Inleiding

In de maand april werkten Jezus en de apostelen in Jeruzalem. Elke avond verlieten ze de stad om in Bethanië te overnachten. Jezus zelf bracht een of twee nachten per week in Jeruzalem door in het huis van Flavius, een Griekse Jood, waar veel vooraanstaande Joden in het geheim met hem kwamen praten.

Op de eerste dag in Jeruzalem bezocht Jezus zijn vriend van vroeger, Annas, de voormalige hogepriester en familielid van Salome, de vrouw van Zebedeüs. Annas had over Jezus en zijn leringen gehoord, en toen Jezus bij de hogepriester aanbelde, werd hij met grote terughoudendheid ontvangen. Toen Jezus de koelheid van Annas opmerkte, nam hij onmiddellijk weer afscheid en zei bij zijn vertrek: “Vrees is de voornaamste slavendrijver van de mens en trots zijn grote zwakheid; zult u zich overgeven aan slavernij aan deze twee vernietigers van vreugde en vrijheid?” Maar Annas gaf geen antwoord. De Meester zag Annas pas weer toen hij met zijn schoonzoon het oordeel over de MensenZoon moest vellen.

Onderricht in de tempel

Gedurende deze maand onderwees Jezus of een van de apostelen dagelijks in de tempel. Toen de menigten bij Pesach te groot waren om de tempel te kunnen bezoeken, leidden de apostelen vele onderwijsgroepen buiten de heilige plaatsen. De kern van hun boodschap was:

  1. Het hemelse koninkrijk is nabij.
  2. Door geloof in het vaderschap van God kunt u het hemelse koninkrijk binnengaan en zo kinderen van God worden.
  3. Liefde is de regel voor het leven binnen het koninkrijk – opperste toewijding aan God, terwijl men zijn naaste liefheeft als zichzelf.
  4. Gehoorzaamheid aan de wil van de Vader, het voortbrengen van de vruchten van de Spirit in iemands persoonlijke leven, is de wet van het koninkrijk.

De menigten die kwamen om het Pascha te vieren, hoorden deze leer van Jezus, en honderden van hen verheugden zich in het goede nieuws. De hogepriesters en oversten van de Joden maakten zich grote zorgen over Jezus en zijn apostelen en debatteerden onderling over wat er met hen gedaan moest worden.

Naast het onderwijzen in en rond de tempel, waren de apostelen en andere gelovigen bezig met veel persoonlijk werk onder de Pascha-menigten. Deze geïnteresseerde mannen en vrouwen brachten het nieuws van de boodschap van Jezus van deze Pesachviering naar de verste uithoeken van het Romeinse Rijk en ook naar het Oosten. Dit was het begin van de verspreiding van het evangelie van het koninkrijk naar de buitenwereld. Het werk van Jezus zou niet langer beperkt blijven tot Palestina.

Gods toorn

Er was in Jeruzalem, ter gelegenheid van de Pesachviering, een zekere Jacob aanwezig, een rijke Joodse handelaar uit Kreta, en hij kwam naar Andreas met het verzoek om Jezus privé te ontmoeten. Andreas regelde deze geheime ontmoeting met Jezus in het huis van Flavius de avond van de volgende dag. Deze man kon de leringen van de Meester niet begrijpen en hij kwam omdat hij meer wilde weten over het koninkrijk van God. Jacob zei tegen Jezus: “Maar, Rabbi, Mozes en de oude profeten vertellen ons dat Jahweh een jaloerse God is, een God van grote toorn en felle toorn. De profeten zeggen dat hij kwaaddoeners haat en wraak neemt op hen die zijn wet niet gehoorzamen. U en uw discipelen leren ons dat God een vriendelijke en meelevende Vader is die alle mensen zo liefheeft dat hij hen zou verwelkomen in dit nieuwe koninkrijk van de hemel, waarvan u verkondigt dat het zo nabij is.”

Toen Jacob uitgesproken was, antwoordde Jezus: “Jacob, je hebt de leringen van de oude profeten die de kinderen van hun generatie onderwezen in overeenstemming met het licht van hun tijd, goed uiteengezet. Onze Vader in het Paradijs is onveranderlijk. Maar het concept van Zijn natuur is uitgebreid en gegroeid vanaf de dagen van Mozes, via de tijd van Amos en zelfs tot aan de generatie van de profeet Jesaja. En nu ben ik in dit lichaam gekomen om de Vader in nieuwe glorie te openbaren en Zijn liefde en genade te tonen aan alle mensen op alle werelden. Naarmate het evangelie van dit koninkrijk zich over de wereld verspreidt met zijn boodschap van goede moed en welwillendheid jegens alle mensen, zullen er betere relaties ontstaan tussen de families van alle volken. Naarmate de tijd verstrijkt, zullen vaders en hun kinderen meer van elkaar houden, en zo zal er een beter begrip ontstaan van de liefde van de Vader in de hemel voor Zijn kinderen op aarde. Bedenk, Jacob, dat een goede en ware vader niet alleen van zijn gezin als geheel houdt – als gezin – maar dat hij ook echt van elk individueel lid houdt en er liefdevol voor zorgt.”

Na een uitvoerige bespreking van het karakter van de hemelse Vader, pauzeerde Jezus om te zeggen: “Jij, Jacob, die een vader van velen bent, kent de waarheid van mijn woorden goed.” En Jacob zei: “Maar Meester, wie heeft u verteld dat ik de vader van zes kinderen ben? Hoe wist u dit over mij?” En de Meester antwoordde: “Het volstaat te zeggen dat de Vader en de Zoon alles weten, want zij zien inderdaad alles. Omdat jij je kinderen liefhebt als een vader op aarde, moet je nu de liefde van de hemelse Vader voor jou als werkelijkheid aanvaarden, niet alleen voor alle kinderen van Abraham, maar voor jezelf, voor je individuele ziel.”

Toen zei Jezus verder: “Wanneer je kinderen nog erg jong en onvolwassen zijn, en wanneer je hen dan moet straffen, kunnen zij tot de conclusie komen dat hun vader boos is en vervuld van wrokkige toorn. Hun onvolwassenheid kan niet verder kijken dan de straf, en dus niet de vooruitziende en corrigerende genegenheid van de vader onderscheiden. Maar wanneer deze zelfde kinderen volwassen mannen en vrouwen worden, zouden zij dan niet dwaas zijn om vast te houden aan deze eerdere verkeerd begrepen opvattingen over hun vader? Als volwassen mannen en vrouwen zouden zij nu de liefde van hun vader in al deze vroege discipline moeten onderscheiden. En zou de mensheid, naarmate de eeuwen verstrijken, niet des te beter de ware aard en het liefdevolle karakter van de Vader in de hemel gaan begrijpen? Welk voordeel hebben jullie van opeenvolgende generaties van spirituele verlichting als jullie volharden in het zien van God zoals Mozes en de profeten hem zagen? Ik zeg je, Jacob, onder het heldere licht van dit uur zou je de Vader moeten zien zoals niemand die hem voorging hem ooit heeft gezien. En als je hem zo ziet, zou je je moeten verheugen om het koninkrijk binnen te gaan waar zo’n barmhartige Vader regeert, en je zou ernaar moeten streven dat zijn wil van liefde voortaan je leven beheerst.”

En Jacob antwoordde: “Rabbi, ik geloof; ik verlang dat u mij het koninkrijk van de Vader binnenleidt.”

Het concept van God

De twaalf apostelen, van wie de meesten naar deze bespreking van het karakter van God hadden geluisterd, stelden Jezus die avond vele vragen over de Vader in de hemel. De antwoorden van de Meester op deze vragen kunnen het beste worden weergegeven door de volgende samenvatting, in moderne bewoordingen:

Jezus berispte de twaalf mild en zei in wezen: Kennen jullie de overleveringen van Israël niet met betrekking tot de groei van het idee van Jahweh, en zijn jullie onwetend van de leringen in de Schrift over het begrip ‘God’? Vervolgens onderrichtte de Meester de apostelen over de evolutie van het concept van Godheid gedurende de ontwikkeling van het Joodse volk. Hij vestigde de aandacht op de volgende fasen in de groei van het Godsidee:

  1. Jahweh: de god van de Sinaï-stammen. Dit was het primitieve concept van Godheid dat Mozes verhief tot het hogere niveau van de ‘Heer God van Israël’. De Vader in de hemel weigert nooit de oprechte aanbidding van Zijn kinderen op aarde, ongeacht hoe grof hun concept van Godheid is of met welke naam zij Zijn goddelijke natuur symboliseren.
  2. De Allerhoogste: Dit concept van de Vader in de hemel werd door Melchizedek aan Abraham verkondigd en werd ver uit Salem meegevoerd door degenen die later in dit uitgebreide idee van Godheid geloofden. Abraham en zijn broer verlieten Ur vanwege de instelling van de zonneaanbidding, en zij werden gelovigen in Melchizedek’s leer van El Elyon – de Allerhoogste God. Hun concept van God was samengesteld uit een vermenging van hun oudere Mesopotamische ideeën en de leer van de Allerhoogste.
  3. El Shaddai: In deze vroege dagen aanbaden veel Hebreeën El Shaddai, het Egyptische concept van de God van de hemel, waarover ze leerden tijdens hun gevangenschap in het land van de Nijl. Lang na de tijd van Melchizedek werden al deze drie concepten van God samengevoegd om de leer van de schepper-godheid, de ‘Heer God van Israël’, te vormen.
  4. Elohim: Vanaf de tijd van Adam is de leer van de Paradijs-Drie-eenheid blijven bestaan. Herinneren jullie je niet hoe de Schrift begint met de bewering dat “In het begin schiepen de Goden de hemel en de aarde.” Dit geeft aan dat toen dit verslag werd gemaakt, het Drie-eenheidsconcept van drie Goden in één, een plaats had gevonden in de religie van onze voorouders.
  5. De Allerhoogste Jahweh: Ten tijde van Jesaja hadden deze overtuigingen over God zich uitgebreid tot het concept van een Universele Schepper die tegelijkertijd almachtig en al-genadig was. En dit evoluerende en groeiende concept van God verdrong vrijwel alle eerdere ideeën over Godheid in de religie van onze voorvaderen.
  6. De Vader in de hemel: En nu kennen we God als onze Vader in de hemel. Onze leer biedt een religie waarin de gelovige een kind van God is. Dat is het goede nieuws van het evangelie van het hemelse koninkrijk. Naast de Vader bestaan de Zoon en de Spirit, en de openbaring van de aard en de dienstverlening / missie van deze Paradijsgoden zal blijven groeien en verhelderen gedurende de eindeloze eeuwen van de eeuwige spirituele vooruitgang van de opklimmende kinderen van God. Te allen tijde en in alle eeuwen zal de ware godsverering van ieder mens — waar het diens individuele spirituele vooruitgang betreft — door de inwonende Mentor-Spirit erkend worden als eerbetoon aan de Vader in de hemel.

Nooit eerder waren de apostelen zo geschokt als toen ze dit verhaal hoorden over de groei van het Godsbegrip in de Joodse mind van voorgaande generaties. Ze waren te verbijsterd om vragen te stellen. Terwijl ze in stilte voor Jezus zaten, vervolgde de Meester: “En jullie zouden deze waarheden hebben geweten als jullie de Schrift haddden gelezen. Hebben jullie niet in Samuel gelezen waar staat: ‘En de toorn van de Heer ontbrandde tegen Israël, zozeer zelfs dat Hij David tegen hen opzette en zei: Ga Israël en Juda tellen.’ En dit was niet vreemd, want in de dagen van Samuel geloofden de kinderen van Abraham echt dat Jahweh zowel het goede als het kwade schiep. Maar toen een latere schrijver deze gebeurtenissen vertelde, na de verbreding van het Joodse concept van de aard van God, durfde hij Jahweh geen kwaad toe te schrijven. Daarom zei hij: ‘En Satan keerde zich tegen Israël en daagde David uit om Israël te tellen.’ Kunnen jullie niet inzien dat dergelijke verslagen in de Schrift duidelijk laten zien hoe het concept van de aard van God van generatie op generatie bleef groeien?”

“Opnieuw hadden julle daar de groei van het begrip van de goddelijke wet moeten kunnen zien, in perfecte overeenstemming met deze zich uitbreidende concepten van goddelijkheid. Toen de kinderen van Israël uit Egypte kwamen in de dagen vóór de uitgebreide openbaring van Jahweh, hadden ze tien geboden die als hun wet dienden tot aan de tijd dat ze gelegerd waren voor de Sinaï. En deze tien geboden waren:

  1. “U zult geen andere god aanbidden, want de Heer is een jaloerse God.”
  2. “U zult geen gegoten goden maken.”
  3. “U zult het feest van de ongezuurde broden niet nalaten.”
  4. “Van alle mannelijke mensen en runderen zijn de eerstgeborenen van Mij, zegt de Heer.”
  5. “Zes dagen mag u werken, maar op de zevende dag moet u rusten.”
  6. “U mag het feest van de eerstelingen [het eerste fruit] en het feest van de inzameling / oogst aan het einde van het jaar niet nalaten.”
  7. “U mag het bloed van geen enkel offer met gezuurd brood offeren.”
  8. “Het offer van het Pesachfeest mag niet tot de morgen blijven liggen.”
  9. “De eerstelingen van de eerste vruchten van de grond zult u naar het huis van de Heer, uw God, brengen.”
  10. “U zult een bokje niet koken in de melk van zijn moeder.” [ Zie hier voor een verklaring van dit “voorschrift”, idem hier , en hier , en hier]

“En toen, te midden van de donderslagen en bliksemschichten van de Sinaï, gaf Mozes hun de nieuwe tien geboden, die u allen zult beschouwen als waardiger uitspraken om de zich uitbreidende Jahweh-concepten van Godheid te begeleiden. En hebben jullie nooit opgemerkt bij deze geboden zoals ze tweemaal in de Schrift zijn opgetekend, dat in het eerste geval de bevrijding uit Egypte wordt aangewezen als de reden voor het houden van de sabbath, terwijl in een later verslag de opkomende religieuze overtuigingen van onze voorouders vereisten dat dit werd veranderd in de erkenning van het feit van de schepping als de reden voor het houden van de sabbath?”

“En zulllen jullie je dan herinneren dat nogmaals -in de grotere spirituele verlichting in de tijd van Jesaja- deze tien negatieve geboden werden veranderd in de grote en positieve wet van liefde, het gebod om God boven alles lief te hebben en uw naaste als uzelf. En het is deze opperste wet van liefde voor God en voor de mens die ik ook aan jullie verklaar als de gehele plicht van de mens.”

En toen hij uitgesproken was, stelde niemand hem een vraag. Ze gingen allemaal slapen.

Flavius en de Griekse cultuur

Flavius, de Griekse Jood, was een proseliet van de poort, aangezien hij noch besneden noch gedoopt was. En aangezien hij een groot liefhebber was van het schone in kunst en beeldhouwkunst, was het huis dat hij bewoonde tijdens zijn verblijf in Jeruzalem een prachtig gebouw. Dit huis was voortreffelijk versierd met objecten van onschatbare waarde die hij hier en daar had verzameld tijdens zijn wereldreizen. Toen hij er voor het eerst aan dacht Jezus bij hem thuis uit te nodigen, vreesde hij dat de Meester aanstoot zou nemen aan de aanblik van deze zogenaamde beelden [in de zin van: afgods-beelden]. Maar Flavius was aangenaam verrast toen Jezus het huis binnenkwam en hem niet berispte omdat hij deze zogenaamd afgodische voorwerpen door het huis verspreid had liggen, maar juist grote interesse toonde in de hele collectie en vele waarderende vragen stelde over elk voorwerp terwijl Flavius hem van kamer naar kamer begeleidde en hem al zijn favoriete beelden liet zien.

De Meester zag dat zijn gastheer verbijsterd was door zijn vriendelijke houding tegenover kunst. Daarom, toen ze klaar waren met het overzien van de hele collectie, zei Jezus: “Omdat je de schoonheid waardeert van dingen die door mijn Vader zijn geschapen en door de artistieke handen van de mens zijn gevormd, waarom zou je dan verwachten berispt te worden? Omdat Mozes ooit probeerde afgoderij en de aanbidding van valse goden te bestrijden? Waarom zouden alle mensen dan nu moeten neerkijken op de reproductie van gratie en schoonheid? Ik zeg je, Flavius, de kinderen van Mozes hebben hem verkeerd begrepen en maken nu zelfs valse goden van zijn verboden op afbeeldingen en de gelijkenis van dingen in de hemel en op aarde [ zelfs het verbod is zelf weer een “valse god” geworden ]. Maar zelfs als Mozes zulke beperkingen onderwees aan het verduisterde verstand van die dagen, wat heeft dat te maken met deze dag waarop de Vader in de hemel wordt geopenbaard als de universele Spirituele Heerser over alles? En, Flavius, ik verklaar dat ze in het komende koninkrijk niet langer zullen leren: ‘Aanbid dit niet en aanbid dat niet’. Ze zullen zich niet langer bezighouden met geboden om dit na te laten en met ervoor te zorgen dat ze dat niet doen, maar zullen zich in plaats daarvan allemaal bezighouden met één opperste plicht. En deze plicht van de mens komt tot uiting in twee grote voorrechten:

  1. oprechte aanbidding van de oneindige Schepper, de Paradijs-Vader, en
  2. liefdevolle dienstbaarheid aan de medemens. Als je je naaste liefhebt zoals je jezelf liefhebt, weet je echt dat je een kind van God bent.”

“In een tijdperk waarin mijn Vader niet goed begrepen werd, was Mozes gerechtvaardigd in zijn pogingen om afgoderij te weerstaan, maar in het komende tijdperk zal de Vader geopenbaard zijn in het leven van de Zoon. En deze nieuwe openbaring van God zal het voor altijd overbodig maken om de Schepper-Vader te verwarren met stenen afgoden of beelden van goud en zilver. Voortaan kunnen intelligente mensen genieten van de schatten van de kunst zonder zulke materiële waardering voor schoonheid te verwarren met de aanbidding van en dienstverlening aan de Vader in het Paradijs, de God van alle dingen en alle wezens.”

Flavius geloofde alles wat Jezus hem leerde. De volgende dag ging hij naar Bethanië aan de overkant van de Jordaan en werd gedoopt door de discipelen van Johannes de Doper. En dit deed hij omdat de apostelen van Jezus nog geen gelovigen doopten. Toen Flavius terugkeerde naar Jeruzalem, gaf hij een groot feestmaal voor Jezus en nodigde zestig van zijn vrienden uit. En velen van deze gasten gingen ook geloven in de boodschap van het komende koninkrijk.

De toespraak over zekerheid

Een van de grote toespraken die Jezus in de tempel hield tijdens deze Pesachweek, was een antwoord op een vraag van een van zijn toehoorders, een man uit Damascus. Deze man vroeg Jezus: “Maar, Rabbi, hoe zullen wij zeker weten dat u door God gezonden bent en dat wij werkelijk dit koninkrijk mogen binnengaan, waarvan u en uw discipelen verklaren dat het nabij is?”

En Jezus antwoordde:

“Wat mijn boodschap en de leer van mijn discipelen betreft, moet u ze beoordelen op hun vruchten. Als wij u de waarheden van de spirit verkondigen, zal de spirit in uw harten getuigen dat onze boodschap authentiek is. Wat betreft het koninkrijk en uw verzekering van aanvaarding door de hemelse Vader, laat me vragen welke vader onder u, die een waardige en goedhartige vader is, zijn zoon in angst of spanning zou houden over zijn status in het gezin of zijn veilige plaats in de genegenheid van zijn vaders hart? Scheppen jullie aardse vaders er genoegen in jullie kinderen te kwellen met onzekerheid over hun plaats van blijvende liefde in jullie menselijke harten? Zo laat ook jullie Vader in de hemel Zijn geloofskinderen van spirit niet in twijfelachtige onzekerheid over hun positie in het koninkrijk. Als jullie God als jullie Vader aannemen, dan zijn jullie waarlijk en in waarheid kinderen van God. En als jullie Zijn kinderen zijn, dan zijn jullie zeker van de positie en status van alles wat op eeuwige en goddelijke kinderen betrekking heeft. Als jullie mijn woorden geloven, geloven jullie daarmee in Hem die mij gezonden heeft, en door aldus in de Vader te geloven, hebben jullie je status in het hemelse burgerschap zeker gesteld. Als jullie de wil van de Vader in de hemel doen, zullen jullie nooit falen in het bereiken van het eeuwige leven van vooruitgang in het goddelijk koninkrijk.”

“De Allerhoogste Spirit zal met de bij u inwonende mentor-spirit getuigen dat u waarlijk kinderen van God bent. En indien u kinderen van God bent, dan bent u geboren uit de spirit van God; en al wie uit de spirit geboren is, heeft in zichzelf de kracht om alle twijfel te overwinnen, en dit is de overwinning die alle onzekerheid overwint, namelijk uw geloof.

“De profeet Jesaja zei over deze tijden: ‘Wanneer de Spirit van boven over ons wordt uitgestort, zal het werk van gerechtigheid worden tot vrede, rust en zekerheid voor altijd.’ En voor allen die werkelijk in dit evangelie geloven, zal ik borg staan voor hun ontvangst in de eeuwige genade en in het eeuwige leven in het koninkrijk van mijn Vader. Jullie dus, die deze boodschap horen en in dit evangelie van het koninkrijk geloven, zijn de kinderen van God, en jullie hebben het eeuwige leven; en het bewijs voor de hele wereld dat jullie uit de spirit geboren zijn, is dat jullie oprecht van elkaar houden.”

De menigte luisteraars bleef vele uren bij Jezus, stelde hem vragen en luisterde aandachtig naar zijn troostende antwoorden. Zelfs de apostelen werden door het onderricht van Jezus aangemoedigd om het evangelie van het koninkrijk met meer kracht en zekerheid te verkondigen. Deze ervaring in Jeruzalem was een grote inspiratiebron voor de twaalf. Het was hun eerste contact met zulke enorme menigten, en ze leerden veel waardevolle lessen die van grote hulp bleken bij hun latere werk.

Het bezoek van Nicodemus

Op een avond kwam een zekere Nicodemus, een rijk en oud lid van het Joodse Sanhedrin, naar het huis van Flavius om Jezus te zien. Hij had veel gehoord over de leringen van deze Galileeër, en daarom ging hij op een middag naar hem luisteren bij de tempel. Hij zou vaak naar het onderricht van Jezus zijn gegaan, maar hij was bang om gezien te worden door de mensen die zijn onderricht bijwoonden, want de Joodse leiders waren al zo in onmin met Jezus dat geen enkel lid van het Sanhedrin openlijk met hem geïdentificeerd wilde worden. En zo had Nicodemus met Andreas afgesproken om Jezus privé te ontmoeten, na zonsondergang op die specifieke avond. Petrus, Jakobus en Johannes waren in de tuin van Flavius toen het gesprek begon, maar later gingen ze allemaal naar het huis waar het gesprek werd voortgezet.

Bij het ontvangen van Nicodemus toonde Jezus geen bijzondere eerbied. In zijn gesprekken met hem was er geen sprake van compromis of onnodige overredingskracht. De Meester deed geen poging zijn geheime bezoeker af te weren, noch gebruikte hij sarcasme. In al zijn omgang met de voorname bezoeker was Jezus kalm, ernstig en waardig. Nicodemus was geen officiële afgevaardigde van het Sanhedrin. Hij kwam Jezus uitsluitend bezoeken vanwege zijn persoonlijke en oprechte interesse in de leringen van de Meester.

Nadat Flavius hem had voorgesteld, zei Nicodemus: “Rabbi, wij weten dat u een leraar bent, gezonden door God, want geen mens zou zo kunnen onderwijzen, tenzij God met hem was. En ik wil graag meer weten over uw leringen over het komende koninkrijk.”

Jezus antwoordde Nicodemus: “Voorwaar, voorwaar, ik zeg u, Nicodemus, tenzij iemand opnieuw geboren wordt, in spirit, van boven, kan hij het koninkrijk van God niet zien.” Toen antwoordde Nicodemus: “Maar hoe kan een mens opnieuw geboren worden als hij oud is? Hij kan niet voor de tweede keer in de schoot van zijn moeder ingaan om geboren te worden.”

Jezus zei: “Toch verklaar ik u, tenzij iemand uit de spirit geboren wordt, kan hij het koninkrijk van God niet binnengaan. Wat uit het lichaam geboren is, is lichaam, en wat uit de spirit geboren is, is spirit. Maar u moet zich niet verbazen dat ik zei dat u van boven geboren moet worden. Als de wind waait, hoort u het geritsel van de bladeren, maar u ziet de wind niet – waar hij vandaan komt of waar hij heen gaat – en zo is het met iedereen die uit de spirit geboren is. Met de ogen van het lichaam kunt u de manifestaties van de spirit aanschouwen, maar u kunt de spirit niet werkelijk onderscheiden.”

Nicodemus antwoordde: “Maar ik begrijp het niet – hoe kan dat?” Jezus zei: “Kan het zijn dat je een leraar in Israël bent en toch onwetend van dit alles? Het wordt dan de plicht van hen die de realiteiten van de spirit kennen om deze dingen te openbaren aan hen die alleen de manifestaties van de materiële wereld onderscheiden. Maar zul je ons geloven als we je over de hemelse waarheden vertellen? Heb je de moed, Nicodemus, om te geloven in iemand die uit de hemel is neergedaald, namelijk de MensenZoon?”

En Nicodemus zei: “Maar hoe kan ik beginnen deze spirit te grijpen die mij moet herscheppen ter voorbereiding op het binnengaan in het koninkrijk?” Jezus antwoordde: “De spirit van de Vader in de hemel woont al in je.” Als je door deze spirit van boven zou worden geleid, zou je al snel beginnen te zien met de ogen van de spirit, en dan, door de oprechte keuze voor spirituele leiding, zou je uit de spirit geboren worden, aangezien je enige doel in het leven zou zijn om de wil te doen van je Vader in de hemel. En als je je dan geboren zou voelen uit de spirit en gelukkig in het koninkrijk van God, zou je in je dagelijks leven de overvloedige vruchten van de spirit gaan dragen.”

Nicodemus was volkomen oprecht. Hij was diep onder de indruk, maar ging verbijsterd weg. Nicodemus was bedreven in zelfontwikkeling, zelfbeheersing en zelfs in hoge morele kwaliteiten. Hij was verfijnd, egoïstisch en altruïstisch; maar hij wist niet hoe hij zijn wil moest onderwerpen aan de wil van de goddelijke Vader, zoals een klein kind bereid is zich te onderwerpen aan de leiding en richting van een wijze en liefhebbende aardse vader, en zo in werkelijkheid een kind van God te worden, een progressieve erfgenaam van het eeuwige koninkrijk.

Maar Nicodemus verzamelde wel voldoende geloof om het koninkrijk te ‘grijpen’. Hij protesteerde zwakjes toen zijn collega’s van het Sanhedrin Jezus probeerden te veroordelen zonder verhoor. En samen met Jozef van Arimathea erkende hij later moedig zijn geloof en eiste hij het lichaam van Jezus op, zelfs toen de meeste discipelen in angst waren gevlucht van de plaats waar het laatste lijden en de dood van hun Meester zich afspeelde.

De les over het gezin

Na de drukke periode van onderricht en persoonlijk werk in de Pesachweek in Jeruzalem, bracht Jezus de volgende woensdag met zijn apostelen door in Bethanië, waar hij uitrustte. Die middag stelde Thomas een vraag die een lang en leerzaam antwoord uitlokte. Thomas zei: “Meester, op de dag dat wij werden aangemerkt als ambassadeurs van het koninkrijk, hebt u ons veel verteld en ons onderwezen over onze persoonlijke levenswijze, maar wat zullen wij de menigte leren? Hoe moeten deze mensen leven nadat het koninkrijk vollediger is gekomen? Zullen uw discipelen slaven bezitten? Zullen uw gelovigen armoede nastreven en bezit mijden? Zal alleen genade zegevieren, zodat wij geen wet en gerechtigheid meer zullen hebben?” Jezus en de twaalf brachten de hele middag en die hele avond, na het avondeten, door met het bespreken van de vragen van Thomas. Voor dit verslag presenteren we de volgende samenvatting van de instructies van de Meester:

Jezus probeerde zijn apostelen eerst duidelijk te maken dat hijzelf op aarde een uniek leven in een sterfelijk lichaam leidde, en dat zij, de twaalf, geroepen waren om deel te nemen aan deze ervaring van de Mensenzoon. En als zulke medewerkers moesten ook zij delen in veel van de speciale beperkingen en verplichtingen van de hele missie en ervaring. Er was een wat versluierde aanwijzing dat de Mensenzoon de enige persoon was die ooit op aarde had geleefd die tegelijkertijd in het hart van God zelf en in de diepten van de menselijke ziel kon kijken.

Jezus legde heel duidelijk uit dat het hemelse koninkrijk een evolutionaire ervaring was, die hier op aarde begon en via opeenvolgende levensfasen opklom naar het Paradijs. In de loop van de avond verklaarde hij nadrukkelijk dat hij in een toekomstig stadium van de ontwikkeling van het koninkrijk opnieuw een bezoek zou brengen aan deze wereld in spirituele kracht en goddelijke glorie.

Vervolgens legde hij uit dat het ‘koninkrijksidee’ niet de beste manier was om de relatie van de mens tot God te illustreren. Hij legde uit dat hij dergelijke beeldspraak gebruikte omdat het Joodse volk het koninkrijk verwachtte, en omdat Johannes de Doper had gepredikt in termen van het komende koninkrijk. Jezus zei: “De mensen van een ander tijdperk zullen het evangelie van het koninkrijk beter begrijpen wanneer het wordt gepresenteerd in termen die de familierelatie uitdrukken, wanneer de mens religie begrijpt als de leer van het vaderschap van God en de broederschap van de mens, zoonschap met God.”

Vervolgens sprak de Meester uitgebreid over het aardse gezin als een illustratie van het hemelse gezin, waarbij hij de twee fundamentele wetten van het leven herhaalde: het eerste gebod van liefde voor de vader, het hoofd van het gezin, en het tweede gebod van wederzijdse liefde onder de kinderen, namelijk om je broeder lief te hebben als jezelf. En vervolgens legde hij uit dat een dergelijke kwaliteit van broederlijke genegenheid zich steevast zou manifesteren in onzelfzuchtige en liefdevolle maatschappelijke dienstverlening.

Daarna volgde de gedenkwaardige bespreking van de fundamentele kenmerken van het gezinsleven en hun toepassing op de relatie tussen God en mens. Jezus stelde dat een waar gezin gebaseerd is op de volgende zeven feiten:

  1. Het Feit Van Het Bestaan: De relaties van de natuur en onze sterfelijke vorm en verschijning [het lichaam] zijn nauw verbonden met het gezin: Kinderen erven bepaalde ouderlijke trekken. De kinderen vinden hun oorsprong in de ouders; het bestaan van de persoonlijkheid hangt af van de handeling van de ouder. De relatie tussen ouder en kind is inherent aan de hele natuur en doordringt alle levende wezens.
  2. Veiligheid En Plezier: Echte vaders [dit heeft natuurlijk net zo goed betrekking op moeders, maar Jezus wil waarschijnlijk de toepassing op de relatie tussen God en de mens benadrukken] scheppen er veel plezier in om in de behoeften van hun kinderen te voorzien. Veel vaders zijn niet tevreden met het louter voorzien in de behoeften van hun kinderen, maar genieten ervan om ook in hun plezier te voorzien.
  3. Onderwijs En Opleiding: Wijze vaders plannen zorgvuldig de opleiding en adequate training van hun zonen en dochters. Als ze jong zijn, worden ze voorbereid op de grotere verantwoordelijkheden van hun latere leven.
  4. Discipline En Zelfbeheersing: Vooruitziende vaders zorgen ook voor de nodige discipline, begeleiding, correctie en soms zelfbeheersing van hun jonge en onvolwassen nakomelingen.
  5. Kameraadschap En Loyaliteit: De liefhebbende vader onderhoudt intieme en liefdevolle omgang met zijn kinderen. Zijn oor staat altijd open voor hun gebeden; hij is altijd bereid hun ontberingen te delen en hen bij te staan in hun moeilijkheden. De vader is bovenal geïnteresseerd in het toenemende welzijn van zijn nakomelingen.
  6. Liefde En Genade: Een meelevende vader is vergevingsgezind zonder er iets voor terug te vragen; vaders koesteren geen wraakzuchtige herinneringen aan hun kinderen. Vaders zijn niet zoals rechters, vijanden of schuldeisers. Echte gezinnen zijn gebouwd op tolerantie, geduld en vergevingsgezindheid.
  7. Voorziening Voor De Toekomst: Tijdelijke vaders laten graag een erfenis na voor hun zonen. Het gezin gaat van generatie op generatie door. De dood beëindigt slechts één generatie om het begin van een volgende te markeren. De dood beëindigt een individueel leven, maar niet noodzakelijkerwijs het gezin.

Urenlang besprak de Meester de toepassing van deze kenmerken van het gezinsleven op de relaties van de mens, het aardse kind, tot God, de Paradijs-Vader. En dit was zijn conclusie: “Deze hele relatie van een zoon tot de Vader ken ik in volmaaktheid, want alles wat jij van het zoonschap moet bereiken in de eeuwige toekomst heb ik nu al bereikt. De MensenZoon is bereid op te stijgen naar de rechterhand van de Vader, zodat in mij de weg is, nu nog wijder openstaand voor jullie allen om God te zien en, voordat jullie de glorieuze groei en opklimming hebben voltooid, volmaakt te worden, zoals jullie Vader in de hemel volmaakt is.”

Toen de apostelen deze schokkende woorden hoorden, herinnerden ze zich de uitspraken die Johannes deed ten tijde van de doop van Jezus, en ze herinnerden zich deze ervaring later ook levendig in verband met hun prediking en onderricht na de dood en opstanding van de Meester.

Jezus is een goddelijke Zoon, iemand die het volledige vertrouwen van de Universele Vader geniet. Hij was bij de Vader geweest en begreep Hem volledig. Hij had nu zijn aardse leven geleefd tot volle tevredenheid van de Vader, en deze incarnatie in een sterfelijk lichaam had hem in staat gesteld de mens volledig te begrijpen. Jezus was de volmaaktheid van de mens. Hij had precies die volmaaktheid bereikt die alle ware gelovigen in hem en door hem voorbestemd zijn te bereiken. Jezus openbaarde een God van volmaaktheid aan de mens en presenteerde zichzelf aan God als de volmaakte zoon van alle werelden.

Hoewel Jezus enkele uren sprak, was Thomas nog niet tevreden, want hij zei: “Maar, Meester, wij vinden niet dat de Vader in de hemel altijd vriendelijk en barmhartig met ons omgaat. Vaak lijden wij zwaar op aarde, en onze gebeden worden niet altijd verhoord. Waar begrijpen wij de betekenis van uw leer niet?”

Jezus antwoordde: “Thomas, Thomas, hoe lang duurt het nog voordat je het vermogen verwerft om te luisteren met het oor van de spirit? Hoe lang zal het duren voordat je inziet dat dit koninkrijk een spiritueel koninkrijk is, en dat mijn Vader ook een spiritueel wezen is? Begrijp je niet dat ik jullie onderwijs als spirituele kinderen in de spirituele familie van de hemel, waarvan de Vader een oneindige en eeuwige spirit is? Sta je me niet toe de aardse familie te gebruiken als illustratie van goddelijke relaties zonder mijn leer letterlijk toe te passen op materiële zaken? Kun je in je gedachten de spirituele realiteiten van het koninkrijk niet scheiden van de materiële, sociale, economische en politieke problemen van deze tijd? Als ik de taal van de spirit spreek, waarom blijf je dan mijn bedoeling vertalen in de taal van het lichaam, juist omdat ik alledaagse en letterlijke relaties gebruik ter illustratie? Mijn kinderen, ik smeek jullie om te stoppen met het toepassen van de leer van het koninkrijk van de spirit op de smerige zaken van slavernij, armoede, huizen en landerijen, en op de materiële problemen van menselijke (on)gelijkheid en (on)rechtvaardigheid. Deze tijdelijke zaken zijn de zorg van de mensen van deze wereld, en hoewel ze in zekere zin alle mensen aangaan, zijn jullie geroepen om mij in de wereld te vertegenwoordigen, zoals ik mijn Vader vertegenwoordig. Jullie zijn spirituele ambassadeurs van een spiritueel koninkrijk, speciale vertegenwoordigers van de spirituele Vader. Omstreeks deze tijd zou het voor mij nu toch mogelijk moeten zijn om jullie te onderwijzen als volwassen mannen van het spirituele koninkrijk. Moet ik jullie altijd alleen nog maar als kinderen aanspreken? Zullen jullie nooit opgroeien in spirituele waarneming? Niettemin heb ik jullie lief en zal ik jullie verdragen, zelfs tot het einde van onze omgang in mijn sterfelijke lichaam. En zelfs dan zal mijn spirit jullie voorgaan in de hele wereld.”

In Zuid-Judea

Tegen het einde van april was de tegenstand tegen Jezus onder de Farizeeën en Sadduceeën zo hevig geworden dat de Meester en zijn apostelen besloten Jeruzalem voor een tijdje te verlaten en naar het zuiden te gaan om in Bethlehem en Hebron te werken. De hele maand mei werd besteed aan persoonlijk werk in deze steden en onder de mensen van de omliggende dorpen. Er werd tijdens deze reis niet in het openbaar gepredikt, alleen huis-aan-huisbezoeken. Een deel van deze tijd, terwijl de apostelen het evangelie onderwezen en de zieken verzorgden, brachten Jezus en Abner door in Engedi, waar ze de Nazireeërkolonie bezochten. Johannes de Doper was vanuit deze plaats vertrokken en Abner was het hoofd van deze groep. Velen van de Nazireeër-broederschap gingen in Jezus geloven, maar de meerderheid van deze ascetische en excentrieke mannen weigerde hem te accepteren als een uit de hemel gezonden leraar, omdat hij geen vasten en andere vormen van zelfverloochening onderwees.

De mensen die in deze streek woonden, wisten niet dat Jezus in Bethlehem geboren was. Ze namen altijd aan dat de Meester in Nazareth geboren was, net als de overgrote meerderheid van zijn discipelen, maar de twaalf kenden de feiten.

Dit verblijf in het zuiden van Judea was een rustgevende en vruchtbare periode van arbeid. Veel zielen werden aan het koninkrijk toegevoegd. Tegen de eerste dagen van juni was de agitatie tegen Jezus in Jeruzalem zo bedaard dat de Meester en de apostelen terugkeerden om de gelovigen te onderwijzen en te troosten.

Hoewel Jezus en de apostelen de hele maand juni in of nabij Jeruzalem doorbrachten, gaven ze gedurende deze periode geen openbaar onderwijs. Ze woonden grotendeels in tenten, die ze opsloegen in een schaduwrijk park of tuin, die in die tijd bekendstond als Gethsemane. Dit park lag op de westelijke helling van de Olijfberg, niet ver van de beek Kidron. De sabbath-weekenden brachten ze gewoonlijk door met Lazarus en zijn zusters in Bethanië. Jezus kwam slechts een paar keer binnen de muren van Jeruzalem, maar een groot aantal geïnteresseerde mensen kwam naar Gethsemane om hem te bezoeken. Op een vrijdagavond waagden Nicodemus en een zekere Jozef van Arimathea het erop om Jezus te bezoeken, maar keerden uit angst terug, zelfs nadat ze voor de ingang van de tent van de Meester hadden gestaan. En natuurlijk beseften ze niet dat Jezus alles van hun daden wist.

Toen de oversten/leiders van de Joden vernamen dat Jezus naar Jeruzalem was teruggekeerd, maakten zij zich op om hem te arresteren. Maar toen ze zagen dat hij niet in het openbaar predikte, concludeerden ze dat hij bang was geworden door hun eerdere opwinding en besloten ze hem toe te staan zijn onderwijs op deze privé-manier voort te zetten, zonder hem verder lastig te vallen. En zo verliepen de zaken rustig tot de laatste dagen van juni, toen een zekere Simon, een lid van het Sanhedrin, openlijk de leer van Jezus verkondigde, nadat hij zich aldus tegenover de Joodse leiders had uitgesproken. Er ontstond onmiddellijk een nieuwe opwinding om Jezus te arresteren, die zo sterk werd dat de Meester besloot zich terug te trekken naar de steden van Samaria en de Dekapolis.

Dit hoofdstuk is een nieuwe Nederlandse vertaling gebaseerd op Paper 142 van het Urantia Boek: https://www.urantia.org