Het verblijf in Rome
Inleiding
Omdat Gonod groeten van de vorsten van India had om over te brengen aan Tiberius, de Romeinse heerser, verschenen de twee Indiërs en Jezus op de derde dag na hun aankomst in Rome voor hem. De sombere keizer was die dag ongewoon opgewekt en praatte lang met het drietal. En toen ze hem hadden verlaten, merkte de keizer, verwijzend naar Jezus, tegen de adjudant rechts van hem op: “Als ik de koninklijke houding en de hoffelijke manieren van die kerel had, zou ik een echte keizer zijn, toch?”
Tijdens zijn verblijf in Rome had Ganid vaste uren om te studeren en om bezienswaardigheden in de stad te bezoeken. Zijn vader had veel zaken te doen en wilde dat zijn zoon een waardige opvolger zou worden in het beheer van zijn enorme commerciële belangen. Hij vond dat de tijd was gekomen om de jongen kennis te laten maken met de zakenwereld. Er waren veel Indiase burgers in Rome, en vaak vergezelde een van Gonod’s eigen medewerkers hem als tolk, zodat Jezus hele dagen voor zichzelf had. Dit gaf hem de tijd om deze stad met twee miljoen inwoners grondig te leren kennen. Hij was vaak te vinden op het forum, het centrum van het politieke, juridische en zakelijke leven. Hij ging vaak naar het Capitool en dacht na over hoe de Romeinen leefden als slaven van de onwetendheid, terwijl hij deze prachtige tempel gewijd aan Jupiter, Juno en Minerva aanschouwde. Hij bracht ook veel tijd door op de Palatijn, waar zich de residentie van de keizer, de tempel van Apollo en de Griekse en Latijnse bibliotheken bevonden.
In die tijd omvatte het Romeinse Rijk heel Zuid-Europa, Klein-Azië, Syrië, Egypte en Noordwest-Afrika. En de inwoners ervan omvatten de burgers van alle landen van het oostelijk halfrond. Zijn verlangen om deze kosmopolitische groep stervelingen van de Aardse wereld te bestuderen en zich onder hen te mengen was de belangrijkste reden waarom Jezus ermee instemde deze reis te maken.
Jezus leerde veel over mensen tijdens zijn verblijf van zes maanden in die stad, maar de meest waardevolle van alle veelzijdige ervaringen tijdens zijn zes maanden durende verblijf in die stad was zijn contact met, en invloed op, de religieuze leiders van de hoofdstad van het rijk. Vóór het einde van de eerste week in Rome had Jezus de leiders die de moeite waard waren, van de Cynici, de Stoïcijnen en de mysterieculten, in het bijzonder de Mithraïsche groep, opgezocht en met hen kennisgemaakt. Of het Jezus nu wel of niet duidelijk was dat de Joden zijn missie zouden afwijzen, hij voorzag ongetwijfeld dat zijn boodschappers spoedig naar Rome zouden komen om het hemels koninkrijk te verkondigen. En daarom begon hij op de meest verbazingwekkende manier de weg te bereiden voor een betere en zekerdere ontvangst van hun boodschap. Hij selecteerde vijf vooraanstaande stoïcijnen, elf cynici en zestien leiders van de mysterieculten en bracht bijna zes maanden lang een groot deel van zijn vrije tijd door in nauwe samenwerking met deze religieuze leraren. En dit was zijn manier van onderwijzen: nooit viel hij hun dwalingen aan of noemde hij zelfs maar de gebreken in hun leringen. Steeds selecteerde hij de waarheid in wat zij verkondigden en ging vervolgens deze waarheid in hun gedachten zo verfraaien en verhelderen dat deze verbetering van de waarheid in zeer korte tijd de bijbehorende dwaling effectief verdrong. Zo waren deze door Jezus onderwezen mannen en vrouwen voorbereid op de latere erkenning van aanvullende en soortgelijke waarheden in de leringen van de vroege christelijke missionarissen. Het was deze vroege aanvaarding van de leringen van de evangeliepredikers die de krachtige impuls gaf aan de snelle verspreiding van het christendom in Rome en van daaruit door het hele rijk.
De betekenis van deze opmerkelijke daad kan des te beter worden begrepen wanneer we het feit vastleggen dat van deze groep van tweeëndertig door Jezus onderwezen religieuze leiders in Rome, er slechts twee ‘onvruchtbaar’ waren. De andere dertig werden spilfiguren in de vestiging van het christendom in Rome. En sommigen van hen hielpen ook bij het omvormen van de belangrijkste Mithraïsche tempel tot de eerste christelijke kerk van die stad. Wij, die menselijke activiteiten van achter de schermen en in het licht van negentien eeuwen tijd bekijken, herkennen slechts drie factoren van doorslaggevende waarde in de vroege voorbereiding op de snelle verspreiding van het christendom door heel Europa, en dat zijn:
- Het kiezen en behouden van Simon Petrus als apostel.
- Het gesprek in Jeruzalem met Stephanus, wiens dood leidde tot het winnen van Saulus van Tarsus (Paulus).
- De voorafgaande voorbereiding van deze dertig Romeinen op hun daaropvolgende leiderschap van de nieuwe religie in Rome en in het hele Romeinse rijk.
Tijdens al hun latere ervaringen realiseerden Stephanus en de dertig uitverkorenen zich nooit dat ze ooit eerder hadden gesproken met de man wiens naam het onderwerp van hun religieuze leer werd. Het werk van Jezus ten behoeve van de oorspronkelijke tweeëndertig was geheel persoonlijk. In zijn werk voor deze personen ontmoette de ‘schriftgeleerde van Damascus’ er nooit meer dan drie tegelijk, zelden meer dan twee, terwijl hij hen meestal individueel onderwees. En hij kon dit belangrijke werk van religieuze training doen omdat deze mannen en vrouwen niet aan tradities gebonden waren. Ze waren niet het slachtoffer van een vaststaand vooroordeel over alle toekomstige religieuze ontwikkelingen.
In de jaren die volgden, hoorden Petrus, Paulus en de andere christelijke leraren in Rome vaak over deze ‘schriftgeleerde van Damascus’ die hen was voorgegaan en die zo duidelijk (en naar hun mening onbewust) de weg had bereid voor hun komst met het nieuwe evangelie. Hoewel Paulus de identiteit van deze ‘schriftgeleerde uit Damascus’ nooit echt vermoedde, kwam hij kort voor zijn dood, vanwege de gelijkenis van de persoonsbeschrijvingen, tot de conclusie dat de ’tentenmaker van Antiochië’ ook de ‘schriftgeleerde van Damascus’ was. Op een keer, tijdens een preek in Rome, vermoedde Simon Petrus, toen hij naar een beschrijving van de ‘schriftgeleerde uit Damascus’ luisterde, dat deze persoon Jezus zou kunnen zijn, maar hij verwierp die gedachte snel, wetende (zo dacht hij) dat de Meester nooit in Rome was geweest.
Ware Waarden
Het was met Angamon, de leider van de Stoïcijnen, dat Jezus aan het begin van zijn verblijf in Rome een gesprek had dat de hele nacht duurde. Deze man werd later een goede vriend van Paulus en bewees een van de sterke aanhangers van de christelijke kerk in Rome te zijn. In essentie, en herhaald in moderne bewoordingen, leerde Jezus Angamon:
De maatstaf voor ware waarden moet worden gezocht in de spirituele wereld en op goddelijke niveaus van de eeuwige realiteit. Een sterveling die opklimt in een hemelse carriere moet alle lagere en materiële maatstaven gaan erkennen als vergankelijk, gedeeltelijk en inferieur. Een wetenschapper is als zodanig beperkt tot het ontdekken van de samenhang tussen materiële feiten. Technisch gezien heeft hij geen recht om te beweren dat hij materialist of juist idealist is, want daarmee heeft hij de houding van een ware wetenschapper opgegeven. Want als je iets gaat beweren over hoe je je verhoudt tot de feiten, dan ben je bezig met wat de essentie van de filosofie vormt (en dat is wat anders dan wetenschap).
Tenzij het morele inzicht en de spirituele verworvenheden van de mensheid evenredig worden vergroot, kan de onbeperkte vooruitgang van een puur materialistische cultuur uiteindelijk een bedreiging voor de beschaving worden. Een puur materialistische wetenschap herbergt in zichzelf de potentiële kiem voor de vernietiging van alle wetenschappelijk streven, want juist deze houding (alleen bezig zijn met materiële feiten) leidt tot de uiteindelijke ineenstorting van een beschaving die haar gevoel voor morele waarden heeft opgegeven en haar spirituele doel heeft verworpen.
De materialistische wetenschapper en de extreme idealist zijn voorbestemd om altijd met elkaar overhoop te liggen. Dit geldt niet voor die wetenschappers en idealisten die een gemeenschappelijke standaard van hoge morele waarden en spirituele test-niveaus hanteren. In elk tijdperk moeten wetenschappers en religieuzen erkennen dat ze terechtstaan voor de rechtbank van menselijke nood. Ze moeten elke onderlinge strijd vermijden, terwijl ze dapper streven hun voortbestaan te rechtvaardigen door een grotere toewijding aan de menselijke vooruitgang. Als de zogenaamde wetenschap of religie van welk tijdperk dan ook vals is, dan moet deze ofwel haar activiteiten zuiveren ofwel verdwijnen vóór de opkomst van een materiële wetenschap of spirituele religie van een meer ware en waardige orde.
Goed en kwaad
Mardus was de erkende leider van de cynici van Rome en werd een goede vriend van de ‘schriftgeleerde van Damascus’. Dag in dag uit sprak hij met Jezus en luisterde nacht na nacht naar zijn verheven leer. Een van de belangrijkste gesprekken met Mardus was het gesprek dat bedoeld was om de vraag van deze oprechte cynicus over goed en kwaad te beantwoorden. Inhoudelijk, en in twintigste-eeuwse bewoordingen, zei Jezus:
Mijn broeder, goed en kwaad zijn slechts woorden die de relatieve niveaus van menselijk begrip van het waarneembare universum symboliseren. Als je ethisch lui en sociaal onverschillig bent, kun je de gangbare maatschappelijke gebruiken als maatstaf voor goed nemen. Als je spiritueel lui en moreel niet vooruitstrevend bent, kun je de religieuze gebruiken en tradities van je tijdgenoten als je normen voor goed nemen. Maar de ziel die de tijd overleeft en de eeuwigheid ingaat, moet een levende en persoonlijke keuze maken tussen goed en kwaad, zoals deze worden bepaald door de ware waarden van de spirituele normen die zijn vastgesteld door de goddelijke Mentor-Spirit die de Vader in de hemel heeft gezonden om in het hart van de mens te wonen. Deze inwonende Mentor-Spirit is de maatstaf voor het overleven van de persoonlijkheid.
Goedheid, net als waarheid, is altijd relatief, en altijd in contrast met het kwaad. Het is de waarneming van deze kwaliteiten van goedheid en waarheid die de evoluerende zielen van mensen in staat stelt die persoonlijke keuzebeslissingen te maken die essentieel zijn voor het eeuwige voortbestaan.
Een spiritueel blind individu dat op een logische manier wetenschappelijke voorschriften, sociale gebruiken en religieuze dogma’s volgt, loopt het ernstige gevaar zijn morele vrijheid op te offeren en zijn spirituele vrijheid te verliezen. Zo’n ziel is voorbestemd om een intellectuele papegaai, een sociale automaat en een slaaf van religieus gezag te worden.
Goedheid groeit voortdurend naar nieuwe niveaus van toenemende vrijheid van morele zelfrealisatie en spirituele persoonlijkheidsverwerving – de ontdekking van, en identificatie met, de in jou wonende Mentor-Spirit. Een ervaring is goed wanneer deze de waardering voor schoonheid verhoogt, de morele wil vergroot, het onderscheidingsvermogen van de waarheid versterkt, het vermogen vergroot om de medemens lief te hebben en te dienen, de spirituele idealen verheft en de hoogste menselijke motieven van de tijd verenigt met de eeuwige plannen van de inwonende Mentor-Spirit. Dit alles leidt direct tot een toegenomen verlangen om de wil van de Vader te doen, waardoor de passie wordt aangewakkerd om God te vinden en meer op Hem te lijken.
Naarmate je opklimt op de universele schaal van schepselontwikkeling, zul je een toename van goedheid en een afname van kwaad ontdekken, in perfecte overeenstemming met je vermogen tot goedheidservaring en waarheidsonderscheiding. Maar het vermogen om dwaling te koesteren of kwaad te ervaren zal niet volledig verloren gaan totdat de opstijgende menselijke ziel het uiteindelijke spirituele niveau bereikt.
Goedheid is levend, relatief, altijd in ontwikkeling, onveranderlijk een persoonlijke ervaring en eeuwig verbonden met het onderscheiden van waarheid en schoonheid. Goedheid wordt gevonden in de herkenning van de positieve waarheid en waarden van het spirituele niveau, die in de menselijke ervaring moeten worden gecontrasteerd met de negatieve tegenhanger: de schaduwen van potentieel kwaad.
Totdat je de niveaus van het Paradijs bereikt, zal goedheid altijd meer een zoektocht dan een bezit zijn, meer een doel dan een ervaring van vervulling. Maar zelfs terwijl je hongert en dorst naar rechtvaardigheid, ervaar je toenemende voldoening in het gedeeltelijk bereiken van goedheid. De aanwezigheid van goedheid en kwaad in de wereld is op zichzelf een positief bewijs van het bestaan en de realiteit van de morele wil van de mens, de persoonlijkheid, die deze waarden aldus identificeert en ook in staat is ertussen te kiezen.
Tegen de tijd dat het Paradijs bereikt wordt, is het vermogen van de opklimmende sterveling om zichzelf te identificeren met ware spirituele waarden zo toegenomen dat dit resulteert in het bereiken van de perfectie van het bezit van het licht des levens. Zo’n vervolmaakte spirituele persoonlijkheid wordt zo volledig, goddelijk en spiritueel verenigd met de positieve en opperste kwaliteiten van goedheid, schoonheid en waarheid dat er geen mogelijkheid meer overblijft dat zo’n rechtvaardige spirit een negatieve schaduw van potentieel kwaad zou werpen wanneer hij wordt blootgesteld aan de onderzoekende helderheid van het goddelijke licht van de oneindige Heersers van het Paradijs. In al zulke spirituele persoonlijkheden is goedheid niet langer gedeeltelijk, contrasterend en vergelijkend; ze is goddelijk compleet en spiritueel vervuld geworden; ze nadert de zuiverheid en perfectie van de Allerhoogste.
De mogelijkheid van kwaad is noodzakelijk voor morele keuzes, maar niet de werkelijkheid van kwaad. Een schaduw is slechts relatief reëel (zonder object is er geen schaduw). Werkelijk kwaad is niet noodzakelijk als persoonlijke ervaring. Potentieel kwaad werkt even goed als een beslissings-stimulus in de domeinen van morele vooruitgang op de lagere niveaus van spirituele ontwikkeling. Kwaad wordt pas werkelijkheid van persoonlijke ervaring wanneer een moreel verstand het kwaad tot zijn keuze maakt.
Waarheid en Geloof
Nabon was een Griekse Jood en een van de meest vooraanstaande leiders van de belangrijkste mysteriecultus in Rome, de Mithraïsche. Hoewel deze hogepriester van het Mithraïsme vele gesprekken voerde met de ‘schrijver uit Damascus’, werd hij op een avond het meest blijvend beïnvloed door hun discussie over waarheid en geloof. Nabon had gedacht Jezus te bekeren en had zelfs voorgesteld dat hij als Mithraïsche leraar naar Palestina zou terugkeren. Hij realiseerde zich nauwelijks dat Jezus hem voorbereidde om een van de eerste bekeerlingen tot het evangelie van het hemels koninkrijk te worden. Geformuleerd in moderne bewoordingen: de essentie van wat Jezus hem leerde was:
Waarheid kan niet met woorden worden gedefinieerd, maar alleen door te leven. Waarheid is altijd meer dan kennis. Kennis heeft betrekking op waargenomen zaken, maar waarheid overstijgt zulke puur materiële niveaus doordat ze samengaat met wijsheid. En omdat waarheid ook onweegbare zaken omvat zoals menselijke ervaring, en zelfs spirituele en levende realiteiten. Kennis vindt zijn oorsprong in de wetenschap; wijsheid in ware filosofie; waarheid in de religieuze ervaring van spiritueel leven. Kennis houdt zich bezig met feiten; wijsheid met relaties; waarheid met realiteits-waarden.
De mens neigt ertoe wetenschap te kristalliseren, filosofie in formules vast te leggen en de waarheid te dogmatiseren omdat de mens mentaal lui is in het aanpassen aan de progressieve worstelingen van het leven, terwijl hij ook vreselijk bang is voor het onbekende. De natuurlijke mens is traag in het initiëren van veranderingen in zijn denkgewoonten en in zijn levenstechnieken.
Geopenbaarde waarheid, persoonlijk ontdekte waarheid, is het hoogste genot van de menselijke ziel. Het is de gezamenlijke creatie van het materiële verstand en de bij ons inwonende Mentor-Spirit. De eeuwige redding van deze waarheid-onderscheidende en schoonheid-liefhebbende ziel wordt verzekerd door die honger en dorst naar goedheid die deze sterveling ertoe brengt één gezamenlijk doel te ontwikkelen, namelijk om de wil van de Vader te doen, God te vinden en te worden zoals Hij. Er is nooit een conflict tussen ware kennis en waarheid. Er kan wel een conflict bestaan tussen kennis en menselijke overtuigingen, overtuigingen gekleurd door vooroordelen, vervormd door angst en gedomineerd door de angst om nieuwe feiten van materiële ontdekking of spirituele vooruitgang onder ogen te zien.
Maar de waarheid kan nooit het bezit van de mens worden zonder de uitoefening van geloof. Dit is waar omdat de gedachten, wijsheid, ethiek en idealen van de mens nooit hoger zullen reiken dan zijn geloof, zijn verheven hoop. En al dat ware geloof is gebaseerd op diepgaande zelf-reflectie, oprechte zelfkritiek en een compromisloos moreel bewustzijn. Geloof is de inspiratie van gespiritualiseerde, scheppende verbeelding.
Geloof zorgt ervoor dat er bovenmenselijke activiteiten vrijkomen van de goddelijke vonk, de onsterfelijke kiem, de Mentor-Spirit die in het materiële verstand van de mens leeft en die het potentieel is voor eeuwige overleving. Planten en dieren overleven in de tijd door de techniek van het doorgeven van identieke deeltjes van zichzelf van de ene generatie aan de andere. Maar de menselijke ziel (persoonlijkheid) van de mens overleeft de sterfelijke dood door zijn identiteit te associëren met deze inwonende vonk van goddelijkheid, die onsterfelijk is en die functioneert om de menselijke persoonlijkheid te bestendigen op een voortdurend en hoger niveau van progressief universumbestaan. De verborgen oorsprong van de menselijke ziel is een onsterfelijke spirit. De tweede generatie van de ziel [namelijk de ziel zoals die voortleeft na de dood van het lichaam] is de eerste in een reeks persoonlijkheidsmanifestaties van spirituele en progressieve bestaansvormen, die pas eindigen wanneer deze goddelijke entiteit [als je één geworden bent met je Mentor-Spirit, dan ben je feitelijk Goddelijk] de bron van haar bestaan bereikt, de persoonlijke bron van alle bestaan, God, de Universele Vader.
Het menselijk leven gaat door – overleeft – omdat het een universumfunctie heeft, de taak God te vinden. De door geloof geactiveerde ziel van de mens kan niet stoppen voordat dit doel van bestemming is bereikt.En wanneer het dit goddelijke doel eenmaal bereikt, kan het nooit meer eindigen, omdat het als God eeuwig is geworden.
Spirituele evolutie is een ervaring van de toenemende en vrijwillige keuze voor goedheid, gepaard gaande met een gelijke en progressieve afname van de mogelijkheid van kwaad. Met het bereiken van een definitieve keuze voor goedheid en een volledig vermogen tot waarheidswaardering, ontstaat er een perfectie van schoonheid en heiligheid, waarvan de rechtschapenheid eeuwig de mogelijkheid van zelfs het ontstaan van potentieel kwaad verhindert. Zo’n Godkennende ziel werpt geen schaduw van twijfelend kwaad meer wanneer ze functioneert op zo’n hoog spiritueel niveau van goddelijke goedheid.
De aanwezigheid van de Paradijs-spirit in de mind van de mens is de openbaringsbelofte en de geloofsbelofte van een eeuwig bestaan van goddelijke vooruitgang voor elke ziel die ernaar streeft identiteit/associatie te bereiken met dit onsterfelijke en inwonende spirit-fragment van de Universele Vader.
Geloof voedt en onderhoudt de ziel van de mens te midden van de verwarring van zijn vroege oriëntatie in zo’n enorm universum. Gebed wordt dan de grote vereniger van de verschillende inspiraties van de scheppende verbeelding en de geloofsdrang van een ziel die probeert zich te identificeren met de spirituele idealen van de inwonende en met die mens verbonden goddelijke aanwezigheid [de Mentor-Spirit].
Nabon was zeer onder de indruk van deze woorden, zoals van elk van zijn gesprekken met Jezus. Deze waarheden bleven in zijn hart branden, en hij was een grote hulp voor de later arriverende predikers van het evangelie van Jezus.
Persoonlijke dienstverlening
Jezus besteedde tijdens zijn verblijf in Rome niet al zijn vrije tijd aan het voorbereiden van mannen en vrouwen om toekomstige discipelen te worden in het komende koninkrijk. Hij besteedde ook veel tijd aan het verwerven van een grondige kennis van alle rassen en klassen van mensen die in deze grootste en meest kosmopolitische stad ter wereld woonden. In elk van deze talrijke menselijke contacten had Jezus een dubbel doel: Hij wilde hun reacties leren kennen op het leven dat ze in het lichaam leidden, en hij was ook van plan iets te zeggen of te doen om dat leven rijker en waardevoller te maken. Zijn religieuze leringen tijdens deze weken verschilden niet van die welke zijn latere leven als leraar van de twaalf en prediker voor de menigte kenmerkten.
De kern van zijn boodschap was altijd: het feit van de liefde van de hemelse Vader en de waarheid van Zijn genade, gekoppeld aan het goede nieuws dat de mens een geloof-zoon is van deze zelfde God van liefde. De gebruikelijke techniek van sociaal contact van Jezus was om mensen uit te nodigen met hem in gesprek te gaan door hen vragen te stellen. Het gesprek begon gewoonlijk met het stellen van vragen door hem en eindigde met het stellen van vragen door hen. Hij was even bedreven in het onderwijzen door vragen te stellen als door deze te beantwoorden. In de regel zei hij het minst tegen degenen die hij het meest onderwees. Degenen die het meeste profijt hadden van zijn persoonlijke dienstverlening waren overbelaste, angstige en neerslachtige stervelingen die veel verlichting vonden dankzij de gelegenheid om hun ziel te luchten aan een meelevende en begripvolle luisteraar, en hij was dat alles en meer. En wanneer deze niet goed (aan het aardse leven) aangepaste mensen Jezus over hun problemen vertelden, was hij altijd in staat praktische en direct bruikbare suggesties te doen voor de correctie van hun werkelijke moeilijkheden, hoewel hij niet naliet woorden van onmiddellijke verzachting en troost te spreken. En steevast vertelde hij deze noodlijdende stervelingen over de liefde van God en gaf hij hen op allerlei manieren de informatie dat zij de kinderen waren van deze liefhebbende Vader in de hemel.
Op deze manier kwam Jezus tijdens zijn verblijf in Rome persoonlijk in liefdevol en verheffend contact met meer dan vijfhonderd stervelingen van deze wereld. Zo verwierf hij een kennis van de verschillende rassen van de mensheid die hij in Jeruzalem nooit had kunnen verwerven en zelfs nauwelijks in Alexandrië. Hij beschouwde deze zes maanden altijd als een van de rijkste en meest leerzame van alle vergelijkbare periodes van zijn aardse leven.
Zoals verwacht kon worden, kon zo’n veelzijdige en ondernemende man niet zes maanden lang in de metropool van de wereld functioneren zonder benaderd te worden door talloze mensen die zich van zijn diensten wilden verzekeren in verband met een of andere zaak of, vaker nog, voor een of ander project van onderwijs, sociale hervorming of religieuze beweging. Er werden meer dan twaalf van dergelijke aanbiedingen gedaan, en hij gebruikte elk ervan als een gelegenheid om een gedachte van spirituele veredeling over te brengen door welgekozen woorden of door een of andere tot dankbaarheid stemmende dienst. Jezus hield er erg van om dingen te doen – zelfs kleine dingen – voor allerlei soorten mensen.
Hij sprak met een Romeinse senator over politiek en staatsmanschap, en dit ene contact met Jezus maakte zo’n indruk op deze wetgever dat hij de rest van zijn leven tevergeefs probeerde zijn collega’s ertoe te bewegen de koers van het regeringsbeleid te veranderen van het idee dat de overheid het volk steunt en voedt naar het idee dat het volk de overheid steunt.
Jezus bracht een avond door met een rijke slavenhouder, sprak over de mens als een zoon van God, en de volgende dag gaf deze man, Claudius, honderdzeventien slaven de vrijheid.
Hij bezocht een Griekse arts voor het diner en vertelde hem dat zijn patiënten zowel mind als ziel als lichaam hadden, en bracht deze bekwame arts er zo toe te proberen een verdergaande dienst aan zijn medemensen te verlenen.
Hij sprak met allerlei mensen uit alle lagen van de bevolking. De enige plek in Rome die hij niet bezocht, waren de openbare baden. Hij weigerde zijn vrienden naar de baden te vergezellen vanwege de seksuele promiscuïteit die daar heerste.
Tegen een Romeinse soldaat, terwijl ze langs de Tiber liepen, zei hij: “Wees dapper van hart EN hand. Durf gerechtigheid te doen en wees groot genoeg om genade te tonen. Dwing je lagere natuur om je hogere natuur te gehoorzamen zoals je je meerderen gehoorzaamt. Eer het goede en verheerlijk de waarheid. Kies het mooie in plaats van het lelijke. Heb je medemens lief en zoek God met heel je hart, want God is je Vader in de hemel.”
Tegen de spreker op het forum zei hij: “Je welsprekendheid is aangenaam, je logica is bewonderenswaardig, je stem is aangenaam, maar je leer is nauwelijks waar. Als je nou maar de inspirerende voldoening kon ervaren van het kennen van God als je spirituele Vader, dan zou je je spraakvermogen kunnen gebruiken om je medemensen te bevrijden uit de slavernij van de duisternis en van de onwetendheid.” Dit was de Marcus die Petrus in Rome hoorde prediken en zijn opvolger werd. Toen Simon Petrus werd gekruisigd, was het deze man die de Romeinse vervolgers trotseerde en moedig het nieuwe evangelie bleef verkondigen.
Toen Jezus een arme man ontmoette die vals beschuldigd was, ging hij met hem naar de magistraat en, nadat hem speciale toestemming was verleend om namens de man te verschijnen, hield hij die prachtige toespraak waarin hij zei: “Gerechtigheid maakt een natie groot, en hoe groter een natie, hoe meer uitdagend het zal zijn ervoor te zorgen dat zelfs haar meest nederige burger geen onrecht overkomt. Een natie is gedoemd wanneer alleen zij die geld en invloed bezitten, onmiddellijk recht kunnen verkrijgen voor haar rechtbanken! Het is de heilige plicht van een magistraat om onschuldigen vrij te spreken en schuldigen te straffen. Het voortbestaan van een natie hangt af van de onpartijdigheid, eerlijkheid en integriteit van haar rechtbanken. Burgerlijk bestuur is gebaseerd op gerechtigheid, net zoals ware religie is gebaseerd op genade.” De rechter heropende de zaak en nadat het bewijsmateriaal was onderzocht, liet hij de gevangene vrij. Van alle activiteiten van Jezus tijdens deze dagen van persoonlijke dienstverlening, kwam dit het dichtst in de buurt van een openbare verschijning.
De rijke man adviseren
Een zekere rijke man, een Romeins burger en een stoïcijn, raakte zeer geïnteresseerd in de leer van Jezus, nadat hij door Angamon was geïntroduceerd. Na vele intieme gesprekken vroeg deze rijke burger aan Jezus wat hij met rijkdom zou doen als hij die had, en Jezus antwoordde hem: “Ik zou materiële rijkdom schenken ter verbetering van het materiële leven, net zoals ik kennis, wijsheid en spirituele dienst zou verlenen ter verrijking van het intellectuele leven, de verheffing van het sociale leven en de bevordering van het spirituele leven. Ik zou materiële rijkdom beheren als een verstandige en effectieve beheerder van de middelen van de ene generatie ten behoeve en ter verheffing van de volgende en volgende generaties.”
Maar de rijke man was niet helemaal tevreden met het antwoord van Jezus. Hij durfde opnieuw te vragen: “Maar wat denk je dat iemand in mijn positie met zijn rijkdom moet doen? Moet ik het houden, of moet ik het weggeven?” En toen Jezus begreep dat hij werkelijk meer wilde weten over de waarheid over zijn loyaliteit aan God en zijn plicht jegens de mensen, antwoordde hij verder: “Mijn goede vriend, ik zie dat je een oprechte zoeker naar wijsheid bent en eerlijk waarheidslievend. Daarom ben ik van plan je mijn visie op de oplossing van je problemen met betrekking tot de verantwoordelijkheden van rijkdom voor te leggen. Ik doe dit omdat je mij om raad hebt gevraagd, en door je dit advies te geven, ben ik niet geïnteresseerd in de rijkdom van een andere rijke man. Ik geef je alleen advies en doe dit voor je persoonlijke begeleiding. Als je je vermogen oprecht als een trust4 wilt beschouwen, als je werkelijk een verstandige en efficiënte beheerder van je opgebouwde vermogen wilt worden, dan raad ik je aan de volgende analyse te maken van de bronnen van uw rijkdom: Vraag jezelf af, en doe je best om het eerlijke antwoord te vinden, waar deze rijkdom vandaan komt? En als hulp bij het bestuderen van de bronnen van je grote fortuin, stel ik voor dat je de volgende tien verschillende methoden voor het vergaren van materiële rijkdom in gedachten houdt:
- Geërfde rijkdom: rijkdom afkomstig van ouders en andere voorouders.
- Ontdekte rijkdom: rijkdom afkomstig van de onontgonnen hulpbronnen van moeder aarde.
- Handelsrijkdom: rijkdom verkregen als een eerlijke winst bij de uitwisseling en ruil van materiële goederen.
- Oneerlijke rijkdom: rijkdom verkregen door de oneerlijke uitbuiting of slavernij van medemensen.
- Rente-rijkdom: inkomen verkregen uit de eerlijke en rechtvaardige verdienmogelijkheden van geïnvesteerd kapitaal.
- Geniale rijkdom: rijkdom voortkomend uit de beloningen van de creatieve en inventieve gaven van het menselijke verstand.
- Toevallige rijkdom: rijkdom verkregen door de vrijgevigheid van medemensen of voortkomend uit de [toevallige ] omstandigheden van het leven.
- Gestolen rijkdom: rijkdom verkregen door unfair te zijn of oneerlijk, of door diefstal of fraude.
- Trustfondsen: rijkdom die door medemensen in jouw handen is gelegd om beheerd te worden voor een specifiek doel, nu of in de toekomst.
- Verdiende rijkdom: rijkdom rechtstreeks verkregen uit uw eigen persoonlijke arbeid, als eerlijke en rechtvaardige beloning voor je eigen dagelijkse inspanningen van verstand en lichaam.
En dus, mijn vriend, als je een trouwe en rechtvaardige beheerder van je grote fortuin wilt zijn, voor God en in dienst van de mensen, moet je jouw vermogen ongeveer verdelen in deze tien grote delen, en vervolgens elk deel beheren in overeenstemming met de wijze en eerlijke interpretatie van de wetten van rechtvaardigheid, billijkheid, eerlijkheid en ware efficiëntie. Hoewel God in de hemel je niet zou veroordelen als je soms, in twijfelachtige situaties, de kant van barmhartige en onzelfzuchtige aandacht zou kiezen voor de nood van de lijdende slachtoffers van ongelukkige omstandigheden van het sterfelijke leven. Wanneer je oprecht twijfelt aan de billijkheid en rechtvaardigheid van materiële situaties, laat je beslissingen dan degenen begunstigen die in nood zijn, degenen begunstigen die het ongeluk van onverdiende ontberingen lijden.”
Nadat hij deze zaken enkele uren had besproken en in antwoord op het verzoek van de rijke man om verdere en meer gedetailleerde instructies, ging Jezus verder met het uitwerken van zijn advies, in wezen zeggende: “Hoewel ik verdere suggesties doe met betrekking tot je houding ten opzichte van rijkdom, zou ik je willen vermanen mijn raad te aanvaarden als alleen aan jou gegeven en voor jouw persoonlijke begeleiding. Ik spreek alleen namens mijzelf en tot jou als een onderzoekende vriend. Ik bezweer je om geen dictator te worden wat betreft hoe andere rijke mensen hun rijkdom moeten beschouwen. Ik zou je willen adviseren:
Als rentmeester van geërfde rijkdom dien je de bronnen ervan te overwegen. Je bent moreel verplicht om de vorige generatie te vertegenwoordigen bij de eerlijke overdracht van legitieme rijkdom aan volgende generaties, na aftrek van een redelijke vergoeding ten behoeve van de huidige generatie. Maar je bent niet verplicht om oneerlijkheid of onrecht in stand te houden die gepaard gaat met de oneerlijke accumulatie van rijkdom door je voorouders. Elk deel van je geërfde rijkdom dat blijkt te zijn verkregen door fraude of oneerlijkheid, mag je uitgeven in overeenstemming met je overtuigingen van rechtvaardigheid, vrijgevigheid en restitutie. De rest van je rechtmatig geërfde rijkdom mag je naar billijkheid gebruiken en in zekerheid overdragen als beheerder van de ene generatie op de andere. Verstandig onderscheidingsvermogen en gezond oordeel moeten je beslissingen met betrekking tot het nalaten van rijkdom aan je opvolgers bepalen.
Iedereen die rijkdom geniet als gevolg van ontdekking, moet bedenken dat één individu slechts een korte tijd op aarde kan leven en daarom voldoende voorzieningen moet treffen om deze ontdekkingen op nuttige wijze te delen met zoveel mogelijk medemensen. Hoewel de ontdekker niet alle beloning voor zijn ontdekkingsinspanningen mag worden ontzegd, mag hij evenmin egoïstisch beweren aanspraak te maken op alle voordelen en zegeningen die voortvloeien uit het blootleggen van de opgeslagen natuurlijke hulpbronnen.
Zolang mensen ervoor kiezen om de wereldhandel te drijven door middel van handel en ruilhandel, hebben ze recht op een eerlijke en legitieme winst. Elke handelaar verdient loon voor zijn diensten; de koopman heeft recht op zijn loon. De eerlijkheid van de handel en de eerlijke behandeling die men zijn collega’s in de georganiseerde zakenwereld betoont, creëren vele verschillende soorten winstrijkdom, en al deze bronnen van rijkdom moeten worden beoordeeld volgens de hoogste principes van rechtvaardigheid, eerlijkheid en billijkheid. De eerlijke handelaar hoeft niet te aarzelen om dezelfde winst te nemen die hij graag aan zijn collega-handelaar zou gunnen in een soortgelijke transactie. Hoewel dit soort rijkdom niet identiek is aan individueel verdiend inkomen wanneer zaken op grote schaal worden gedaan, geeft zulke eerlijk vergaarde rijkdom de bezitter tegelijkertijd een aanzienlijk recht op inspraak in de latere verdeling ervan.
Geen sterveling die God kent en de goddelijke wil probeert te doen, kan zich verlagen tot onderdrukking door rijkdom. Geen nobel mens zal ernaar streven rijkdom te vergaren en vermogen/macht te vergaren door de slavernij of oneerlijke uitbuiting van zijn broeders. Rijkdom is een morele vloek en een spiritueel stigma wanneer dit voortkomt uit het zweet van de onderdrukte sterfelijke mens. Al dergelijke rijkdom moet worden teruggegeven aan degenen die aldus zijn beroofd of aan hun kinderen en kleinkinderen. Een duurzame beschaving kan niet worden gebouwd op de praktijk van het beroven van de arbeider van zijn loon.
Eerlijke rijkdom heeft recht op rente. Zolang mensen lenen en uitlenen, mag een eerlijke rente worden geïnd, mits het geleende kapitaal legitieme rijkdom was. Zuiver eerst je kapitaal voordat je aanspraak maakt op de rente. Word niet zo kleinzielig en hebzuchtig dat je je verlaagt tot woekerrentes. Sta jezelf nooit toe zo egoïstisch te zijn dat je geld/macht gebruikt om oneerlijk voordeel te behalen ten opzichte van je worstelende medemensen. Geef niet toe aan de verleiding om misbruik te maken van je broeder in financiële nood.
Als je toevallig rijkdom verwerft door periodes van genialiteit, als je rijkdommen voortkomen uit de beloning van inventieve gaven, claim dan geen onterecht deel van die beloningen. Het genie is iets verschuldigd aan zowel zijn voorouders als zijn nakomelingen. Evenzo is hij iets verplicht aan het ras, de natie en de omstandigheden voor zijn inventieve ontdekkingen. Hij moet zich ook realiseren dat hij als mens onder mensen heeft gewerkt en zijn uitvindingen heeft uitgewerkt. Het zou evenzeer onrechtvaardig zijn om het genie al zijn toenemende rijkdom te ontnemen. En het zal voor mensen altijd onmogelijk zijn om regels en voorschriften op te stellen die op gelijke wijze van toepassing zijn op al deze problemen van de rechtvaardige verdeling van rijkdom. Je moet de mens eerst als je broeder erkennen, en als je oprecht met hem wilt doen wat je wilt dat hij met jou doet, zullen de alledaagse voorschriften van rechtvaardigheid, eerlijkheid en billijkheid je leiden bij de rechtvaardige en onpartijdige oplossing van elk terugkerend probleem van economische beloningen en sociale rechtvaardigheid.
Behalve de rechtvaardige en legitieme vergoedingen die verdiend worden met het beheer, mag niemand persoonlijk aanspraak maken op die rijkdom die door tijd en toeval in zijn handen kan vallen. Toevallige rijkdom moet enigszins worden beschouwd in het licht van een trust die moet worden besteed ten behoeve van iemands sociale of economische groep. De bezitters van dergelijke rijkdom moeten de belangrijkste stem krijgen bij het bepalen van de verstandige en effectieve verdeling van dergelijke onverdiende middelen. De beschaafde mens zal niet altijd alles wat hij beheert als zijn persoonlijke en privébezit beschouwen.
Als een deel van je vermogen willens en wetens is verkregen door fraude; als een deel van je vermogen is vergaard door oneerlijke praktijken of oneerlijke methoden; als je rijkdom het product is van onrechtvaardige handelingen met je medemensen, haast je dan om al deze onrechtmatig verkregen winsten terug te geven aan de rechtmatige eigenaren. Maak het volledig goed, en zuiver je vermogen zo van alle oneerlijke rijkdommen.
Het beheer van de rijkdom van één persoon ten behoeve van anderen is een plechtige en heilige verantwoordelijkheid. Riskeer of breng een dergelijk vertrouwen niet in gevaar. Neem van elke aan je toevertrouwde rijkdom alleen datgene voor jezelf wat alle eerlijke mensen zouden toestaan.
Dat deel van je vermogen dat de verdiensten van je eigen mentale en fysieke inspanningen vertegenwoordigt – als je werk in eerlijkheid en billijkheid is gedaan – is werkelijk van jou. Niemand kan jouw recht ontkennen om zoveel rijkdom te bezitten en te gebruiken als jou goeddunkt, mits je uitoefening van dit recht geen schade toebrengt aan je medemensen. ”
Toen Jezus zijn raadgevingen had beëindigd, stond deze rijke Romein op van zijn bank en nam afscheid voor de nacht, waarbij hij zichzelf deze belofte deed: “Mijn goede vriend, ik zie dat je een man van grote wijsheid en goedheid bent, en morgen zal ik beginnen met het beheer van al mijn rijkdom in overeenstemming met jouw raad.”
Maatschappelijke Dienstverlening
Hier in Rome vond ook het ontroerende voorval plaats waarbij de Schepper van een heel lokaal universum enkele uren besteedde aan het teruggeven van een verloren kind aan zijn bezorgde moeder. Deze kleine jongen was van huis weggelopen en Jezus trof hem huilend en bedroefd aan. Hij en Ganid waren onderweg naar de bibliotheken, maar ze wijdden zich aan het terugbrengen van het kind naar huis. Ganid vergat nooit het commentaar van Jezus: “Weet je, Ganid, de meeste mensen zijn net als dit verloren kind. Ze brengen veel van hun tijd huilend van angst en lijdend van verdriet door, terwijl ze in werkelijkheid heel dicht bij veiligheid en zekerheid zijn, net zoals dit kind maar een klein stukje van huis was. En allen die de weg van de waarheid kennen en de zekerheid genieten van het kennen van God, zouden het als een voorrecht, en niet als een plicht, moeten beschouwen om hun medemensen te begeleiden in hun pogingen om de voldoening van het leven te vinden. Hebben wij niet enorm genoten van deze service om het kind bij zijn moeder terug te brengen? Zo ervaren ook zij die mensen tot God leiden de ultieme voldoening van menselijke dienstbaarheid.” En vanaf die dag, gedurende de rest van zijn leven, was Ganid voortdurend op zoek naar verloren kinderen die hij weer bij hen thuis kon brengen.
Daar was de weduwe met vijf kinderen van wie de man door een ongeluk was omgekomen. Jezus vertelde Ganid over het verlies van zijn eigen vader door een ongeluk, en ze gingen herhaaldelijk deze moeder en haar kinderen troosten, terwijl Ganid geld van zijn vader vroeg om voedsel en kleding te kopen. Ze stopten niet met hun inspanningen totdat ze een baan voor de oudste jongen hadden gevonden, zodat hij kon helpen met de zorg voor het gezin.
Die nacht, terwijl Gonod luisterde naar het verhaal van deze ervaringen, zei hij goedmoedig tegen Jezus: “Ik ben van plan om van mijn zoon een geleerde of een zakenman te maken, en nu begin jij een filosoof of een filantroop van hem te maken.” En Jezus antwoordde glimlachend: “Misschien maken we hem alle vier; dan kan hij van een viervoudige voldoening in het leven genieten, omdat zijn oor voor het herkennen van menselijke melodieën vier tonen in plaats van één zal kunnen herkennen.” Toen zei Gonod: “Ik zie dat je echt een filosoof bent. Je moet een boek schrijven voor toekomstige generaties.” En Jezus antwoordde: “Geen boek. Mijn missie is om een leven te leiden in deze generatie en voor alle generaties. Ik,” zei hij, maar hij stopte en zei tegen Ganid: “Mijn zoon, het is tijd om naar bed te gaan.”
Reizen rondom Rome
Jezus, Gonod en Ganid maakten vijf reizen vanuit Rome naar interessante plaatsen in de omgeving. Tijdens hun bezoek aan de Noord-Italiaanse meren had Jezus een lang gesprek met Ganid over de onmogelijkheid om een mens over God te onderwijzen als die mens God niet wil leren kennen. Ze hadden tijdens hun reis naar de meren toevallig een onnadenkende niet-gelovige ontmoet, en Ganid was verbaasd dat Jezus niet zijn gebruikelijke gewoonte volgde om de man in een gesprek te betrekken, wat vanzelfsprekend zou leiden tot een discussie over spirituele vragen. Toen Ganid zijn leraar vroeg waarom hij zo weinig interesse toonde in deze man, antwoordde Jezus: “Ganid, de man hongerde niet naar waarheid. Hij was niet ontevreden met zichzelf. Hij was niet bereid om hulp te vragen, en de ogen van zijn verstand waren niet open om licht voor de ziel te ontvangen. Die mens was niet rijp voor de oogst van de verlossing; hem moet meer tijd worden gegund voor de beproevingen en moeilijkheden van het leven, om hem voor te bereiden op het ontvangen van wijsheid en hogere kennis. Of, als we hem bij ons konden laten wonen, zouden we hem door het voorbeeld van ons leven de Vader in de hemel kunnen laten zien, en zou hij zo aangetrokken worden door ons leven als zonen van God dat hij gedwongen zou zijn om naar onze Vader te informeren. Je kunt God niet openbaren aan hen die Hem niet zoeken; je kunt onwillige zielen niet leiden naar de vreugde van de verlossing. De mens moet hongerig worden naar waarheid als gevolg van de ervaringen van het leven, of hij moet ernaar verlangen God te kennen als gevolg van contact met de levens van hen die de goddelijke Vader kennen, voordat een ander mens kan optreden als middel om zo’n medemens naar de Vader in de hemel te leiden. Als we God kennen, is onze werkelijke taak op aarde zo te leven dat we de Vader toestaan zich in ons leven te openbaren, en zo zullen alle Godzoekende mensen de Vader zien en onze hulp vragen om meer te weten te komen over de God die op deze manier tot uitdrukking komt in ons leven.”
Het was tijdens zijn bezoek aan Zwitserland, hoog in de bergen, dat Jezus de hele dag met zowel vader als zoon over het boeddhisme sprak. Ganid had Jezus vaak directe vragen gesteld over Boeddha, maar hij had altijd min of meer ontwijkende antwoorden ontvangen. Nu, in aanwezigheid van zijn zoon, stelde de vader Jezus een directe vraag over Boeddha, en hij kreeg een direct antwoord. Gonod zei: “Ik zou heel graag willen weten wat je van Boeddha vindt.” En Jezus antwoordde: “Uw Boeddha was veel beter dan uw boeddhisme. Boeddha was een groot man, zelfs een profeet voor zijn volk, maar hij was een wees-profeet; daarmee bedoel ik dat hij zijn spirituele Vader, de Vader in de hemel, al vroeg uit het oog verloor. Zijn ervaring was tragisch. Hij probeerde te leven en te onderwijzen als een boodschapper van God, maar zonder God. Boeddha leidde zijn schip van verlossing rechtstreeks naar de veilige haven, rechtstreeks naar de ingang van de haven van sterfelijke verlossing, en daar, vanwege gebrekkige navigatiekaarten, liep het goede schip aan de grond. Daar heeft het al die generaties stilgestaan, roerloos en bijna hopeloos gestrand. En op dat schip zijn velen van jullie volk al die jaren gebleven. Ze leven op korte afstand van de veilige wateren van rust, maar weigeren binnen te gaan omdat het nobele ambacht van de goede Boeddha het ongeluk heeft gehad net buiten de haven aan de grond te lopen. En de boeddhistische volkeren zullen deze haven nooit binnengaan, tenzij ze het filosofische ambacht van hun profeet verlaten en zich vastklampen aan zijn nobele spirit. Als jullie volk trouw was gebleven aan de spirit van Boeddha, zouden jullie allang jullie haven van spirituele rust, zielerust en de zekerheid van verlossing zijn binnengegaan.”
“Zie je, Gonod, Boeddha kende God in spirit, maar slaagde er niet in hem duidelijk in zijn verstand (‘in mind’) te ontdekken; de Joden ontdekten God in hun verstand, maar slaagden er grotendeels niet in Hem in spirit te kennen. Tegenwoordig ploeteren de boeddhisten rond in een filosofie zonder God, terwijl mijn volk jammerlijk verslaafd is aan de angst voor een God zonder een reddende filosofie van leven en vrijheid. Jij hebt een filosofie zonder God; de Joden hebben wel een God, maar missen grotendeels een daaraan gerelateerde levensfilosofie. Boeddha, die er niet in slaagde God te zien als spirit en als een Vader, slaagde er ook niet in om in zijn leer de morele energie en de spirituele drijvende kracht te verschaffen die een religie moet bezitten om een ras te veranderen en een natie te verheffen.”
Toen riep Ganid uit: “Meester, laten jij en ik een nieuwe religie stichten, een die goed genoeg is voor India en groot genoeg voor Rome, en misschien kunnen we die dan ruilen met de Joden voor Jahweh.” En Jezus antwoordde: “Ganid, religies worden niet gemaakt. De religies van mensen groeien over lange perioden, terwijl de openbaringen van God over de aarde flitsen in de levens van de mensen die God aan hun medemensen openbaren.” Maar ze begrepen de betekenis van deze profetische woorden niet.
Die nacht, nadat ze zich hadden teruggetrokken, kon Ganid niet slapen. Hij praatte lang met zijn vader en zei uiteindelijk: “Weet je, vader, ik denk soms dat Joshua een profeet is.” En zijn vader antwoordde slechts slaperig: “Mijn zoon, er zijn anderen”
Vanaf die dag, en gedurende de rest van zijn leven, bleef Ganid zijn eigen religie ontwikkelen. Hij werd in zijn eigen intellect enorm geraakt door de ruimdenkendheid, eerlijkheid en tolerantie van Jezus. In al hun discussies over filosofie en religie ervoer deze jongeman nooit gevoelens van wrok of reacties van vijandigheid.
Wat een tafereel voor de hemelse intelligenties om te aanschouwen, dit schouwspel van de Indiase jongen die aan de Schepper van een lokaal universum voorstelt een nieuwe religie te stichten! En hoewel de jongeman het niet wist, stichtten ze op dat moment een nieuwe en eeuwige religie – deze nieuwe weg van verlossing, de openbaring van God aan de mens door en in Jezus. Wat de jongen het liefst wilde doen, deed hij onbewust ook daadwerkelijk. En het was, en is, altijd zo. Dat wat de verlichte en beschouwende menselijke verbeelding van spirituele lering en leiding van harte en onzelfzuchtig wil doen en zijn, wordt meetbaar creatief/scheppend in overeenstemming met de mate van sterfelijke toewijding aan het goddelijke doen van de wil van de Vader. Wanneer de mens een partnerschap aangaat met God, kunnen en gebeuren er grote dingen.
Dit hoofdstuk is een nieuwe Nederlandse vertaling gebaseerd op Paper 132 van het Urantia Boek: https://www.urantia.org
