Hellenistische invloeden
Aan het einde van de eerste eeuw voor Christus was het godsdienstig denken in Jeruzalem enorm beïnvloed en ook wat gewijzigd door Griekse culturele leringen en zelfs door de Griekse filosofie. In de lange strijd tussen de gezichtspunten van de oosterse en westerse scholen van het Hebreeuwse denken, kozen Jeruzalem en de rest van het Westen en de Levant in het algemeen voor het Westers-Joodse of wat gewijzigde Hellenistische gezichtspunt (Hellenistisch = Grieks).
In de dagen van Jezus waren er drie talen die overheersten in Palestina: het gewone volk sprak het een of andere dialect van het Aramees; de priesters en rabbi’s spraken Hebreeuws; en de mensen met goede opleiding en de Joden uit de hogere bevolkingslagen spraken in het algemeen Grieks. De vroege vertaling in Alexandrië van de Hebreeuwse geschriften in het Grieks droeg er in niet geringe mate toe bij dat de Griekse stroming in de Joodse cultuur en theologie vervolgens de overhand kreeg. De geschriften van de Christelijke leraren zouden al snel in dezelfde taal, Grieks, het licht zien. De renaissance van het Joodse geloof begint met de Griekse vertaling van de Hebreeuwse geschriften. Die vertaling was een vitale invloed die later ervoor zorgde dat cultus van het Christendom van Paulus zich op het Westen richtte in plaats van op het Oosten.
De hellenistische geloofsopvattingen van de Joden waren maar heel beperkt beïnvloed door de leer van de Epicuristen. Maar de invloed van de filosofie van Plato en de leer van zelfverloochening van de Stoïcijnen was wel heel groot. Die grote invloed van de leer van de Stoïcijnen zien we bijvoorbeeld in het Vierde Boek van de Maccabeeën. De invloed van de filosofie van Plato en ook van de leer der Stoïcijnen komt ook tot uiting in het boek “Wijsheid van Solomon”. De hellenistische Joden gaven een allegorische interpretatie aan de Hebreeuwse geschriften, wat betekent dat je verder kijkt dan puur de personen, dingen en gebeurtenissen, maar er een diepere mening of bedoeling achter zoekt. Daardoor konden zij zonder moeite de Hebreeuwse theologie in overeenstemming brengen met de door hen vereerde filosofie van Aristoteles (die ook vaak sprak in verhalen met een diepere bedoeling, een allegorie). Maar dit alles leidde tot een rampzalige verwarring, totdat deze problemen ter hand werden genomen door Philo van Alexandrië. Philo ging ertoe over om de Griekse filosofie en de Hebreeuwse theologie beter op elkaar af te stemmen en ze allebei in te passen in een tamelijk goed samenhangend stelsel van religieus geloof en religieuze praktijk. En het was deze latere leer, die bestond uit een combinatie van Griekse filosofie en Hebreeuwse theologie, die in Palestina de overhand had toen Jezus leefde en zijn lessen verkondigde. En Paulus gebruikte deze leer als grondslag waarop hij zijn verdergaande en meer verlichtende cultus van het Christendom bouwde.
Invloed van de verspreiding, de diaspora
Omstreeks de tijd van Christus vond er in Alexandrië een omkering plaats in het gevoel ten opzichte van de Joden, en vanuit dit vroegere Joodse bolwerk begon zich nu een krachtige golf van vervolging te verbreiden, die zelfs Rome bereikte, waar vele duizenden verbannen werden. Maar deze campagne om de Joden in een kwaad daglicht te stellen, duurde niet lang; al heel snel herstelde het keizerlijke gezag de beknotte vrijheid van de Joden weer volledig, in het hele Romeinse rijk.
In de hele wereld hielden alle Joden, waar zij zich ook verspreid hadden door handel of door onderdrukking, hun hart gericht op de heilige tempel te Jeruzalem. De Joodse theologie bleef inderdaad in leven precies zoals zij werd uitgelegd en beoefend in Jeruzalem. Dit ondanks het feit dat deze theologie in het verleden verschillende keren bijna vergeten geraakt was, maar werd gered door de tijdige tussenkomst van bepaalde Babylonische leraren.
Zeker tweeëneenhalf miljoen van deze Joden vanuit de hele wereld, kwamen gewoonlijk naar Jeruzalem voor de viering van hun nationale religieuze feesten. En welke verschillen er ook waren op theologisch of filosofisch gebied tussen de Oosterse (Babylonische) en Westerse (Hellenistische) Joden, ze waren het er allemaal over eens dat Jeruzalem het centrum van hun godsdienst was en dat ze voortdurend uitkeken naar de komst van de Messias.
Gevangen in tradities
Tegen de tijd dat Jezus verscheen hadden de Joden een vaststaand concept gevormd van hun oorsprong, geschiedenis en bestemming. Ze hadden een rigide muur van afscheiding opgetrokken tussen henzelf en de niet-Joodse wereld. Ze keken met de diepste minachting neer op alle niet-Joodse levenswijzen. Ze vereerden de letter van de wet en koesterden een vorm van “wij hebben het juiste geloof” die gebaseerd was op een misplaatste trots op hun afstamming. Ze hadden vooropgezette meningen gevormd over de beloofde Messias. De meeste van deze verwachtingen voorzagen een Messias die zou komen als onderdeel van hun eigen geschiedenis als natie en ras. Voor de Hebreeën van die dagen stond de Joodse theologie onherroepelijk vast en was zij voor altijd onveranderlijk.
De lessen van Jezus over verdraagzaamheid en vriendelijkheid en de manier waarop hij dit in praktijk bracht, gingen dus recht in tegen de al lang bestaande houding van de Joden ten opzichte van andere volken die zij als heidenen beschouwden. Generaties lang hadden de Joden een instelling tegenover de buitenwereld gekoesterd die het hun onmogelijk maakte het onderricht van de Meester (Jezus) over de spirituele broederschap van de mensen te aanvaarden. Ze waren niet bereid Jahweh op voet van gelijkheid met de niet-Joden te delen. En dus waren ze ook niet bereid om iemand die zulke nieuwe, vreemde lessen verkondigde te accepteren als de Zoon van God.
De schriftgeleerden, de Farizeeën en de priesters hielden de Joden in een soort van vreselijke slavernij aan rituelen en strikte uitleg van de wet. Een slavernij en onderwerping die eigenlijk veel meer in het echte leven voelbaar was dan de politieke overheersing door de Romeinen. De Joden uit de tijd van Jezus werden niet alleen onderworpen gehouden aan de wet, maar ook aan de eisen van de tradities. Die tradities gingen over alle gebieden van het persoonlijke en maatschappelijke leven en waren heel indringend. Deze hele precieze gedragsregels achtervolgden en overheersten iedere trouwe Jood. Het is dan ook niet vreemd dat zij meteen iemand uit hun midden afkeurden en verwierpen die hun heilige tradities durfde te negeren en die zich niet hield aan hun lang in ere gehouden regels voor hoe je je moest gedragen in de samenleving. Zij konden moeilijk waardering opbrengen voor de lessen van iemand die er geen probleem mee had in botsing te komen met de vaste regels waarvan zij de overtuiging hadden dat zij door oer-vader Abraham zelf vastgesteld waren. Mozes had hun die wetten gegeven en zij wilden van geen compromis weten.
In de eerste eeuw na Christus was het zover gekomen dat aan de mondelinge interpretatie van de wet door de erkende leraren, de schriftgeleerden, een hoger gezag werd toegekend dan aan de geschreven wet zelf. Dit alles maakte het voor bepaalde godsdienstige leiders van de Joden dan ook makkelijker om het volk op te zetten tegen het accepteren van een nieuw evangelie.
Deze omstandigheden maakten het voor de Joden onmogelijk om hun goddelijke bestemming te vervullen, namelijk de boodschappers te zijn van het nieuwe evangelie van godsdienstige en spirituele vrijheid. Zij konden niet losbreken van hun tradities. Jeremia had gesproken van de ‘wetten die in de harten van de mensen geschreven moeten worden,’ Ezechiël had gesproken over een ‘nieuwe spirit die in de ziel van de mensen zal wonen,’ (Ezekiel 36:26, I will give you a new heart and put a new spirit in you; I will remove from you your heart of stone and give you a heart of flesh) en de Psalmist had gebeden of God ‘een rein hart in hem wilde scheppen en een oprechte spirit in hem vernieuwen.’ (Psalm 51:10, Create in me a clean heart, O God; and renew a right spirit within me). Maar toen de Joodse religie van goede werken en slaafse gehoorzaamheid aan de wet het slachtoffer werd van vastlopen in alle onbeweeglijke tradities, verplaatste de beweging van de religieuze evolutie zich naar het Westen, naar de Europese volkeren.
Zo werden het dus andere volkeren die een meer gevorderde theologie gingen ondersteunen. Meer gevorderd, omdat het een systeem van gemengde lessen werd met een mix van de Griekse filosofie, de wetgeving van de Romeinen, de waarden en normen van de Hebreeën, en het evangelie zoals geformuleerd door Paulus en gegrond op de leer van Jezus, waarin centraal staat dat je persoonlijk heilig bent (als kind van God) en spiritueel vrij(gemaakt) kunt zijn.
Dit hoofdstuk is een nieuwe Nederlandse vertaling gebaseerd op Paper 121 van het Urantia Boek: https://www.urantia.org
