Wie was Jozef van Arimathea?
Jozef van Arimathea was een welgestelde en gerespecteerde Jood, afkomstig uit de stad Arimathea, en lid van het Sanhedrin. In tegenstelling tot veel van zijn collega’s stond hij innerlijk positief tegenover Jezus en diens boodschap, hoewel hij dit lange tijd niet openlijk durfde te tonen.
Relatie tot Jezus
Volgens het verhaal behoorde Jozef tot die groep van hooggeplaatste Joden die Jezus niet openlijk volgden, maar wel diep geraakt waren door zijn leer. Zijn toewijding was oprecht, maar voorzichtig. Pas na de dood van Jezus trad hij openlijk naar voren, wat grote persoonlijke en sociale risico’s met zich meebracht.
Eerste poging
Jozefs eerste poging om Jezus te ontmoeten mislukte. Nadat hij over Jezus had gehoord en geraakt was door zijn leer, ging Jozef met zijn vriend Nicodemus naar de plek waar de Meester kampeerde. De twee mannen stonden voor zijn tent, maar draaiden zich toen om en gingen weg uit angst. Er waren echter verschillende gelegenheden waarbij Jozef, nadat hij zijn angst had overwonnen, in de aanwezigheid van Jezus was.
Hoewel Jezus en de apostelen de hele maand juni in of nabij Jeruzalem doorbrachten, gaven ze in die periode geen openbaar onderwijs. Ze woonden grotendeels in tenten, die ze opsloegen in een schaduwrijk park of tuin, destijds bekend als Gethsemane. Dit park lag op de westelijke helling van de Olijfberg, niet ver van de beek Kidron. De sabbatweekenden brachten ze gewoonlijk door met Lazarus en zijn zussen in Bethanië. Jezus betrad Jeruzalem slechts enkele keren, maar een groot aantal geïnteresseerden kwam naar Gethsemane om hem te bezoeken. Op een vrijdagavond waagden Nicodemus en Jozef uit Arimathea zich naar Jezus toe, maar ze keerden uit angst terug, zelfs toen ze voor de ingang van de tent van de Meester stonden. En natuurlijk beseften ze niet dat Jezus alles wist van wat ze deden.
Latere ontmoetingen
Op een avond tijdens het inwijdingsfeest in december 29 n.Chr., in het huis van Nicodemus, waren zo’n vijfentwintig Joodse leiders bijeen die in de leer van Jezus geloofden. Onder hen was Jozef van Arimathea. Als lid van het Sanhedrin vergde het grote moed om te geloven in iemand die door zijn medeleden van het Sanhedrin was veroordeeld wegens godslastering.
In de periode vlak voor de arrestatie en veroordeling van Jezus trokken verschillende leden zich uit de activiteiten van het Sanhedrin terug. In diezelfde tijd traden ook Jozef en Nicodemus steeds openlijker naar voren als gelovigen in Jezus.
Op 4 april 30 n.Chr., drie dagen voor zijn kruisiging, kwamen elf van zijn apostelen, Jozef van Arimathea en enkele andere discipelen bijeen in de tempel van Jeruzalem om de laatste openbare toespraak van Jezus te horen.
Het huis van Jozef van Arimathea als ontmoetingsplek
Jozef was rijk en invloedrijk. Nadat hij tot geloof was gekomen, stelde hij zijn huis op verschillende momenten ter beschikking aan de volgelingen van Jezus. Nadat Jezus was gearresteerd, verbleven de vrouwelijke evangelisten in het huis van Jozef, terwijl hij en enkele mannen bij Nicodemus logeerden.
Rebecca de dochter van Jozef van Arimathea
Jozefs dochter, Rebecca, was ook een gelovige. Zij werd door Jezus specifiek aangewezen als evangeliste in het vrouwenkorps. Zij dient niet verward te worden met Rebecca (later aangeduid als “van Sepphoris”) die als oudste dochter van Ezra, een rijke koopman en handelaar in Nazareth, in de jongere jaren van Jezus hem de liefde verklaarde.
De dochter van Jozef van Arimathea, Rebecca, wordt volgens hoofdstuk 28 samen met Maria Magdalena toegevoegd aan de eerste tien vrouwen van het vrouwen evangelisatie korps.
De begrafenis van Jezus
Jozef van Arimathea speelde een beslissende rol na de kruisiging van Jezus. Hij vroeg bij Pilatus toestemming om het lichaam van Jezus te begraven en stelde daarvoor zijn eigen graf ter beschikking. Hiermee voorkwam hij dat Jezus anoniem of onwaardig zou worden begraven, zoals bij geëxecuteerde misdadigers gebruikelijk was.
Rond half vijf vertrok de begrafenisstoet van Jezus van Nazareth van Golgotha naar Jozefs graf aan de overkant. Het lichaam werd in een linnen laken gewikkeld terwijl de vier mannen het droegen, gevolgd door de trouwe vrouwen uit Galilea die toekeken. De stervelingen die het stoffelijke lichaam van Jezus naar het graf droegen, waren: Jozef, Nicodemus, Johannes en de Romeinse centurion.
Ze droegen het lichaam het graf in, een ruimte van ongeveer drie meter in het vierkant, waar ze het haastig gereedmaakten voor de begrafenis. De Joden begroeven hun doden niet echt; ze balsemden hen. Jozef en Nicodemus hadden grote hoeveelheden mirre en aloë meegebracht en wikkelden het lichaam nu in windsels die met deze oplossingen waren doordrenkt. Toen de balseming voltooid was, bonden ze een servet om het gezicht, wikkelden het lichaam in een linnen laken en legden het eerbiedig op een plank in het graf.
Deze daad markeert een belangrijk omslagpunt: waar Jozef eerder een terughoudende, verborgen discipel was, getuigde hij nu openlijk van zijn verbondenheid met Jezus. In het verhaal staat hij symbool voor morele moed die uiteindelijk volledig tot uitdrukking komt.
Zijn diepe geloof komt ook tot uiting in deze zin uit het verhaal:
Afgezien van David Zebedeüs en Jozef van Arimathea geloofden of begrepen maar heel weinig van de discipelen van Jezus echt dat hij op de derde dag uit het graf zou opstaan.
Spirituele betekenis
Jozef van Arimathea vertegenwoordigt het type volgeling dat innerlijk al lang overtuigd is, maar tijd nodig heeft om die overtuiging ook uiterlijk te leven. Zijn verhaal laat zien dat spirituele groei niet altijd zichtbaar of spectaculair verloopt, maar soms juist tot rijping komt in stilte en innerlijke worsteling.
In het verhaal wordt hij gezien als iemand bij wie loyaliteit aan waarheid uiteindelijk zwaarder woog dan sociale positie, reputatie of persoonlijke veiligheid.
