Inleiding
Vanwege de onzekerheden en zorgen tijdens hun verblijf in Bethlehem begon Maria de baby pas te laten wennen aan vaster voedsel (dan alleen borstvoeding) toen ze veilig in Alexandrië waren aangekomen, waar het gezin zich kon vestigen en een normaal leven kon leiden. Ze woonden bij verwanten, en Jozef kon zijn gezin goed onderhouden, want hij vond kort na aankomst werk. Hij werkte enkele maanden als timmerman en promoveerde vervolgens tot voorman van een grote groep arbeiders die werkten aan een van de openbare gebouwen die toen in aanbouw waren. Deze nieuwe ervaring bracht hem op het idee om na hun terugkeer in Nazareth aannemer en bouwer te worden.
Gedurende deze eerste jaren van de hulpeloze babytijd van Jezus was Maria constant waakzaam, zodat haar kind niets zou overkomen dat zijn welzijn in gevaar zou kunnen brengen of zijn toekomstige missie op aarde op een of andere manier zou kunnen verstoren; geen moeder was ooit meer toegewijd aan haar kind. In het huis waar Jezus toevallig verbleef, waren er twee andere kinderen van ongeveer zijn leeftijd, en onder de naaste buren waren er zes anderen die qua leeftijd dicht genoeg bij de zijne lagen om hen tot geschikte speelkameraadjes te maken. Aanvankelijk was Maria geneigd Jezus dicht bij zich te houden. Ze vreesde dat hem iets zou overkomen als hij met de andere kinderen in de tuin mocht spelen, maar Jozef wist haar, met de hulp van zijn verwanten, ervan te overtuigen dat zo’n aanpak Jezus de nuttige ervaring zou ontnemen om te leren hoe hij zich moest aanpassen aan kinderen van zijn eigen leeftijd. En Maria, die besefte dat zo’n programma van overmatige beschutting en ongewone bescherming hem onzeker en enigszins egocentrisch zou kunnen maken, stemde uiteindelijk in met het plan om het kind van belofte te laten opgroeien zoals elk ander kind. Hoewel ze deze beslissing daarna ook opvolgde, maakte ze het tot haar taak om altijd toezicht te houden terwijl de kleintjes in huis of in de tuin speelden. Alleen een liefhebbende moeder kan weten welke verantwoordelijkheid Maria in haar hart droeg voor de veiligheid van haar zoon tijdens deze jaren van zijn babytijd en vroege kinderjaren.
Tijdens de twee jaar van hun verblijf in Alexandrië genoot Jezus een goede gezondheid en bleef hij normaal groeien. Afgezien van een paar vrienden en familieleden werd niemand verteld dat Jezus een “kind van belofte” was. Een van Jozefs familieleden onthulde dit aan een paar vrienden in Memphis, afstammelingen van de verre Ichnaton. En die vrienden kwamen, met een kleine groep Alexandrijnse gelovigen, kort voor de terugkeer naar Palestina bijeen in het paleis-achtige huis van Jozefs weldoener en familielid om de familie in Nazareth het beste te wensen en om hun respect te betuigen aan het kind. Bij deze gelegenheid schonken de verzamelde vrienden Jezus een volledig exemplaar van de Griekse vertaling van de Hebreeuwse geschriften. Maar dit exemplaar van de Joodse heilige geschriften werd pas in handen van Jozef gesteld nadat hij en Maria de uitnodiging van hun vrienden uit Memphis en Alexandrië om in Egypte te blijven definitief hadden afgewezen. Deze gelovigen hielden vol dat het kind van bestemming een veel grotere invloed in de wereld zou kunnen uitoefenen als inwoner van Alexandrië dan vanuit welke andere plaats in Palestina dan ook. Deze pogingen tot overtuiging vertraagden hun vertrek naar Palestina nog enige tijd, ook nadat ze het nieuws van de dood van Herodus hadden ontvangen.
Jozef en Maria vertrokken uiteindelijk uit Alexandrië op een boot van hun vriend Ezraeon, op weg naar Joppa. Ze kwamen eind augustus van het jaar 4 v.Chr. in de haven van Joppa aan. Ze gingen rechtstreeks naar Bethlehem, waar ze de hele maand september met hun vrienden en familieleden overlegden over de vraag of ze daar zouden blijven of naar Nazareth zouden terugkeren.
Maria had het idee dat Jezus moest opgroeien in Bethlehem, de Stad van David, nooit helemaal losgelaten. Jozef geloofde niet echt dat hun zoon een koning/bevrijder van Israël zou worden. Bovendien wist hij dat hij zelf niet echt een afstammeling van David was; dat het feit dat hij gerekend werd tot de nakomelingen van David te danken was aan de adoptie van een van zijn voorouders in de afstammingslijn van David. Maria vond de Stad van David natuurlijk de meest geschikte plaats om de nieuwe kandidaat voor Davids troon op te voeden, maar Jozef gaf er de voorkeur aan om eerder het risico te nemen met Herodes Antipas in plaats van met zijn broer Archelaus. Hij maakte zich grote zorgen over de veiligheid van het kind in Bethlehem of in welke andere stad in Judea dan ook, en vermoedde dat Archelaus eerder de dreigende politiek van zijn vader Herodes zou voortzetten dan Antipas in Galilea. En naast al deze redenen gaf Jozef ook een uitgesproken voorkeur aan Galilea, omdat hij vond dat het kind daar beter kon opgroeien en worden geschoold. Toch duurde het drie weken voordat Maria’s bezwaren werden overwonnen.
Op 1 oktober had Jozef Maria en al hun vrienden ervan overtuigd dat het beter voor hen was om naar Nazareth terug te keren. Daarom vertrokken ze begin oktober, 4 v.Chr. vanuit Bethlehem naar Nazareth, via Lydda en Scythopolis. Ze vertrokken vroeg op een zondagochtend. Maria en het kind reden op hun nieuwe lastdier, terwijl Jozef en vijf verwanten te voet vlak voor hun uit gingen. Jozefs familieleden weigerden hen de reis naar Nazareth alleen te laten maken. Ze waren bang om via Jeruzalem en de Jordaanvallei naar Galilea te reizen, en de westelijke routes waren niet bepaald veilig voor twee eenzame reizigers met een kind van jonge leeftijd.
Terug in Nazareth
Op de vierde dag van de reis bereikte het gezelschap veilig zijn bestemming. Ze arriveerden onaangekondigd bij het huis in Nazareth, dat meer dan drie jaar bewoond was geweest door een van Jozefs getrouwde broers, die inderdaad verrast was hen te zien. Ze waren zo stil te werk gegaan dat noch de familie van Jozef, noch die van Maria zelfs maar wisten dat ze Alexandrië hadden verlaten. De volgende dag verhuisde Jozefs broer met zijn gezin, en Maria vestigde zich, voor het eerst sinds de geboorte van Jezus, met haar kleine gezin om te genieten van het leven in hun eigen huis. In minder dan een week vond Jozef werk als timmerman, en ze waren buitengewoon gelukkig.
Jezus was ongeveer drie jaar en twee maanden oud toen ze terugkeerden naar Nazareth. Hij had al deze reizen heel goed doorstaan en verkeerde in uitstekende gezondheid. Hij was vol kinderlijke vreugde en opwinding omdat hij een eigen plek had om in rond te rennen en van te genieten. Maar hij miste het gezelschap van zijn Alexandrijnse speelkameraadjes enorm.
Onderweg naar Nazareth had Jozef Maria ervan overtuigd dat het onverstandig zou zijn om onder hun vrienden en familieleden in Galilea te verspreiden dat Jezus een kind van belofte was. Ze kwamen overeen om deze zaken met niemand te bespreken. En ze waren beiden zeer trouw in het nakomen van deze belofte.
Het hele vierde jaar van Jezus was een periode van normale lichamelijke ontwikkeling en van ongewone mentale activiteit. Intussen had hij een zeer sterke band ontwikkeld met een buurjongen van ongeveer zijn leeftijd, Jacob genaamd. Jezus en Jacob waren altijd vrolijk in hun spel en ze groeiden op tot goede vrienden en trouwe kameraden.
De volgende belangrijke gebeurtenis in het leven van dit gezin uit Nazareth was de geboorte van het tweede kind, Jacobus [James], in de vroege ochtenduren van 2 april, 3 v.Chr. Jezus was opgewonden bij de gedachte een broertje te krijgen en stond urenlang toe te kijken, gewoon om de eerste activiteiten van de baby te observeren.
Het was midden in de zomer van datzelfde jaar dat Jozef een kleine werkplaats bouwde vlakbij de dorpsbron en het kampeerterrein voor de karavanen. Daarna deed hij overdag nauwelijks nog timmerwerk. Hij had twee van zijn broers en verschillende andere monteurs als collega’s, die hij uitstuurde om te werken terwijl hij zelf in de werkplaats bleef om jukken en ploegen te maken en ander werk met hout te doen. Hij deed ook wat werk met leer, touw en canvas. En toen Jezus opgroeide, bracht hij, als hij niet op school was, zijn tijd ongeveer 50-50% door met het helpen van zijn moeder met huishoudelijke taken en met het kijken naar hoe zijn vader in de werkplaats werkte, terwijl hij ondertussen luisterde naar de gesprekken en het geroddel van de karavaanleiders en -passagiers uit alle hoeken van de aarde.
In juli van dit jaar, een maand voordat Jezus vier jaar oud was, verspreidde zich een uitbraak van kwaadaardige darmklachten over heel Nazareth door het contact met de karavaanreizigers. Maria raakte zo gealarmeerd door het gevaar dat Jezus aan deze ziekte-epidemie zou worden blootgesteld, dat ze haar beide kinderen inpakte en vluchtte naar het landhuis van haar broer, enkele kilometers ten zuiden van Nazareth aan de Megiddo-weg bij Sarid. Ze keerden pas na meer dan twee maanden terug naar Nazareth; Jezus genoot enorm van deze eerste ervaring op een boerderij.
Het vijfde jaar (2 voor Chr.)
Iets meer dan een jaar na zijn terugkeer naar Nazareth bereikte de jonge Jezus de leeftijd waarop hij zijn eerste persoonlijke en oprechte morele beslissing nam; en er kwam een Mentor-Spirit in hem wonen, een goddelijk geschenk van de Paradijs-Vader. Deze Mentor-Spirit had eerder al ervaring opgedaan met het functioneren in verband met de incarnatie van een boven-sterfelijk wezen. Deze gebeurtenis vond plaats op 11 februari, 2 v.Chr. Jezus was zich net zomin bewust van de komst van de goddelijke Mentor-Spirit als de miljoenen andere kinderen die, vóór en na die dag, eveneens deze Mentor-Spirits in hun mind hebben ontvangen, die daar hebben gewerkt aan de uiteindelijke spiritualisering van deze mind en het eeuwige voortbestaan van hun evoluerende onsterfelijke zielen.
Op deze dag in februari eindigde het directe en persoonlijke toezicht van de Heersers van het Universum, die de integriteit van de kinderlijke incarnatie van Michaël overzagen. Vanaf dat moment, gedurende de hele verdere menselijke ontwikkeling van de incarnatie, zou de voogdij over Jezus berusten bij deze inwonende Mentor-Spirit en de bijbehorende andere wezens die als “helpers” optreden.
Jezus was vijf jaar oud in augustus van dit jaar, en we zullen dit daarom zijn vijfde (kalender) levensjaar noemen. In dit jaar, 2 v.Chr., iets meer dan een maand voor zijn vijfde verjaardag, werd Jezus zeer verblijd met de komst van zijn zus Miriam, die in de nacht van 11 juli werd geboren. De avond van de volgende dag had Jezus een lang gesprek met zijn vader over de manier waarop verschillende groepen levende dingen en wezens als afzonderlijke individuen ter wereld komen. Het meest waardevolle deel van de vroege opvoeding van Jezus kreeg hij van zijn ouders, als antwoord op zijn bedachtzame en diepgaande vragen. Jozef deed altijd zijn volledige plicht door de moeite te nemen en tijd te besteden aan het beantwoorden van de talrijke vragen van de jongen. Van zijn vijfde tot zijn tiende jaar was Jezus één voortdurend vraagteken. Hoewel Jozef en Maria niet altijd zijn vragen konden beantwoorden, lieten ze nooit na zijn vragen volledig te bespreken en hem op alle mogelijke manieren te helpen bij zijn pogingen om een bevredigende oplossing te vinden voor het probleem dat zijn alerte mind had gesuggereerd.
Sinds hun terugkeer naar Nazareth was hun huishouden druk geweest, en Jozef was ongewoon bezig geweest met de bouw van zijn nieuwe werkplaats en het heropstarten van zijn bedrijf. Hij was zo druk bezig dat hij geen tijd had gevonden om een wieg voor Jacobus te bouwen, maar dit was al lang voor de komst van Miriam rechtgezet, zodat ze een zeer comfortabele wieg had waarin ze zich kon nestelen terwijl het gezin haar bewonderde. En het kind Jezus nam van harte deel aan al deze natuurlijke en normale huiselijke ervaringen. Hij genoot enorm van zijn kleine broertje en zijn babyzusje en was een grote hulp voor Maria bij hun zorg.
Er waren weinig gezinnen in de niet-Joodse (gentile) wereld van die tijd die een kind een betere intellectuele, morele en religieuze opvoeding konden geven dan de Joodse gezinnen in Galilea. Deze Joden hadden een systematisch programma voor de opvoeding en het onderwijs van hun kinderen. Zij verdeelden het leven van een kind in zeven fasen:
- Het pasgeboren kind, van de eerste tot de achtste dag.
- De zuigeling.
- Het gespeende kind (niet meer aan de borst van de moeder).
- De periode van afhankelijkheid van de moeder, die duurt tot het einde van het vijfde jaar.
- De beginnende onafhankelijkheid van het kind en, bij zonen, het moment dat de vader de verantwoordelijkheid voor hun opvoeding op zich neemt.
- De adolescente jongens en meisjes.
- De jonge mannen en de jonge vrouwen.
Het was de gewoonte onder de Galilese Joden dat de moeder de verantwoordelijkheid droeg voor de opvoeding van een kind tot de vijfde verjaardag. En daarna, als het kind een jongen was, werd de vader verantwoordelijk gesteld voor de opvoeding. Dit jaar begon Jezus dus aan de vijfde fase van de loopbaan van een Galilese Jood, en dienovereenkomstig droeg Maria hem op 21 augustus, 2 v.Chr., formeel over aan Jozef voor verdere instructie.
Hoewel Jozef nu de directe verantwoordelijkheid op zich nam voor de intellectuele en religieuze opvoeding van Jezus, bleef zijn moeder zich bezighouden met zijn opvoeding thuis. Ze leerde hem de wijnranken en bloemen kennen en verzorgen die groeiden langs de tuinmuren die het perceel volledig omringden. Ze plaatste ook op het dak van het huis (de zomerslaapkamer) ondiepe zandbakken waarin Jezus kaarten tekende en veel van zijn vroege oefening deed in het schrijven van Aramees, Grieks en later Hebreeuws, want na verloop van tijd leerde hij alle drie de talen vloeiend lezen, schrijven en spreken.
Jezus leek lichamelijk een vrijwel volmaakt kind te zijn en bleef zich mentaal en emotioneel normaal ontwikkelen. Hij kreeg in het laatste deel van dit, zijn vijfde (kalender)jaar, te maken met een lichte spijsverteringsstoornis, zijn eerste lichte ziekte.
Hoewel Jozef en Maria vaak over de toekomst van hun oudste kind spraken, zou je, als je erbij was geweest, alleen de opgroei hebben gezien van een normaal, gezond, zorgeloos, maar buitengewoon nieuwsgierig kind van die tijd en plaats.
De gebeurtenissen in het zesde jaar (1 v.Chr.)
Met de hulp van zijn moeder had Jezus al het Galilese dialect van de Aramese taal onder de knie; en nu begon zijn vader hem Grieks te leren. Maria sprak weinig Grieks, maar Jozef sprak vloeiend zowel Aramees als Grieks. Het leerboek voor de studie van de Griekse taal was het exemplaar van (de Griekse vertaling van) de Hebreeuwse geschriften – een complete versie van de wet en de profeten, inclusief de Psalmen – dat hun was overhandigd toen ze Egypte verlieten. Er waren slechts twee complete exemplaren van de geschriften in het Grieks in heel Nazareth, en het bezit van één daarvan door de familie van de timmerman maakte het huis van Jozef tot een veel-gezochte plek en stelde Jezus, terwijl hij opgroeide, in staat een bijna eindeloze stoet van serieuze studenten en oprechte waarheidszoekers te ontmoeten. Vóór het einde van dit jaar had Jezus de zorg voor dit manuscript van onschatbare waarde op zich genomen, nadat hem op zijn zesde verjaardag was verteld dat het heilige boek hem was gegeven door vrienden en familieleden uit Alexandrië. En al snel kon hij het gemakkelijk lezen.
De eerste grote schok in het jonge leven van Jezus vond plaats toen hij nog geen zes jaar oud was. Het had voor de jongen altijd geleken alsof zijn vader – in ieder geval zijn vader en moeder samen – alles wisten. Stel je daarom de verbazing van dit nieuwsgierige kind voor, toen hij zijn vader vroeg naar de oorzaak van een lichte aardbeving die net had plaatsgevonden en hij Jozef hoorde zeggen: ‘Mijn zoon, ik weet het echt niet.’ Zo begon die lange en verontrustende desillusie waarin Jezus ontdekte dat zijn aardse ouders niet al-wijs en al-wetend waren.
Jozefs eerste gedachte was om Jezus te vertellen dat de aardbeving door God was veroorzaakt, maar na even nadenken besefte hij dat zo’n antwoord onmiddellijk aanleiding zou geven tot verdere en nog gênantere vragen. Zelfs op jonge leeftijd was het erg moeilijk om de vragen van Jezus over fysieke of sociale verschijnselen te beantwoorden door hem zonder verder na te denken te vertellen dat óf God óf de duivel verantwoordelijk was. In overeenstemming met de heersende overtuiging onder het Joodse volk was Jezus lang bereid de leer van goede en kwade ‘geesten’ te aanvaarden als mogelijke verklaring voor mentale en spirituele verschijnselen, maar al vroeg begon hij te twijfelen of zulke onzichtbare invloeden echt verantwoordelijk waren voor de fysieke gebeurtenissen in de natuurlijke wereld.
Voordat Jezus zes jaar oud was, in de vroege zomer van 1 v.Chr., kwamen Zacharias, Elisabeth en hun zoon Johannes op bezoek bij de familie in Nazareth. Jezus en Johannes beleefden een gelukkige tijd samen, hun eerste bezoek dat ze zich konden herinneren. Hoewel de bezoekers slechts een paar dagen konden blijven, bespraken de ouders veel, waaronder de toekomstplannen voor hun zonen. Terwijl ze hiermee bezig waren, speelden de jongens met blokken in het zand op het dak van het huis en vermaakten ze zich op vele andere manieren, zoals jongens dat doen.
Nadat Jezus deze ontmoeting had met Johannes, die uit de buurt van Jeruzalem kwam, begon hij een ongewone interesse in de geschiedenis van Israël te tonen en vroeg hij uitgebreid naar de betekenis van de sabbath-rituelen, de preken in de synagoge en de terugkerende herdenkingsfeesten. Zijn vader legde hem de betekenis van al deze seizoenen uit.
De eerste was de feestelijke midwinterverlichting, die acht dagen duurde en begon met één kaars op de eerste avond en elke volgende avond met één erbij; dit was ter herdenking van de inwijding van de tempel na het herstel van de erediensten van Mozes door Judas Makkabeüs.
Vervolgens kwam de viering van Poerim in het vroege voorjaar, het feest van Esther en Israëls bevrijding door haar. Daarna volgde het plechtige Pesach (Passover, Pascha), dat de volwassenen zoveel mogelijk in Jeruzalem vierden, terwijl de kinderen thuis eraan dachten dat er de hele week geen gerezen brood gegeten mocht worden.
Later kwam het feest van de eerstelingen, de oogst;
en ten slotte, het meest plechtige van allemaal, het feest van het nieuwe jaar, de Grote Verzoendag.
Hoewel sommige van deze vieringen en gebruiken moeilijk te begrijpen waren voor het jonge verstand van Jezus, dacht hij er serieus over na en ging hij vervolgens volledig op in de vreugde van het Loofhuttenfeest, de jaarlijkse vakantieperiode van het hele Joodse volk, de tijd waarin ze kampeerden in lommerrijke (bladeren) hutten en zich overgaven aan vrolijkheid en plezier.
Gedurende dit jaar hadden Jozef en Maria problemen met Jezus over zijn gebeden. Hij stond erop met zijn hemelse Vader te praten, op dezelfde manier zoals hij met Jozef, zijn aardse vader, sprak. Deze afwijking van de meer plechtige en eerbiedige manier van communiceren met Godheid was enigszins verontrustend voor zijn ouders, vooral voor zijn moeder, maar Jezus was er niet van te overtuigen om dit te veranderen; hij bad gewoon zoals hem was geleerd, waarna hij erop stond om ‘gewoon even met mijn Vader in de hemel te praten’ [Engelse tekst, letterlijk: “just a little talk with my Father in Heaven”.
In juni van dit jaar droeg Jozef de werkplaats in Nazareth over aan zijn broers en begon hij officieel aan zijn werk als bouwer. Nog voor het einde van het jaar was het gezinsinkomen meer dan verdrievoudigd. Nooit meer, tot na Jozefs dood, voelde het gezin in Nazareth de armoede. Het gezin werd steeds groter en ze gaven veel geld uit aan extra onderwijs en reizen, maar Jozefs stijgende inkomen hield altijd gelijke tred met de groeiende uitgaven.
De daaropvolgende jaren deed Jozef veel werk in Kana, Bethlehem (in Galilea), Magdala, Naïn, Sepphoris, Capernaum en Endor, en bouwde hij ook veel in en rond Nazareth. Toen Jacobus oud genoeg werd om zijn moeder te helpen met het huishouden en de zorg voor de jongere kinderen, maakte Jezus regelmatig uitstapjes met zijn vader naar de omliggende steden en dorpen. Jezus was een scherp waarnemer en deed veel praktische kennis op tijdens deze uitstapjes; hij was ijverig bezig kennis te vergaren over de mens en de manier van leven op aarde.
Dit jaar boekte Jezus grote vooruitgang in het aanpassen van zijn sterke gevoelens en krachtige impulsen aan de eisen van de samenwerking binnen het gezin en de discipline in huis. Maria was een liefdevolle moeder, maar legde een vrij strenge discipline op. In veel opzichten oefende Jozef echter de grootste controle over Jezus uit, omdat hij de gewoonte had om met de jongen te gaan zitten en hem volledig de werkelijke en onderliggende redenen uit te leggen voor de noodzaak van disciplinaire inperking van persoonlijke verlangens ten behoeve van het welzijn en de rust van het hele gezin. Wanneer de situatie aan Jezus was uitgelegd, werkte hij altijd intelligent en bereidwillig mee aan de wensen van zijn ouders en aan de gezinsregels.
Een groot deel van zijn vrije tijd – wanneer zijn moeder zijn hulp in huis niet nodig had – besteedde hij overdag aan het bestuderen van de bloemen en planten en ’s nachts aan de sterren. Hij toonde een verontrustende neiging om op zijn rug te liggen en vol verwondering naar de sterrenhemel te staren, tot laat na zijn gebruikelijke bedtijd in dit goed geordende huishouden in Nazareth.
Het zevende jaar (1 n. Chr.)
Dit was nogal een bewogen jaar in het leven van Jezus. Begin januari vond er een zware sneeuwstorm plaats in Galilea. De sneeuw viel een halve meter dik, de zwaarste sneeuwval die Jezus tijdens zijn leven zag en een van de zwaarste in Nazareth in honderd jaar.
Het speelleven van Joodse kinderen in de tijd van Jezus was nogal beperkt; maar al te vaak deden de kinderen als spel de serieuzere dingen na die ze hun ouderen zagen doen. Ze speelden veel bruiloften en begrafenissen na, ceremonies die ze zo vaak zagen en die zo spectaculair waren. Ze dansten en zongen, maar hadden weinig georganiseerde spelletjes, zoals kinderen van later zo graag doen.
Jezus, samen met een buurjongen en later met zijn broer Jacobus, vond het heerlijk om in een uithoek van de timmerwerkplaats van de familie te spelen, waar ze veel plezier hadden met de houtkrullen en de houtblokken. Het was altijd moeilijk voor Jezus om de schadelijkheid te begrijpen van bepaalde vormen van spel die op de sabbath verboden waren, maar hij schikte zich altijd naar de wensen van zijn ouders. Hij had een gevoel voor humor en spel, waar in de omgeving van zijn tijd en zijn generatie maar weinig gelegenheid voor was om tot uitdrukking te komen. Maar tot zijn veertiende was hij meestal vrolijk en opgewekt.
Maria had een duiventil boven op het dierenverblijf naast het huis, en ze gebruikten de winst van de verkoop van duiven als een speciaal liefdadigheidsfonds, dat Jezus beheerde nadat hij de tienden had ingehouden en aan de synagoge-beambte had afgedragen.
Het enige echte ongeluk dat Jezus tot dan toe had gehad, was een val van de stenen trap in de achtertuin die naar de slaapkamer met canvas dak leidde. Het gebeurde tijdens een onverwachte zandstorm uit het oosten in juli. De hete wind, die wolken fijn zand met zich meebracht, waaide gewoonlijk tijdens het regenseizoen, vooral in maart en april. Het was buitengewoon om zo’n storm in juli te hebben. Toen de storm opstak, was Jezus op het dak aan het spelen, zoals hij altijd deed, want gedurende een groot deel van het droge seizoen was dit zijn gebruikelijke speelkamer. Hij werd verblind door het zand toen hij de trap afdaalde en viel. Na dit ongeluk bouwde Jozef een balustrade aan beide zijden van de trap.
Dit ongeluk had op geen enkele manier voorkomen kunnen worden. Het was niet te verwijten aan verwaarlozing door de onzichtbare tijdelijke beschermers die vanuit de heersers van het universum waren aangesteld. Het had eenvoudigweg niet vermeden kunnen worden. Maar dit kleine ongeluk, dat plaatsvond terwijl Jozef afwezig was in Endor, veroorzaakte zoveel angst in Maria dat ze onverstandig genoeg was te proberen om Jezus enkele maanden dicht bij zich te houden.
Bij materiële ongelukken, alledaagse gebeurtenissen van materiële/fysieke aard, wordt niet willekeurig door hemelse persoonlijkheden ingegrepen. Onder normale omstandigheden KAN er wel worden ingegrepen in materiële omstandigheden om de personen van mannen en vrouwen met een bestemming te beschermen, maar altijd in gehoorzaamheid aan de specifieke mandaten van hun superieuren.
En dit was slechts een van de vele kleine ongelukken die deze nieuwsgierige en avontuurlijke jongeling overkwamen. Als je je de gemiddelde kindertijd en jeugd van een ondernemende jongen voorstelt, krijg je een redelijk goed beeld van de jeugdige ontwikkeling van Jezus, en kun je je voorstellen hoeveel angst hij zijn ouders, met name zijn moeder, bezorgde.
Het vierde lid van het gezin in Nazareth, Jozef, werd geboren op woensdagochtend 16 maart, 1 n.Chr. [Grappig hoe we in de tijdrekening die we nu toepassen pas op dit moment toekomen aan de jaren “Na Christus” En ook dat er geen jaar “Nul na Christus is, maar meteen “1 na Christus”]
Schooltijd in Nazareth
Jezus was nu zeven jaar oud, de leeftijd waarop Joodse kinderen geacht werden hun formele onderwijs in de synagogescholen te beginnen. En zo begon hij in augustus van dat jaar aan zijn bewogen schoolleven in Nazareth. Deze jongen kon al vloeiend lezen, schrijven en spreken in twee talen, Aramees en Grieks. En begon nu aan de taak om Hebreeuws te leren lezen, schrijven en spreken. En hij verlangde werkelijk naar het nieuwe schoolleven dat voor hem lag.
Drie jaar lang – tot hij tien was – bezocht hij de basisschool van de synagoge in Nazareth. Tijdens deze drie jaar bestudeerde hij de beginselen van het wetboek zoals dat in het Hebreeuws was opgetekend. De daaropvolgende drie jaar studeerde hij aan de hogere school en leerde hij de diepere leringen van de heilige wet uit zijn hoofd door ze hardop te herhalen. Hij studeerde in zijn dertiende jaar af aan deze synagogeschool en werd door de synagogebestuurders aan zijn ouders overgedragen als een opgeleide “zoon van het gebod” en voortaan een verantwoordelijk burger van de staat Israël. Dit alles hield in dat hij de Pesach [the Passover, het Pascha] in Jeruzalem mocht bijwonen; en zo woonde hij dat jaar zijn eerste Pesach bij in gezelschap van zijn vader en moeder.
In Nazareth zaten de leerlingen in een halve cirkel op de grond, terwijl hun leraar, de chazan, een beambte van de synagoge, tegenover hen zat. Beginnend met het boek Leviticus, gingen ze over op de studie van de andere wetboeken, gevolgd door de studie van de Profeten en de Psalmen. De synagoge van Nazareth bezat een volledig exemplaar van de Schrift in het Hebreeuws. Vóór het twaalfde jaar werd niets anders dan de Schrift bestudeerd. In de zomermaanden werden de schooluren aanzienlijk ingekort.
Jezus werd al vroeg een meester in het Hebreeuws, en als jongeman, wanneer er geen vooraanstaande bezoeker in Nazareth verbleef, werd hem vaak gevraagd de Hebreeuwse Schrift voor te lezen aan de gelovigen die tijdens de reguliere sabbath-diensten in de synagoge bijeen waren.
Deze synagogescholen hadden uiteraard geen leerboeken. Tijdens het onderricht sprak de chazan een zin uit, terwijl de leerlingen deze in koor nazegden. Als de leerling toegang had tot de geschreven boeken van de wet, leerde hij zijn les door hardop te lezen en door voortdurende herhaling.
Vervolgens begon Jezus, naast zijn meer formele scholing, contact te maken met de aard van mensen uit de vier hoeken van de aarde, omdat mannen uit vele landen de reparatiewerkplaats van zijn vader in en uit liepen. Toen hij ouder werd, mengde hij zich vrijelijk onder de karavanen die bij de bron vertoefden voor rust en voedsel. Omdat hij vloeiend Grieks sprak, had hij weinig moeite om met de meeste karavaanreizigers en -leiders te praten.
Nazareth was een tussenstation voor de karavanen en een kruispunt voor reizigers en bestond voor het grootste deel uit niet-Joden; tegelijkertijd stond het algemeen bekend als een centrum van vrije (“liberal”) interpretatie van de Joodse traditionele wet. In Galilea mengden de Joden zich vrijer onder de niet-Joden dan in Judea gebruikelijk was. En van alle steden in Galilea waren de Joden in Nazareth het meest liberaal in hun interpretatie van de sociale beperkingen: beperkingen gebaseerd op de angst voor besmetting door contact met niet-Joden. Deze omstandigheden leidden tot het veelgehoorde gezegde in Jeruzalem: “Kan er iets goeds uit Nazareth komen?”
Jezus ontving zijn morele [normen] vorming en spirituele [waarden] cultuur voornamelijk in zijn eigen huis. Een groot deel van zijn intellectuele [kennis] en theologische [kennis van God] vorming ontving hij van de chazan. Maar zijn werkelijke vorming – de uitrusting van mind en hart voor de daadwerkelijke test van het worstelen met de moeilijke problemen van het leven – verkreeg hij door omgang met zijn medemensen. Het was deze nauwe omgang met zijn medemensen, jong en oud, Joods en niet-Joods, die hem de gelegenheid bood het menselijk ras te leren kennen. Jezus was hoog opgeleid, op het gebied van mensen grondig begrijpen en hen toegewijd liefhebben.
Gedurende zijn jaren in de synagoge was hij een briljante student, met het grote voordeel dat hij drie talen beheerste. De chazan van Nazareth merkte, ter gelegenheid van de voltooiing van de schoolopleiding van Jezus, tegen Jozef op dat hij vreesde dat hij meer van de indringende vragen van Jezus had geleerd dan hij de jongen had kunnen onderwijzen.
Tijdens zijn hele studietijd leerde Jezus veel en putte hij veel inspiratie uit de regelmatige sabbath-preken in de synagoge. Het was gebruikelijk om vooraanstaande bezoekers, die op de sabbath in Nazareth verbleven, te vragen de synagoge toe te spreken. Naarmate Jezus opgroeide, hoorde hij vele grote denkers uit de hele Joodse wereld hun opvattingen uiteenzetten, en ook velen die nauwelijks orthodoxe Joden waren, aangezien de synagoge van Nazareth een geavanceerd en liberaal centrum van Hebreeuwse gedachten en cultuur was.
Toen de leerlingen op zevenjarige leeftijd naar school gingen (in die tijd hadden de Joden net een leerplichtwet ingevoerd), was het gebruikelijk dat de leerlingen hun “geboorte-tekst” kozen, een soort gouden regel die hen gedurende hun studie zou leiden, een regel waarover ze vaak uitweidden bij hun afstuderen op dertienjarige leeftijd. De tekst die Jezus koos, kwam uit de profeet Jesaja:
“De Spirit van de Heer God is in mij, want de Heer heeft mij gezalfd; Hij heeft mij gezonden om goed nieuws te brengen aan de zachtmoedigen, om te verbinden de gebrokenen van hart, om vrijheid te verkondigen aan de gevangenen en om de spiritueel gebondenen te bevrijden.”
Nazareth was een van de vierentwintig priestercentra van de Hebreeuwse natie. Maar de Galilese priesters waren liberaler in de interpretatie van de traditionele wetten dan de schriftgeleerden en rabbijnen in Judea. En in Nazareth waren ze ook liberaler met betrekking tot het houden van de sabbath. Het was daarom de gewoonte dat Jozef op sabbath-middagen met Jezus ging wandelen. Een van hun favoriete uitstapjes was het beklimmen van de hoge heuvel vlak bij hun huis, vanwaar ze een panoramisch uitzicht over heel Galilea hadden. In het noordwesten konden ze op heldere dagen de lange bergkam van de Carmel zien afdalen naar de zee; en Jezus hoorde zijn vader vaak het verhaal vertellen van Elijah, een van de eersten in die lange rij Hebreeuwse profeten, die Ahab berispte en de priesters van Baal aan de kaak stelde. In het noorden verhief de berg Hermon zijn besneeuwde top in majestueuze pracht en domineerde de horizon, met bijna 900 meter hoge hellingen die wit glinsterden van de eeuwige sneeuw. Ver naar het oosten konden ze de Jordaanvallei onderscheiden en, ver daarachter, de rotsachtige heuvels van Moab. Ook in het zuiden en oosten, wanneer de zon op hun marmeren muren scheen, konden ze de Grieks-Romeinse steden van de Dekapolis zien, met hun amfitheaters en pretentieuze tempels. En als ze tot tegen zonsondergang bleven, konden ze in het westen de zeilschepen op de verre Middellandse Zee onderscheiden.
Vanuit vier richtingen kon Jezus de karavaan-konvooien observeren terwijl ze Nazareth in- en uitgingen, en in het zuiden kon hij het uitgestrekte en vruchtbare vlaktenland van Esdrelon overzien, dat zich uitstrekte tot aan de berg Gilboa en Samaria.
Wanneer ze niet de hoogten beklommen om het verre landschap te bekijken, wandelden ze door het landschap en bestudeerden ze de natuur in haar verschillende stemmingen, afhankelijk van de seizoenen. De vroegste opvoeding van Jezus, afgezien van die van de huiselijke haard, had te maken met een eerbiedig en meelevend contact met de natuur.
Vóór zijn achtste verjaardag kenden alle moeders en jonge vrouwen van Nazareth hem al. Ze hadden hem ontmoet en met hem gepraat bij de bron, die niet ver van zijn huis lag en een van de sociale centra van contact en roddels in het hele stadje was. Dit jaar leerde Jezus de koe van het gezin melken en voor de andere dieren zorgen. Gedurende dit en het volgende jaar leerde hij ook kaas maken en weven. Toen hij tien jaar oud was, was hij een ervaren bediener van het weefgetouw. Rond deze tijd werden Jezus en de buurjongen Jacob goede vrienden van de pottenbakker die bij de stromende bron werkte; en terwijl ze Nathans behendige vingers de klei op de pottenbakkersschijf zagen vormen, besloten ze vaak dat zij allebei pottenbakker zouden worden als ze groot waren. Nathan was erg gesteld op de jongens en gaf hun vaak klei om mee te spelen, in een poging hun creatieve verbeelding te stimuleren met een soort van competitie bij het modelleren van verschillende voorwerpen en dieren.
Zijn achtste jaar (2 n.Chr.)
Dit was een interessant jaar op school. Hoewel Jezus geen ongewone leerling was, was hij een ijverige leerling en behoorde hij tot de meest vooruitstrevende 33% van de klas. Hij deed zijn werk zo goed dat hij één week per maand vrijgesteld werd van aanwezigheid. Deze week bracht hij gewoonlijk door bij zijn oom, een visser, aan de oevers van het Meer van Galilea bij Magdala, of op de boerderij van een andere oom (de broer van zijn moeder), acht kilometer ten zuiden van Nazareth.
Hoewel zijn moeder zich onnodig zorgen maakte over zijn gezondheid en veiligheid, raakte ze geleidelijk gewend aan deze uitstapjes weg van huis. De ooms en tantes van Jezus waren allemaal erg op hem gesteld, en er ontstond een levendige concurrentiestrijd onder hen om hem voor deze maandelijkse bezoeken te strikken gedurende dit en de daaropvolgende jaren. Zijn eerste week verblijf op de boerderij van zijn oom (sinds zijn kindertijd) was in januari van dit jaar; de eerste week van zijn viservaring op het Meer van Galilea vond plaats in de maand mei.
Rond deze tijd ontmoette Jezus een wiskundeleraar uit Damascus, en nadat hij enkele nieuwe rekentechnieken had geleerd, besteedde hij jarenlang veel tijd aan wiskunde. Hij ontwikkelde een scherp gevoel voor getallen, afstanden en verhoudingen.
Jezus begon zijn broer Jacobus erg leuk te vinden en tegen het einde van dat jaar begon hij hem het alfabet te leren.
Dit jaar regelde Jezus dat hij zuivelproducten kon ruilen voor harplessen. Hij had een buitengewone voorliefde voor alles wat met muziek te maken had. Later deed hij veel om de belangstelling voor vocale muziek onder zijn jeugdvrienden te bevorderen. Tegen de tijd dat hij elf jaar oud was, was hij een bekwame harpist en genoot hij er enorm van om zowel familie als vrienden te vermaken met zijn buitengewone interpretaties en knappe improvisaties.
Hoewel Jezus op school benijdenswaardige vorderingen bleef maken, verliep niet alles soepel voor zowel zijn ouders als zijn leraren. Hij bleef maar lastige vragen stellen over zowel wetenschap als religie, met name over aardrijkskunde en astronomie. Hij stond er vooral op te achterhalen waarom er in Palestina een droog seizoen was en een regenseizoen. Herhaaldelijk zocht hij naar de verklaring voor het grote temperatuurverschil tussen Nazareth en de Jordaanvallei. Hij hield gewoon nooit op zulke intelligente maar verwarrende vragen te stellen.
Zijn derde broer, Simon, werd geboren op vrijdagavond 14 april van dit jaar, 2 n.Chr.
In februari kwam Nahor, een van de leraren aan een rabbijnenacademie in Jeruzalem, naar Nazareth om Jezus te observeren, nadat hij een soortgelijke missie had uitgevoerd bij het huis van Zacharias in de buurt van Jeruzalem. Hij kwam naar Nazareth op instigatie van de vader van Johannes. Hoewel hij aanvankelijk enigszins geschokt was door de openhartigheid van Jezus en door zijn onconventionele manier om met religieuze zaken om te gaan, schreef hij dit alles toe aan de afgelegen ligging van Galilea ten opzichte van de centra van Hebreeuwse kennis en cultuur. Hij adviseerde Jozef en Maria hem toe te staan Jezus mee terug te nemen naar Jeruzalem, waar hij kon profiteren van onderwijs en training in het centrum van de Joodse cultuur. Maria was er half van overtuigd om toe te stemmen; ze was ervan overtuigd dat haar oudste zoon de Messias, de Joodse bevrijder, zou worden. Maar Jozef aarzelde; hij was er evenzeer van overtuigd dat Jezus zou opgroeien tot een man met een bestemming, maar wat die bestemming zou blijken te zijn, daar was hij diep onzeker over. Maar hij twijfelde er nooit echt aan dat zijn zoon een grote missie op aarde zou vervullen. Hoe meer hij nadacht over het advies van Nahor, hoe meer hij de wijsheid van het voorgenomen verblijf in Jeruzalem in twijfel trok.
Vanwege dit meningsverschil tussen Jozef en Maria vroeg Nahor toestemming om de hele kwestie aan Jezus voor te leggen. Jezus luisterde aandachtig, sprak met Jozef, Maria en een buurman, Jacob de steenhouwer, wiens zoon zijn favoriete speelkameraad was, en rapporteerde toen, twee dagen later, dat aangezien er zo’n verschil van mening was tussen zijn ouders en adviseurs, en aangezien hij zich niet bekwaam voelde om de verantwoordelijkheid voor zo’n beslissing te nemen, aangezien hij er geen sterke mening over had, gezien de hele situatie, hij uiteindelijk had besloten om te praten met “mijn Vader die in de hemel is”; en hoewel hij niet helemaal zeker was van het antwoord, vond hij dat hij liever thuis moest blijven, “bij mijn vader en moeder”, en voegde eraan toe: “Zij die zoveel van mij houden, zouden meer voor mij moeten kunnen doen en mij veiliger moeten kunnen leiden dan vreemden die alleen mijn lichaam kunnen zien en mijn mind kunnen observeren, maar mij nauwelijks echt kunnen kennen.” Ze stonden allemaal verbaasd en Nahor ging weer terug naar Jeruzalem. En het duurde vele jaren voordat het onderwerp van een vertrek van huis voor Jezus weer ter sprake kwam.
Dit hoofdstuk is een nieuwe Nederlandse vertaling gebaseerd op Paper 123 van het Urantia Boek: https://www.urantia.org
