Inleiding

Toen Jezus van Nazareth aan zijn eerste volwassen jaren begon, had hij een normaal en gemiddeld menselijk leven op aarde geleid. Jezus kwam op deze wereld zoals alle andere kinderen. Hij had niets te maken met de keuze van zijn ouders. Hij koos deze specifieke wereld als de planeet waar hij zijn zevende en laatste missie zou volbrengen, zijn incarnatie in een sterfelijk lichaam, maar verder betrad hij onze wereld op een natuurlijke manier, opgroeiend als een kind van dit gebied en worstelend met de wisselvalligheden van zijn omgeving, net zoals andere stervelingen op deze en soortgelijke werelden.

Je moet je altijd bewust zijn van het tweevoudige doel van Michaels missie op Aarde:

1. Volledig ervaring opdoen met een totaal leven van een menselijk schepsel in een sterfelijk lichaam, om daarmee zijn soevereiniteit in het hele lokale universum Nebadon te voltooien.

2. De openbaring van de Universele Vader aan de sterfelijke bewoners van de werelden van tijd en ruimte, en het effectiever leiden van deze zelfde stervelingen naar een beter begrip van de Universele Vader.

Alle andere voordelen voor schepselen en universum (van het leven en voorbeeld van Jezus) waren incidenteel, en waren secundair aan deze twee hoofddoelen van de sterfelijke missie.

Het eenentwintigste Jaar (15 n.Chr.)

Met het bereiken van de volwassen jaren begon Jezus in alle ernst en met volledig zelfbewustzijn aan de taak om de ervaring van kennis van het leven van de laagste vorm van al zijn intelligente schepselen te voltooien. Daardoor verdiende hij uiteindelijk en volledig het recht op onvoorwaardelijke heerschappij over zijn zelfgeschapen lokale universum. Hij begon aan deze ontzagwekkende taak met volledige realisatie van zijn dubbele natuur. Maar hij had deze twee naturen al effectief gecombineerd tot één: Jezus van Nazareth.

Joshua ben Joseph wist heel goed dat hij een mens was, een sterfelijk mens, geboren uit een vrouw. Dit blijkt uit de keuze van zijn eerste titel, de MensenZoon. Hij nam werkelijk deel aan het leven als mens van vlees en bloed, en zelfs nu, terwijl hij in soeverein gezag heerst over de bestemming en toekomst van een universum, draagt hij onder zijn talrijke welverdiende titels nog steeds die van MensenZoon. Het is letterlijk waar dat het scheppende Woord – de Schepper-Zoon – van de Universele Vader een lichaam werd en als mens van dit gebied op Aarde woonde. Hij arbeidde, werd vermoeid, rustte en sliep. Hij hongerde en bevredigde dat verlangen met voedsel; hij dorstte en leste zijn dorst met water. Hij ervoer het volledige scala aan menselijke gevoelens en emoties; hij werd in alle dingen op de proef gesteld, net als jij, en hij leed en stierf.

Hij verwierf kennis, deed ervaring op en combineerde deze tot wijsheid, net als andere stervelingen van dit gebied. Tot na zijn doop maakte hij geen gebruik van bovennatuurlijke krachten. Hij maakte alleen gebruik van dingen die deel uitmaakten van zijn menselijke gaven als zoon van Jozef en Maria.

De eigenschappen die hij had voordat zijn menselijk bestaan begon, had hij totaal opgegeven en afgelegd. Vóór het begin van zijn openbare werk was zijn kennis van mensen en gebeurtenissen volledig beperkt tot menselijk niveau. Hij was een waarachtig mens onder de mensen.

Het is voor altijd en glorieus waar: “Wij hebben een hoge leider die geraakt kan worden door het gevoel van onze zwakheden. Wij hebben een machtige leider die in alle opzichten beproefd en verleid werd zoals wij, maar zonder zonde.” En omdat hij zelf geleden heeft, getest en beproefd is, is hij ruimschoots in staat om degenen die verward en bedroefd zijn te begrijpen en te helpen.

De timmerman uit Nazareth begreep het werk dat voor hem lag nu volledig, maar hij koos ervoor zijn menselijk leven te leiden via het kanaal zoals het op natuurlijke wijze stroomde. En in sommige van deze zaken is hij inderdaad een voorbeeld voor zijn sterfelijke schepselen, zoals ook staat opgetekend: “Laat deze gezindheid in u zijn die ook in Christus Jezus was, die, zijnde van de natuur van God, het niet vreemd achtte aan God gelijk te zijn. Maar hij maakte zichzelf niet heel belangrijk en, de vorm van een schepsel aannemend, werd geboren als gelijk aan ons mensen. En aldus gevormd als een mens, maakte hij zichzelf nederig en ondergeschikt aan de dood, ja, zelfs aan de dood aan het kruis.”

Hij leefde zijn sterfelijke leven net zoals alle anderen van de menselijke familie hun leven kunnen leven, ‘die in hun dagen in een lichaam zo vaak gebeden en smeekbeden opzonden, zelfs met sterke gevoelens en tranen, tot Hem die in staat is te redden van alle kwaad, en zijn gebeden waren effectief omdat hij geloofde.’ Daarom was het goed en nuttig dat hij in elk opzicht gelijk werd aan zijn broeders, zodat hij een barmhartige en begripvolle soevereine heerser over hen zou kunnen zijn.

Over zijn menselijke natuur twijfelde hij nooit; het was vanzelfsprekend en altijd aanwezig in zijn bewustzijn. Maar over zijn goddelijke natuur was er altijd ruimte voor twijfel en gissingen, althans dit gold tot aan zijn doop. De zelfrealisatie van goddelijkheid was een langzame en, vanuit menselijk standpunt, een natuurlijke evolutionaire openbaring. Deze openbaring en zelfrealisatie van goddelijkheid begon in Jeruzalem toen hij nog geen dertien jaar oud was, met de eerste bovennatuurlijke gebeurtenis in zijn menselijk bestaan. [de boodschapper van Immanuel] En deze ervaring van het bewerkstelligen van de zelfrealisatie van zijn goddelijke natuur werd voltooid ten tijde van zijn tweede bovennatuurlijke ervaring in het vlees, de episode die gepaard ging met zijn doop door Johannes in de Jordaan: de gebeurtenis die het begin markeerde van zijn openbare loopbaan van dienstverlening en onderwijzen.

Tussen deze twee hemelse bezoeken, één in zijn dertiende jaar en de andere bij zijn doop, vond er niets bovennatuurlijks of bovenmenselijks plaats in het leven van deze geïncarneerde Schepper-Zoon. Desondanks was het kind van Bethlehem, de jongen, jongeling en man van Nazareth, in werkelijkheid de geïncarneerde Schepper van een lokaal universum. Maar hij heeft nooit ook maar één keer iets van deze macht gebruikt, noch heeft hij de leiding van hemelse persoonlijkheden gebruikt, afgezien van die van zijn beschermende serafijnen, in het leven van zijn menselijk leven tot aan de dag van zijn doop door Johannes. En wij die aldus getuigen, weten waarover wij spreken.

En toch was hij gedurende al deze jaren van zijn leven in een lichaam waarlijk goddelijk. Hij was feitelijk een Schepperzoon van de Paradijs-Vader. Toen hij eenmaal zijn publieke loopbaan had omarmd, na de technische voltooiing van zijn puur sterfelijke ervaring van het verwerven van soevereiniteit, aarzelde hij niet publiekelijk toe te geven dat hij de Zoon van God was. Hij aarzelde niet te verklaren: ‘Ik ben Alfa en Omega, het begin en het einde, de eerste en de laatste.’ Hij protesteerde niet in latere jaren toen hij genoemd werd:

  • de Heer der Glorie,
  • de Heerser over een Universum,
  • de Heer God van de gehele schepping,
  • de Heilige van Israël,
  • de Heer van alles,
  • onze Heer en onze God,
  • God met ons,
  • met een naam boven alle namen en op alle werelden,
  • de Almacht van een universum,
  • het Universumbrein van deze schepping,
  • degene in wie alle schatten van wijsheid en kennis verborgen liggen,
  • de volheid van Hem die alle dingen vervult,
  • het eeuwige Woord van de eeuwige God,
  • degene die er vóór alle dingen was en in wie alle dingen bestaan,
  • de Schepper van de hemelen en de aarde,
  • de Handhaver van een universum,
  • de Rechter van de gehele aarde,
  • de Gever van het eeuwige leven,
  • de Ware Herder,
  • de Verlosser van de werelden
  • en de Aanvoerder van onze redding.

Hij maakte nooit bezwaar tegen een van deze titels zoals die op hem werden toegepast na zijn groei uit zijn puur menselijke leven in de latere jaren, toen hij zich zelfbewust was van zijn missie van het goddelijke in de mensheid, en voor de mensheid, en aan de mensheid op deze wereld en voor alle andere werelden. Jezus maakte bezwaar tegen slechts één titel die op hem werd toegepast: Toen hij een keer Immanuel werd genoemd, antwoordde hij eenvoudigweg: “Niet ik, dat is mijn oudere broer.”

Altijd, zelfs na zijn groei tot in het grotere leven op aarde, was Jezus onderdanig onderworpen aan de wil van de Vader in de hemel. Na zijn doop vond hij het geen probleem om zijn oprechte gelovigen en dankbare volgelingen toe te staan hem te aanbidden. Zelfs terwijl hij worstelde met armoede en met zijn handen zwoegde om in de levensbehoeften van zijn gezin te voorzien, groeide zijn besef dat hij een Zoon van God was. Hij wist dat hij de schepper was van de hemelen en deze aarde, waarop hij nu zijn menselijk bestaan leefde. En de grote groepen hemelse wezens in het enorme en toekijkende universum wisten eveneens dat deze man uit Nazareth hun geliefde Soeverein en Schepper-vader was. Een diepe spanning was aanwezig in heel het universum van Nebadon gedurende al deze jaren; alle hemelse ogen waren voortdurend gericht op de Aarde, op Palestina.

Dit jaar ging Jezus met Jozef naar Jeruzalem om het Pascha te vieren. Nadat hij eerder al Jacobus naar de tempel had gebracht voor de wijding, achtte hij het zijn plicht om ook Jozef mee te nemen. Jezus toonde nooit enige partijdigheid in de omgang met zijn gezin. Hij ging met Jozef naar Jeruzalem via de gebruikelijke route door de Jordaanvallei, maar keerde terug naar Nazareth via de oostelijke weg naar de Jordaan, die via Amathus liep. Terwijl Jezus de Jordaan afdaalde, vertelde hij Jozef de Joodse geschiedenis en op de terugreis vertelde hij hem over de ervaringen van de vermaarde stammen Reuben, Gad en Gilead die traditioneel in deze streken ten oosten van de rivier woonden.

Jozef stelde Jezus veel dringende vragen over zijn levensmissie, maar op de meeste van deze vragen antwoordde Jezus alleen: ‘Mijn uur is nog niet gekomen.’ In deze intieme gesprekken vielen echter veel woorden die Jozef zich herinnerde tijdens de roerige gebeurtenissen in de daaropvolgende jaren. Jezus bracht dit Pascha met Jozef door met zijn drie vrienden in Bethanië, zoals zijn gewoonte was wanneer hij in Jeruzalem deze feestvieringen bijwoonde.

Het tweeëntwintigste jaar (16 n.Chr.)

Dit was een van de vele jaren waarin de broers en zussen van Jezus te maken kregen met de beproevingen en moeilijkheden die kenmerkend zijn voor de problemen en aanpassingen van de adolescentie. Jezus had nu broers en zussen in de leeftijd van zeven tot achttien jaar, en hij was druk bezig hen te helpen zich aan te passen aan de nieuwe ontwakingen van hun intellectuele en emotionele leven. Hij moest nu dus worstelen met de problemen van de adolescentie, zoals die zich manifesteerden in het leven van zijn jongere broers en zussen.

Dit jaar studeerde Simon af van school en begon hij te werken met Jacob de steenhouwer, de oude speelkameraad en altijd bereidwillige verdediger van Jezus. Na verschillende familievergaderingen werd besloten dat het onverstandig was dat alle jongens timmerman zouden worden. Men dacht dat ze door hun beroepen te diversifiëren voorbereid zouden zijn op contracten voor de bouw van hele gebouwen. Opnieuw hadden ze het niet allemaal druk gehad, aangezien drie van hen fulltime timmerlieden waren.

Jezus ging dit jaar door met het afwerken van huizen en het maken van meubels, maar bracht het grootste deel van zijn tijd door in de reparatiewerkplaats voor de karavanen. Jacobus begon hem af te wisselen in de werkplaats. In het laatste deel van dit jaar, toen het timmerwerk in Nazareth wat minder ging, liet Jezus aan Jacobus de leiding over de reparatiewerkplaats en aan Jozef aan de werkbank thuis over, terwijl hij naar Sepphoris ging om met een smid te werken. Hij werkte zes maanden met metaal en verwierf aanzienlijke vaardigheid met het aambeeld.

Voordat Jezus zijn nieuwe baan in Sepphoris aanvaardde, hield hij een van zijn periodieke familievergaderingen en installeerde hij plechtig Jacobus, toen net achttien jaar oud, als waarnemend hoofd van het gezin. Hij beloofde zijn broer hartelijke steun en volledige medewerking en eiste formele beloften van gehoorzaamheid aan Jacobus van elk gezinslid. Vanaf die dag nam Jacobus de volledige financiële verantwoordelijkheid voor het gezin op zich, terwijl Jezus zijn wekelijkse betalingen aan zijn broer deed. Nooit meer nam Jezus de teugels terug uit handen van Jacobus. Tijdens zijn werk in Sepphoris had hij indien nodig elke avond naar huis kunnen lopen, maar hij bleef opzettelijk weg, waarbij hij het weer en andere redenen aangaf. Zijn ware motief was echter om Jacobus en Jozef te trainen in het dragen van de gezinsverantwoordelijkheid. Hij was begonnen met het langzame proces van het op eigen benen zetten van zijn gezin. Elke sabbath keerde Jezus terug naar Nazareth, en soms gedurende de week wanneer de gelegenheid zich voordeed, om de werking van het nieuwe plan te observeren, advies te geven en nuttige suggesties te doen.

Door zes maanden lang een groot deel van zijn tijd in Sepphoris door te brengen, kreeg Jezus een nieuwe kans om beter bekend te raken met de niet-Joodse levensvisie. Hij werkte met niet-Joden, woonde met niet-Joden en bestudeerde nauwkeuring en in detail op alle mogelijke manieren hun leefgewoonten en de werking van het verstand van de niet-Joden.

De morele normen van deze thuisstad van Herodes Antipas lagen zo ver onder die van zelfs de karavaanstad Nazareth dat Jezus na zes maanden verblijf in Sepphoris er niet afkerig van was een excuus te zoeken om naar Nazareth terug te keren. De groep waarvoor hij werkte, zou zich bezighouden met openbaar werk in zowel Sepphoris als de nieuwe stad Tiberias, en Jezus was niet geneigd iets te maken te hebben met welke vorm van werk dan ook onder toezicht van Herodes Antipas. En er waren nog andere redenen die het, naar de mening van Jezus, verstandig maakten dat hij terugging naar Nazareth. Toen hij terugkeerde naar de reparatiewerkplaats, nam hij niet opnieuw de persoonlijke leiding over de familiezaken op zich. Hij werkte samen met Jacobus in de werkplaats en stond hem, voor zover mogelijk, toe toezicht te blijven houden op het huishouden. Het beheer door Jacobus van de gezinsuitgaven en zijn beheer van het huishoudbudget bleven ongestoord.

Het was door juist zo’n verstandige en weloverwogen planning dat Jezus de weg bereidde voor zijn uiteindelijke terugtrekking uit de actieve deelname aan de zaken van zijn gezin. Toen Jacobus twee jaar ervaring had als waarnemend hoofd van het gezin, en twee volle jaren voordat hij (Jacobus) zou trouwen, werd Jozef aangesteld als beheerder van de huishoudelijke fondsen en belast met het algemene beheer van het huishouden.

Het drieëntwintigste jaar (17 n.Chr.)

Dit jaar werd de financiële druk enigszins verlicht, aangezien er vier mensen aan het werk waren. Mirjam verdiende aanzienlijk met de verkoop van melk en boter; Martha was een bekwame weefster geworden. De aankoopprijs van de reparatiewerkplaats was al voor meer dan een derde afbetaald. De situatie was zodanig dat Jezus drie weken stopte met werken om Simon mee te nemen naar Jeruzalem voor het Pascha, en dit was de langste periode van afwezigheid van dagelijkse arbeid die hij had genoten sinds de dood van zijn vader.

Ze reisden naar Jeruzalem via de Dekapolis en door Pella, Gerasa, Philadelphia, Heshbon en Jericho. Ze keerden terug naar Nazareth via de kustweg, waarbij ze Lydda, Joppa en Caesarea aandeden en vandaar rond de berg Carmel naar Ptolemaïs en Nazareth. Tijdens deze reis maakte Jezus redelijk goed kennis met heel Palestina ten noorden van het district Jeruzalem.

In Philadelphia maakten Jezus en Simon kennis met een koopman uit Damascus die zo’n grote sympathie kreeg voor de broers uit Nazareth dat hij erop stond dat ze bij hem in zijn hoofdkwartier in Jeruzalem zouden verblijven. Terwijl Simon de tempel bezocht, bracht Jezus veel tijd door met praten met deze goed opgeleide en veel bereisde zakenman van de wereld. Deze koopman bezat meer dan vierduizend karavaankamelen. Hij had belangen in de hele Romeinse wereld en was nu op weg naar Rome. Hij stelde voor dat Jezus naar Damascus zou komen om te beginnen in zijn oosterse importhandel, maar Jezus legde uit dat hij zich op dat moment niet gerechtvaardigd voelde om zo ver van zijn familie weg te gaan. Maar op de terugweg naar huis dacht hij veel na over deze verre steden en de nog verder afgelegen landen van het Verre Westen en het Verre Oosten, landen waar hij zo vaak over had horen praten door de karavaanpassagiers en -leiders.

Simon genoot enorm van zijn bezoek aan Jeruzalem. Hij werd goed opgenomen in het Verbond van Israël tijdens de Pesachwijding van de nieuwe zonen van het gebod. Terwijl Simon de Pesachceremonies bijwoonde, mengde Jezus zich onder de menigte bezoekers en voerde vele interessante persoonlijke gesprekken met talloze niet-van-oorsprong-Joodse proselieten.

Misschien wel het meest opmerkelijke van al deze contacten was dat met een jonge Hellenist genaamd Stefanus. Deze jongeman was voor het eerst in Jeruzalem en ontmoette Jezus toevallig op de donderdagmiddag van de Pesachweek. Terwijl ze beiden rondwandelden en het Asmonese paleis bezichtigden, begon Jezus het ongedwongen gesprek dat ertoe leidde dat ze in elkaar geïnteresseerd raakten en dat uitmondde in een vier uur durend gesprek over de levenswijze, de ware God en zijn aanbidding. Stefanus was enorm onder de indruk van wat Jezus zei; hij vergat zijn woorden nooit.

En dit was dezelfde Stefanus die later een gelovige werd in de leringen van Jezus, en wiens dapperheid in het prediken van dit vroege evangelie ertoe leidde dat hij door woedende Joden werd gestenigd. Een deel van de buitengewone dapperheid van Stefanus in het verkondigen van zijn visie op het nieuwe evangelie was het directe resultaat van dit eerdere gesprek met Jezus. Maar Stefanus vermoedde nooit ook maar in de verste verte dat de Galileeër met wie hij zo’n vijftien jaar eerder had gesproken, precies dezelfde persoon was die hij later als de Redder van de wereld verkondigde, en voor wie hij zo spoedig zou sterven, en zo de eerste martelaar werd van het zich nieuw ontwikkelende christelijke geloof. Toen Stefanus zijn leven gaf als prijs voor zijn aanval op de Joodse tempel en zijn traditionele gebruiken, stond daar ook iemand genaamd Saulus, een burger van Tarsus. En toen Saulus zag hoe deze Griek voor zijn geloof kon sterven, werden in zijn hart die emoties opgewekt die hem er uiteindelijk toe brachten de zaak te omarmen waarvoor Stefanus stierf. Later werd hij de agressieve en ontembare Paulus, de filosoof, zo niet de enige stichter, van de christelijke religie.

Op de zondag na de Pesachweek begonnen Simon en Jezus aan hun terugreis naar Nazareth. Simon vergat nooit wat Jezus hem op deze reis leerde. Hij had altijd van Jezus gehouden, maar nu voelde hij dat hij zijn vader-broer was gaan kennen. Ze hadden veel openhartige gesprekken terwijl ze door het land reisden en hun maaltijden langs de weg bereidden. Ze kwamen donderdagmiddag thuis en Simon hield het gezin die nacht laat op met het vertellen van zijn ervaringen.

Maria was erg van streek door Simon’s verhaal dat Jezus het grootste deel van de tijd in Jeruzalem doorbracht met het bezoeken van vreemdelingen, vooral degenen die uit verre landen kwamen. Zijn familie kon nooit zijn grote belangstelling voor mensen begrijpen, zijn drang om hen te bezoeken, om meer te weten te komen over hun manier van leven en om te ontdekken waar ze aan dachten.

De familie in Nazareth werd steeds meer in beslag genomen door hun directe en menselijke problemen. Er werd niet vaak gesproken over de toekomstige missie van Jezus, en zeer zelden sprak hij zelf over zijn toekomstige loopbaan. Zijn moeder dacht er zelden aan dat hij een kind van belofte was. Ze liet het idee dat Jezus een goddelijke missie op aarde zou vervullen langzaam varen, maar soms herleefde haar geloof wanneer ze even stilstond bij de ontmoeting met Gabriël voordat het kind geboren werd.

De episode in Damascus

De laatste vier maanden van dit jaar bracht Jezus in Damascus door als gast van de koopman die hij voor het eerst ontmoette in Philadelphia, op weg naar Jeruzalem. Een vertegenwoordiger van deze koopman had Jezus opgezocht toen hij door Nazareth reisde en hem naar Damascus begeleid. Deze half-Joodse koopman stelde voor een buitengewoon bedrag te besteden aan de oprichting van een school voor religieuze filosofie in Damascus. Hij was van plan een onderwijscentrum op te richten dat Alexandrië zou overtreffen. En hij stelde voor dat Jezus onmiddellijk aan een lange reis langs onderwijscentra over de hele wereld zou beginnen, ter voorbereiding op zijn aanstelling als hoofd van dit nieuwe project. Dit was een van de grootste verleidingen die Jezus ooit in zijn puur menselijke loopbaan tegenkwam.

Kort daarop stelde deze koopman een groep van twaalf kooplieden en bankiers voor aan Jezus, die ermee instemden deze nieuw opgerichte school te steunen. Jezus toonde grote belangstelling voor de voorgestelde school, hielp hen bij het plannen van de organisatie, maar uitte altijd de angst dat zijn andere, onuitgesproken maar eerdere verplichtingen hem zouden verhinderen de leiding van zo’n pretentieuze onderneming te aanvaarden. Zijn potentiële weldoener was volhardend en hij liet Jezus op winstgevende wijze bij hem thuis vertalen, terwijl hij, zijn vrouw en hun zonen en dochters probeerden Jezus over te halen de aangeboden eer te aanvaarden. Maar hij wilde niet instemmen. Hij wist heel goed dat zijn missie op aarde niet door onderwijsinstellingen zou worden ondersteund. Hij wist dat hij zich in het geheel niet moest verplichten om zich te laten leiden door de ‘adviezen en raden van mensen’, hoe goedbedoeld ook.

Hij die door de religieuze leiders van Jeruzalem werd afgewezen, zelfs nadat hij zijn leiderschap had getoond, werd door de zakenlieden en bankiers van Damascus erkend en geprezen als een meester-leraar, en dat alles terwijl hij een obscure en onbekende timmerman van Nazareth was.

Hij sprak nooit over dit aanbod met zijn familie, en aan het einde van dat jaar treffen wij hem terug in Nazareth aan, bezig met zijn dagelijkse taken alsof hij nooit in de verleiding was gekomen door de vleiende voorstellen van zijn vrienden uit Damascus. Ook associeerden deze mannen van Damascus de latere burger van Capernaum, die het hele Jodendom op zijn kop zette, nooit met de voormalige timmerman van Nazareth die het had gewaagd de eer te weigeren die hun gezamenlijke rijkdom hem had kunnen opleveren.

Jezus wist op zeer slimme en opzettelijke wijze verschillende episodes uit zijn leven los te koppelen, zodat ze in de ogen van de wereld nooit met elkaar in verband werden gebracht als de daden van één enkel individu. In de daaropvolgende jaren luisterde hij vaak naar ditzelfde verhaal over de vreemde Galileeër die de kans afwees om in Damascus een school te stichten om te concurreren met Alexandrië.

Eén doel dat Jezus voor ogen had toen hij bepaalde aspecten van zijn aardse ervaring probeerde te scheiden, was het voorkomen van de opbouw van zo’n veelzijdige en spectaculaire carrière dat latere generaties de leraar zouden vereren in plaats van de waarheid te gehoorzamen die hij had geleefd en onderwezen. Jezus wilde geen menselijke staat van dienst opbouwen die de aandacht van zijn onderricht zou afleiden. Al vroeg besefte hij dat zijn volgelingen in de verleiding zouden komen een religie te ontwikkelen over hem die een concurrent zou kunnen worden van het evangelie van het koninkrijk dat hij aan de wereld wilde verkondigen. Dienovereenkomstig probeerde hij tijdens zijn veelbewogen carrière consequent alles te onderdrukken waarvan hij dacht dat het deze natuurlijke menselijke neiging zou kunnen dienen om de leraar te verheerlijken in plaats van zijn leringen te verkondigen.

Ditzelfde motief verklaart ook waarom hij zich gedurende verschillende perioden van zijn gevarieerde leven op aarde onder verschillende titels liet kennen. Ook wilde hij geen ongepaste invloed uitoefenen op zijn familie of anderen die hen ertoe zou brengen in hem te geloven tegen hun eerlijke overtuiging in. Hij weigerde altijd ongepast of oneerlijk voordeel te halen uit het menselijke verstand. Hij wilde dat mensen alleen in hem geloofden wanneer hun hart ontvankelijk was voor de spirituele realiteiten die in zijn leringen werden geopenbaard.

Tegen het einde van dit jaar liep het gezin in Nazareth redelijk soepel. De kinderen groeiden op en Maria raakte eraan gewend dat Jezus niet thuis was. Hij bleef zijn inkomsten aan Jacobus afstaan voor het onderhoud van het gezin en hield slechts een klein deel over voor zijn directe persoonlijke uitgaven. Naarmate de jaren verstreken, werd het moeilijker te beseffen dat deze man een Zoon van God op aarde was. Hij leek wel een gewoon individu van dat gebied te worden, gewoon een mens onder de mensen. En het was door de Vader in de hemel verordend dat zijn missie zich precies op deze manier zou ontvouwen.

Het vierentwintigste jaar (18 n.Chr.)

Dit was het eerste jaar van Jezus met relatieve vrijheid van gezinsverantwoordelijkheid. Jacobus was zeer succesvol in het besturen van het huishouden met de hulp van Jezus in raadgeving en financiën.

De week na het Pascha van dit jaar kwam een jongeman uit Alexandrië naar Nazareth om een ontmoeting te regelen, later in het jaar, tussen Jezus en een groep Joden uit Alexandrië, ergens aan de Palestijnse kust. Deze bijeenkomst was gepland voor half juni, en Jezus ging naar Caesarea om vijf vooraanstaande Joden uit Alexandrië te ontmoeten. Zij smeekten Hem om zich in hun stad te vestigen als godsdienstleraar, en boden hem als aanmoediging om te beginnen de positie van assistent van de chazan in hun voornaamste synagoge aan. De woordvoerders van deze commissie legden Jezus uit dat Alexandrië voorbestemd was om het hoofdkwartier van de Joodse cultuur voor de hele wereld te worden. En dat de Hellenistische trend in Joodse aangelegenheden de Babylonische denkwijze vrijwel had overtroffen. Ze herinnerden Jezus aan het onheilspellende gerommel van de opstand in Jeruzalem en heel Palestina en verzekerden hem dat elke opstand van de Palestijnse Joden gelijk zou staan aan nationale zelfmoord, dat de ijzeren hand van Rome de opstand binnen drie maanden zou neerslaan, en dat Jeruzalem verwoest en de tempel afgebroken zou worden, dat geen steen op de andere gelaten zou worden.

Jezus luisterde naar alles wat ze te zeggen hadden, bedankte hen voor hun vertrouwen en, door te weigeren naar Alexandrië te gaan, zei hij in wezen: ‘Mijn uur is nog niet gekomen.’ Ze waren verbijsterd door zijn schijnbare onverschilligheid voor de eer die ze hem hadden willen bewijzen. Voordat ze afscheid namen van Jezus, overhandigden ze hem een beurs [buidel met geld] als teken van de achting van zijn Alexandrijnse vrienden en als compensatie voor de tijd en kosten die hij had gemaakt om naar Caesarea te komen om met hen te overleggen. Maar hij weigerde eveneens het geld en zei: “Het huis van Jozef heeft nooit aalmoezen ontvangen, en we kunnen niet het brood van een ander eten zolang ik sterke armen heb en mijn broers kunnen werken.”

Zijn vrienden uit Egypte zetten koers naar huis, en in de daaropvolgende jaren, toen ze geruchten hoorden over de scheepsbouwer uit Capernaum die zoveel opschudding veroorzaakte in Palestina, vermoedden weinigen van hen dat hij de volwassen baby van Bethlehem was en dezelfde vreemdsoortige Galileeër die zo onplechtig de uitnodiging had afgewezen om een groot leraar in Alexandrië te worden.

Jezus keerde terug naar Nazareth. De rest van dit jaar waren de meest saaie zes maanden van zijn hele carrière. Hij genoot van deze tijdelijke onderbreking van het gebruikelijke programma van problemen die moesten worden opgelost en moeilijkheden die moesten worden overwonnen. Hij had veel contact met zijn Vader in de hemel en boekte enorme vooruitgang in de beheersing van zijn menselijke mind.

Maar menselijke zaken op de werelden van tijd en ruimte verlopen niet lang soepel. In december had Jacobus een privégesprek met Jezus, waarin hij uitlegde dat hij erg verliefd was op Esta, een jonge vrouw uit Nazareth, en dat ze ooit graag zouden trouwen als dat geregeld kon worden. Hij vestigde de aandacht op het feit dat Jozef binnenkort achttien jaar oud zou worden en dat het een goede ervaring voor hem zou zijn om de kans te krijgen om als waarnemend hoofd van het gezin te dienen. Jezus gaf toestemming voor een huwelijk van Jacobus twee jaar later, mits hij Jozef in de tussentijd goed zou hebben opgeleid om de leiding van het gezin op zich te nemen.

En nu begonnen er dingen te gebeuren – het huwelijk hing in de lucht. Het succes van Jakobus bij het winnen van de toestemming van Jezus met zijn huwelijk gaf Mirjam de moed om haar broer-vader met haar plannen te benaderen. Jacob, de jongere steenhouwer, ooit zelfbenoemd voorvechter van Jezus, nu zakenpartner van Jacobus en Jozef, had er lang naar gestreefd Mirjams hand in het huwelijk te winnen. Nadat Mirjam haar plannen aan Jezus had voorgelegd, gaf hij Jacob opdracht om naar hem toe te komen met een formeel verzoek voor haar en beloofde hij zijn zegen voor het huwelijk zodra zij vond dat Martha bekwaam genoeg was om haar taken als oudste dochter op zich te nemen.

Thuis bleef hij drie keer per week lesgeven aan de avondschool, las hij vaak de Schrift in de synagoge op sabbath, bezocht hij zijn moeder, onderwees hij de kinderen en gedroeg hij zich in het algemeen als een waardig en gerespecteerd burger van Nazareth in het Verbond van Israël.

Het vijfentwintigste jaar (19 n.Chr.)

Dit jaar begon met het hele gezin in Nazareth in goede gezondheid. En met de voltooiing van de reguliere scholing van alle kinderen, met uitzondering van bepaalde taken die Martha voor Ruth moest doen.

Jezus was een van de meest robuuste en verfijnde voorbeelden van mannelijkheid die op aarde verschenen zijn sinds de tijd van Adam. Zijn fysieke ontwikkeling was voortreffelijk. Zijn mind/verstand was actief, scherp en doordringend – vergeleken met de gemiddelde mentaliteit van zijn tijdgenoten had het gigantische proporties aangenomen – en zijn spirit was inderdaad menselijk goddelijk.

De financiën van het gezin waren in de beste staat sinds het verdwijnen van Jozef’s nalatenschap. De laatste betalingen voor de karavaan reparatiewerkplaats waren gedaan Ze waren niemand meer iets schuldig en hadden voor het eerst in jaren wat geld in reserve. Omdat dit er zo voor stond, en omdat hij zijn andere broers naar Jeruzalem had meegenomen voor hun eerste Pesach-ceremonies, besloot Jezus Judas (die net was afgestudeerd aan de synagogeschool) te vergezellen bij zijn eerste bezoek aan de tempel.

Ze gingen op naar Jeruzalem en keerden terug langs dezelfde route, de Jordaanvallei, omdat Jezus problemen vreesde als hij zijn jonge broer door Samaria zou leiden. Reeds in Nazareth was Judas door zijn overhaaste aard, gecombineerd met zijn sterke patriottische gevoelens, al verschillende keren in lichte moeilijkheden geraakt.

Ze kwamen op tijd in Jeruzalem aan en waren op weg voor een eerste bezoek aan de tempel, waarvan de aanblik alleen al Judas tot in het diepst van zijn ziel had beroerd en ontroerd, toen ze toevallig Lazarus van Bethanië ontmoetten. Terwijl Jezus met Lazarus sprak en probeerde te regelen dat ze samen het Pesach zouden vieren, veroorzaakte Judas echte problemen voor hen allen. Vlakbij stond een Romeinse bewaker die enkele ongepaste opmerkingen maakte over een Joods meisje dat voorbijkwam. Judas werd rood van woede en aarzelde niet om zijn verontwaardiging over zo’n ongepastheid rechtstreeks aan de soldaat te uiten, binnen gehoorsafstand van de soldaat. En de Romeinse legionairs waren nu eenmaal zeer gevoelig voor alles wat grensde aan Joods gebrek aan respect. Daarom arresteerde de bewaker Judas prompt. Dit was te veel voor de jonge patriot, en voordat Jezus hem met een waarschuwende blik kon waarschuwen, had hij zich al overgegeven aan een spraakzame aanklacht vol van opgekropte anti-Romeinse gevoelens, wat de zaak alleen maar erger maakte. Judas werd, met Jezus aan zijn zijde, onmiddellijk naar de militaire gevangenis gebracht.

Jezus probeerde Judas onmiddellijk te laten verhoren of hem op tijd voor de Pesachviering die avond vrij te krijgen, maar hij slaagde daar niet in. Aangezien de volgende dag een ‘heilige samenkomst’ was, zouden in Jeruzalem zelfs de Romeinen het niet aandurven om aanklachten tegen een Jood aan te horen. Daarom bleef Judas in gevangenschap tot de ochtend van de tweede dag na zijn arrestatie, en Jezus bleef bij hem in de gevangenis. Ze waren niet aanwezig in de tempel bij de ceremonie van het ontvangen van de zonen der wet tot het volledige burgerschap van Israël. Judas onderging deze formele ceremonie pas enkele jaren later, toen hij de volgende keer in Jeruzalem was tijdens een Pascha en in verband met zijn propagandawerk ten behoeve van de Zeloten, de patriottische organisatie waartoe hij behoorde en waarin hij zeer actief was.

De ochtend na hun tweede dag in de gevangenis verscheen Jezus voor de militaire magistraat namens Judas. Door excuses aan te bieden voor de jeugdigheid van zijn broer en door een verdere uitleg, met een oordeelkundige verklaring over het provocerende karakter van de gebeurtenis die tot de arrestatie van zijn broer had geleid, behandelde Jezus de zaak zo dat de magistraat van mening was dat de jonge Jood wellicht een excuus had voor zijn gewelddadige uitbarsting. Nadat hij Judas had gewaarschuwd zich niet opnieuw schuldig te maken aan dergelijke onbezonnenheid, zei hij tegen Jezus toen hij hen wegstuurde: “Houd de jongen maar beter in de gaten; hij kan jullie allemaal veel problemen bezorgen.” En de Romeinse rechter sprak de waarheid. Judas bezorgde Jezus aanzienlijke problemen, en dat was altijd het geval: botsingen met de burgerlijke autoriteiten vanwege zijn onnadenkende en onverstandige patriottische uitbarstingen.

Jezus en Judas liepen naar Bethanië om daar te overnachten en legden uit waarom ze hun afspraak voor het paasmaal niet waren nagekomen. De volgende dag vertrokken ze naar Nazareth. Jezus vertelde het gezin niets over de arrestatie van zijn jonge broer in Jeruzalem, maar hij had ongeveer drie weken na hun terugkeer een lang gesprek met Judas over deze gebeurtenis. Na dit gesprek met Jezus vertelde Judas het zelf aan het gezin. Hij vergat nooit het geduld en de verdraagzaamheid die zijn broer-vader aan de dag legde tijdens deze hele moeilijke ervaring.

Dit was het laatste Pascha dat Jezus met een lid van zijn eigen familie bijwoonde. De MensenZoon zou steeds meer gescheiden raken van de nauwe band met zijn eigen vlees en bloed. Dit jaar werden zijn periodes van diepe meditatie vaak onderbroken door Ruth en haar speelkameraadjes. En Jezus was altijd bereid de overpeinzing van zijn toekomstige werk voor de wereld en het universum uit te stellen, zodat hij kon delen in de kinderlijke vreugde en jeugdige blijdschap van deze jongeren, die er nooit genoeg van kregen om naar Jezus te luisteren terwijl hij de ervaringen van zijn verschillende reizen naar Jeruzalem vertelde. Ze genoten ook enorm van zijn verhalen over dieren en de natuur.

De kinderen waren altijd welkom in de reparatiewerkplaats. Jezus zorgde voor zand, blokken en stenen naast de werkplaats, en groepen jongeren stroomden daar samen om zich te vermaken. Als ze moe waren van hun spel, gluurden de dapperste kinderen even in de werkplaats, en als de eigenaar niet bezig was, durfden ze naar binnen te gaan en te zeggen: ‘Oom Joshua, kom naar buiten en vertel ons een groot verhaal.‘ Dan leidden ze hem naar buiten door aan zijn handen te trekken totdat hij op de favoriete rots bij de hoek van de winkel zat, met de kinderen in een halve cirkel voor hem op de grond. En wat genoten de kleintjes van hun oom Joshua. Ze leerden lachen, en wel uitbundig. Het was gebruikelijk dat een of twee van de kleinste kinderen op zijn knieën klommen en daar zaten, vol verbazing opkijkend naar zijn expressieve gelaatstrekken terwijl hij zijn verhalen vertelde. De kinderen hielden van Jezus, en Jezus hield van de kinderen.

Het was moeilijk voor zijn vrienden om de reikwijdte van zijn intellectuele activiteiten te begrijpen, hoe hij zo plotseling en zo volledig kon overschakelen van de diepgaande discussie over politiek, filosofie of religie naar de luchthartige en vrolijke speelsheid van deze peuters van vijf tot tien jaar oud. Naarmate zijn eigen broers en zussen groter werden, hij meer vrije tijd kreeg, en voordat de kleinkinderen kwamen, besteedde hij veel aandacht aan deze kleintjes. Maar hij leefde niet lang genoeg op aarde om veel van de kleinkinderen te genieten.

Het zesentwintigste jaar (20 n.Chr.)

Toen dit jaar begon, werd Jezus van Nazareth zich er sterk van bewust dat hij een breed scala aan potentiële macht bezat. Maar hij was er eveneens volledig van overtuigd dat deze macht niet door zijn persoonlijkheid als de MensenZoon zou worden gebruikt, tenminste niet totdat zijn uur zou komen. In die tijd dacht hij veel na, maar zei weinig over zijn relatie tot zijn Vader in de hemel. En de conclusie van al dit denken werd eenmaal uitgedrukt in zijn gebed op de heuveltop, toen hij zei: “Ongeacht wie ik ben en welke macht ik wel of niet mag uitoefenen, ben ik altijd onderworpen geweest, en zal ik altijd onderworpen zijn, aan de wil van mijn Paradijsvader.” En toch, terwijl deze man door Nazareth heen en weer liep naar zijn werk, was het letterlijk waar –wat een enorm universum betrof– dat in hem alle schatten van wijsheid en kennis verborgen waren.

Het hele jaar verliepen de gezinsaangelegenheden soepel, behalve voor Judas. Jarenlang had Jacobus problemen met zijn jongste broer, die niet geneigd was zich te vestigen om te werken. Ook konden de anderen niet op hem vertrouwen voor zijn aandeel in de huishoudelijke uitgaven. Hoewel hij thuis woonde, ging hij niet gewetensvol om met het verdienen van zijn aandeel in het onderhoud van het gezin.

Jezus was een man van vrede, en steeds weer werd hij in verlegenheid gebracht door de agressieve daden van Judas en zijn talrijke patriottische uitbarstingen. Jacobus en Jozef waren vóór zijn verbanning, maar Jezus stemde daar niet mee in. Toen hun geduld zwaar op de proef werd gesteld, gaf Jezus alleen de raad: “Wees geduldig. Wees wijs in jullie raad en welsprekend in je leven, zodat jullie jongere broer eerst de betere weg leert kennen en zich dan genoodzaakt ziet jullie daarin te volgen.” De wijze en liefdevolle raad van Jezus voorkwam een breuk in het gezin; ze bleven samen. Maar Judas kwam pas na zijn huwelijk tot bezinning.

Maria sprak zelden over de toekomstige missie van Jezus. Wanneer dit onderwerp ter sprake kwam, antwoordde Jezus alleen: “Mijn uur is nog niet gekomen.” Jezus had de moeilijke taak bijna voltooid om zijn gezin onafhankelijk te maken van de onmiddellijke aanwezigheid van zijn persoonlijkheid. Hij bereidde zich snel voor op de dag dat hij dit huis in Nazareth meer definitief kon verlaten om te beginnen met de actievere inleiding tot zijn ware missie aan de mensheid.

Verlies nooit uit het oog dat de belangrijkste missie van Jezus was het verwerven van schepsel-ervaring, om daarmee op rechtvaardige wijze de soevereiniteit over ons lokale universum te verwerven. En door juist deze ervaring te vergaren, openbaarde hij de allerhoogste Paradijs-Vader aan de aarde en aan zijn hele lokale universum.

Dit jaar genoot Jezus meer dan gewoonlijk van vrije tijd, en hij besteedde veel tijd aan het opleiden van Jacobus in het beheer van de reparatiewerkplaats voor de karavanen en van Jozef in de richting van huishoudelijke zaken. Maria voelde dat hij zich gereedmaakte om hen te verlaten. Hen achterlaten om waarheen te gaan? En om wat te gaan doen? Ze had de gedachte dat Jezus de Messias was, al bijna opgegeven. Ze kon hem niet begrijpen; ze kon haar eerstgeboren zoon eenvoudigweg niet peilen.

Jezus bracht dit jaar veel tijd door met de individuele leden van zijn familie. Hij nam hen mee voor lange en frequente wandelingen de heuvel op en door het landschap. Vóór de oogst nam hij Judas mee naar de oom die de boer was ten zuiden van Nazareth, maar Judas bleef niet lang na de oogst. Hij liep weg, en Simon vond hem later bij de vissers aan het meer. Toen Simon hem thuisbracht, besprak Jezus de zaken met de weggelopen jongen en, aangezien hij visser wilde worden, ging hij met hem naar Magdala en vertrouwde hem toe aan de zorg van een familielid, een visser. En Judas werkte vanaf die tijd tot aan zijn huwelijk tamelijk goed en regelmatig, en hij bleef na zijn huwelijk visser.

Eindelijk was dus de dag gekomen waarop alle broers van Jezus hun levenswerk hadden gekozen en erin gevestigd waren. Het toneel werd klaargezet voor het vertrek van Jezus uit huis.

In november vond er een dubbele bruiloft plaats. Jacobus en Esta, en Mirjam en Jakob trouwden. Het was werkelijk een vreugdevolle gebeurtenis. Zelfs Maria was weer gelukkig, behalve af en toe wanneer ze besefte dat Jezus zich voorbereidde om weg te gaan. Ze leed onder de last van een grote onzekerheid: Als Jezus nou maar eens rustig met haar zou gaan zitten en alles openlijk met haar zou bespreken, zoals hij had gedaan toen hij nog een jongen was, maar hij was consequent onmededeelzaam; hij zweeg diep over de toekomst.

Jacobus en zijn bruid, Esta, verhuisden naar een net huisje aan de westkant van de stad, een geschenk van haar vader. Terwijl Jacobus bleef bijdragen aan het onderhouden van het huis van zijn moeder, werd zijn aandeel gehalveerd vanwege zijn huwelijk. Jozef werd formeel door Jezus aangesteld als hoofd van het gezin. Judas stuurde nu zeer trouw elke maand zijn deel van de gelden naar huis. De bruiloften van Jacobus en Mirjam hadden een zeer gunstige invloed op Judas, en toen hij de dag na de dubbele bruiloft naar de visgronden vertrok, verzekerde hij Jozef dat hij erop kon rekenen dat hij zijn volledige plicht zou vervullen, en meer indien nodig. En hij hield zijn belofte.

Mirjam woonde naast Maria in het huis van Jacob, terwijl zijn vader, Jakob de oudere, bij zijn voorvaderen was begraven. Martha nam Mirjams plaats in het huis in, en voordat het jaar ten einde liep functioneerde de nieuwe organisatie soepel.

De dag na deze dubbele bruiloft had Jezus een belangrijk gesprek met Jacobus. Hij vertelde Jacobus vertrouwelijk dat hij zich voorbereidde om het huis te verlaten. Hij gaf Jacobus het volledige eigendomsrecht van de reparatiewerkplaats, deed formeel en plechtig afstand van de positie van hoofd van Jozef’s huis en stelde, zeer ontroerend, zijn broer Jacobus aan ‘als hoofd en beschermer van het huis van mijn vader’. Hij stelde een geheim pact op, dat ze beiden ondertekenden, waarin werd bepaald dat Jacobus, in ruil voor de gift van de reparatiewerkplaats, voortaan de volledige financiële verantwoordelijkheid voor het gezin op zich zou nemen en Jezus daarmee van alle verdere verplichtingen in deze zaken zou ontslaan. Nadat het contract was getekend, nadat de begroting zo was opgesteld dat de werkelijke uitgaven van het gezin zouden worden gedekt zonder enige bijdrage van Jezus, zei Jezus tegen Jacobus: “Maar, mijn zoon, ik zal je elke maand iets blijven sturen totdat mijn uur gekomen is, maar wat ik stuur, zal door jou worden gebruikt zoals vereist naar de omstandigheden. Besteed mijn geld aan de behoeften of genoegens van het gezin zoals je dat nodig acht. Gebruik het in geval van ziekte of gebruik het om onverwachte noodgevallen op te vangen die een individueel gezinslid kunnen overkomen.”

En zo maakte Jezus zich gereed om aan de tweede fase van zijn leven als volwassene te beginnen, de fase waarin hij zich had losgemaakt van zijn ouderlijk huis, en voordat hij in het openbaar een begin maakte met de zaken van zijn Vader.

Dit hoofdstuk is een nieuwe Nederlandse vertaling gebaseerd op Paper 128 van het Urantia Boek: https://www.urantia.org