader toen hij twaalf jaar oud was. Toen ze elkaar ontmoetten, zei Jezus: “Gegroet, mijn vriend! Waarom zo terneergeslagen op zo’n mooie dag? Als er iets is gebeurd dat je verdrietig maakt, kan ik je misschien op de een of andere manier helpen. In ieder geval doet het me echt plezier mijn diensten aan te bieden.”

De jongeman had geen zin om te praten, en daarom benaderde Jezus hem nogmaals door te zeggen: “Ik begrijp dat je deze heuvels in gaat om bij de mensen weg te komen. Dus wil je natuurlijk niet met me praten, maar ik zou graag willen weten of je bekend bent met deze heuvels. Ken je de richting van de paden? En kun je me misschien vertellen wat de beste route naar Phenix is?” Deze jongeman was zeer bekend met deze bergen, en hij raakte er echt in geïnteresseerd om Jezus de weg naar Phenix te vertellen, zozeer zelfs dat hij alle paden op de grond uittekende en elk detail volledig uitlegde. Maar hij schrok en werd nieuwsgierig toen Jezus, na gedag te hebben gezegd en te doen alsof hij afscheid nam, zich plotseling naar hem omdraaide en zei: “Ik weet heel goed dat je alleen wilt blijven met je troosteloosheid. Maar het zou niet aardig en ook niet eerlijk zijn als ik eerst zulke genereuze hulp van je zou ontvangen over hoe ik het beste mijn weg naar Phenix kan vinden, en dan gedachteloos van je zou weggaan zonder de minste moeite te doen om je smeekbede om hulp en begeleiding te beantwoorden met betrekking tot de beste route naar het doel van je bestemming dat je in uw hart zoekt, terwijl je hier op de berghelling vertoeft. Zoals jij de paden naar Phenix zo goed kent, omdat je ze al vele malen hebt bewandeld, zo ken ik ook de weg naar de stad van jouw teleurgestelde hoop en geblokkeerde ambities. En aangezien jij mij om hulp hebt gevraagd, zal ik je niet teleurstellen.” De jongeman was bijna overmand door emoties, maar hij slaagde erin stamelend uit te brengen: “Maar ik heb u toch niets gevraagd?” En Jezus legde een zachte hand op zijn schouder en zei: “Nee, zoon, niet met woorden, maar met verlangende blikken heb je een beroep gedaan op mijn hart. Mijn jongen, voor iemand die van zijn medemensen houdt, is er een welsprekende smeekbede om hulp in je ontmoedigde en wanhopige gelaat. Ga bij me zitten terwijl ik je vertel over de paden van dienstbaarheid en de wegen van geluk die leiden van het verdriet van het zelf naar de vreugde van liefdevolle activiteiten in de broederschap van mensen en in dienst van de hemelse God.”

Op dat moment verlangde de jongeman er zeer naar om met Jezus te praten, en hij knielde aan zijn voeten en smeekte Jezus om hem te helpen, om hem de weg te wijzen naar ontsnapping uit zijn wereld van persoonlijk verdriet en nederlaag. Jezus zei: “Mijn vriend, sta op! Sta op als een man! Je bent misschien omringd door kleine vijanden en wordt tegengehouden door vele obstakels, maar de grote dingen en de echte dingen van deze wereld en het universum staan aan jouw kant. De zon komt elke ochtend op om je te groeten, net zoals hij dat doet voor de machtigste en meest welvarende man op aarde. Kijk, je hebt een sterk lichaam en krachtige spieren, je fysieke uitrusting is beter dan gemiddeld. Natuurlijk is het vrijwel nutteloos zolang je hier op de berghelling zit te treuren om je tegenslagen, zowel echte als ingebeelde. Maar je zou grote dingen met je lichaam kunnen doen als je je zou haasten naar waar grote dingen wachten om gedaan te worden. Je probeert weg te rennen van je ongelukkige zelf, maar dat lukt niet. Jij en je levensproblemen zijn echt; je kunt er niet aan ontsnappen zolang je leeft. Maar kijk nog eens, je verstand is helder en capabel. Je sterke lichaam heeft een intelligent verstand om het te sturen. Zet dat intellect aan het werk om je problemen op te lossen; leer je intellect om voor je te werken; weiger langer gedomineerd te worden door angst als een onnadenkend dier. Je verstand zou je moedige bondgenoot moeten zijn bij het oplossen van je levensproblemen, in plaats van, zoals je bent geweest, een slaaf van angst en een dienaar van depressie en nederlaag te zijn. Maar het meest waardevolle van alles is je potentieel voor werkelijke prestatie: de Mentor-Spirit die in je leeft, en die je mind zal stimuleren en inspireren om zichzelf te beheersen en je lichaam te activeren, als je hem (die Mentor-Spirit) bevrijdt van de ketenen van angst en zo je spirituele natuur in staat stelt om je bevrijding van het kwaad van inactiviteit te beginnen door de kracht van levend geloof. En dan, onmiddellijk, zal dit geloof de angst voor mensen overwinnen door de dwingende aanwezigheid van die nieuwe en allesoverheersende liefde voor je medemens, die je ziel zo snel zal vullen -tot overvloeiens toe- vanwege het besef dat in je hart is geboren dat je een kind van God bent.”

“Vandaag, mijn zoon, zul je herboren worden, herbevestigd als een man van geloof, moed en toegewijde dienst aan de mens, omwille van God. En wanneer je zo opnieuw bent ingesteld op het leven in jezelf, zul je ook opnieuw ingesteld worden op het universum; je bent wedergeboren – geboren uit spirit – en voortaan zal je hele leven een leven van zegevierende prestaties worden. Problemen zullen je versterken; teleurstelling zal je aansporen; moeilijkheden zullen je uitdagen; en obstakels zullen je stimuleren. Sta op, jongeman! Neem afscheid van het leven van huiverende angst en vluchtende lafheid. Haast je terug naar je plicht en leef je leven in dit lichaam als een zoon van God, een sterveling toegewijd aan de veredelende dienst van de mens op aarde en bestemd voor de verheven en eeuwige dienst van God in de eeuwigheid.”

En deze jongeman, Fortune, werd later de leider van de christenen op Kreta en de nauwe medewerker van Titus in zijn werk voor de verheffing van de Kretenzische gelovigen.

De reizigers waren werkelijk uitgerust en verkwikt toen ze zich rond het middaguur op een dag gereedmaakten om naar Carthago in Noord-Afrika te varen, met een tussenstop van twee dagen in Cyrene. Hier verleenden Jezus en Ganid eerste hulp aan een jongen genaamd Rufus, die gewond was geraakt door een defect aan een beladen ossenkar. Ze droegen hem naar huis, naar zijn moeder, en zijn vader, Simon, had er geen idee van dat de man wiens kruis hij later in opdracht van een Romeinse soldaat droeg, de vreemdeling was die ooit vriendschap had gesloten met zijn zoon.

In Carthago; Verhandeling over tijd en ruimte

Onderweg naar Carthago sprak Jezus met zijn medereizigers vooral over sociale, politieke en commerciële zaken; er werd nauwelijks over religie gesproken. Voor het eerst ontdekten Gonod en Ganid dat Jezus een goede verhalenverteller was, en ze hielden hem bezig met verhalen vertellen over zijn jeugd in Galilea. Ze kwamen er ook achter dat hij in Galilea was opgegroeid en niet in Jeruzalem of Damascus.

Toen Ganid vroeg wat men kon doen om vrienden te maken, en merkte dat de meeste mensen die ze toevallig ontmoetten zich tot Jezus aangetrokken voelden, zei zijn leraar: “Word geïnteresseerd in je medemens; leer van hen te houden en zoek de gelegenheid om iets voor hen te doen waarvan je zeker weet dat ze dat willen”. En toen citeerde hij het oude Joodse spreekwoord: “Een man die vrienden wil hebben, moet zich vriendelijk tonen.”

In Carthago had Jezus een lang en gedenkwaardig gesprek met een Mithraïsche priester over onsterfelijkheid, over tijd en eeuwigheid. Deze Pers was opgeleid in Alexandrië en hij verlangde er werkelijk naar om van Jezus te leren. Geformuleerd naar hedendaagse woorden, zei Jezus in essentie in antwoord op zijn vele vragen:

“Tijd is de stroom van vloeiende tijdelijke gebeurtenissen die door het bewustzijn van het schepsel worden waargenomen. Tijd is een naam die gegeven wordt aan de opeenvolging waardoor gebeurtenissen worden herkend en gescheiden. Het universum van de ruimte is een tijdgerelateerd fenomeen, aangezien het wordt bekeken vanuit elke innerlijke positie buiten de vaste verblijfplaats van het Paradijs. De beweging van de tijd wordt alleen onthuld in relatie tot iets dat zich niet als een tijdsverschijnsel in de ruimte beweegt. In het (totale) universum van (lokale) universa overstijgen het Paradijs en zijn Godheden zowel tijd als ruimte. Op de bewoonde werelden is de menselijke persoonlijkheid (bewoond en georiënteerd door de spirit van de Paradijs-Vader) de enige fysiek gerelateerde realiteit die de materiële opeenvolging van tijdelijke gebeurtenissen kan overstijgen.”

“Dieren voelen tijd niet zoals de mens, en zelfs voor de mens, vanwege zijn beperkte blik op maar een deel van de werkelijkheid, verschijnt tijd als een opeenvolging van gebeurtenissen. Maar naarmate de mens opstijgt, naarmate hij innerlijk vordert, is het breder wordende zicht op deze opeenvolging van gebeurtenissen zodanig dat het steeds meer in zijn geheel wordt onderscheiden. Dat wat voorheen verscheen als een opeenvolging van gebeurtenissen, zal dan worden beschouwd als een volledige en perfect samenhangende cyclus. Op deze manier zal circulaire gelijktijdigheid steeds meer het voormalige bewustzijn van de lineaire opeenvolging van gebeurtenissen verdringen.”

Op weg naar Napels en Rome

De eerste stop op weg naar Italië was op het eiland Malta. Hier had Jezus een lang gesprek met een terneergeslagen en ontmoedigde jongeman, Claudus genaamd. Deze man had overwogen zelfmoord te plegen, maar toen hij klaar was met zijn gesprek met de schriftgeleerde van Damascus, zei hij: “Ik zal het leven als een man tegemoet treden; ik ben klaar met de lafaard uithangen. Ik zal terugkeren naar mijn volk en helemaal opnieuw beginnen.” Kort daarna werd hij een enthousiaste prediker van de cynici, en nog later sloot hij zich aan bij Petrus om het christendom te verkondigen in Rome en Napels, en na de dood van Petrus ging hij naar Spanje om het evangelie te prediken. Maar hij wist nooit dat de man die hem op Malta inspireerde, de Jezus was die hij later als de Verlosser van de wereld verkondigde.

In Syracuse brachten ze een volle week door. De opmerkelijke gebeurtenis van hun verblijf hier was de rehabilitatie van Ezra, een afvallige Jood, die de herberg had waar Jezus en zijn metgezellen verbleven. Ezra was gecharmeerd door de benadering van Jezus en vroeg hem om hem te helpen terug te keren naar het geloof van Israël. Hij uitte zijn hopeloosheid door te zeggen: “Ik wil een ware zoon van Abraham zijn, maar ik kan God niet vinden.” Jezus zei: “Als je God echt wilt vinden, is dat verlangen op zichzelf al een bewijs dat je Hem al gevonden hebt. Je probleem is niet dat je God niet kunt vinden, want de Vader heeft je al gevonden; je probleem is simpelweg dat je God niet kent. Heb je niet in de profeet Jeremia gelezen: ‘Je zult Mij zoeken en vinden als je Mij met heel je hart zoekt.’ En zegt deze profeet niet: ‘En Ik zal je een hart geven om Mij te kennen, dat Ik de Heer ben, en je zult tot Mijn volk behoren, en Ik zal je God zijn.’ En heb je ook niet in de Schrift gelezen waar staat: ‘Hij ziet neer op de mensen, en als iemand zegt: Ik heb gezondigd en het rechte verdraaid, en het heeft mij niet gebaat, zal God dan de ziel van die mens uit de duisternis verlossen, en hij zal het licht zien?’ ” En Ezra vond God, en tot zijn volle tevredenheid. Later bouwde deze Jood, in samenwerking met een welgestelde Griekse proseliet, de eerste christelijke kerk in Syracuse.

In Messina bleven ze slechts één dag, maar dat was lang genoeg om het leven te veranderen van een kleine jongen, een fruitverkoper, van wie Jezus fruit kocht en op zijn beurt voedde met het brood des levens. De jongen vergat nooit de woorden van Jezus en de vriendelijke blik die daarmee gepaard ging toen hij zijn hand op de schouder van de jongen legde en zei: “Vaarwel, mijn jongen, heb goede moed terwijl je opgroeit tot een man, en leer, nadat je je lichaam hebt gevoed, ook je ziel te voeden. En mijn Vader in de hemel zal met je zijn en voor je uit gaan.” De jongen werd een aanhanger van de Mithras-religie en bekeerde zich later tot het christelijk geloof.

Eindelijk bereikten ze Napels en voelden dat ze niet ver meer van hun bestemming, Rome, waren. Gonod had veel zaken te doen in Napels, en afgezien van de tijd dat Jezus als tolk nodig was, brachten hij en Ganid hun vrije tijd door met het bezoeken en verkennen van de stad. Ganid werd steeds bedrevener in het opmerken van mensen die in nood leken te zijn. Ze troffen veel armoede aan in deze stad en deelden veel aalmoezen uit. Maar Ganid begreep nooit de betekenis van de woorden van Jezus toen hij, nadat hij een munt aan een bedelaar had gegeven, weigerde te pauzeren en de man troostend toe te spreken. Jezus zei: “Waarom verspil je woorden aan iemand die de betekenis van wat je zegt niet kan begrijpen? De spirit van de Vader kan iemand niet onderwijzen en redden die het vermogen tot zoonschap niet heeft.” Wat Jezus bedoelde, was dat de man niet bij zijn volle verstand was; dat hij niet in staat was te reageren op de leiding van de spirit.

Er was geen bijzondere ervaring in Napels. Jezus en de jongeman verkenden de stad grondig en verspreidden met veel glimlachen goede moed over honderden mannen, vrouwen en kinderen. Van hieruit gingen ze richting Rome via Capua, waar ze drie dagen bleven. Over de Via Appia reisden ze verder met hun lastdieren naar Rome, alle drie verlangend om deze meesteres van een wereldrijk en de grootste stad ter wereld te zien.

Dit hoofdstuk is een nieuwe Nederlandse vertaling gebaseerd op Paper 130 van het Urantia Boek: https://www.urantia.org