Ontleend aan Paper 121 : De tijd waarin het leven van Jezus zich afspeelde
De filosofie van de gentiles, de niet-Joden
Op het gebied van wat we tegenwoordig ‘waarden en normen’ noemen, stonden de niet-Joden op een iets lager niveau dan de Joden, maar in de harten van de wat hoger ontwikkelde niet-Joden was een rijke voedingsbodem aanwezig voor natuurlijke goedheid en menselijke genegenheid. Daarin kon het zaad van het Christendom later ontkiemen en kon het een overvloedige oogst aan karakter (gebaseerd op ontwikkelde waarden en normen) en spirituele vooruitgang voortbrengen. De niet-Joodse wereld werd in die tijd gedomineerd door vier grote filosofieën, min of meer afgeleid van de eerdere redeneringen van Plato bij de Grieken. Deze filosofische scholen waren:
- De Epicurische school. Deze school van denken richtte zich vooral op het najagen van geluk. De betere Epicuristen gaven zich niet over aan lichamelijke uitspattingen. Deze leer hielp de Romeinen tenminste om zich te bevrijden van een meer dodelijke vorm van fatalisme: want Epicuristen zeiden dat de mens iets kan doen om verbetering te brengen in zijn aardse staat. Ook bestreden zij doeltreffend allerlei vormen van onwetend bijgeloof. Epicurisme is een vorm van materialisme. Er is een ontkenning van religie, maar ook een algemene aanval op bijgeloof en goddelijke interventie. Genot en plezier worden het enige echte doel van het leven. Maar in die tijd overheerste ook de gedachte dat de afwezigheid van pijn en angst het grootste genot vormt, en er was een pleidooi voor een eenvoudig leven. Dat maakte het heel anders dan het pure hedonisme dat we vandaag veel zien: je leeft maar een keer, dus genieten, voor jezelf, en pakken wat je pakken kan…
- De Stoïsche school. Het Stoïcisme was de superieure filosofie van de betere klassen. De Stoïcijnen geloofden dat de hele natuur geregeerd wordt door een rede; dat we onderdeel zijn van een orde, die je natuur of rede of goddelijk kunt noemen. Stoïcijnen zeiden dat de ziel van de mens goddelijk is: dat de ziel gevangen zit in het ‘evil’ lichaam van de materiele natuur. En dat de ziel van de mens vrijheid kan bereiken door in harmonie te leven met de natuur, met God. Het concept van deugen, van deugdelijke dingen doen (‘virtue’) was belangrijk. De stoïcijnen geloofden dat het beoefenen van deugdzaamheid voldoende is om eudaimonia te bereiken: een goed geleefd leven. Je dagelijks leven dient volgens hen gewijd te zijn aan het beoefenen van vier hoofddeugden: voorzichtigheid, standvastigheid, matigheid en rechtvaardigheid – en aan een leven in overeenstemming met de natuur. Als je zo leeft, krijg je daar ook de beloning voor: een goed leven. Het Stoïcisme leidde tot een hoge standaard van normen en waarden, het waren idealen die sindsdien nooit meer zijn overtroffen door een ander puur menselijk filosofisch stelsel. Hoewel de Stoïcijnen verklaarden dat ze ‘de nakomelingen van God’ waren, slaagden zij er niet in Hem te kennen en dus slaagden zij er niet in Hem te vinden. Het Stoïcisme bleef een filosofie: het werd nooit een religie. Stoïcijnen probeerden hun mind af te stemmen op de harmonie van de Universele Mind, maar het lukte ze niet om zichzelf te beschouwen als de kinderen van een liefhebbende Vader. Paulus neigde sterk naar het Stoïcisme toen hij schreef: ‘Ik heb geleerd tevreden te zijn in elke situatie, ongeacht de omstandigheden’. Maar hij voegde wel toe: “Ik kan dit alles doen door Hem die mij kracht geeft.”
- De Cynische school. De cynici voerden hun filosofie terug tot Diogenes van Athene. Vroeger was het Cynisme meer een religie dan een filosofie geweest. En de Cynici maakten hun religie-filosofie tenminste democratisch. In velden en wegen en op de marktpleinen verkondigden ze voortdurend hun leer dat ‘de mens zichzelf kan redden indien hij dit maar wil.’ Ze predikten eenvoud en deugd, en spoorden de mensen aan de dood zonder angst tegemoet te treden. Deze rondtrekkende Cynische predikers droegen er veel aan bij dat het volk, hongerig naar spiritualiteit, klaar was voor de latere komst van de Christelijke zendelingen. Het systeem van hoe de Cynici predikten onder het volk was sterk volgens het patroon en de stijl van de Brieven zoals Paulus die later schreef.
- De Skeptische school. Het Skepticisme beweerde dat kennis misleidend was, en dat overtuiging en zekerheid onmogelijk waren. Het was een puur negatieve houding en werd nooit erg wijd verspreid.
Deze filosofieën waren half-religieus; ze gaven vaak kracht en waarden/normen en ze werkten veredelend, maar ze gingen voor de gewone mensen vaak te hoog. Het Cynisme misschien uitgezonderd, waren het filosofieën voor de sterken en de wijzen, geen religies van redding voor de armen en de zwakken.
De gentile religies, van de niet-Joden
Gedurende alle voorgaande eeuwen was religie voornamelijk een zaak van de stam of de natie geweest. Het was maar zelden een zaak die de individuele mens aanging. Goden waren stamgoden of nationale goden, en niet persoonlijke goden. Zulke religieuze systemen leverden maar weinig bevrediging op van de persoonlijke spirituele verlangens van de gemiddelde mens.
In de dagen van Jezus bestonden er in het Westen onder andere de volgende religies:
- De heidense culten (Paganisme) Deze waren een combinatie van Helleense en Latijnse mythologie, patriottisme en traditie.
- Verering van de keizer. De Joden en de eerste Christenen hadden een grote afkeer van deze vergoddelijking van een mens die het symbool was van de staat. Dit leidde later rechtstreeks tot de bittere vervolging van beide kerken door de Romeinse regering.
- Astrologie. Deze pseudo-wetenschap uit Babylon ontwikkelde zich in het gehele Grieks-Romeinse Rijk tot een religie. Zelfs in de (een-en)twintigste eeuw is de mens nog niet geheel bevrijd van dit bijgeloof.
- De mysteriën. In die spiritueel hongerige wereld van toen was een hele vloedgolf losgebroken van mysteriën, nieuwe, vreemde religies uit de Levant. Bij de gewone mensen waren deze erg geliefd en deze religies beloofden ook individuele redding. Deze religies werden al snel het algemeen aanvaarde geloof van de lagere klassen van de Grieks-Romeinse wereld. En dat deed ook veel om de weg te bereiden voor de snelle verbreiding van de veel meer superieure Christelijke leer. Die bood een majesteitelijk begrip van de Godheid, samen met een boeiende theologie voor de intelligente gelovigen en een diepgaand aanbod van ‘redding voor iedereen’, ook voor de onwetende maar spiritueel hongerige gemiddelde mens van die dagen.
Besef van waarden en normen was onder de niet-Joden niet noodzakelijkerwijze met filosofie of religie verbonden. Buiten Palestina kwam het niet altijd bij de mensen op dat een godsdienstig priester een leven volgens hogere waarden en normen zou moeten leiden. De Joodse religie en vervolgens het onderricht van Jezus, en nog later het zich ontwikkelende Christendom van Paulus, waren de eerste Europese religies die ons leerden dat je aandacht moet geven aan “goed” leven, volgens hogere principes, volgens een bepaalde ethiek, volgens beschaafde normen en waarden.
Dus in deze generatie werd Jezus in Palestina geboren. Een generatie van mensen die leefde onder dergelijke onvolledige filosofische stelsels en verward door deze ingewikkelde religieuze culten. En aan deze zelfde generatie gaf hij later zijn evangelie van persoonlijke religie — kind-zijn van en bij God.
